2 Tessalonicenzen.

Khabouris codex.

2 Tessalonicenzen

De tweede brief van Paulos aan de Thesalonikoyee.

1:1-3:18

1.1 Paulos, en Sylvanos, en Timotheos, aan de samenkomst van de Thesalonikoyee, welke in Aloha onze Vader is, en onze Heer Jeshu Meshiha. 1.2 Genade zij met u, en vrede, van Aloha onze Vader, en van onze Heer Jeshu Meshiha. 1.3 Het betaamt ons dank te geven aan Aloha ten allen tijde namens u, mijn broeders, zoals het goed is, omdat uw geloof sterk toeneemt, en de liefde van u allen, van ieder tot zijn naaste, vergroot; 1.4 zo dat wij ook roemen van u in de samenkomsten van Aloha, van uw geloof en van uw geduld, in al uw vervolging en uw benauwing die gij verdraagt; 1.5 wat een demonstratie is van het juiste oordeel van Aloha, opdat gij moge gezien worden om waardig te zijn van zijn koninkrijk, omwille van welk gij lijd; 1.6 en of het rechtvaardig is om ellende te vergelden aan hen die u verdrukken. 1.7 En gij die verdrukt word zal hij redden met ons, op de openbaring van onze Heer Jeshu Meshiha uit de hemel, met een legermacht van zijn engelen, 1.8 wanneer hij de straf uitvoert, met brandend vuur, op hen die Aloha niet hebben erkend, en op hen die het goede nieuws van onze Heer Jeshu Meshiha niet hebben erkend. 1.9 Want dezen zullen in het oordeel worden gestraft met verlies van de ziel in eeuwigheid, uit de aanwezigheid van onze Heer, en uit de heerlijkheid van zijn kracht; 1.10 wanneer hij komt om verheerlijkt te worden in zijn heiligen, en om zijn wonderen te laten zien in zijn gelovigen, opdat onze getuigenis die aangaande u was zou worden geloofd in die dag. 1.11 Vanwege dit, bidden wij ten allen tijde voor u, dat Aloha u passend maakt voor uw roeping, en in u al het willen van goede dingen voltooid, en de werkingen van geloof met kracht; 1.12 opdat de naam van onze Heer Jeshu Meshiha moge worden verheerlijkt in u, en gij ook in hem, volgens de genade van Aloha en onze Heer Jeshu Meshiha. 2.1 Maar wij smeken u, mijn broeders, als het betreft de komst van onze Heer Jeshu Meshiha, en onze samenkomst met hem, 2.2 dat gij niet snel bewogen word in uw gedachten, noch verstoord, noch door woord, noch door geest, noch door enig schrijfsel, die zou zijn alsof het van ons ware geschreven, dat, Zie! de dag van onze Heer komende is! 2.3 Laat niemand u ooit misleiden, zelfs niet door één van deze methodes, omdat eerst de opstandigheid moet komen, en de mens der zonde onthuld worde, de zoon van het verderf; 2.4 hij die de tegenstander is, en zich verheven heeft boven alles , die Godheid word genoemd en eerbiedwaardig; zodat hij ook in de tempel van Aloha zal zitten zoals Aloha , en een vertoning zal maken van zichzelf alsof dat hij Aloha is. 2.5 Herinnert gij u niet, dat, toen ik met u was, ik u deze dingen verteld heb? 2.6 En nu, gij weet wat Hem weerhoud, dat hij moet worden onthuld op zijn tijd. 2.7 Want het mysterie der ongerechtigheid is reeds werkzaam; maar alleen moet dat wat Hem nu nog weerhoud, worden weggenomen vanuit het midden, 2.8 vervolgens zal dan de kwade geopenbaard worden, dewelke onze Heer Jeshu zal opeten door de geest van zijn mond, en inactief maken door de openbaring van zijn komst. 2.9 Want de komst van die kwade is de werking van satana, met alle macht, en met tekenen en valse wonderen, 2.10 en met alle onrechtvaardige misleiding die gedaan word in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde der waarheid niet hebben ontvangen door welke zij zouden kunnen gered zijn. 2.11 Daarom zal Aloha hen de werking van misleiding zenden, opdat zij de leugen zullen geloven, 2.12 en allen van hen zullen worden beoordeeld die niet in de waarheid hebben geloofd, maar welbehagen gehad hebben in ongerechtigheid. 2.13 En wij zijn gebonden om te allen tijde dank te geven aan Aloha voor u, onze broeders, geliefden in onze Heer, omdat Aloha u vanaf het begin gekozen heeft tot behoudenis, door heiliging van zijn geest, en door het geloof van de waarheid. 2.14 Want tot deze dingen heeft Aloha u geroepen door onze prediking, opdat gij de heerlijkheid zoude zijn van onze Heer Jeshu Meshiha. 2.15 Welnu, mijn broeders, staat vast, en volhard in de voorschriften die ge hebt geleerd, alsook door woord, of door onze brief. 2.16 En onze Heer Jeshu Meshiha zelf, en Aloha onze Vader, die ons heeft liefgehad, en ons eeuwige troost heeft gegeven, en een goede hoop door genade, 2.17 zal uw harten vertroosten, en u versterken in elk woord en in elk werk dat goed is. 3.1 Wat rest, mijn broeders, bid voor ons, opdat het woord van onze Heer zijn beloop kan hebben en nagekomen word in elke plaats, zoals ook onder u. 3.2 En dat we mogen gered worden van boze en verkeerde mensen; want niet elke mens heeft geloof. 3.3 Maar de Heer is getrouw, die u zal behouden en u bevrijden van het kwade. 3.4 En we vertrouwen aangaande u in onze Heer, dat wat wij u hebben geboden, gij gedaan hebt, en ook zult doen. 3.5 En onze Heer zal uw harten richten naar de liefde van Aloha, en naar het lijdzaam ondergaan van de Meshiha. 3.6 En wij bevelen u, mijn broeders, in de naam van onze Heer Jeshu Meshiha, dat u zich van elke broeder verwijdert die goddeloos wandelt, en niet volgens de voorschriften die hij van ons heeft ontvangen. 3.7 Want gij weet hoe het betaamt om ons te imiteren, die niet goddeloos wandelden onder u. 3.8 Noch aten we brood voor niets van om het even wie van u; maar met arbeid en vermoeidheid bij nacht en bij dag zwoegden we, opdat we op niemand van u tot een last zouden zijn. 3.9 Niet omdat we de macht niet hadden, maar omdat wij u onszelf zouden geven als een voorbeeld , opdat gij ons zou imiteren. 3.10 Want terwijl we met u waren, geboden we u dit reeds, dat eenieder die niet bereid is om te werken, ook niet zou moeten eten. 3.11 Want we horen dat er sommigen onder u zijn die goddeloos wandelen, en niets werken, tenzij ijdelheden. 3.12 Maar deze bevelen wij, en smeken van hen door onze Heer Jeshu Meshiha, dat zij met stilheid werken, en van hun eigen brood eten. 3.13 Maar gij, mijn broeders, word niet vermoeid in het doen wat goed is. 3.14 En als een mens niet luistert naar onze woorden in deze brief, laat dit een teken zijn van afscheiding van u, en word niet vermengd met hem, opdat hij beschaamd worde. 3.15 En houd hem niet als een vijand, maar vermaan hem als een broeder. 3.16 En de Heer van vrede zelf zal u altijd vrede geven, in elk ding. Onze Heer zij met u allen. 3.17 Shaloma, door het schrijven van mijn hand, ik Paulos, heb geschreven; hetwelk het teken is in al mijn brieven, zo schrijf ik. 3.18 De genade van Jeshu Meshiha zij met u allen,  mijn broeders. Amen.

Beëindigt is de tweede brief van Paulos aan de Thesalonikoyee, welke geschreven werd van Laodikia van Pisidia, en verzonden door de handen van Tykikos. 


Copyright en vertaling: 2008 Goethals Jean-Paul.