Openbaring van Jeshu Meshiha.

Khabouris codex.

Openbaring van Jeshu Meshiha.

De openbaring in naam van, de Vader, de Zoon, de Geest van heiligheid, één ware Aloha. De openbaring die werd gemaakt tot Juhanon de evangelist, van Aloha, op Pathamon het eiland, waarheen hij geworpen was door Nero Caesar.


I.1:1-1:20

1.1 De openbaring van Jeshu Meshiha, welke Aloha aan hem gaf, om aan zijn dienstknechten de dingen te laten zien die snel moeten gebeuren; en die hij bekend maakte, door zijn engel te zenden tot zijn dienstknecht Juhanon, 1.2  die het woord van Aloha getuigde en de getuigenis van Jeshu Meshiha, en alles wat hij zag. 1.3 Gezegend is hij die leest, en zij die de woorden horen dezer profetie, en deze dingen bewaren die erin geschreven zijn; want de tijd is genaderd. 1.4 Juhanon aan de zeven gemeenschappen die in Asia zijn: genade aan u en vrede van hem die is, en die was, en die komt; van de zeven geesten die voor zijn troon zijn; 1.5 en van Jeshu Meshiha die de getrouwe getuige is, de eerstgeborene vanuit de dood, en hoofd van de koningen van de aarde, die ons heeft liefgehad, en ons verlost heeft van onze zonden door zijn bloed, 1.6 en ons een priesterlijk koninkrijk heeft gemaakt tot Aloha zijn Vader; tot wie heerlijkheid is en heerschappij voor eeuwigdurend en altijd. Amen. 1.7 Zie! hij komt met de wolken, en alle ogen zullen hem zien, en ook zij die hem nagelden; en voor hem zullen alle stammen van de aarde treuren. Ja, amen! 1.8 Ik ben Olaph en Thau, zegt Aloha de heer, die is, en die was, en die komt, de Almachtige. 1.9 Ik, Juhanon uw broeder, en uw mede deelhebber in de ellende, en in het geduld, die in Jeshu Meshiha is, was op het eiland die Pathamon heet, voor het woord van Aloha en voor de getuigenis van Jeshu Meshiha. 1.10 Ik was in de geest op de dag des heren; en ik hoorde een grote stem achter mij als een trompet, zeggende, 1.11 wat gij ziet, schrijf het in een boek; en zend het aan de zeven gemeenschappen, op Ephesos, en op Smurna, en op Pergamos, en op Thiatira, en op Sardis, en op Philidaphia, en op Laodikia. 1.12 En ik draaide me om de stem te zien die met mij sprak; en gedraaid zijnde, zag ik zeven kandelaars van goud. 1.13 En in het midden van de kandelaren een die gelijk de zoon des mensen was, gekleed tot de voeten, en aan zijn borst omgord met een ornament van goud. 1.14 En zijn hoofd en haar was wit als wol, wit als sneeuw, en zijn ogen waren als een vlammend vuur, 1.15 en zijn voeten waren als verfijnde messing, die vlamde als in een oven, en zijn stem als de stem van vele wateren. 1.16 En hij had in zijn rechterhand zeven sterren; en van zijn mond ging een scherp zwaard uit met twee randen, en zijn gelaat was gelijk de zon schijnt in haar kracht. 1.17 En toen ik hem zag viel ik aan zijn voeten als dood, en hij legde zijn rechterhand op mij, zeggende, vrees niet: ik ben de Eerste en de Laatste; 1.18 en die leeft en die dood is geweest; en, zie! ik ben levend voor eeuwigdurend en altijd. Amen. En ik heb de sleutels van de dood en van sheul. 1.19 Schrijf, vervolgens, wat gij hebt gezien; en die dingen die zijn, en die dingen die zijn om na hen te zijn. 1.20  Dit is het mysterie van de zeven sterren die gij hebt gezien in mijn rechterhand, en van de zeven kandelaren van goud: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenschappen, en de zeven kandelaren zijn de zeven gemeenschappen.

II.2:1-2:29

2.1 Aan de engel van de gemeenschap die in Ephesos is, schrijf; deze dingen zegt de Houder van alles, en van de zeven sterren in zijn rechterhand, die voortschrijd in het midden van de zeven kandelaren van goud. 2.2 Ik weet uw daden, en uw gezwoeg, en uw geduld,en dat gij kwade mensen niet kunt dragen; en degenen getest hebt die zeggen dat ze apostelen zijn, maar het niet zijn, en gij hebt hen leugenaars bevonden. 2.3 En gij hebt geduld, en hebt gearbeid omwille van mijn naam, en zijt niet verflauwt. 2.4 Maar ik heb iets tegen u,  omdat gij uw eerste liefde verlaten hebt.2.5 Herinnert u, daarom, vanwaar gij gevallen zijt, en bekeert, en doe de eerste werken. Maar zoniet, zal ik snel tot u komen, en zal uw kandelaar van zijn plaats verwijderen, indien gij niet veranderd. 2.6 Maar dit hebt gij, dat gij de werken haat van de Nikolitu, welke ik ook haat. 2.7 Hij die oren heeft, laat hem horen wat de geest zegt tot de gemeenschappen. Aan hem die overwint zal ik te eten geven van de boom des levens, die in het paradijs is van mijn God. 2.8 En aan de engel van de gemeenschap die in Smurna is, schrijft: deze dingen zegt de Eerste en de Laatste, die dood was, en leeft. 2.9 Ik weet uw werken, en beproeving, en armoede, maar gij zijt rijk; en de godslastering van hen die van zichzelf zeggen dat zij Jihudoyee zijn, en het niet zijn, maar een synagoge zijn van satana. 2.10 Vrees geen ding dezer dingen die gij lijden zult; want, zie! het zal zijn dat de aanklager sommigen van u in de gevangenis zal werpen, zodat gij berecht zult worden; en gij zult tien dagen beproeving hebben. Zijt getrouw tot den dood, en ik zal u de kroon des levens geven. 2.11 Hij die oren heeft, laat hem horen wat de geest tot de gemeenschappen zegt. Hij die overwint zal niet verwond worden door de tweed dood. 2.12 En aan de engel van de gemeenschap die in Pergamos is, schrijft; deze dingen zegt hij die het scherpe zwaard heeft met twee randen. 2.13 Ik weet uw werken, en waar gij woont, waar de troon is van satana; en gij hebt mijn naam gehouden, en mijn geloof niet ontkend in die dagen wanneer mijn getuige was blootgesteld, mijn trouwe, die gedood werd onder u waar satana woont. 2.14 Maar ik heb een kleine zaak tegen u, omdat gij daar dezen hebt die de leer van Belam houden, die Balok onderwees om een struikelblok te werpen voor de zonen van Israël, om dat te eten die de zonen van de afgoden eten, en om ontucht te plegen. 2.15 Zo hebt gij ook die de leer van de Nikolitu houden: hiervan, op dezelfde wijze, 2.16 bekeert; en zo niet, zal ik snel tot u komen,  en zal strijden tegen hen met het zwaard van mijn mond. 2.17 Hij die oren heeft, laat hem horen wat de geest zegt tot de gemeenschappen. Aan hem die overwint zal ik te eten geven van het manna die verborgen is; en ik zal aan hem de witte steen geven, en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand weet dan hij die ontvangt. 2.18 En tot de engel en de gemeenschap die in Thiatira is, schrijft: deze dingen zegt de zoon van Aloha, die zijn ogen als vlammend vuur heeft, en zijn voeten als verfijnde messing. 2.19 Ik weet uw werken, en uw liefde en geloof en dienst, en ook uw geduld, en uw laatste werken zijn groter dan de eerste. 2.20 Maar ik heb tegen u dat gij uw vrouw Izabel toestaat, deze die zichzelf een profetes noemt, te onderwijzen; mijn dienaren te verleiden en ontucht te plegen, en te eten wat de zonen van afgoden eten. 2.21 En ik heb haar tijd gegeven dat zij zou omkeren, en ze wilde niet bekeren van haar hoererij. 2.22  Zie! ik werp haar te bed, en degenen die met haar overspel hebben gepleegd in grote ellende, als zij niet bekeren van hun werken. 2.23 En haar zonen zal ik doden met de dood, en alle gemeenschappen zullen weten dat ik hem ben die de zetel der gevoelens en de harten doorzoekt: en ik zal aan eenieder van u geven naar uw werken. 2.24 Maar ik zeg aan u, tot de rest van dezen die in Thiatira zijn, al dezen die deze leer niet hebben, de mensen die de diepten van satana niet weten, zoals ze spreken; ik zal op u geen andere last gooien; 2.25 maar dat wat gij hebt, houd het, totdat ik kom. 2.26 En hij die veroverd, en hij die mijn werken houd tot het einde, ik zal hem macht geven over de volkeren, 2.27 en hij zal hen hoeden met een staf van ijzer, en als een vat van de pottenbakker zullen zij worden vernietigd, zoals ook ik ontvangen heb van mijn vader; 2.28 en ik zal aan hem de morgenster geven. 2.29 Hij die oren heeft, laat hem horen wat de geest zegt tot de gemeenschappen.


III.3:1- 3:22

3.1 En aan de engel die in Sardis is schrijft; deze dingen zegt hij die de zeven geesten van Aloha heeft, en de zeven sterren: ik weet uw werken, dat gij een naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood. 3.2 Ontwaakt, en houd de overige dingen, die stervende zijn; want ik heb uw werken niet volmaakt gevonden voor mijn God. 3.3 Vergeet dan niet hoe gij hebt ontvangen, en luistert, en houd, en bekeert. En indien gij dan niet wilt ontwaken, zal ik tot  u komen als de dief, en gij zult niet weten in welk uur ik tot u kom. 3.4 Maar gij hebt enkele namen in Sardis die hun gewaden niet hebben verontreinigd; en zij zullen met mij wandelen in witte, omdat ze waardig zijn.

3.5 Hij die overwint zal bekleed worden met witte gewaden, en ik zal hun naam niet uitwissen uit het boek des levens; en ik zal hun naam belijden voor mijn vader, en voor zijn engelen. 3.6 Hij die oren heeft, laat hem horen wat de geest tot de gemeenschappen zegt. 3.7 En aan de engel van de gemeenschap die in Philidaphia is schrijft: deze dingen zegt de Heilige, de Ware, die de sleutel van David heeft; die opent en geen mens sluit, en die sluit en geen mens opent. 3.8 Ik weet uw werken; en zie! ik heb voor u een open deur gegeven, die geen mens kan sluiten; omdat gij een beetje kracht hebt, en mijn woord bewaard hebt, en mijn naam niet ontkend hebt. 3.9 Zie! ik zal geven van de synagoge van satana, dezen die zeggen dat ze Jihudoyee zijn, en niet zijn, maar liegen; zie! ik zal hen doen komen en aanbidden voor uw voeten, en zij zullen weten dat ik u liefgehad heb.

3.10  Omdat gij het woord van mijn geduld bewaard hebt, zal ik u bewaren van het uur van verzoeking, welke komende is over geheel de bewoonbare wereld, om hen te testen die op de aarde wonen. 3.11 Ik kom spoedig. Houd dat die gij hebt, opdat geen mens uw kroon neme. 3.12 Hem die overwint zal ik tot een steunpilaar maken in de tempel van mijn God, en nee hij zal er niet meer uitgaan; en ik zal op hem de naam van mijn God schrijven, en van het nieuwe Urishlim, die afdaalt uit de hemel van mijn God, en mijn nieuwen naam. 3.13 Hij die oren heeft, laat hem horen wat de geest tot de gemeenschappen zegt. 3.14 En aan de engel van de gemeenschap die in Laodikia is schrijft: dit zegt de Amen, de getuige, de getrouwe, de ware, het hoofd van de schepping van Aloha. 3.15 Ik weet uw werken, dat gij niet vurig zijt noch koel. Ik wou dat gij koel waart of vurig! 3.16 Dus, omdat gij onverschillig zijt, en niet vurig noch koel,  zal ik u uitbraken uit mijn mond. 3.17 Want gij zegt, ik ben rijk, en ben weelderig geworden, en heb niets nodig; en weet niet dat gij onvast zijt, en ellendig, en behoeftig, en blind, en naakt; 3.18 ik raad u aan om van mij goud te kopen, beproefd door vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte bekleding, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande van uw naaktheid niet gezien worde; en baad uw ogen met collyrium, opdat gij zien moogt. 3.19 Al degenen die ik liefheb, berisp ik en onderwijs: zijt daarom ijverig, en bekeert. 3.20 Zie! ik sta aan de deur en klop: indien enig mens mijn stem hoort, en de deur zal openen, ik zal in hem ingaan, en zal met hem avondmalen, en hij met mij. 3.21 En aan hem die overwint zal ik geven om met mij te zitten op mijn troon, gelijk ook ik heb overwonnen, en met mijn vader ben gezeten in zijn troon. 3.22 Hij die oren heeft, laat hem horen wat de geest tot de gemeenschappen zegt.

IV.4:1 – 4:11

4.1 Na deze dingen zag ik, en, zie! een open deur in de hemel. En de stem die ik eerst had gehoord, welke als een trompet met mij sprak, zei, kom op, hierheen, en ik zal u de dingen doen zien, die moeten zijn na deze dingen. 4.2  Tegelijk was ik in den geest: en, zag, een troon geplaatst in de hemel, en op de troon één die neerzat. 4.3 En hij die neerzat was naar de gelijkenis zoals de steen van jaspon, en van sardion, en den boog van de wolken was rond den troon, naar de gelijkenis van de verschijning zoals zmragda. 4.4 Rond de troon waren vier en twintig zetels; en op die zetels zaten vier en twintig ouderlingen, die gekleed waren in witte gewaden, en op hun hoofden kroontjes droegen van goud. 4.5 En van de troon gingen bliksemschichten uit en de stem van donders. En er waren zeven lampen van vuur welke branden voor zijn troon, welke de zeven geesten van Aloha zijn. 4.6 En voor de troon was een zee van helderheid zoals chrystalos; en in het midden van de troon, en rondom het, en voor de troon, vier levenden, die vol van ogen waren vóór en achter. 4.7 En de eerste levende was als een leeuw, en de tweede levende was als het kalf, en de derde levende had een gezicht als een mens, en de vierde levende was als de adelaar die vliegt. 4.8 En deze vier levenden, elk van hen, had zes vleugels rondom; en waren van binnen vol van ogen; en zij rusten niet dag en nacht zeggende, heilig, heilig, heilig, Here God almachtige, hij was, hij is, en hij komt. 4.9 En wanneer deze levenden heerlijkheid geven en eer en dankzegging tot hem die op de troon zit, aan hem die leeft voor eeuwigdurend en altijd, 4.10 vielen de vier en twintig ouderlingen voor hem die op de troon zit, en aanbaden hem die leeft voor eeuwigdurend en altijd, en wierpen hun kroontjes voor de troon, zeggende, 4.11 waardig zijt gij, o heer, en onze God de Heilige, om heerlijkheid te ontvangen en eer en kracht; want gij hebt alle dingen geschapen, en door uw hand zijn ze, en door uw wil waren ze en zijn geschapen.

V.5:1 – 5:14

5.1 En ik zag in de rechterhand van hem die op de troon zat een geschrift die beschreven was binnenin en op de achterkant, en verzegeld met zeven zegels. 5.2 En ik zag een machtige engel die met een geweldige stem afkondigde: wie is waardig om het geschrift te openen en de zegels daarvan los te maken? 5.3 En geen mens was bij machte in de hemel boven, noch op aarde, noch onder de aarde, om het geschrift te openen, of om het in te kijken 5.4 En ik huilde veel, omdat niemand kon gevonden worden die waardig was om het geschrift te openen, of om het in te kijken. 5.5 En één van de ouderlingen zei tot mij: huil niet meer; zie! de leeuw van de stam van Jihuda, die de wortel van David is, heeft gezegevierd. Hij zal het geschrift openen en de zeven zegels daarvan. 5.6 En ik zag, in het midden van de ouderlingen, een lammetje staan, als geslacht, welks zeven horens had en zeven ogen, dewelke de zeven geesten zijn van Aloha, die uitgezonden zijn naar de hele aarde. 5.7 En het kwam en nam het geschrift uit de rechterhand van hem die op de troon zat. 5.8 En toen het dat geschrift genomen had, vielen de vier levenden en de vier en twintig ouderlingen neer voor het lammetje, elk van hen harpjes hebbende, en brede ondiepe schaaltjes van goud vol van parfums, welke de gebeden zijn van de heiligen. 5.9 En zij zongen een nieuw gezang, zeggende, gij zijt waardig het geschrift te nemen, en de zegels daarvan te openen; omdat gij geslacht waart, en ons verlost hebt tot Aloha door uw bloed, vanuit elke stam en volkstong en volk en natie. 5.10 En gij hebt hen tot onze God koningen en priesters gemaakt, en regerende op de aarde. 5.11 En ik zag en hoorde de stem van vele engelen rond de troon, en de levenden, en de ouderlingen, en het aantal van hen was tien duizendmaal tienduizend, en duizenden van duizenden malen, 5.12 welke zeiden met een geweldige stem, waardig is het lammetje dat geslacht werd, om macht te ontvangen, en rijkdom, en wijsheid, en kracht, en eer, en heerlijkheid, en zegen, 5.13 en elk schepsel die in de hemel is, en op aarde, en onder de aarde, en in de zee, en allen die ook daarin zijn. En ik hoorde hem die op de troon zat zeggen: laat er zegen gegeven worden aan het lammetje, en eer, en heerlijkheid, en lof, en heerschappij, voor eeuwigdurend en altijd. 5.14 En de vier levenden zeiden: Amen! En de ouderlingen vielen neer, en aanbaden.

VI.6:1- 6:17

6.1 En ik zag, en toen het lammetje één van de zeven zegels had geopend. Hoorde ik een van de vier levenden spreken gelijk de stem des donders, Kom en zie! 6.2 En ik zag: en er was een wit paard; en hij die op het zat had een boog, en er werd aan hem een kroon gegeven; en hij ging uit veroverende, opdat hij zou kunnen veroveren. 6.3 En toen hij het tweede zegel had geopend, hoorde ik de tweede levende, die zei, kom! 6.4  En er ging een ander paard uit die rood was; en aan hem die op het zat was gegeven om de vrede te nemen van de aarde, en dat zij dus elkaar zouden doden; en er werd aan hem een groot zwaard gegeven. 6.5 En toen hij het derde zegel had geopend, hoorde ik de derde levende, zeggende: kom en zie! en ik zag, en zie, een zwart paard, en hij die op het zat had een paar weegschalen in zijn hand. 6.6 En ik hoorde een stem uit het midden van de vier levenden, zeggende, een choenix van tarwe voor een dinar; en drie choenix van gerst voor een dinar; en benadeel de olie en de wijn niet. 6.7 En toen hij het vierde zegel geopend had, hoorde ik de vierde levende, zeggende, kom, en zie! 6.8 En ik zag een vaalgroen paard, en hij die op het zat had de naam van dood, en Shiul volgde hem na. En er werd hem macht gegeven over het vierde van de aarde, om te doden met het zwaard, en met hongersnood, en met de dood, en met het getand beest van de aarde. 6.9 En toen hij het vijfde zegel had geopend, zag ik onder het altaar de zielen van hun die waren gedood voor het woord van Aloha, en om de getuigenis van het lammetje, die de hunne was geweest.  6.10 En zij riepen met een geweldige stem, zeggende, hoelang nog, o heer, Heilige waarachtige, dat gij niet oordeelt en ons bloed niet wreekt van degenen die op de aarde wonen? 6.11 En er werd aan elk van hen een wit gewaad gegeven, en hen werd verteld, dat zij nog een kleine tijd zouden rusten, totdat hun aantal mededienaars volledig zou zijn, hun broeders die gedood zullen worden gelijk ook zij (gedood) zijn. 6.12 En toen hij het zesde zegel had geopend zag ik, en er was een gewelddadige beroering; en de zon werd zwart als een harig rouwgewaad, en de maan werd als bloed; 6.13 en de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk de vijgenboom haar vijgen afgooit, wanneer zij door een machtige wind geschud wordt. 6.14 En de hemelen werden teruggetrokken gelijk een boekrol die opgerold word, en al de bergen en eilanden werden van hun plaatsen bewogen; 6.15 en de koningen en groten van de aarde, en de oversten van duizenden, en de rijken en de machtigen, en elke dienaar, en elke vrije mens, verborg zich in de grotten, en in de rotsen van de bergen, 6.16 zeggende tot de bergen en tot de rotsen, val op ons, en verbergt ons voor het aangezicht van hem die op de troon zit, en voor de toorn van het lammetje. 6.17 Want de grote dag van hun toorn is gekomen, en wie is in staat om te blijven staan?

VII.7:1-7:17

7.1 En na deze dingen, zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, de hand leggende op de vier winden der aarde, opdat de winden niet zouden blazen over de aarde, noch over de zee, noch over de bomen. 7.2 En ik zag een ander engel, en hij steeg op van de opgang van de zon; die het zegel had van Aloha de levende. En hij riep met een geweldige stem tot de vier engelen aan wie het was gegeven de aarde en de zee te pijnigen, zeggende, 7.3 pijnig de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat we de dienaren van onze God op hun voorhoofden hebben verzegeld. 7.4 En ik hoorde het aantal van hen die verzegeld waren, een honderd en veertig en vier duizenden, verzegelden van elke stam van Israël: 7.5 van de stam van Jihuda, twaalfduizend waren verzegeld; van de stam van Rubill, twaalfduizend; van de stam van Gad, twaalfduizend; 7.6 van de stam van Ashir, twaalfduizend; van de stam van Naphtoli, twaalfduizend; van de stam van Manasha, twaalfduizend; 7.7 van de stam van Shemun, twaalfduizend; van de stam van Levi, twaalfduizend; van de stam van Isokar, twaalfduizend; 7.8 van de stam van Zabolon, twaalfduizend; van de stam van Jauseph, twaalfduizend; van de stam van Benjomin, twaalfduizend werden verzegeld. 7.9 Na deze dingen zag ik, en zie! een grote veelheid, welke niemand in staat was te tellen, vanuit alle volken en naties en stammen en tongen, waren staande voor de troon en voor het lammetje, gekleed in witte gewaden, en met palmen in hun handen; 7.10 en, huilend met een grote stem, zeiden ze, zaligheid aan onze God! aan hem die op de troon zit, en aan het lammetje! 7.11 En al de engelen stonden rond de troon, en de ouderlingen, en de vier levenden; en zij vielen voor zijn troon op hun gezichten, en aanbaden Aloha, zeggende, 7.12 amen. Zegen en heerlijkheid, en wijsheid, en dankzegging, en eer, en macht, en kracht, aan onze God, voor eeuwig en altijd. Amen. 7.13 En een van de ouderlingen begon te spreken en zei tot mij: deze, die gekleed zijn in witte gewaden, wie zijn zij? en waar komen zij vandaan? 7.14 En ik zei tot hem, mijn heer, gij weet. En hij zei tegen mij, zij zijn het die gekomen zijn vanuit grote ellende, en hebben hun gewaden gewassen, en hen wit gemaakt in het bloed van het lammetje. 7.15 Vanwege dit zijn ze voor de troon van Aloha, en bedienen tot hem dag en nacht in zijn tempel. En hij die op de troon zit zal hen beschermen. 7.16 Zij zullen niet hongeren of dorsten, nooit meer, noch zal de zon neerkomen op hen, noch enige hitte; 7.17 want het is het lammetje die in het midden van de troon is die hen zal voeden, en hen zal leiden tot fonteinen van levende wateren, en Aloha zal alle tranen van hen ogen wegvegen.

VIII.8:1-8:13

8.1 En toen hij het zevende zegel had geopend, was er een stilte in de hemel, welke het uur verdeelde. 8.2 En ik zag de zeven engelen die voor Aloha stonden, en er werden aan hen zeven bazuinen gegeven. 8.3 En een andere engel kwam, en stond aan het altaar, en hij had een wierookbrander van goud, en veel geurigheden werden aan hem gegeven, welke hij met de gebeden van alle heiligen op het altaar van goud legde dat voor de troon is; 8.4 en de wolk van de geurigheden met de gebeden van de heiligen voer op uit de hand van de engel voor Aloha. 8.5 En de engel nam de wierookbrander, en vulde het met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde. En er waren donderslagen, en bliksemschichten, en lawaai, en bevingen. 8.6 En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden maakten zich klaar om te klinken. En de eerste klonk. 8.7 En er was hagel, en vuur vermengd met de wateren, en zij werden op de aarde geworpen; en het derde van de aarde verbrande, en het derde van de bomen verbrande, en al het groene kruid verbrande. 8.8 En de tweede engel klonk, en als een grote berg brandend vuur werd iets in de zee geworpen; en het derde van de zee werd bloed. 8.9 En het derde van alle wezens die in de zee waren, die leven hadden, stierf, en het derde van de schepen werden vernietigd. 8.10 En de derde engel klonk, en er viel uit de hemel een ster brandende als een lamp, en het viel op het derde van de rivieren, en op fonteinen van wateren. 8.11 En de naam van de ster heet Aphsinthos; en het derde van de wateren werd bitterheid, en vele mensen stierven van de wateren omdat ze bitter waren. 8.12 En de vierde engel klonk. En het derde van de zon werd schade toegebracht, en het derde van de maan, en het derde van de sterren, omdat het derde van hen moest verduisterd worden; en zij waren verduisterd, en een derde van de dag werd niet verlicht, en de nacht op dezelfde wijze. 8.13 En ik zag, en hoorde een adelaar, vliegende in het midden, een staart hebbende van bloed, zeggende met een geweldige stem, ellende, ellende, ellende, aan degenen die op de aarde wonen, wegens de stem der overige bazuinen van de drie engelen die nog van plan zijn te klinken.

9:1-9:21

9.1 En de vijfde engel klonk, en ik zag een ster die vanuit de hemel op de aarde viel; en aan hem werd de sleutel gegeven van de put van de abyss. 9.2 En hij opende de put van de abyss, en rook is opgestegen vanuit de put, als rook van een brandende oven; en de zon werd verduisterd, en de lucht, door de rook van de put. 9.3 En vanuit de rook kwamen sprinkhanen tevoorschijn op de aarde. En er werd macht gegeven aan hen, zoals de schorpioenen hebben op de aarde. 9.4 En er werd hen verteld, dat zij de graslanden van de aarde niet zouden pijnigen, noch enig groen ding, noch enige boom, maar enkel die mensen die het zegel van Aloha niet  hebben op hun voorhoofd. 9.5 En het werd hen verleend, niet dat zij hen zouden doden, maar hen vijf maanden lang zouden martelen. En hun marteling was als de marteling van een schorpioen wanneer hij een mens steekt. 9.6 En in die dagen zullen mensen de dood zoeken, maar zullen die niet vinden; en zullen verlangen om te sterven, en de dood zal van hen wegvluchten. 9.7 En de gelijkenis van die sprinkhanen was als dit; ze leken op de verschijning van paarden toebereid voor de strijd. En op hun hoofd was een kroon naar de gelijkenis van goud; en hun gezichten waren als de gezichten van mannen. 9.8 En ze hadden haar als het haar van vrouwen, en hun tanden waren als van leeuwen; 9.9 En ze hadden borstpantsers als borstharnassen van ijzer, en het geluid van hun vleugels was als het geluid van strijdwagens die met vele paarden naar de strijd rennen. 9.10 En zij hadden staarten zoals die van schorpioenen, en angels; en in hun staarten hebben ze kracht om mensen vijf maanden lang te pijnigen. 9.11 En ze hadden een koning over hen, de engel van de abyss, en zijn naam is in het Hebreeuws Abadon; maar in het Javanith is zijn naam Apolon. 9.12 Een ellende is weggegaan. Zie! twee ellendes komen er nog na. 9.13 En de zesde engel klonk. En ik hoorde één stem uit de hoornen van het altaar van goud die voor Aloha was, 9.14 zeggende tot de zesde engel die de trompet had, geef de vier engelen vrij die gebonden zijn in de grote rivier Phraat. 9.15 En de vier engelen werden vrijgegeven, zij die waren voorbereid voor een uur, en voor een dag, en voor een maand, en voor een jaar, om het derde van mensen te doden. 9.16 En het aantal van de heerschare der ruiters was twee myriaden van myriaden. Ik hoorde het aantal van hen. 9.17 En toen zag ik de paarden in het visioen, en van degenen die op hun zaten, zag ik dat ze borstharnassen hadden van vuur, en zirkoon en zwavel; en de koppen van de paarden waren als koppen van leeuwen, en van hun muilen ging vuur uit, en rook, en zwavel. 9.18 En door deze drie plagen werd het derde der mensen gedood; door het vuur, en door de rook, en door de zwavel dat van hun muilen uitging. 9.19 Want de kracht van de paarden is in hun muil en in hun staarten; want hun staarten waren zoals slangen die hoofden hadden, en met hen verwonden ze. 9.20 En de rest van de mensen die niet werden gedood door deze plagen, bekeerden zich niet van het werk van hun handen, dat zij de demonen niet zouden aanbidden en de afgoden van goud en van zilver en van messing en van steen en van hout, die niet kunnen zien of horen; 9.21 noch bekeerden zij van hun moorden, noch van hun hekserijen, noch van hun hoererijen, noch van hun stelerijen.

10:1-10:11

10.1 En ik zag een andere machtige engel afdalen vanuit de hemel, gekleed met een wolk, en de boog van de wolk was op zijn hoofd, en zijn gelaat was als de zon, en zijn voeten als pilaren van vuur. 10.2 En hij had in zijn hand een geopend boek; en hij zette zijn rechtervoet op de zee, maar de linkse op het land, 10.3 en schreeuwde met een geweldige stem, zoals het gebrul van een leeuw. En toen hij had geschreeuwd spraken zeven donderslagen hun stemmen. 10.4 En toen deze zeven donderslagen hadden gesproken, was ik van plan te schrijven. Maar ik hoorde een stem uit de hemel, die zei, verzegel deze dingen die de zeven donderslagen  hebben gesproken, en beschrijf hen niet. 10.5 En de engel die ik zag staan op de zee en op het land, hief zijn rechterhand op naar de hemel, 10.6 en zwoer bij hem die leeft voor eeuwig en altijd, die de hemel schiep en degenen die daarin zijn, en de aarde en degenen die daarin zijn, en de zee en degenen die daarin zijn, dat tijd niet meer zal zijn; 10.7 maar dat in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij van plan is te klinken, het mysterie van Aloha zal voltooid worden, zoals hij heeft verklaard aan zijn dienaars de profeten. 10.8 En de stem die ik uit de hemel hoorde sprak wederom met mij, en zei, ga! neem het boek die geopend is in de hand van de engel die op de zee en op het land staat. 10.9 En ik ging naar de engel, en zei tegen hem, geef mij het boek. En hij zei tegen mij, neem, en eet het; en het zal u uw buik verbitteren, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing. 10.10 En ik nam het boek uit de hand van de engel, en at het. En het was in mijn mond zo zoet als honing; en toen ik het had gegeten was mijn buik bitter gemaakt. 10.11 En hij zei tegen me: het betaamd u opnieuw te profeteren over vele naties, en over volkeren, en prinsen, en koningen.

11:1-11:19

11.1 En er werd mij een riet gegeven, gelijk een staf; en de engel stond, zeggende; sta op! Meet de tempel van Aloha, en het altaar, en hen die daarin aanbidden; 11.2 en laat de hof weg die buiten de tempel is, en meet het niet, omdat het gegeven is aan de heidenen, en de heilige stad zal worden vertrapt, gedurende twee en veertig maanden lang. 11.3 En ik zal mijn twee getuigen geven, en ze zullen profeteren, één duizend en twee honderd en zestig dagen, in rouwgewaad gekleed. 11.4 Dit zijn de twee olijfbomen en twee kandelaren die voor het aangezicht van de heer van de aarde staan. 11.5 En indien een mens hen wil verwonden, komt er vuur voort uit hun mond, en verslind hun tegenstanders. En indien een mens hun wil verwonden, aldus moet hij gedood worden. 11.6 Deze hebben bevoegdheid om de hemel te sluiten, opdat het geen regen zou regenen in deze dagen van profetie; en zij hebben bevoegdheid over de wateren, om ze te veranderen in bloed, en om de aarde te slaan met elke plaag zo vaak als zij het willen. 11.7 En wanneer ze hun getuigenis hebben voltooid, het beest van prooi, die opkomt uit de abyss, zal strijd tegen hen voeren, en hen overwinnen, en hen doden, 11.8 en hun dode lichamen zullen op de brede straat van de grote stad zijn, welke is genaamd, geestelijk, Sedum, en Metsreen, waar alsook onze heer is gekruisigd. 11.9 En van de volkeren en stammen en naties en tongen, zullen hun dode lichamen gezien worden drie dagen en een half, en ze zullen het niet toestaan om hen in een graf te leggen. 11.10 En zij die op de aarde wonen zullen zich verheugen over hen, en tevreden zijn, en zullen geschenken sturen naar elkaar, omdat deze twee profeten hen kwelden die op de aarde wonen. 11.11 En na die drie dagen en een half is de geest van leven van Aloha in hen ingegaan, en zij stonden op hun voeten. En grote vrees viel op degenen die hen zagen. 11.12 En ik hoorde een geweldige stem uit de hemel, zeggende tot hen, kom opwaarts, hierheen. En ze stegen op naar de hemel in een wolk, en hun tegenstanders zagen hen. 11.13 En in dat uur was er een grote beweging; en één tiende van de stad viel; en in de beweging werden er zeven duizend namen van mensen gedood. En zij die achterbleven zijn bang geworden, en gaven heerlijkheid aan Aloha. 11.14 Deze tweede ellende is heengegaan. Zie! de derde ellende komt snel. 11.15 En de zevende engel klonk. En er waren stemmen als donderslagen, zeggende, het koninkrijk van de wereld is van onze heer, en van zijn Meshiha; en hij zal regeren voor eeuwig en altijd! 11.16 En de vier en twintig ouderlingen die voor de troon van Aloha waren, die op hun tronen zaten, vielen neer op hun gezichten en aanbaden, 11.17 zeggende, wij danken u, heer God almachtige, die zijt, en die waart; omdat gij uw grote macht hebt genomen, en hebt geregeerd. 11.18 En de naties waren vertoornd; maar uw verbolgenheid is gekomen, en de tijd van de dood, opdat zij gewroken moeten worden; en om beloning te geven aan uw dienstknechten, aan de profeten, en aan de heiligen, en aan hen die uw naam vrezen, aan de kleinen en aan de groten; en om hen te vernietigen die de aarde hebben vernietigd. 11.19 En de tempel van Aloha werd in de hemel geopend; en de ark van zijn verbond werd gezien in zijn tempel. En er waren bliksemschichten, en donderslagen, en stemmen, en beweging, en grote hagel.

12:1-12:17

12.1 En een groot teken werd gezien in de hemel; een vrouw met de zon bekleed, en onder haar voeten de maan, en op haar hoofd een krans van twaalf sterren. 12.2 En verwachtende in haar baarmoeder, schreeuwde ze, en was in barensnood, en werd gepijnigd om geboorte te geven. 12.3 En ik zag een ander teken in de hemel; en zie! een grote draak van vuur, die zeven koppen had en tien hoornen, en op zijn koppen zeven diademen. 12.4 En zijn staart veegde het derde van de sterren van de hemel, en wierp hen op de aarde. En de draak stond voor de vrouw toen zij van plan was om geboorte te geven, opdat hij haar zoon zou kunnen verslinden zodra zij geboorte gegeven had. 12.5 En zij gaf geboorte aan een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden zoals een herder met een staf van ijzer; maar haar zoon werd weggenomen tot Aloha en tot zijn troon. 12.6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, waar zij een plaats had ,van Aloha bereid, opdat zij haar aldaar zouden kunnen voeden, een duizend en twee honderd en zestig dagen lang. 12.7 En er was strijd in de hemel. En Mikoel en zijn engelen kwamen om te strijden met de draak; en de draak en zijn engelen streden ook. 12.8 En ze konden niet overweldigen, en hun plaats werd niet meer gevonden in de hemel. 12.9 En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die de bedrieger is genaamd, en de tegenstander, die de hele bewoonbare wereld verleid. En hij is neergeworpen op de aarde, en zijn engelen werden met hem neergeworpen. 12.10 En ik hoorde een grote stem in de hemel, zeggende: nu is er redding en kracht, en het koninkrijk van onze God, en de kracht van zijn Meshiha; omdat de aanklager van onze broeders is neergeworpen, die hun dag en nacht beschuldigde voor Aloha. 12.11 En ze overwonnen hem door het bloed van het lammetje, en door het woord van zijn getuigenis. En hun leven hebben ze niet liefgehad tot in den dood. 12.12 Welnu laat de hemelen blij zijn, en degenen die in hen wonen. Ellende aan de aarde en aan de zee! Omdat de bedrieger is neergedaald tot u, grote verontwaardiging hebbende, wetende dat aan hem weinig tijd is. 12.13 En toen de draak er zich van bewust was dat hij op de aarde was neergeworpen , vervolgde hij de vrouw die geboorte gaf aan de zoon. 12.14 Maar er werd aan de vrouw twee vleugelen van een grote adelaar gegeven, opdat zij naar haar plaats zou kunnen vliegen in de woestijn, waar ze was om gevoed te worden, een seizoen, en seizoenen, en een deel van een seizoen, uit het gezicht van de slang. 12.15 En de slang wierp uit zijn muil wateren als een rivier achter de vrouw, opdat zij zou worden afgevoerd door de rivier die hij maakte. 12.16 En de aarde hielp de vrouw, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier die de draak uit zijn muil had uitgeworpen. 12.17 En de draak woedde tegen de vrouw, en ging om strijd te voeren tegen de rest van haar nageslacht die de geboden van Aloha bewaren, en het getuigenis hadden van Jeshu.

13:1-13:18

13.1 En hij stond op het zand van de zee. En ik zag dat een beest van prooi opkwam uit de zee, tien hoornen hebbende en zeven koppen, en op zijn hoornen  zeven diademen; en op zijn koppen waren namen van godslastering. 13.2 En het beest van prooi die ik zag was gelijk een luipaard, en zijn voeten waren als deze van een beer, en zijn muil als de muil van een leeuw, en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en groot gezag. 13.3 En één van zijn koppen was gewond geraakt als tot den dood. Maar zijn wonde des doods werd genezen; en geheel de aarde is verwonderd achter het beest van prooi aangelopen. 13.4 En zij aanbaden de draak omdat hij gezag had gegeven aan het beest van prooi, en zeiden, wie is gelijk het beest van prooi, en wie is bij machte om strijd te voeren met hem? 13.5 En er werd hem een mond gegeven; om grote gezegden en godslasteringen te spreken, en gezag was hem gegeven om te handelen, veertig en twee maanden lang. 13.6 En hij opende zijn mond om kwaad te spreken tegen Aloha, om zijn naam te belasteren , en zijn tabernakel, en degenen die in de hemel wonen.13.7 En er werd aan hem gezag gegeven over elke stam, en volken, en tong, en natie; en er werd aan hem gegeven om te strijden met de heiligen, om hen te overwinnen. 13.8 Al degenen die op de aarde bewonen zullen hem aanbidden, zij wiens naam niet geschreven is, in het boek des levens van het lammetje, vanaf de grondlegging der wereld. 13.9 Indien een mens oren heeft, laat hem dan horen! 13.10 Wie in ballingschap leidt, zal in ballingschap gaan. Wie met het zwaard dood, zal door het zwaard gedood worden. Dit is het geduld en het geloof van de heiligen. 13.11 En ik zag een ander beest van prooi opstijgen van de aarde; en hij had twee hoorns gelijk deze van het lammetje, maar hij sprak als de draak. 13.12 En al het gezag van het eerste beest van prooi doet hij voor hem; en hij doet de aarde en degenen die daarin wonen het eerste beest van prooi aanbidden, wiens wonde des doods was genezen. 13.13 En hij gewrocht grote tekenen, zodat hij ook vuur maakt om neer te komen uit de hemel op de aarde voor de mensen. 13.14 En hij zal degenen verleiden die op de aarde wonen, tot het maken van een beeld van het beest van prooi, welke de wonde had van het zwaard maar leefde. 13.15 En het werd aan hem gegeven om geest te geven aan het beeld van het beest van prooi, opdat het beeld van het beest van prooi ook zou spreken, en om te maken dat al degenen die het beest van prooi niet zullen aanbidden zouden gedood worden. 13.16 En hij maakte dat aan allen, klein en groot, en rijk en arm, en zonen van vrijheid en slaven, een merkteken werd gegeven, op hun rechterhanden, of op hun voorhoofden; 13.17 opdat geen mens zou kunnen kopen of verkopen, tenzij hij het merkteken heeft van de naam van het beest van prooi, of het getal van zijn naam. 13.18 Hier is wijsheid. Laat hem die de geest heeft, het getal berekenen van het beest van prooi; want het getal is van een mens; en zijn getal is ZES HONDERD EN ZESTIG EN ZES.

14:1-14:20

14.1 En ik zag, en, zie! het lammetje stond op de berg Sion, en met hem het aantal, een honderd en veertig en vier duizend, die zijn naam, en de naam van zijn vader, op hun voorhoofden geschreven hadden. 14.2 En ik hoorde een stem vanuit de hemel, als het geluid van vele wateren, en als het geluid van een grote donderslag; en de stem die ik hoorde was gelijk harpisten tokkelende op hun harpen. 14.3 En zij psalm -zongen een nieuwe psalm voor de troon, en voor de vier levenden, en de ouderlingen. En niemand was in staat om de psalm te leren, dan de honderd en veertig en vier duizend, die vrijgekocht waren van de aarde. 14.4 Dezen zijn het die zich met vrouwen niet hebben verontreinigd, want zij zijn maagden. Dezen zijn het die het lammetje volgen waar hij ook heengaat. Dezen werden gekocht door Jeshu vanuit de mensen, als eerstelingen tot Aloha en tot het lammetje. 14.5 En in hun mond is geen leugen gevonden, want zij zijn zonder vlek. 14.6 En ik zag een andere engel vliegen door de hemel, die het eeuwigdurende evangelie had, en het bloed, om te prediken aan hen die op de aarde wonen, en aan elke natie, en tong en volken; 14.7 met een geweldige stem zeggende, dien Aloha, en geef hem eer: want het uur van zijn oordeel komt: en aanbid hem die hemel en aarde maakte, en de zee, en de fonteinen van wateren. 14.8 En een andere engel, een tweede, volgde hem, zeggende, gevallen, gevallen is Babel de grote, welke alle naties heeft doen drinken, van de wijn des woede van haar hoererij. 14.9 En een andere engel, een derde, volgde hen zeggende met een geweldige stem, indien een mens het beest van prooi aanbid en zijn beeltenis, en zijn merkteken ontvangt op zijn voorhoofd, of op zijn hand, 14.10 zal hij ook drinken van de wijn des toorn van Aloha, die onverdund uitgegoten is in de beker van zijn toorn. En hij zal gepijnigd worden in vuur en zwavel, voor zijn heilige engelen en voor de troon: 14.11 en de rook van hun pijniging zal opstijgen voor eeuwig en altijd. En zij die het beest van prooi aanbidden en zijn beeltenis hebben geen rust dag en nacht. 14.12 Hier is het geduld van de heiligen, die de geboden van Aloha houden, en het geloof van Jeshu. 14.13 En ik hoorde een stem uit de hemel, zeggende, schrijft, gezegend zijn de doden die in Aloha sterven vanaf nu. Ja, zegt de geest, opdat zij mogen rusten van hun werken, want hun werken volgen met hen. 14.14 En ik keek, en zie! een witte wolk, en op de wolk zat een gelijk de zoon des mensen, op zijn hoofd een kroon van goud hebbende, en in zijn hand een scherpe sikkel. 14.15 En een andere engel kwam vanuit de tempel, huilende met een grote stem tot hem die op de wolk zat. 14.16 En hij sloeg zijn sikkel over de aarde, en de aarde werd geoogst. 14.17 En een andere engel kwam vanuit de tempel die in de hemel is, ook een scherpe sikkel hebbende. 14.18 En een andere engel trad naar voor van het altaar die gezag had over het vuur, en hij riep met een grote schreeuw tot hem die de scherpe sikkel had, zeggende, zend uw scherpe sikkel uit, en oogst de trossen van de wijnstokken van de aarde; want de druiven van de aarde zijn rijp. 14.19 En de engel sloeg zijn sikkel uit over de aarde, en oogstte de trossen van de wijnstokken van de aarde, en hij wierp ze in de wijnpers van de toorn van Aloha de grote. 14.20 En de wijnpers werd getreden buiten de stad, en bloed vloeide uit de wijnpers, en het kwam tot de teugels van de paarden, en één duizend en zes honderd stadia ver.


15:1-15:8

15.1 En ik zag een ander teken in de hemel, groot en wonderbaarlijk, zeven engelen hadden de zeven laatste plagen; want in hen is de toorn van Aloha voltooid. 15.2 En ik zag een zee gelijk van helderheid vermengd met vuur; en hen die de overwinning hadden gewonnen van het beest van prooi, en van zijn beeltenis, en van het getal van zijn naam, stonden op de zee van helderheid, de harpen hebbende van Aloha. 15.3 En zij zongen het lied van Musha de dienaar van Aloha, en het lied van het lammetje, zeggende, groot en wonderlijk zijn uw werken, heer God almachtige; rechtvaardig en waar zijn uw wegen, koning der eeuwen! 15.4 Wie zal u niet vrezen, heer, en uw naam verheerlijken? Want gij alleen zijt goed en heilig en rechtvaardig; daarom zullen alle naties komen en voor uw aangezicht aanbidden; omdat uw oordelen worden onthuld. 15.5 Na deze dingen zag ik, en de tempel van de tabernakel der getuigenis die in de hemel is werd geopend. 15.6 En de zeven engelen kwamen tevoorschijn, de zeven plagen hebbende, uit de tempel, gekleed in zuiver linnen, schitterend, en omgord aan hun borsten met doeken van goud. 15.7 En een van de vier levenden gaf aan de zeven engelen zeven flesjes van goud, welke vol waren van de toorn van Aloha, die voor eeuwig en altijd leeft. 15.8 En de tempel werd gevuld met rook van de heerlijkheid van Aloha, en van zijn kracht. En niemand was in staat de tempel in te gaan, totdat de zeven plagen van de zeven engelen zouden voltooid zijn.

16:1-16:21

16.1 En ik hoorde een grote stem uit de tempel zeggende tot de zeven engelen, ga, en giet de zeven flesjes van de toorn van Aloha uit over de aarde. 16.2 En de eerste ging, en goot zijn flesje op de aarde: en er kwam een gezwel [ܫܘܚܢܐ  – $uwHna)- samentrekking van de huid], kwaad en pijnlijk, op de mensen die het merkteken van het beest van prooi hadden, en die de beeltenis van hem aanbaden. 16.3 En de tweede engel goot zijn flesje op de zee; en zij werd bloed als des doods, en iedere levende ziel die in de zee was stierf. 16.4 En de derde engel goot zijn flesje op de rivieren, en op de fonteinen van wateren, en ze werden bloed. 16.5 En ik hoorde de engel van de wateren zeggen, rechtvaardig zijt gij, die is, en die was, en heilig; omdat gij dezen hebt geoordeeld. 16.6 Want het bloed van heiligen en van profeten hebben zij vergoten, en bloed hebt gij aan hen te drinken gegeven want zij verdienen het. 16.7 En ik hoorde van het altaar stemmen zeggen, JA, ZEKER, heer God almachtige! Waar en rechtvaardig is uw oordeel. 16.8 En de vierde goot zijn flesje uit op de zon, en het werd aan hem gegeven om mensen te verschroeien met vuur; 16.9 en mensen werden verschroeid met grote hitte; en mensen lasterden de naam van Aloha die macht heeft over deze plagen; maar zij bekeerden niet om hem heerlijkheid te geven. 16.10 En de vijfde goot zijn flesje op de troon van het beest van prooi; en zijn koninkrijk werd duisternis, en ze beten op hun tongen van ellende; 16.11 en ze lasterden de God des hemels vanwege hun ellende, en vanwege hun gezwellen, maar bekeerden niet van hun werken. 16.12 En de zesde goot zijn flesje op de grote rivier Phrat, en haar wateren droogden op, opdat de weg voor de koningen uit het Oosten bereid zou worden. 16.13 En ik zag uit de mond van de draak, en uit de mond van het beest van prooi, en uit de mond van de valse profeet, drie onreine geesten zoals kikkers. 16.14 En zij zijn geesten van demonen, en werken tekenen; ze gaan naar de koningen van de hele bewoonde wereld, om hen te verzamelen tot den strijd van de grote dag van Aloha de almachtige. 16.15 En zie! ik kom, als de dief. Gezegend is hij die waakzaam is, en zijn kledij behoud, anders zal hij naakt wandelen, en men zal zijn schaamte zien. 16.16 En zij verzamelden hen tot een plaats, die Har- Magdu word genoemd.16.17 En de zevende goot zijn flesje uit in de lucht; en een geweldige stem kwam van de tempel, vanuit de troon, zeggende, HET IS GEDAAN. 16.18 EN er waren bliksemschichten en donderslagen en geluiden, en een grote beweging, dergelijke zoals deze beweging, zo groot, was er niet, sinds er mensen op de aarde waren. 16.19 EN de grote stad werd drie delen, en de stad van de naties viel; en Babel de grote werd niet vergeten voor Aloha, om aan haar den wijnbeker te geven van de woede zijner toorn. 16.20 En elk eiland vluchtte weg, en de bergen werden niet meer gevonden, 16.21 en grote hagel, gelijke een talent in gewicht, kwam uit de hemel op mensen; en mensen lasterden Aloha voor de plaag van hagel, omdat de plaag daarvan buitengewoon groot was.

17:1-17:18

17.1 En een van de zeven engelen die de zeven flesjes hadden kwam en sprak met mij, zeggende, kom; ik zal u het oordeel tonen van de grote hoer, die op vele wateren zit: 17.2 met wie de koningen der aarde ontucht hebben gepleegd, en degenen die op de aarde wonen zijn dronken gemaakt door de wijn van haar hoererij. 17.3 En hij leidde me in de woestijn, in de geest, en ik zag een vrouw zitten op een beest van prooi, dieprood van kleur, vol van namen van godslastering, zeven koppen hebbende en tien horens. 17.4 En de vrouw was gekleed in purper en scharlaken, en bedekt met goud en edelstenen en parelen; een beker van goud hebbende in haar hand, vol van vervuilingen en onreinheden van haar hoererij door welke ze de aarde heeft verontreinigd. 17.5 En op haar voorhoofd was de naam geschreven, MYSTERIE: Babel de grote, de moeder der hoeren en van de gruwelen van de aarde. 17.6 En ik zag de vrouw dronken van het bloed der heiligen, en van het bloed der martelaren van Jeshu; en toen ik haar zag was ik verbaasd met grote verbazing. 17.7 En de engel zei tot mij, waarom verbaasd gij u? ik zal u het mysterie van de vrouw vertellen, en van het beest van prooi die haar draagt, welks de zeven koppen heeft en de tien horens.17.8 Het beest van prooi die gij ziet, was, en is niet; en zal vanuit de abyss opstijgen, en ten

onder gaan: en zij die op de aarde wonen zullen het bewonderen, dezen wiens naam niet in het boek des leven is geschreven vanaf de grondlegging der wereld, terwijl ze het beest van prooi aanschouwen, die was, en niet is, maar naderbij trekt. 17.9 Hier is de geest van hem die wijsheid heeft: de zeven koppen zijn zeven heuvels waarop de vrouw gezeten is. 17.10 En zijn de zeven koningen; vijf zijn gevallen, een is, de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij gekomen is, is het noodzakelijk voor hem om een tijdje te blijven. 17.11 En het beest van prooi die was, en niet is, dit is een achtste, en is van de zeven, maar is tot ondergang. 17.12 En de tien horens die gij zaagt zijn tien koningen, mannen die hen koninkrijk nog niet hebben ontvangen; maar gezag ontvangen als koningen voor één uur met het beest van prooi. 17.13 Ze hebben één wil, en hun macht en hun gezag zullen ze aan het beest van prooi geven. 17.14 Ze zullen strijden tegen het lammetje, en het lammetje zal hen overwinnen; want hij is de heer der heren, en de koning der koningen, en zij die met hem zijn, zijn de geroepenen en de uitverkorenen en de getrouwen. 17.15 En hij zei tegen mij, de wateren die gij gezien hebt waarop de hoer is gezeten, zijn volkeren, en menigten, en tongen. 17.16 En de tien horens die gij gezien hebt, en het beest van prooi, zullen de hoer haten, en haar verlaten, en naakt maken; en haar vlees zullen ze eten, en haarzelf met vuur verbranden. 17.17 Want Aloha heeft in hun handen gegeven dat zij zijn wil zouden doen, en één mening vormen, om hun koninkrijk aan het wilde beest te geven, totdat de woorden van Aloha vervuld worden. 17.18 En de vrouw die gij gezien hebt is de grote stad die soevereiniteit heeft over de koningen van de aarde.

18:1-18:24

18.1 Na deze dingen zag ik een andere engel afdalen uit de hemel, grote macht hebbende; en de aarde verhelderde door zijn heerlijkheid. 18.2 En hij riep met een machtige stem, zeggende, gevallen, gevallen is Babel de grote, het is een verblijfplek geworden van kwade geesten, en een bewaarplek van elke onreine geest, en een bewaarplek van elk onrein en gruwelijk vliegend beest, en een bewaarplaats van elk onrein en gruwelijk beest van prooi. 18.3 Omdat alle naties van de wijn van haar woede hebben gedronken; en de koningen der aarde hebben met haar ontucht gepleegd, en de handelaren van de aarde zijn rijk geworden van de macht van haar weelderigheid. 18.4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende, GAAT UIT VAN HAAR, MIJN VOLK, zodat gij aan haar zonden geen deelname hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt. 18.5 Want haar zonden kleefden tot aan de hemel, en Aloha heeft zich haar ongerechtigheid herinnerd. 18.6 Doe met haar zoals zij u heeft gedaan, en verdubbeld tot haar volgens haar daden. In de beker waarin ze heeft vermengd, vermeng het tot haar dubbel zoveel. 18.7 Hoeveel zij zichzelf ook, wellustig zijnde, heeft verheugd, geef haar evenveel van lijden en rouw. Want ze zei in haar hart, ik de koningin, zit, en ben geen weduwe, en rouw zie ik niet. 18.8 Daarom zullen op een dag haar plagen komen, dood en rouw en honger;  en in vuur zal ze branden, want machtig is de heer God die haar oordeelt. 18.9 En de koningen der aarde die met haar ontucht hebben gepleegd, en wellustig zijn geweest, zullen huilen en jammeren en treuren over haar, wanneer ze de rook zien van haar branden; 18.10 van verre staande, uit angst voor haar kwelling, zeggende, ellende, ellende, die grote stad Babel, die machtige stad! Want in één uur is uw oordeel gekomen. 18.11 En de handelaren van de aarde zullen weeklagen over haar, omdat niemand van hun lading koopt. 18.12  Nooit meer zal er een lading in u zijn van goud, of van zilver en edelstenen,  of van parels; of van fijn linnen, of van paarse stof, of van zijde en scharlaken; of van allerlei aromatisch hout, of van allerlei goederen van olifantentand, of van allerlei goederen van hout met grote waarde, of van messing en ijzer en marmer; 18.13 of van kaneel en jatamansi en parfums, of van zalf en wierook en wijn en olie, of van fijn meel, of van tarwe, of  van vee, of van slaven, of van paarden en koetsen,

noch lichamen en zielen van mensen. 18.14 En de vrucht van het verlangen van uw ziel is van u verdwenen,  en al die dingen die sierlijk zijn, en stralend, zijn van u verdwenen, 18.15 en de koopvaarders van deze dingen zullen hen niet meer vinden. Zij die rijk werden gemaakt door haar zullen in de verte staan uit angst voor haar kwelling, en jammeren en treuren, 18.16 zeggende: ellende, ellende, die grote stad, die gekleed was in fijn linnen en paarse stoffen en scharlaken, en verguld met goud, en versierd met edelstenen en parels; 18.17 want in één uur is alle rijkdom verwoest. En elke kapitein en elke stuurman die naar die plaats navigeert, en de zeelui, en allen die dienen op de zee, stonden in de verte, 18.18 en riepen, terwijl de rook van haar branden aanschouwende, zeggende, WAT IS AAN DEZE GROTE STAD GELIJK! 18.19 En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, weenden en weeklaagden, en zeiden, ellende, ellende, die grote stad, in welke al degenen die schepen in de zee hadden rijk gemaakt werden van de kostbaarheid van haar! Want in één uur werd ze verwoest! 18.20 Verheugt u over haar, O hemel. En de engelen en apostelen en profeten, omdat Aloha uw wraak van haar heeft gewroken. 18.21 En een engel nam een steen, gelijk een grote molensteen, en wierp het in de zee, zeggende,  aldus zal Babel de grote stad met  kracht worden weggeworpen, en niet meer worden gevonden. 18.22 En de stem van harpspelers, en van muzikanten, en van zangers, en van trompetspelers, zal in u niet meer worden gehoord. En geen kunstenaar, noch kunst, zal meer teruggevonden worden in u. 18.23 En het licht van een lamp zal in u niet meer gezien worden. En de stem van de bruidegom en van de bruid zal in u niet meer worden gehoord. Want uw handelaren waren de groten de aarde, want door uw toverij zijn alle naties verleid geweest. 18.24 En in haar is het bloed van profeten en heiligen gevonden, en van al degenen die op de aarde gedood zijn.

19:1-19:21

19.1 Na deze dingen hoorde ik een grote stem van een talrijke heerschaar in de hemel, zeggende, halleluia! Zaligheid, en macht, en heerlijkheid, en eer, zij tot onze God. 19.2 Want zijn oordelen zijn waar en rechtvaardig; omdat hij de grote hoer heeft geoordeeld die met haar ontucht de aarde heeft beschadigd, en heeft het bloed van zijn dienaren van haar hand gewroken. 19.3 En een tweede maal zeiden ze; halleluia! En haar rook ging op voor eeuwig en altijd. 19.4 En de vier en twintig ouderlingen vielen neer, en de vier levenden, en aanbaden Aloha die op de troon zit, zeggende, amen, halleluia! 19.5 En een stem kwam voort uit de troon, zeggende, prijs onze God,  al zijn dienaren, en zij die hem vrezen, klein en groot. 19.6 En ik hoorde een stem als ware het van een geweldige heerschare, gelijk de stem van vele wateren, gelijk de stem van machtige donderslagen, zeggende, halleluia, Want de heer onze God de almachtige regeert! 19.7 Laat ons verblijden en jubelen en aan hem heerlijkheid geven; omdat het huwelijksfeest van het lammetje gekomen is, en zijn bruidsvrouw heeft haarzelf klaargemaakt. 19.8 En aan haar werd gegeven om gekleed te worden in fijn linnen, schitterend en puur; want het fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen. 19.9 En hij zei tegen me: schrijft, gezegend zijn zij die tot het avondmaal van het huwelijksfeest geroepen zijn. En hij zei tegen me, deze woorden zijn de ware uitspraken van  mijn Aloha. 19.10 En ik viel voor zijn voeten om te aanbidden maar hij zei tegen me, weet gij niet dat ik uw mededienaar ben en van uw broederen die de getuigenis van Jeshu hebben. Aanbid Aloha; want de getuigenis van Jeshu is de geest van profetie. 19.11 En ik zag de hemel geopend. En zie! een wit paard, en hij die erop zat werd de getrouwe en de ware genoemd; en in gerechtigheid oordeelt hij en voert krijg. 19.12 Maar zijn ogen waren als een vuurvlam, en op zijn hoofd waren vele diademen, hebbende geschreven namen; en op hem was de naam geschreven die geen mens wist dan hijzelf. 19.13 En hij was gekleed in een kleed besprenkeld met bloed; maar zijn naam werd genoemd, HET WOORD VAN ALOHA. 19.14 En de legers van de hemel volgden hem op witte paarden, gekleed in gewaden van fijn linnen, puur en wit. 19.15 En uit zijn mond ging een scherp zwaard met twee randen, opdat hij daarmee de naties zou slaan.  En hij zal de naties heersen met een  staf van ijzer, en hij zal de wijnpers der hevigheid van de verbolgenheid van Aloha de almachtige treden. 19.16 En hij heeft op zijn mantel en op zijn dij DE NAAM geschreven , koning der koningen en heer der heren. 19.17 En ik zag een engel staande in de zon. En hij riep met een geweldige stem, zeggende tot alle vogels die in het midden van de hemel vlogen, kom! Verzamel tot het grote avondmaal van Aloha; 19.18 opdat gij het vlees van koningen moogt eten, en het vlees van de hoofden over duizenden, en het vlees van helden, en het vlees van paarden en hen die daarop zitten, en het vlees van alle zonen des vrijheid en van slaven, en van de kleine en van de grote. 19.19 En ik zag het beest van prooi, en de koningen van de aarde, en hun legers, bijeen om strijd te voeren tegen hem die op de troon zat, en met zijn legers. 19.20 En het beest van prooi werd genomen, en met hem de valse profeet, die tekenen gewrocht voor hem, en door welke hij hen misleid heeft die het kenmerk van het beest van prooi ontvingen, en hen die zijn beeld aanbaden;  en levend werden ze beiden in de vuurpoel geworpen welke brandt met zwavel. 19.21 En de rest werd met het zwaard gedood door hem die op het paard zat; met dat zwaard die van zijn mond uitging. En al de vogels werden verzadigd met hun vlees.

20:1-20:15

20.1 En ik zag een engel afdalen uit den hemel, met de sleutel van de abyss, en een grote keten in zijn hand. 20.2  En hij sloeg de hand aan de draak, die oude slang, welke de bedrieger is, en satana, die geheel de bewoonbare wereld verleid, en bond hem één duizend jaren; 20.3 en wierp hem in de abyss, en sloot  en verzegelde deze boven hem, opdat hij de naties niet meer zou verleiden, totdat de duizend jaren voltooid zijn: maar daarna moet hij een weinige tijd worden losgelaten. 20.4 En ik zag tronen, en aan hen die erop zaten werd het oordeel gegeven;  en aan de zielen van hen die werden geëxecuteerd omwille van de getuigenis van Jeshu, en omwille het woord van Aloha, en aan hen die het beest van prooi niet hadden aanbeden noch zijn beeltenis, noch zijn kenmerk ontvingen op hun voorhoofd en op hun handen. En zij leefden en regeerden met hun Meshiha de duizend jaren. 20.5 Dit is de eerste opstanding! 20.6 Gezegend en heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht; maar zij zullen priesters zijn van Aloha en zijn Meshiha, en zullen met hem heersen de duizend jaar. 20.7 En wanneer de duizend jaar vervuld zal zijn, zal satana worden ontbonden van de plaats van zijn opsluiting, 20.8  en zal uitgaan om de naties verleiden die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gug en de Mogug, om hen te verzamelen tot de strijd, van welker het aantal gelijk is als de zandkorrels van de zee. 20.9 En ze trokken op over de breedte van de aarde, en omringden het kamp van de heiligen, en de geliefde stad; en vuur daalde af van Aloha uit de hemel, en verslond hen. 20.10 En de aanklager die hen verleidde werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest van prooi was en de valse profeet; en ze zullen gepijnigd worden dag en nacht voor eeuwig en altijd. 20.11 En ik zag een grote witte troon, en hem die daarop zat,  van wie aarde en hemel van voor zijn aangezicht weggevlucht zijn; en voor hen werd geen plaats als dit gevonden. 20.12 En ik zag de doden, groot en klein, staande voor de troon; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is. En de doden werden geoordeeld uit de schrijfsels  welke in de boeken geschreven zijn, volgens hun werken. 20.13 En de zee gaf de doden op die erin waren, en de dood en shiul gaven de doden op die in hen waren. En zij werden eenieder volgens hun werken geoordeeld. 20.14 En dood en Shiul werden in de poel van vuur geworpen, die de tweede dood is. 20.15 En indien een mens niet bleek geschreven te zijn in het boek des levens, werd deze in de poel van vuur geworpen.

21:1-21:27

21.1 En ik zag nieuwe hemelen en een  nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde is gegaan, en de zee is niet meer. 21.2 En de heilige stad, het nieuwe Urishlim, zag ik afdalen vanuit de hemel van Aloha, klaargemaakt zoals een bruid die voor haar man bedekt is. 21.3 En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggen, Zie! de tabernakel van Aloha is met de mensen; en hij zal met hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn; en Aloha zelf zal met hen zijn, en zal hun God zijn.

21.4 En elke traan zal van hun ogen worden weggeveegd, en dood zal niet meer zijn; noch verdriet, noch geschreeuw, noch pijn, zal niet meer zijn; want de vroegere dingen zijn gepasseerd. 21.5 En hij die op de troon zat zei, zie! ik maak alle dingen nieuw. En hij zei, schrijft: dat deze de getrouwe en ware woorden zijn van Aloha. 21.6 En hij zei tegen me: ik ben Olaph en Thau, het begin en einde. Aan hem die dorstig is zal ik vrijelijk van het water des levens geven. 21.7 Hij die overwint zal dit beërven: ik zal Aloha zijn tot hem, en hij zal mijn zoon zijn. 21.8 Maar de angstigen, en de ongelovigen, en zondaars, en de onreinen, en moordenaars, en hoereerders, en tovenaars, en dienaars van afgoden, en alle leugenaars, zullen hun deel hebben in het meer die brand met vuur en zwavel: wat de tweede dood is. 21.9 En één van de zeven engelen die de zeven flesjes hadden vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij. Zeggende, kom! ik zal u de bruid tonen, de vrouw van het lammetje. 21.10 En hij leidde mij in geest op een grote en hoge berg, en toonde mij de heilige stad Urishlim, afdalende uit de hemel van Aloha; 21.11 hebbende de heerlijkheid van Aloha, als de helderheid van licht, gelijk een steen van grote waarde, als de Jaspon steen gelijkende op crystallos; 21.12 hebbende een grote en hoge muur, die twaalf poorten had, en op hen namen geschreven, welke de namen zijn van de twaalf stammen van de zonen van Israël. 21.13 Op de oostelijke drie poorten, en op de noordelijke drie poorten, en op de zuidelijke drie poorten, en op de westelijke drie poorten . 21.14  En de muur van de stad had twaalf fundamenten; en op hen de twaalf namen van de twaalf apostelen van het lammetje. 21.15 En hij die met mij sprak had een meetstok, een stok van goud, opdat hij de stad zou kunnen meten, en de poorten, en de muren daarvan. 21.16 En de stad was vierkant gemaakt, de lengte ervan was gelijk de breedte: en hij mat de stad met de stok, op twaalf stadia van twaalfduizend. En de lengte en de breedte en de hoogte van haar waren gelijk. 21.17 En hij mat de muur van haar, één honderd en veertig en vier amta, de mate van een mens, die van de engel is. 21.18 En de structuur van de muur van haar was van jaspis, en de stad zelf was van puur goud, als pure helderheid. 21.19 En de fundamenten van de muur van de stad waren versierd met allerlei kostbare steen: het eerste fundament was van jaspis, het tweede sathphiros, het derde caledon, het vierde zmoragdo,  21.20 het vijfde sardonicos, het zesde sardion, het zevende crisuthilos, het achtste berulla, het negende topadion, het tiende chrosoposius, het elfde hyakinthos, het twaalfde amuthistos. 21.21 En de twaalf poorten waren twaalf parels, elk van één van de poorten was een parel, en elk van één van de parels was een poort. En het grote plein van de stad was van puur goud, als de helderheid van licht. 21.22 En een tempel zag ik niet in haar; want de heer, de almachtige, is de tempel van haar, en het lammetje. 21.23 En de stad heeft geen behoefte aan de zon noch aan de maan om haar te verlichten; want de heerlijkheid van Aloha verlicht haar,  en haar kaars is het lammetje. 21.24 En de naties van de geredden wandelen in haar licht, en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en de eer van de naties in haar. 21.25 En de poorten van haar zullen niet worden afgesloten bij dag, want de nacht is daar niet. 21.26 En ze zullen in haar de heerlijkheid en eer van de naties brengen: 21.27  en geen één zal in haar ingaan die verontreinigd, noch één die onreinheid bewerkt; enkel zij die geschreven zijn in het boek des leven van het lammetje.

22:1-22:21

22.1 En hij toonde mij een rivier van wateren van leven, helder als kristal, voortkomende uit de troon van Aloha en het lammetje. 22.2 In het midden van het grote plein van haar, en bij de rivier, hier en daar, was de boom des levens; welke twaalf vruchten opbrengt, in elke maand zijn vrucht gevende. En de bladeren van de boom zijn voor de genezing van de naties. 22.3 En er zal geen afvalligheid meer zijn; maar de troon van Aloha en van het lammetje zal daarin zijn, en zijn dienaren zullen hem dienen. 22.4 En zij zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. 22.5 En nacht zal er niet meer zijn: noch enige nood hebben zij aan het licht van een lamp, of het licht van de zon; want de heer God verlicht hen, en zij zullen heersen voor eeuwig en altijd. 22.6 En hij zei tegen me, deze woorden zijn getrouw en waar. En de heer, de God van de geest der profeten heeft mij gezonden, zijn engel, om aan zijn dienaren de dingen te tonen die vlug moeten gedaan worden. 22.7 En zie! ik kom spoedig. Gezegend is hij die de woorden van de profetie van dit boek behoudt. 22.8 En ik Juhanon ben hem die deze dingen hoorde en zag. En toen ik had gehoord en gezien, viel ik om te aanbidden voor de voeten van de engel die deze dingen  aan mij toonde. 22.9 Maar hij zei tegen mij, nee ziener. Ik ben uw mededienaar, en van uw broeders de profeten, en van hen die de woorden van dit boek houden. Aanbid Aloha. 22.10 En hij zei tegen mij: verzegel de woorden niet van de profetie van dit boek; want de tijd is komende. 22.11 Hij die kwaad doet zal kwaad werken, nog steeds, en hij die smerig is zal smerig zijn, nog steeds; en de rechtvaardige zal gerechtigheid doen, nog steeds, en de heilige heilig zijn, nog steeds. 22.12 Zie! ik kom spoedig; en mijn loon is met mij,  om tot eenieder te belonen volgens zijn daden. 22.13 Ik ben Olaph en Thau, de eerste en de laatste, begin en einde. 22.14 Gezegend zijn zij die zijn geboden houden, ja, dat zij vrijheid mogen hebben om tot de boom van leven te gaan, en door de poorten mogen ingaan in de stad. 22.15 Buiten zijn honden, en tovenaars, en hoereerders, en moordenaars, en dienaars van afgoden, en eenieder die de leugen doet en liefheeft. 22.16 IK Jeshu heb mijn engel gezonden om deze dingen te getuigen tot u voor de gemeenschappen. Ik ben de wortel en nakomeling van Dawid, zoals de glanzende, de stralende, en de vroege in de ochtend. 22.17 EN DE GEEST EN DE BRUID ZEGGEN:KOM! EN HIJ DIE HOORT ZAL ZEGGEN, KOM! EN HIJ DIE DORST MAG KOMEN, EN HIJ DIE WIL, NEEMT DE WATEREN VAN LEVEN VRIJELIJK. 22.18 Ik getuige aan eenieder die de woorden hoort der profetie van dit boek, dat, indien enig mens aan hen zal toevoegen, Aloha de plagen die geschreven zijn in dit boek over hem zal toevoegen. 22.19 En indien een mens van de woorden van het boek van deze profetie verwijdert, zal Aloha zijn deel van de boom van leven verwijderen, en van de heilige stad, Hij die deze dingen welke in dit boek zijn geschreven. 22.20 Hij die deze dingen getuigt zegt; ja: ik kom spoedig. Amen. Kom! Heer Jeshu. 22.21 De genadegave van onze heer Jeshu de Meshiha, en de goddelijke invloed daarvan op het hart, is met al de heiligen. Dit is echt de waarheid!

Copyright en vertaling: 2008 Goethals Jean-Paul.