Deuteronomium

Aramaic Tanakh*

Sipre d’Tinyan Aurayta

Boekrollen Deuteronomium

1:1 Dit zijn de woorden die Moshe tegen gans Isra’el sprak-

over de Yarden in de woestijn,

in de ‘Aravah tegenover Suf,

tussen Pa’ran en Tofel en Lavan en Hatzerot en Di-Zahav.

1:2 Het is een elf dagen durende reis van Horev-

naar Kadesh-Barnea

langs de weg van Berg Se’ir .

1:3 In het veertigste jaar,

op de eerste dag van de elfde maand,

sprak Moshe tegen de kinderen van Isra’el,

overeenkomstig alles wat Maryah hem bevolen had aan hen te geven,

1:4 nadat hij Sichon de koning van de Emori had verslagen,

die in Heshbon woonde,

en ‘Og de koning van Bashan,

die in ‘Ashtarot en Edre’i woonde.

1:5 Aan de overkant van de Yarden in het land van Mo’av,

nam Moshe het op zich om deze Torah uit te leggen,

zeggende,

1:6 “Maryah onze Aloha sprak tegen ons op Horev,

  zeggende,

‘Gij zijt lang genoeg op deze berg gebleven.

1:7 ‘Draai u om en zet uw reis uit,

en ga naar het heuvelland van de Emori,

en naar al hun geburen in de ‘Aravah,

in het heuvelland en in het laagland

en in de Negev en bij de zeekust,

het land van de Kena’ani,

en L’vanon,

tot aan de grote rivier,

de rivier Euphrates.

1:8 ‘Ziet,

Ik heb het land voor u geplaatst;

ga in en neem het land in bezit

  hetwelk Maryah zwoer om het aan uw vaders te geven,

aan Avraham,

aan Yitz’chak,

en aan Ya’akov,

aan hen en hun nakomelingen na hen.’

1:9 “Ik sprak in die tijd tegen u,

zeggende,

‘Ik kan de zware last van u alleen niet dragen.

1:10 ‘Maryah uw Aloha heeft u vermenigvuldigd,

en zie,

gij zijt deze dag zoals de sterren van de hemel in aantal.

1:11 ‘Moge Maryah,

Aloha van uw vaders,

u doen toenemen duizendvoudig meer dan gij (nu) zijt-

en u zegenen,

precies zoals Hij u heeft beloofd!

1:12 ‘Hoe kan ik alleen de vracht en de last van u dragen-

en uw tweedracht?

1:13 ‘Kies wijze en oordeelkundige en ervaren mannen uit uw stammen,

en ik zal ze aanstellen als uw hoofden.’

1:14 “Gij beantwoordde mij en zei,

‘Het ding dat gij hebt gezegd is goed om te doen.’

1:15 “Dus nam ik de hoofden van uw stammen,

wijze en ervaren mannen,

en stelde ze aan (tot) hoofden over u,

  leiders van duizenden en van honderden,

van vijftigtallen en van tientallen,

en officieren voor uw stammen.

1:16 “Vervolgens gelaste ik uw rechters in die tijd,

zeggende,

‘Hoort de geschillen tussen uw mede-landgenoten,

  en oordeelt rechtvaardig tussen een man en zijn mede-landgenoot,

of de vreemdeling die bij hem is.

1:17 “Gij moogt geen partijdigheid tonen in uw oordeel;

gij zult de kleine en de grote op dezelfde manier aanhoren.

Gij moogt geen mens vrezen,

  want het oordeel is van Aloha.

De zaak die te zwaar voor u is,

  zult gij naar mij brengen,

en ik zal het aanhoren.’

1:18 “Ik heb u in die tijd bevolen

betreffende al de dingen die gij doen moest.

1:19 “Toen vertrokken wij vanuit Horev,

en gingen door gans die grote en vreselijke woestijn

die gij zag op de weg naar het heuvelland van de Emori,

precies zoals Maryah onze Aloha ons heeft bevolen;

en wij kwamen aan te Kadesh-Barnea.

1:20 “Ik zei tegen u,

‘Gij zijt naar het heuvelland van de Emori gekomen-

dat Maryah onze Aloha ons op punt staat te geven.

1:21 ‘Ziedaar,

Maryah uw Aloha heeft het land voor u geplaatst;

ga opwaarts,

neemt in bezit,

zoals Maryah,

Aloha van uw vaders,

tegen u heeft gesproken.

Weest niet bevreesd of wees niet ontzet.

1:22 “Toen benaderden ieder van u mij en zeiden,

  ‘Laat ons mannen voor ons uitzenden,

dat zij het land voor ons mogen doorzoeken,

en breng ons een woord terug-

  van de weg door welke wij moeten opwaarts gaan-

en de steden welke wij zullen ingaan.’

1:23 “Het ding beviel mij goed en ik nam twaalf van uw mannen,

één man voor elke stam.

1:24 “Zij keerden om en gingen opwaarts het heuvelland in,

en kwamen naar het dal van Eshkol en bespiedden het.

1:25 “Toen namen zij wat van de vrucht van het land in hun handen-

en brachten het neerwaarts naar ons;

en zij brachten ons een verslag terug en zeiden;

‘Het is een goed land-

dat Maryah onze Aloha ons op punt staat te geven.’

1:26 “Toch waart gij niet gewillig om opwaarts te gaan,

maar rebelleerde tegen het bevel van Maryah uw Aloha;

1:27 en gij mopperde in uw tenten en zei,

‘Omdat Maryah ons haat,

heeft Hij ons van uit het land van Egypte gebracht-

om ons in de hand van de Emori over te geven-

om ons te vernietigen.

1:28 ‘Waarheen kunnen wij opwaarts gaan?

Onze broeders hebben ons hart doen smelten,

zeggende,

“Het volk is groter en langer dan wij;

de steden zijn groot en tot aan de hemel versterkt.

En bovendien,

wij zagen de zonen van de ‘Anakim daar.”‘

1:29 “Toen zei ik tegen u,

‘Wees niet geschokt,

(en) vreest hen ook niet.

1:30 ‘Maryah uw Aloha die u voorgaat-

zal zelf namens u strijden,

precies zoals Hij voor uw ogen voor u in Egypte deed,

1:31 en in de woestijn waar u zag hoe Maryah uw Aloha u droeg,

precies zoals een man zijn zoon draagt,

op de hele weg die gij hebt gewandeld

totdat gij op deze plaats aankwam.’

1:32 “Maar voor dit alles,

vertrouwde gij Maryah uw Aloha niet,

1:33 die u voorgaat op uw weg,

om een plaats voor u uit te zoeken om te kamperen,

bij nacht in een vuur en bij dag in een wolk,

om u de weg te wijzen op welke gij zoudt gaan.

1:34 “Toen hoorde Maryah het geluid van uw woorden,

en Hij werd toornig en legde een eed af,

zeggende,

1:35 “Niet één van deze mannen,

deze kwade generatie

  zal het goede land zien

  hetwelk Ik zwoer om uw vaders te geven,

1:36 behalve Kalev de zoon van Y’funeh;

hij zal het zien,

en aan hem en aan zijn zonen

zal Ik het land geven op welks hij voet heeft gezet,

omdat hij Maryah ten volle heeft gevolgd.’

1:37 “Maryah was ook toornig op mij vanwege u,

zeggende,

‘Zelfs gij zult daar niet ingaan.

1:38 ‘Y’hoshua de zoon van Nun,

die voor u staat,

hij zal daar ingaan;

moedig hem aan,

want hij zal ervoor zorgen dat Isra’el het beërft.

1:39 ‘Bovendien,

uw kleintjes waarvan gij zei dat ze een buit zouden worden,

en uw zonen,

die deze dag geen kennis hebben van goed of kwaad,

zullen daar ingaan,

en Ik zal het aan hen geven en zij zullen het bezitten.

1:40 ‘Maar wat u betreft,

draai u om-

en vertrek naar de woestijn-

langs de weg naar de Rode Zee.’

1:41 “Toen hebt gij tegen mij gezegd,

‘Wij hebben gezondigd tegen Maryah;

wij zullen inderdaad opgaan en strijden,

precies zoals Maryah onze Aloha ons bevolen heeft.’

En elke man van u gordde zijn wapens van strijd aan,

en beschouwde het als gemakkelijk

om opwaarts het heuvelland in te gaan.

1:42 “En Maryah zei tegen mij,

‘Zeg tegen hen,

“Ga niet opwaarts en strijdt niet,

want Ik ben niet te midden van u;

anders zult gij voor uw vijanden worden verslagen.”‘

1:43 “Dus sprak ik tegen u,

maar gij wilde niet luisteren.

in plaats daarvan rebelleerde gij tegen het bevel van Maryah,

en handelde aanmatigend-

en ging opwaarts het heuvelland in.

1:44 “De Emori die in dat heuvelland woonden-

kwamen tegen u uit-

en achtervolgden u zoals de bijen dat doen,

en verpletterden u van Se’ir tot Hormah toe.

1:45 “Toen keerde gij terug en weende voor Maryah;

maar Maryah luisterde niet naar uw stem-

en verleende evenmin gehoor aan u.

1:46 “Dus zijt gij in Kadesh gebleven-

vele dagen,

overeenkomstig de dagen-

dat gij daar hebt doorgebracht.

2:1 “Toen keerden wij ons om

en vertrokken naar de woestijn

langs de weg naar de Rode zee,

zoals Maryah tegen mij sprak,

en cirkelden om Berg Seir gedurende vele dagen.

ס

2:2 “En Maryah sprak tegen mij,

zeggende,

2:3 ‘Gij hebt deze berg lang genoeg omcirkeld.

Keert nu noordwaarts,

2:4 en beveelt het volk,

zeggende,

“Gij moet door het grondgebied van uw broeders passeren-

de zonen van ‘Esav die in Se’ir wonen;

en zij zullen bevreesd voor u zijn.

Wees dus heel voorzichtig;

2:5 daag hun niet uit,

want Ik zal u niets van hun land geven,

zelfs zo weinig als een voetstap

want Ik heb Berg Se’ir als een bezitting aan ‘Esav gegeven.

2:6 “Gij moet met geld voedsel van ze kopen

zodat gij kunt eten,

en gij moet met geld ook water van ze kopen

zodat gij kunt drinken.

2:7 “Want Maryah uw Aloha heeft u gezegend

in alles wat gij hebt gedaan;

Hij heeft uw omzwervingen door deze grote woestijn gekend.

Deze veertig jaren is Maryah uw Aloha met u geweest;

  gij hebt niet aan één ding gebrek geleden.”‘

2:8 “Dus passeerden wij voorbij onze broeders de zonen van ‘Esav,

die in Se’ir wonen,

weg van de ‘Aravah weg,

weg van Eilat en van ‘Etzyon-Gever.

ס

En wij keerden ons om-

en passeerden er doorheen-

langs de weg van de woestijn van Mo’av.

2:9 “Toen zei Maryah tegen mij,

‘Verontrust Mo’av niet,

daag ze ook niet uit ten strijde,

want Ik zal u niets van hun land geven als een bezitting,

aangezien Ik ‘Ar aan de zonen van Lot heb gegeven als een bezitting.

2:10 (De Emim woonden daar vroeger,

een volk zo groot,

talrijk,

en lang als de ‘Anakim.

2:11 Net als de ‘Anakim,

worden zij ook beschouwd als Refa’im,

maar de Mo’avim noemen ze Emim.

2:12 De Horim woonden vroeger in Se’ir,

maar de zonen van ‘Esav verdreven hen uit hun bezitting-

en vernietigden hen van voor hun aangezicht

en vestigden zich in hun plaats,

net zoals Isra’el deed aan het land van hun bezitting

hetwelk Maryah aan hun gaf.)

2:13 ‘Sta nu op-

en steek zelf de beek Zered over.’

Dus staken wij de beek Zered over.

2:14 “De tijd nu dat het voor ons kostte-

om vanuit Kadesh-Barnea te komen-

totdat wij de beek Zered overstaken was acht-en-dertig jaren,

totdat de ganse generatie van de mannen van strijd-

van binnen het kamp omkwam-

  zoals Maryah aan hen had gezworen.

2:15 “Bovendien was de hand van Maryah tegen hen,

om ze van binnen het kamp te vernietigen

totdat zij allen omkwamen.

2:16 “Zo gebeurde het

toen al de mannen van strijd

  uiteindelijk waren omgekomen

van onder het volk,

ס

2:17 dat Maryah tegen mij sprak,

zeggende,

2:18 ‘Vandaag moet gij de grens van Mo’av oversteken te ‘Ar .

2:19 ‘Wanneer gij tegenover de zonen van ‘Amon komt,

verontrust ze niet en daag ze niet uit,

want Ik zal u niets van het land van de zonen van ‘Amon geven-

als een bezitting,

omdat Ik het aan de zonen van Lot heb gegeven

als een bezitting.’

2:20 ‘Het wordt ook beschouwd als het land van de Refa’im,

want Refa’im woonde er vroeger in,

maar de Emori noemen ze Zamzumim,

2:21 een volk zo groot,

talrijk,

en lang als de ‘Anakim,

maar Maryah vernietigde hen voor hun aangezicht.

En zij verdreven hen en vestigden zich in hun plaats,

2:22 precies zoals Hij deed voor de zonen van ‘Esav,

die in Se’ir wonen,

toen Hij de Horim van voor hen vernietigde;

zij verdreven hen en vestigden zich in hun plaats

zelfs tot op deze dag.

2:23 En de ‘Avim,

die in dorpen tot aan ‘Azah woonden,

de Kaftorim die uit Kaftor kwamen,

vernietigden ze en woonden in hun plaats.)

2:24 ‘Sta op,

trek er op uit,

en ga door het dal van Arnon.

Kijk!

Ik heb Sichon de Emori,

koning van Heshbon,

en zijn land in uw hand gegeven;

begint om bezit te nemen en strijd met hem in de strijd .

2:25 ‘Deze dag zal Ik beginnen

  om de schrik en vrees van u op de volken te leggen-

overal onder de hemel,

die,

wanneer zij het gerucht van u horen,

zullen sidderen en in angst zijn vanwege u.’

2:26 “Dus zond ik boodschappers vanuit de woestijn van K’demot-

naar Sichon koning van Heshbon-

met woorden van vrede,

zeggende,

2:27 ‘Laat mij door uw land passeren,

ik zal alleen op de hoge weg reizen;

ik zal niet naar rechts of naar links terzijde wenden.

2:28 ‘Gij zult mij voedsel verkopen voor geld

zodat ik moge eten,

en mij water geven voor geld

zodat ik moge drinken,

laat mij er alleen te voet doorheen trekken,

2:29 precies zoals de zonen van ‘Esav die in Se’ir wonen-

en de Mo’avim die in ‘Ar wonen voor mij deden,

totdat ik de Yarden oversteek in het land-

hetwelk Maryah onze Aloha aan ons geeft.’

2:30 “Maar Sichon koning van Heshbon-

  was niet gewillig om ons door zijn land te laten passeren;

  want Maryah uw Aloha verhardde zijn geest-

en maakte zijn hart koppig,

teneinde hem in uw hand te geven,

gelijk hij vandaag is.

ס

2:31 “Maryah zei tegen mij,

‘Zie,

Ik ben begonnen om Sichon en zijn land aan u over te geven.

Begin om te bezetten,

opdat gij zijn land moge bezitten.’

2:32 “Toen verscheen Sichon met al zijn volk

om ons te ontmoeten in de strijd te Yahatz.

2:33 “Maryah onze Aloha gaf hem aan ons over,

en wij versloegen hem met zijn zonen en al zijn volk.

2:34 “Dus namen wij op dat moment al zijn steden in-

en vernietigden geheel en al de mannen,

en de vrouwen en de kinderen van elke stad.

We lieten geen overlevende achter.

2:35 “We namen enkel de dieren als onze buit-

en de buit van de steden-

welke wij hadden ingenomen.

2:36 “Van af ‘Aro’er

dat aan de rand van de vallei van Arnon is

en vanaf de stad die in de vallei is,

zelfs tot aan Gil’ad toe,

was er geen stad die te hoog voor ons was;

Maryah onze Aloha gaf alles aan ons over.

2:37 “Alleen-

gij zijt niet nabij het land van de zonen van ‘Amon gegaan,

helemaal langs de Yabok rivier-

en de steden van het heuvelland,

en waarheen Maryah onze Aloha ons ook had geboden.

3:1 “Daarna keerden wij ons om en gingen de weg op naar Bashan,

en ‘Og,

koning van Bashan,

verscheen met al zijn volk

om ons te ontmoeten in de strijd te Edre’i.

3:2 “Maar Maryah zei tegen mij,

‘Vrees hem niet,

want Ik heb hem

en al zijn volk

en zijn land

in uw hand gegeven;

en gij zult met hem doen precies zoals gij deed met Sichon

koning van de Emori,

  die in Heshbon woonde.’

3:3 “Dus Maryah onze Aloha gaf ook ‘Og,

koning van Bashan,

met al zijn volk in onze hand,

en wij sloegen ze totdat er geen overlevende was achtergelaten.

3:4 “We namen op dat moment al zijn steden in;

er was niet één stad die wij niet van hen afnamen:

zestig steden,

de ganse regio van Argov,

het koninkrijk van ‘Og in Bashan;

3:5 “Al deze steden waren versterkt met hoge muren,

poorten en tralies,

naast aanzienlijk veel niet ommuurde steden.

3:6 “Wij vernietigden ze geheel en al,

zoals wij met Sichon koning van Heshbon deden,

geheel en al vernietigende de mannen,

de vrouwen en de kinderen van elke stad.

3:7 “Maar al de dieren en de buit van de steden

namen wij als onze buit.

3:8 “Dus namen wij op dat moment het land

vanuit de hand van de twee koningen van de Emori-

welke ten oosten van de Yarden waren,

van de vallei van Arnon tot aan Berg Hermon-

3:9 (Tzidonim noemen Hermon Siryon,

en de Emori noemen het S’nir,):

3:10 al de steden van het plateau en gans Gil’ad en gans Bashan,

  zover als Salkhah en Edre’i,

steden van het koninkrijk van ‘Og in Bashan.

3:11 (Want alleen ‘Og koning van Bashan-

was van het overblijfsel van de Refa’im overgebleven.

Ziedaar,

zijn ledikant was een ijzeren ledikant;

het is nog steeds in Rabbah bij de zonen van ‘Amon.

  Haar lengte was negen ellen-

en haar breedte vier ellen-

gebruik makende van de gewone elleboogmaat.)

3:12 “Dus namen we op dat moment bezit van dit land.

Vanaf ‘Aro’er

  dat bij de vallei van Arnon is,

en de helft van het heuvelland van Gil’ad en zijn steden-

gaf ik aan de Re’uveni en aan de Gadi.

3:13 “De rest van Gil’ad en gans Bashan,

het koninkrijk van ‘Og,

gaf ik aan de halve-stam van M’nasheh,

de ganse regio van Argov

(betreffende gans Bashan,

het wordt het land van Refa’im genoemd.

3:14 Ya’ir de zoon van M’nasheh nam gans de regio van Argov in-

tot aan de grens van de G’shuri en de Ma’akhati,

en noemde het,

inclusief Bashan,

naar zijn eigen naam,

Havot-Ya’ir,

zoals het tot op deze dag is.)

3:15 “Aan Machir gaf ik Gil’ad.

3:16 “Aan de Re’uveni en aan de Gadi-

gaf ik vanaf Gil’ad zelfs tot aan de vallei van Arnon,

het midden van de vallei als een grens

en tot aan de rivier Yabok,

de grens van de zonen van ‘Amon;

3:17 de ‘Aravah ook,

met de Yarden als een grens,

vanaf Kinneret zelfs tot aan de zee van de ‘Aravah,

de Zoute Zee,

aan de voet van de hellingen van Pisgah in het oosten.

3:18 “Toen beval ik u in die tijd,

zeggende,

‘Maryah uw Aloha heeft u dit land gegeven om het te bezitten;

al uw dappere mannen moeten bewapend doortrekken-

voor uw broeders,

de zonen van Isra’el.

3:19 ‘Maar uw vrouwen en uw kleinen en uw veestapel

(ik weet dat gij veel vee hebt)

zullen in uw steden blijven welke ik u gegeven heb,

3:20 totdat Maryah rust geeft aan uw landgenoten gelijk aan u,

en ook zij bezitten het land

dat Maryah uw Aloha hun aan de westkant van de Yarden zal geven.

Dan moogt gij terugkeren-

elke man naar zijn bezitting-

welke ik u gegeven heb.’

3:21 “Ik beval Y’hoshua op dat moment,

zeggende,

‘Uw ogen hebben alles gezien

wat Maryah uw Aloha met deze twee koningen heeft gedaan;

zo zal Maryah doen met al de koninkrijken

in welke gij op punt staat te doorkruisen.

3:22 ‘Vreest ze niet,

want Maryah uw Aloha is de Ene die voor u strijd.’

ס

3:23 “Ik smeekte ook van Maryah op dat moment,

zeggende,

3:24 ‘O Maryah Aloha,

U bent begonnen

om Uw dienstknecht Uw grootheid

en Uw sterke hand te tonen;

want welke god is er in de hemel of op aarde-

die zulke werken en machtige daden zoals de Uwe doen kan?

3:25 ‘Laat mij,

ik bid U,

oversteken-

en het goede land zien dat over de Yarden is,

dat prachtige heuvelland en de L’vanon.’

3:26 “Maar Maryah was boos op mij omwille van u-

  en wilde niet luisteren naar mij;

en Maryah zei tegen mij,

‘Genoeg!

Spreek niet meer tegen Mij over deze kwestie.

3:27 ‘Ga opwaarts naar de top van Pisgah-

en hef uw ogen op naar het westen en noorden en zuiden en oosten,

en zie het met uw ogen,

omdat gij deze Yarden niet zult oversteken.

3:28 ‘Maar beveel Y’hoshua en moedig hem aan en versterk hem,

want hij zal aan het hoofd van dit volk oversteken,

en hij zal hun het land dat gij zien zult als een erfenis geven.’

3:29 “Dus bleven wij in het dal tegenover Beit-P’or.

פ

4:1 “Nu,

O Isra’el,

luister naar de wetten en de gerichten die ik u leer te doen,

zodat gij moogt leven en ingaan

en bezit neemt van het land dat Maryah,

Aloha van uw vaders,

u geeft.

4:2 “Gij zult niet toevoegen aan het woord dat ik u gebied,

noch ervan wegnemen,

opdat gij de geboden van Maryah uw Aloha moogt bewaren-

welke ik u gebied.

4:3 “Uw ogen hebben gezien

wat Maryah heeft gedaan in het geval van Ba’al-P’or,

want al de mannen die Ba’al-P’or volgden,

Maryah uw Aloha heeft hen te midden van u vernietigd.

4:4 “Maar gij

die vasthield aan Maryah uw Aloha

zijt vandaag in leven,

iedereen van u.

4:5 “Zie,

ik heb u wetten en gerichten geleerd

precies zoals Maryah mijn Aloha mij beval,

opdat gij zo dient te doen in het land waar gij ingaat

om het te bezitten.

4:6 “Dus bewaar en doe ze

want dat is uw wijsheid

en uw begrip in het zicht van de volken

die al deze wetten zullen horen en zeggen,

‘Deze grote natie is zeker een wijs en begripvol volk.’

4:7 “Want welke grote natie is er-

die een god heeft zo dicht bij hen-

zoals Maryah onze Aloha is-

telkens als wij Hem aanroepen?

4:8 “Of welke grote natie is er-

die wetten en gerichten heeft-

net zo rechtvaardig als deze hele wet

die ik vandaag voor u leg?

4:9 “Alleen sla acht op uzelf-

en bewaart uw ziel ijverig,

zodat gij de dingen niet vergeet die uw ogen hebben gezien-

en zij niet afwijken van uw hart al de dagen van uw leven;

maar maak ze veeleer bekend aan uw zonen en uw kleinzonen.

4:10 “Gedenk de dag dat gij voor Maryah uw Aloha bij Horev stond,

toen Maryah tegen mij zei,

‘Verzamel het volk voor Mij,

opdat Ik hun Mijn woorden moge laten horen

zodat zij mogen leren om Mij te vrezen

al de dagen dat zij op de aarde leven,

en zodat zij hun kinderen mogen onderwijzen.’

4:11 “Gij zijt dichterbij gekomen en stond aan de voet van de berg,

en de berg brandde van vuur tot in het hart van de hemelen:

(met) duisternis,

wolken en dikke donkerte.

4:12 “Toen sprak Maryah tegen u vanuit het midden van het vuur;

gij hoorde het geluid van woorden,

maar zag geen gestalte–

alleen een stem.

4:13 “Dus maakte Hij aan u Zijn verbond bekend-

  hetwelk Hij u beval om te doen,

dat is,

de Tien Geboden;

en Hij schreef ze op twee tabletten van steen.

4:14 “Maryah beval mij op die tijd

om u wetten en gerichten te leren

opdat gij ze moge doen in het land

waarheen gij overgaat om het te bezitten.

4:15 “Dus pas goed op uzelf,

aangezien gij geen enkele gestalte zag

op de dag dat Maryah tegen u sprak bij Horev

vanuit het midden van het vuur,

4:16 zodat gij niet verdorven handelt-

en voor uzelf een gesneden beeld maakt

in de gestalte van welke afbeelding ook,

naar de gelijkenis van mannen of vrouwen,

4:17 naar de gelijkenis van welk dier ook dat op de aarde is,

naar de gelijkenis van welke gevleugelde vogel ook die in de hemel vliegt,

4:18 naar de gelijkenis van wat dan ook dat op de grond kruipt,

naar de gelijkenis van welke vis ook die in het water beneden de aarde is.

4:19 “En pas op dat gij uw ogen niet naar de hemel opheft

en de zon en de maan en de sterren aanziet,

  gans het heir des hemels,

en wordt weggetrokken-

om ze te aanbidden en te dienen,

datgene dat Maryah uw Aloha-

aan al de volken onder de ganse hemel heeft toegewezen.

4:20 “Maar Maryah heeft u aangenomen en u uit de ijzer-smelt-oven gehaald,

uit Egypte,

om een volk tot Zijn eigen bezitting te zijn,

zoals vandaag.

4:21 “Nu was Maryah boos op mij omwille van u,

en zwoer dat ik de Yarden niet zou oversteken,

en dat ik het goede land niet zou ingaan-

dat Maryah uw Aloha u als een erfenis geeft.

4:22 “Want ik moet in dit land sterven,

ik mag de Yarden niet oversteken,

maar gij moet oversteken en van dit goede land bezit nemen.

4:23 “Dus pas op voor uzelf,

zodat gij het verbond van Maryah uw Aloha-

hetwelk Hij met u maakte niet zou vergeten,

en gij voor uzelf een gesneden beeld zoudt maken-

naar de gestalte van wat dan ook-

waartegen Maryah uw Aloha u heeft geboden.

4:24 “Want Maryah uw Aloha is een verterend vuur,

een ijverzuchtig Aloha.

פ

4:25 “Wanneer gij de vader wordt van kinderen

en kinders kinderen

en lang in het land zijt gebleven,

en verdorven handelt,

en een afgod maakt in de gestalte van wat dan ook,

en doet wat kwaad is in het zicht van Maryah uw Aloha

zoals om Hem tot toorn uit te lokken,

4:26 roep ik hemel en aarde om vandaag tegen u te getuigen,

dat gij zeker snel zult omkomen van het land

waar gij de Yarden overgaat om het te bezitten.

Gij zult daarin niet lang wonen,

maar zult geheel en al vernietigd worden.

4:27 “Maryah zal u verstrooien onder de volken,

en gij zult maar met weinig in aantal

onder de naties achtergelaten worden-

waarheen Maryah u ook voortdrijft.

4:28 “Daar zult gij goden dienen,

het werk van mensenhanden,

(gemaakt van) hout en steen,

welke geen van alle zien

noch horen noch eten noch ruiken.

4:29 “Maar van daar zult gij Maryah uw Aloha zoeken,

en gij zult Hem vinden indien gij naar Hem zoekt-

met gans uw hart

en gans uw ziel.

4:30 “Wanneer gij in nood zijt-

en al deze dingen u zijn overkomen,

in de laatste dagen zult gij terugkeren naar Maryah uw Aloha-

en luisteren naar Zijn stem.

4:31 “Want Maryah uw Aloha is een barmhartige Aloha;

Hij zal niet u niet in de steek laten noch u vernietigen-

noch het verbond met uw vaders vergeten-

dat Hij aan hun zwoer.

4:32 “Immers,

vraag nu betreffende de vroegere dagen die voor u waren,

sinds de dag dat Aloha de mens op de aarde schiep,

en onderzoek van het ene uiteinde van de hemelen tot aan het andere.

Is er iets gedaan geweest zoals dit geweldige ding,

of is er iets gehoord geweest zoals dit ?

4:33 “Heeft er enig ander volk de ooit stem van Aloha gehoord-

sprekende vanuit het midden van het vuur,

  zoals gij het hebt gehoord,

en het overleeft?

4:34 “Of heeft een god ooit gepoogd te gaan-

  om voor zich een volk-

van binnen een ander volk aan te nemen-

door beproevingen,

  door tekenen en wonderen en door strijd

door een machtige hand en door een uitgestrekte arm

en door grote verschrikkingen,

zoals Maryah uw Aloha voor uw ogen in Egypte voor u deed?

4:35 “Aan u werd het getoond-

opdat gij moogt weten dat Maryah,

Hij is Aloha;

er is geen ander naast Hem.

4:36 “Vanuit de hemelen liet Hij u Zijn stem horen om u te disciplineren;

en op aarde liet Hij u Zijn groot vuur zien

  en gij hoorde Zijn woorden vanuit het midden van het vuur.

4:37 “Omdat Hij uw vaders liefhad,

daarom verkoos Hij hun nakomelingen na hen.

  En Hij bracht u persoonlijk vanuit Egypte door Zijn grote kracht,

4:38 uitdrijvende van voor u-

naties groter en machtiger dan u,

om u in te brengen en u hun land als een erfenis te geven,

zoals dat vandaag (het geval) is.

4:39 “Weet daarom vandaag,

en breng het naar uw hart,

dat Maryah,

Hij is Aloha in de hemel boven en op de aarde hieronder;

er is geen ander.

4:40 Dus moet gij Zijn wetten en zijn geboden houden-

welke ik u vandaag geef,

opdat het goed moge gaan met u-

en met uw kinderen na u,

en opdat gij lang moogt leven in het land-

dat Maryah uw Aloha u voor altijd geeft.”

פ

4:41 Vervolgens-

Moshe scheidde drie steden van elkaar-

aan de oostkant van de Yarden-

naar het oosten toe,

4:42 opdat een doodslager daarheen zou kunnen vluchten,

die zijn naaste onbedoeld doodde-

zonder vijandschap jegens hem te hebben in het verleden;

en door te vluchten naar één van deze steden –

zou hij kunnen leven:

4:43 Betzer in de woestijn op het plateau voor de Re’uveni,

en Ramot in Gil’ad voor de Gadi;

en Golan in Bashan voor de M’nashi.

4:44 Dit is nu de wet die Moshe voor de zonen van Isra’el plaatste;

4:45 dit zijn de getuigenissen en de wetten en de verordeningen

die Moshe sprak tegen de zonen van Isra’el,

toen zij van uit Egypte kwamen,

4:46 aan de overkant van de Yarden,

in het dal tegenover Beit-P’or,

in het land van Sichon

koning van de Emori die te Heshbon woonde,

welke Moshe en de zonen van Isra’el versloeg

toen zij van uit Egypte kwamen.

4:47 Zij namen bezit van zijn land-

en het land van Og koning van Bashan,

de twee koningen van de Emori,

die aan de overkant van de Yarden waren naar het oosten toe,

4:48 vanaf ‘Aro’er,

dat aan de rand van de vallei van Arnon is,

  zelfs tot aan Berg Si’on-

(welke is Hermon),

4:49 met al de ‘Aravah-

aan de overkant van de Yarden naar het oosten toe,

  zelfs tot aan de zee van de ‘Aravah,

aan de voet van de hellingen van Pisgah.

פ

5:1 Vervolgens-

Moshe riep gans Isra’el bijeen en zei tegen hen:

“Hoor,

O Isra’el,

de wetten en de verordeningen die ik vandaag in uw gehoor spreek,

opdat gij ze moogt leren en ze zorgvuldig in acht nemen.

5:2 “Maryah onze Aloha maakte een verbond met ons bij Horev.

5:3 “Maryah maakte dit verbond niet met onze vaders,

maar met ons,

met al degenen van ons hier vandaag levend.

5:4 “Maryah sprak tegen u van aangezicht tot aangezicht-

  op de berg-

vanuit het midden van het vuur,

5:5 terwijl ik op dat moment tussen Maryah en u stond,

om aan u het woord van Maryah bekend te maken;

want gij waart bevreesd vanwege het vuur-

en wilde de berg niet opgaan.

Hij zei,

ס

5:6 ‘Ik ben Maryah uw Aloha-

die u vanuit het land van Egypte bracht,

  van uit het huis van slavernij,

5:7 ‘Gij moogt voor Mij geen andere goden hebben.

5:8 ‘Gij moogt voor uzelf geen afgodsbeeld maken,

of enige gelijkenis van wat er in de hemel hierboven-

of op de aarde daarbeneden-

  of in het water onder de aarde is.

5:9 ‘Gij moogt hen niet aanbidden of hen dienen;

want Ik,

Maryah uw Aloha,

ben een ijverzuchtig Aloha,

bestraffende de kinderen-

voor de ongerechtigheid van de vaders,

en ook de derde en de vierde generaties-

van degenen die Mij haten,

5:10 maar betoon liefdevolle vriendelijkheid aan duizenden,

aan degenen die Mij liefhebben-

en Mijn geboden gehoorzamen.

ס

5:11 ‘Gij moogt de naam van Maryah uw Aloha niet tevergeefs gebruiken,

  want Maryah zal hem niet ongestraft laten

die Zijn naam tevergeefs gebruikt.

ס

5:12 ‘Neem de dag van shabbat in acht om hem heilig te houden,

zoals Maryah uw Aloha u beval.

5:13 ‘Zes dagen moet gij arbeiden en al uw werk doen,

5:14 maar de zevende dag is een shabbat van Maryah uw Aloha;

daarin moogt gij geen arbeid doen,

gij of uw zoon of uw dochter-

of uw mannelijke knecht of uw vrouwelijke knecht-

of uw os of uw ezel of enige van uw rundvee-

of uw bijwoner die bij u verblijft,

zodat uw mannelijke knecht en uw vrouwelijke knecht moge rusten-

even goed als gij.

5:15 ‘Gij zult gedenken dat gij een slaaf waart in het land van Egypte,

  en Maryah uw Aloha bracht u vandaar uit

  door een machtige hand

en een uitgestrekte arm;

daarom beval Maryah uw Aloha u

  om de shabbat dag in acht te houden.

ס

5:16 ‘Eert uw vader en uw moeder,

zoals Maryah uw Aloha u heeft bevolen,

opdat uw dagen mogen verlengd worden-

  en opdat het goed met u moge gaan in het land-

dat Maryah uw Aloha u geeft.

ס

5:17 ‘Gij moogt niet moorden.

ס

5:18 ‘Gij moogt geen overspel plegen.

ס

5:19 ‘Gij moogt niet stelen.

ס

5:20 ‘Gij moogt geen valse getuigenis geven tegen uw naaste.

ס

5:21 ‘Gij moogt de vrouw van uw naaste niet begeren,

ס

en gij moogt het huis van uw naaste niet verlangen,

zijn veld of zijn mannelijke knecht of zijn vrouwelijke knecht,

zijn os of zijn ezel of wat dan ook dat aan uw naaste toebehoort.’

ס

5:22 “Deze woorden sprak Maryah tegen uw ganse samenkomst-

op de berg vanuit het midden van het vuur,

van de wolk en van de dikke somberheid,

met een geweldige stem,

en Hij voegde niets meer toe.

Hij schreef ze op twee tabletten van steen en gaf ze aan mij.

5:23 “En toen gij de stem hoorde

vanuit het midden van de duisternis,

terwijl de berg met vuur brandde-

  zijt gij dicht bij mij gekomen,

  al de hoofden van uw stammen en uw ouderen.

5:24 “Gij zei,

‘Ziehier,

Maryah onze Aloha

heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid getoond,

en wij hebben Zijn stem gehoord vanuit het midden van het vuur;

wij hebben vandaag gezien dat Aloha met de mens spreekt,

maar toch leeft hij.

5:25 ‘Nu dan,

waarom zouden wij sterven?

Want dit grote vuur zal ons verteren;

indien wij de stem van Maryah onze Aloha nog langer horen,

dan zullen wij sterven.

5:26 ‘Want wie is er van alle vlees-

die de stem van de levende Aloha heeft horen spreken-

vanuit het midden van het vuur,

zoals wij hebben (gehoord),

en leefden?

5:27 ‘Ga dichtbij en hoor alles wat Maryah onze Aloha zegt;

en spreek dan tegen ons-

alles wat Maryah onze Aloha tegen u spreekt,

en wij zullen luisteren en het doen.’

5:28 “Maryah hoorde de stem van uw woorden toen gij tegen mij sprak,

en Maryah zei tegen mij,

‘Ik heb de stem gehoord van de woorden van dit volk-

die zij tegen u hebben gesproken.

Zij hebben goed gedaan in alles wat zij hebben gezegd.

5:29 ‘Och dat zij zo’n hart in zich hadden,

dat zij Mij zouden vrezen-

en altijd Mijn geboden zouden onderhouden,

opdat het met hun en met hun zonen goed moge gaan voor altijd!

5:30 ‘Ga,

zeg tegen hun,

“Keert terug naar uw tenten.”

5:31 ‘Maar wat u betreft,

sta hier bij Mij,

opdat Ik tegen u moge spreken

al de geboden en de wetten en de gerichten

die gij hun onderwijzen zult,

opdat zij ze in acht mogen nemen

in het land dat Ik hun geef om te bezitten.’

5:32 “Zo zult gij in acht nemen om rechtvaardig te doen-

gelijk Maryah uw Aloha u heeft bevolen;

gij zult niet afwijken naar de rechter of naar de linkerkant.

5:33 “Gij moet wandelen op geheel de weg die Maryah uw Aloha u heeft bevolen,

zodat gij moogt leven en dat het goed met u moge gaan,

en opdat gij uw dagen moogt verlengen in het land dat gij zult bezitten.

6:1 “Dit is nu het gebod,

de wetten en de gerichten

die Maryah uw Aloha mij heeft bevolen om u te onderwijzen,

opdat gij ze moogt doen in het land waarheen gij naartoe gaat

om dat te bezitten,

6:2 opdat gij en uw zoon en uw kleinzoon Maryah uw Aloha zoudt vrezen,

om al Zijn wetten te houden

en Zijn geboden die ik u beveel,

al de dagen van uw leven,

en opdat uw dagen mogen verlengd worden.

6:3 “O Isra’el,

gij zoudt moeten luisteren en nauwkeurig zijn om het te doen,

opdat het goed met u moge gaan

en opdat gij zeer moogt vermenigvuldigen,

precies zoals Maryah,

Aloha van uw vaders,

u beloofd heeft,

in een land vloeiende van melk en honing.

פ

6:4 “Hoor,

O Isra’el,

Maryah is onze Aloha,

Maryah is één!

6:5 “Gij moet Maryah uw Aloha liefhebben met heel uw hart-

en met heel uw ziel-

en met al uw vermogen.

6:6 “Deze woorden,

die ik u vandaag beveel,

moeten op uw hart zijn.

6:7 Gij moet ze aan uw zonen naarstig onderwijzen-

en (gij) moet erover praten wanneer gij in uw huis zit-

en wanneer gij langs de weg wandelt-

en wanneer gij neerligt en wanneer gij opstaat.

6:8 “Gij moet ze als een teken op uw hand binden-

en zij moeten als ornamenten op uw voorhoofd zijn.

6:9 “Gij moet ze op de deurposten van uw huis schrijven-

en op uw poorten.

ס

6:10 “Vervolgens-

het zal gebeuren-

wanneer Maryah uw Aloha u het land inbrengt-

dat Hij aan uw vaders zwoer,

Avraham,

Yitz’chak en Ya’akov,

om u te geven,

grote en prachtige steden welke gij niet gebouwd hebt,

6:11 en huizen vol van alle goede dingen welke gij niet hebt gevuld,

en uitgehouwen water reservoirs welke gij niet hebt gegraven,

wijngaarden en olijfbomen welke gij niet hebt geplant,

en gij eet en zijt voldaan,

6:12 let dan op uzelf,

dat gij Maryah niet vergeet

die u vanuit het land van Egypte heeft gebracht,

van uit het huis van slavernij.

6:13 “Gij moet alleen Maryah uw Aloha vrezen;

en gij zult Hem aanbidden en bij Zijn naam zweren.

6:14 “Gij moogt geen andere goden nalopen,

om het even welke van de goden van de volken die u omringen,

6:15 omdat Maryah uw Aloha-

in het midden van u een ijverzuchtig Aloha is;

anders zal de toorn van Maryah uw Aloha tegen u ontbranden,

en Hij zal u van het aangezicht van de aarde afwissen.

ס

6:16 “Gij zult Maryah uw Aloha niet op de proef stellen,

gelijk gij hem te Massah beproefde.

6:17 “Gij moet de geboden van Maryah uw Aloha naarstig houden,

en Zijn getuigenissen

en Zijn wetten

die Hij u bevolen heeft.

6:18 “Gij moet doen wat recht en goed is in het zicht van Maryah,

opdat het goed met u moge gaan-

en opdat gij moogt ingaan-

  en het goede land bezitten-

  hetwelk Maryah zwoer om aan uw vaders te geven,

6:19 door al uw vijanden van voor u uit te drijven,

gelijk Maryah heeft gesproken.

ס

6:20 “Wanneer uw zoon u in de komende tijd vraagt,

zeggende,

‘Wat betekenen de getuigenissen en de wetten en de gerichten-

welke Maryah uw Aloha u beval?”

6:21 dan zult gij tegen uw zoon zeggen,

‘Wij waren slaven voor Pharaoh in Egypte,

en Maryah bracht ons met een machtige hand uit Egypte.

6:22 ‘Bovendien,

Maryah toonde grote en verontrustende tekenen-

en wonderen voor onze ogen tegen Egypte,

Pharaoh en gans zijn huishouden;

6:23 Hij bracht ons van daar uit teneinde om ons in te brengen,

om ons het land te geven dat Hij aan onze vaders had gezworen.’

6:24 “Zo beval Maryah ons om al deze wetten in acht te nemen,

om Maryah onze Aloha te vrezen

altijd om onze eigen bestwil-

en om onze overleving,

zoals het vandaag is.

6:25 “Het zal gerechtigheid voor ons zijn,

  als wij zorgvuldig al deze geboden in acht nemen

in tegenwoordigheid van Maryah onze Aloha,

precies zoals Hij ons beval.

ס

7:1 “Wanneer Maryah uw Aloha-

u tot in het land brengt waar gij ingaat om het te bezitten,

en vele volken voor u verdrijft,

de Hitti en de Girgashi en de Emori

en de Kena’ani en de P’rizi

en de Hivi en de Y’vusi,

zeven naties groter en sterker dan gij,

7:2 en wanneer Maryah uw Aloha ze voor u overlevert

en gij ze verslaat,

dan zult gij hen geheel en al vernietigen.

Gij zult geen verbond met hen maken-

en aan hun geen gunst betonen.

7:3 “Bovendien,

gij moogt met hen niet onderling huwen;

  gij moogt uw dochters niet geven aan hun zonen,

noch moogt gij hun dochters nemen voor uw zonen.

7:4 “Want zij zullen uw zonen afwenden van Mij te volgen

om andere goden te dienen;

dan zal de toorn van Maryah tegen u worden ontstoken

en Hij zal u haastig vernietigen.

7:5 “Maar zo zult gij aan hun doen:

gij zult hun altaren afbreken,

en hun heilige pilaren verpletteren,

  en hun Asherim neerhakken,

en hun gesneden beelden met vuur verbranden.

7:6 “Want gij zijt een heilig volk voor Maryah uw Aloha;

Maryah uw Aloha heeft u uitgekozen-

om een volk te zijn voor Zijn eigen bezitting-

vanuit al de volken-

die op het aangezicht van de aarde zijn.

7:7 “Maryah heeft Zijn liefde niet op u gericht-

  noch u uitgekozen-

omdat gij meerder in aantal waart dan welke ook van de volken,

want gij waart de minste van alle volken,

7:8 maar omdat Maryah u liefhad-

en de eed hield die Hij aan uw voorvaders zwoer,

Maryah bracht u uit door een machtige hand-

en verloste u uit het huis van slavernij,

uit de hand van Pharaoh koning van Egypte.

7:9 “Weet dus dat Maryah uw Aloha,

Hij is Aloha,

de getrouwe Aloha,

die Zijn verbond en Zijn liefdevolle vriendelijkheid nakomt-

tot een duizendste geslacht-

met degenen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden;

7:10 maar vergeldt degenen die Hem haten in hun aangezichten,

om hen te vernietigen;

Hij zal niet vertragen (om te handelen) met hem die Hem haat,

Hij zal hem in zijn aangezicht vergelden.

7:11 “Daarom,

gij moet het gebod-

en de wetten en de gerichten houden-

die ik u vandaag beveel,

om ze te doen.

פ

7:12 “Dan zal het gebeuren,

omdat gij naar deze gerichten luistert en ze houdt en doet,

dat Maryah uw Aloha

Zijn verbond en Zijn liefdevolle vriendelijkheid met u zal houden

  welke Hij aan uw voorvaders zwoer.

7:13 “Hij zal u liefhebben en u zegenen en u vermenigvuldigen;

Hij zal ook de vrucht van uw schoot-

en de vrucht van uw land zegenen,

  uw graan en uw nieuwe wijn en uw olie,

de toename van uw rundvee en de jongen van uw kudde-

in het land dat Hij aan uw voorvaders zwoer om u te geven.

7:14 “Gij zult meer gezegend worden dan alle (andere) volken;

er zal onder u noch onder uw veestapel-

geen enkele mannelijke of vrouwelijke onvruchtbare zijn.

7:15 “Maryah zal alle ziekte van u wegnemen;

en Hij zal u geen van de schadelijke kwalen van Egypte aandoen

  die gij hebt gekend,

maar Hij zal ze op allen leggen die u haten.

7:16 “Gij moet al de volken verteren

die Maryah uw Aloha aan u zal overleveren;

uw oog zal hen niet beklagen,

evenmin zult gij hun goden dienen,

want dat zou een valstrik tot u worden.

ס

7:17 “Indien gij in uw hart zou zeggen,

‘Deze volken zijn groter dan ik;

hoe kan ik ze onteigenen?’

7:18 Gij hoeft niet bevreesd voor hun te zijn;

gij moet goed onthouden

wat Maryah uw Aloha

aan Pharaoh en aan heel Egypte deed:

7:19 de grote beproevingen die uw ogen zagen-

en de tekenen en de wonderen en de machtige hand-

en de uitgestrekte arm door welke Maryah uw Aloha u uitbracht.

Zo zal Maryah uw Aloha doen aan al de volken

voor wie gij bevreesd zijt.

7:20 “Bovendien,

Maryah uw Aloha zal de hoornaar tegen hen zenden,

totdat degenen die zijn overgebleven-

en zich voor u verbergen-

omkomen.

7:21 “Gij hoeft hen niet te vrezen,

omdat Maryah uw Aloha in uw midden is,

een grote en ontzagwekkende Aloha.

7:22 “Maryah uw Aloha zal deze volken beetje bij beetje voor u ontruimen;

gij zult niet in staat zijn om haastig een einde aan hen te maken,

want de wilde beesten zouden te talrijk voor u worden.

7:23 “Want Maryah uw Aloha zal hen voor u overleveren,

en zal hen in grote verwarring storten-

totdat zij vernietigd worden.

7:24 “Hij zal hun koningen in uw hand geven-

zodat gij hun naam vanonder de hemel zult doen verdwijnen;

geen mens zal in staat zijn om voor u te staan

totdat gij hen vernietigd hebt.

7:25 “De gesneden beelden van hun goden moet gij met vuur verbranden;

gij zult het goud of het zilver dat op hen is niet begeren,

noch het voor uzelf nemen,

of gij zult erdoor verstrikt worden,

want dat is een gruweldaad voor Maryah uw Aloha.

7:26 “Gij moogt geen gruwel in uw huis brengen,

en zo het onder het verbod valt;

gij moet het geheel en al verfoeien

en gij moet het geheel en al verafschuwen,

want het is een verboden ding.

פ

8:1 “Al de geboden die ik u vandaag beveel

  moet gij zorgvuldig doen,

opdat gij moogt leven en vermenigvuldigen,

en ga in en bezit het het land

dat Maryah aan uw voorvaders zwoer te geven.

8:2 “Gij moet elk-ding onthouden-

van de weg op welke Maryah uw Aloha-

u deze veertig jaren in de woestijn heeft geleid,

  opdat Hij u moge verootmoedigen,

en u toetsen,

om te weten wat in uw hart was,

of gij Zijn geboden zoudt houden of niet.

8:3 “Hij verootmoedigde u en liet u hongerig zijn,

en voedde u met man dat gij niet kende,

noch uw vaders kenden,

opdat Hij u zou laten begrijpen dat de mens niet alleen van brood leeft,

maar de mens leeft door alles wat uit de mond van Maryah uitgaat.

8:4 “Uw kleding op u is niet versleten,

ook is uw voet niet opgezwollen deze veertig jaren.

8:5 “Zo moet gij in uw hart weten

dat Maryah uw Aloha u tuchtigde

precies zoals een man zijn zoon tuchtigt.

8:6 “Daarom,

gij moet de geboden van Maryah uw Aloha houden,

om in Zijn wegen te wandelen en om Hem te vrezen.

8:7 “Want Maryah uw Aloha brengt u in een goed land,

een land van beken van water,

van fonteinen en bronnen,

uitvloeiende in dalen en heuvels;

8:8 een land van tarwe en gerst,

van wijnstokken en vijgenbomen en granaatappels,

een land van olijfolie en honing;

8:9 een land waarin gij voedsel zonder schaarste eten zult,

waarin gij niet enig ding ontbreken zult;

  een land welks stenen ijzer bevatten,

en vanuit welks heuvels gij koper delven kunt.

8:10 “Wanneer gij gegeten hebt en voldaan zijt,

zult gij Maryah uw Aloha zegenen

voor het goede land dat Hij u heeft gegeven.

8:11 “Let op dat gij Maryah uw Aloha niet vergeet-

door Zijn geboden niet te houden-

en Zijn verordeningen-

en Zijn wetten die ik u vandaag beveel;

8:12 anders,

wanneer gij gegeten hebt en voldaan zijt,

en goede huizen hebt gebouwd en daarin hebt gewoond,

8:13 en wanneer uw runderkudde en en uw kleinvee kudde vermenigvuldigen,

en uw zilver en goud vermenigvuldigen,

en alles wat gij hebt vermenigvuldigd,

8:14 dan zal uw hart hoogmoedig worden,

en gij zult Maryah uw Aloha vergeten,

  die u van uit het land van Egypte bracht,

van uit het huis van slavernij.

8:15 “Hij leidde u door de grote en verschrikkelijke woestijn,

met zijn vurige serpenten en schorpioenen

en dorstige grond waar er geen water was;

Hij bracht water voor u uit van de rots van vuursteen.

8:16 “In de woestijn voedde Hij u man dat uw vaders niet kenden,

  opdat Hij u zou verootmoedigen en opdat Hij u zou beproeven,

om uiteindelijk goed voor u te doen.

8:17 “Anders,

zoudt gij in uw hart zeggen,

‘Mij eigen kracht en de sterkte van mijn hand-

hebben mij deze rijkdom gemaakt.’

8:18 “Maar gij zult Maryah uw Aloha gedenken,

omdat Hij het is die u kracht geeft om rijkdom te maken,

opdat Hij Zijn verbond moge bevestigen dat Hij aan uw vaders zwoer,

zoals het deze dag is.

פ

8:19 “Het zal gebeuren-

indien gij ooit Maryah uw Aloha vergeet-

en andere goden achterna gaat en hen dient en hen aanbid,

getuige ik vandaag tegen u-

dat gij zeker zult omkomen.

8:20 “Precies zoals de naties die Maryah voor u doet vergaan,

zo zult gij omkomen;

omdat gij niet wilde luisteren naar de stem van Maryah uw Aloha.

פ

9:1 “Hoor,

O Isra’el!

Gij steekt vandaag de Yarden over-

om in te gaan om naties te ontzetten

groter en machtiger dan gij,

grote steden versterkt tot aan de hemel,

9:2 een groot en lang volk,

de zonen van de ‘Anakim,

over wie gij weet-

en van wie gij dit hebt horen zeggen,

‘Wie kan voor de zonen van ‘Anak staan?’

9:3 “Weet daarom vandaag dat het Maryah uw Aloha is

die als een verterend vuur voor u oversteekt.

Hij zal hen vernietigen en Hij zal hen voor u onderwerpen,

zo dat gij ze moogt uitdrijven en ze haastig vernietigen,

precies zoals Maryah tegen u heeft gesproken.

9:4 “Zeg niet in uw hart wanneer Maryah uw Aloha

hen voor u heeft uitgedreven,

‘Vanwege mijn gerechtigheid heeft Maryah mij ingebracht

om dit land te bezitten,’

maar het is vanwege de goddeloosheid van deze volken

dat Maryah hen voor u ontzet.

9:5 “Het is niet vanwege uw gerechtigheid-

of vanwege de oprechtheid van uw hart-

dat gij hun land gaat bezitten,

maar het is vanwege de goddeloosheid van deze volken-

dat Maryah uw Aloha hen voor u uitdrijft,

ten einde de eed te bevestigen die Maryah aan uw vaders zwoer,

aan Avraham,

Yitz’chak en Ya’akov.

9:6 “Weet,

dan,

dat het niet vanwege uw gerechtigheid is-

dat Maryah uw Aloha u dit goede land geeft om te bezitten,

want gij zijt een halsstarrig volk.

9:7 “Onthoud,

vergeet niet

hoe gij Maryah uw Aloha

in de woestijn tot toorn hebt uitgelokt;

vanaf de dag dat gij het land van Egypte verliet

totdat gij op deze plaats aankwam ,

zijt gij opstandig geweest tegen Maryah.

9:8 “Zelfs te Horev hebt gij Maryah tot toorn uitgelokt,

en Maryah was zo toornig op u

dat Hij u zou hebben vernietigd.

9:9 “Toen ik opwaarts ging naar de berg-

om de tabletten van steen te ontvangen,

de tabletten van het verbond dat Maryah met u had gemaakt,

toen bleef ik veertig dagen en nachten op de berg;

ik at geen brood evenmin dronk ik water.

9:10 “Maryah gaf mij de twee tabletten van steen-

geschreven door de vinger van Aloha;

en op hen waren al de woorden-

die Maryah met u had gesproken-

vanuit het midden van het vuur op de berg-

op de dag van de samenkomst.

9:11 “Het gebeurde aan het einde van veertig dagen en nachten-

dat Maryah mij de twee tabletten van steen gaf,

de tabletten van het verbond.

9:12 “Toen zei Maryah tegen mij,

‘Sta op,

ga haastig van hier afwaarts,

want uw volk die gij vanuit Egypte bracht heeft verdorven gehandeld.

Zij zijn haastig afgeweken van de weg die Ik hen beval;

zij hebben voor zichzelf een gesmolten beeld gemaakt.’

9:13 “Maryah sprak verder tegen mij,

zeggende,

‘Ik heb dit volk gezien,

en werkelijk,

het is een halsstarrig volk.

9:14 ‘Laat Mij met rust,

opdat Ik hen moge vernietigen-

en hun naam van onder de hemel uitwissen;

en Ik zal vanuit u een volk maken-

dat machtiger en groter is dan zij.’

9:15 “Dus keerde ik mij om en kwam van de berg af-

terwijl de berg brandende was met vuur,

en de twee tabletten van het verbond waren in mijn twee handen.

9:16 “En ik zag dat gij waarlijk had gezondigd tegen Maryah uw Aloha.

gij had voor uzelf een gesmolten kalf gemaakt;

gij waart haastig afgeweken van de weg-

die Maryah u had bevolen.

9:17 “Ik pakte de twee tabletten vast-

  en wierp ze weg vanuit mijn handen-

  en verbrijzelde ze voor uw ogen.

9:18 “Ik viel neer voor Maryah,

zoals in het begin,

veertig dagen en nachten;

ik at geen brood evenmin dronk ik water,

vanwege al uw zonde die gij had begaan

  om te doen wat kwaad was in het zicht van Maryah

om Hem tot toorn uit te lokken.

9:19 “Want ik was bevreesd voor de toorn en het vurige ongenoegen

  waarmee Maryah toornig tegen u was om u te vernietigen,

maar Maryah luisterde ook (op) dat moment naar mij.

9:20 “Maryah was toornig genoeg op Aharon om hem te vernietigen;

dus bad ik ook op hetzelfde moment voor Aharon.

9:21 “Ik nam uw zondig ding,

het kalf dat gij had gemaakt

  en verbrandde het met vuur en vergruisde het,

vermaalde het zeer fijn totdat het zo fijn was als stof;

en ik wierp zijn stof in de beek die van de berg afkwam.

9:22 “Te Tav’erah en te Massah en te Kivrot-HaTa’avah-

lokte gij Maryah opnieuw uit tot toorn.

9:23 “Wanneer Maryah u vanuit Kadesh-Barnea zond,

zeggende,

‘Ga opwaarts en bezit het land dat Ik u heb gegeven,’

toen waart gij opstandig tegen het bevel van Maryah uw Aloha;

gij geloofde Hem ook niet

evenmin luisterde gij naar Zijn stem.

9:24 “Gij zijt opstandig geweest tegen Maryah vanaf de dag dat ik u kende.

9:25 “Dus viel ik neer voor Maryah de veertig dagen en nachten,

hetgeen ik deed omdat Maryah had gezegd dat Hij u zou vernietigen.

9:26 “Ik bad tot Maryah en zei,

‘O Maryah Aloha,

vernietig Uw volk niet,

zelfs Uw erfenis niet,

die Gij hebt verlost door Uw grootheid,

die Gij met een machtige hand vanuit Egypte hebt gebracht.

9:27 ‘Gedenk Uw knechten,

Avraham, Yitz’chak, en Ya’akov;

kijk niet naar de halsstarrigheid van dit volk-

of naar hun goddeloosheid-

of hun zonde.

9:28 ‘Anders zou het land van waar Gij ons uitbracht kunnen zeggen,

“Omdat Maryah niet in staat was om hen in het land te brengen-

dat Hij hun beloofd had-

en omdat Hij hen haatte-

heeft Hij hen uitgebracht-

om hen in de woestijn te doden.”

9:29 ‘Toch zijn zij uw volk,

zelfs uw erfenis,

die Gij hebt uitgebracht-

door Uw grote kracht-

en Uw uitgestrekte arm.’

פ

10:1 “Op dat moment zei Maryah tegen mij,

‘Houw voor uzelf twee tabletten van steen uit gelijk de eersten,

en kom opwaarts naar Mij op de berg,

en maak voor uzelf een ark van hout.

10:2 ‘Ik zal op de tabletten de woorden schrijven-

die op de eerdere tabletten waren die gij verbrijzelde,

en gij moet ze in de ark leggen.’

10:3 “Dus maakte ik een ark van acacia hout-

en hieuw twee tabletten van steen uit gelijk de eersten,

en ging opwaarts de berg op-

met de twee tabletten in mijn hand.

10:4 “Hij schreef op de tabletten,

overeenkomstig het eerste geschrift,

de Tien Geboden-

die Maryah tegen u had gesproken-

vanuit het midden van het vuur op de berg

op de dag van de samenkomst;

en Maryah gaf ze aan mij.

10:5 “Toen keerde ik om-

en kwam neerwaarts van de berg-

en legde de tabletten in de ark die ik had gemaakt;

en daarin zijn ze,

gelijk Maryah mij beval.”

10:6 (Nu-

de zonen van Isra’el-

vertrokken van de wellen van B’nei-Ya’akan naar Moserah.

Daar stierf Aharon en daar werd hij begraven-

en zijn zoon El’azar diende als priester in zijn plaats.

10:7 Van daar vertrokken zij naar Gudgod,

en van Gudgod naar Yotvatah,

een land met beken van water.

10:8 Op dat moment zette Maryah de stam van Levi apart

om de ark van het verbond van Maryah te dragen,

om voor Maryah te staan om Hem te dienen-

en om te zegenen in Zijn naam-

tot op deze dag.

10:9 Daarom,

Levi heeft geen deel of erfenis met zijn broeders;

Maryah is zijn erfdeel,

precies zoals Maryah uw Aloha tegen hem sprak.)

10:10 “Ik bleef,

bovendien,

veertig dagen en veertig nachten op de berg gelijk de eerste keer,

en Maryah luisterde ook dat moment naar mij;

Maryah was niet gewillig om u te vernietigen.

10:11 “Toen zei Maryah tegen mij,

‘Sta op,

ga verder op uw reis vooraan van het volk,

opdat zij mogen ingaan en het land bezitten-

dat Ik aan hun vaders zwoer om aan hun te geven.’

פ

10:12 “Nu,

Isra’el,

wat vraagt Maryah uw Aloha van u,

slechts om Maryah uw Aloha te vrezen,

om in al Zijn wegen te wandelen en Hem lief te hebben,

en om Maryah uw Aloha te dienen

met heel uw hart en met heel uw ziel,

10:13 en om Maryah’s geboden en Zijn wetten te houden

die ik u vandaag beveel voor uw bestwil?

10:14 “Ziedaar!

de lucht-

en de hemel boven de lucht,

en de aarde en alles wat daarop is,

alles behoort aan Maryah uw Aloha.

10:15 “Maar toch heeft Maryah Zijn genegenheid aan uw vaders gegeven-

om hen lief te hebben,

en Hij verkoos hun nakomelingen na hen,

zelfs u boven alle volken,

gelijk het deze dag is.

10:16 “Besnijd dus uw hart,

en verstijf uw nek niet langer.

10:17 “Want Maryah uw Aloha-

is Aloha der goden-

en Maryah der heren,

de Grote-

de Machtige,

en de Ontzagwekkende Aloha-

die geen partijdigheid vertoont-

noch omkopingen aanneemt.

10:18 “Hij verzekert gerechtigheid voor de wees en de weduwe,

en toont Zijn liefde voor de vreemdeling-

door hem voedsel en kleding te geven.

10:19 “Dus toon uw liefde voor de vreemdeling,

omdat gij vreemdelingen zijt geweest in het land van Egypte.

10:20 “Gij moet Maryah uw Aloha vrezen;

gij moet Hem dienen en Hem aanhangen,

en bij Zijn naam moet gij zweren.

10:21 “Hij is uw lof en Hij is uw Aloha,

die deze grote en ontzagwekkende dingen voor u heeft gedaan-

welke uw ogen hebben gezien.

10:22 “Uw vaders gingen afwaarts naar Egypte

zeventig personen in totaal,

en nu heeft Maryah uw Aloha-

u zo talrijk gemaakt als de sterren van de hemel.

11:1 “Gij moet dus Maryah uw Aloha liefhebben,

en altijd Zijn bevel onderhouden,

Zijn wetten,

Zijn verordeningen

en Zijn geboden.

11:2 “Weet deze dag-

dat ik niet met uw zonen spreek

die niet hebben geweten-

en die niet hebben gezien-

de tucht van Maryah uw Aloha–

Zijn grootheid,

Zijn machtige hand-

en Zijn uitgestrekte arm,

11:3 en Zijn tekenen en Zijn werken

die Hij deed in het midden van Egypte

  aan Pharaoh de koning van Egypte

en aan gans zijn land;

11:4 en wat Hij deed aan Egypte’s leger,

aan zijn paarden en zijn strijdwagens,

toen Hij maakte dat het water van de Rode Zee hen overspoelde-

terwijl zij u achtervolgden,

en Maryah vernietigde ze volledig;

11:5 en wat Hij aan u deed in de woestijn

totdat gij op deze plaats zijt gekomen;

11:6 en wat Hij aan Datan en Aviram deed,

de zonen van Eli’av,

de zoon van Re’uven,

toen de aarde haar mond opende en hun verslond,

  hun huishoudens,

hun tenten,

en elk levend schepsel dat hun naliep,

te midden van gans Isra’el–

11:7 maar uw eigen ogen hebben gezien-

al de grote werken van Maryah-

welke Hij deed.

11:8 “Gij moet daarom elk gebod onderhouden-

die ik u vandaag beveel,

zo dat gij sterk moogt zijn en ingaan-

en het land bezitten in hetwelk gij op punt staat om te doorkruisen

om het te bezitten;

11:9 zo dat gij uw dagen moogt verlengen op het land-

dat Maryah aan uw vaders zwoer

om aan hun en aan hun nakomelingen te geven,

een land dat vloeiende is van melk en honing.

ס

11:10 “Want het land,

in hetwelk gij ingaat om het te bezitten,

is niet zoals het land van Egypte vanwaar gij zijt gekomen,

waarin gij gewoon waart om uw zaad te zaaien

en gij het met uw voet moest bewateren zoals een moestuin.

11:11 “Maar het land in hetwelk gij op punt staat te doorkruisen-

om het te bezitten,

(is) een land van heuvels en dalen,

(en) drinkt water van de regen van de hemel,

11:12 “een land waar Maryah uw Aloha voor zorgt;

  de ogen van Maryah uw Aloha zijn altoos daarop,

vanaf het begin zelfs tot het einde van het jaar.

ס

11:13 “Het zal gebeuren-

als gij gehoorzaam luistert naar mijn bevelen-

die ik u vandaag beveel,

om Maryah uw Aloha lief te hebben-

en om Hem te dienen met gans uw hart en gans uw ziel,

11:14 dat Hij regen voor uw land zal geven in zijn seizoen,

de vroege en de late regen,

opdat gij uw graan en uw nieuwe wijn en uw olie moogt inzamelen.

11:15 “Hij zal gras geven op uw velden voor uw veestapel,

en gij zult eten en voldaan zijn.

11:16 “Pas op dat uw hart niet word misleid,

en dat gij niet afwendt-

en andere goden dient en hen aanbidt.

11:17 “Of de toorn van Maryah zal tegen u ontbranden,

en Hij zal de hemelen afsluiten-

zodat er geen regen zal zijn-

en de grond zijn vrucht niet zal opleveren;

en gij zult haastig heengaan van het goede land-

dat Maryah u geeft.

11:18 “Daarom moet gij deze woorden van mij-

in uw hart en in uw ziel inprenten;

en gij moet ze als een teken op uw hand binden,

en zij zullen als ornamenten op uw voorhoofd zijn.

11:19 “Gij moet ze aan uw zonen onderwijzen,

spreken van hen wanneer gij in uw huis zit

en wanneer gij langs de weg wandelt

  en wanneer gij neerligt

en wanneer gij opstaat.

11:20 “Gij moet ze op de deurposten van uw huis schrijven-

en op uw poorten,

11:21 opdat uw dagen en de dagen van uw zonen

vermenigvuldigt mogen worden op het land

dat Maryah aan uw vaders zwoer om hun te geven,

voor zolang als de hemelen boven de aarde blijven.

ס

11:22 “Want zo gij al deze geboden zorgvuldig onderhoudt-

welke ik u beveel te doen,

om Maryah uw Aloha lief te hebben,

om in al Zijn wegen te wandelen-

en aan Hem vast te klampen,

11:23 dan zal Maryah al deze volken van voor u verdrijven,

en gij zult volken ontzetten-

(die) groter en machtiger (zijn) dan gij.

11:24 “Elke plaats waarop de zool van uw voet betreedt zal de uwe zijn,

uw grens zal zijn vanaf de woestijn tot de L’vanon,

  en van de Rivier,

de Rivier Euphrates,

zo ver als de westelijke zee.

11:25 “Geen mens zal in staat zijn om voor u te staan;

Maryah uw Aloha

zal de schrik voor u en de vrees voor u

over het ganse land brengen waarop gij voet zet,

zoals Hij tegen u gesproken heeft.

ס

11:26 “Ziehier!

ik stel u vandaag een zegen en een vloek voor:

11:27 de zegen,

indien gij luistert naar de geboden van Maryah uw Aloha,

welke ik u vandaag beveel;

11:28 en de vloek,

indien gij niet luistert naar de geboden van Maryah uw Aloha,

maar keert u af van de weg-

die ik u vandaag beveel,

van het volgen van andere goden die gij niet hebt gekend.

ס

11:29 “Het zal gebeuren,

wanneer Maryah uw Aloha u in het land brengt

waar gij ingaat om het te bezitten,

dat gij de zegen op Berg G’rizim moet plaatsen-

en de vloek op Berg ‘Eival.

11:30 “Zijn zij beide niet aan de overkant van de Yarden,

ten westen van de weg naar de zonsondergang,

in het land van de Kena’ani die in de ‘Aravah wonen,

tegenover Gilgal,

bij de eiken van Moreh?

11:31 “Want gij staat op het punt om de Yarden over te steken

om in te gaan om het land te bezitten

dat Maryah uw Aloha u geeft,

en gij moet het bezitten en erin leven,

11:32 en gij moet zorgvuldig zijn

om al de wetten en gerichten te doen

welke ik u vandaag voorleg.

12:1 “Dit zijn de wetten en de gerichten-

welke gij zorgvuldig moet in acht nemen in het land dat Maryah,

Aloha van uw vaders,

u heeft gegeven om te bezitten zolang gij op de aarde leeft.

12:2 “Gij moet al de plaatsen volkomen vernietigen-

waarin de volken die gij moet ontzetten hun goden dienen,

  op de hoge bergen en op de heuvels en onder elke groene boom.

12:3 “Gij moet hun altaren afbreken-

en hun heilige pilaren verpletteren-

en hun Asherim met vuur verbranden,

en gij moet de ingesneden beelden van hun goden omhakken,

en hun naam van die plaats uitwissen.

12:4 “Gij moogt u zo niet gedragen tegenover Maryah uw Aloha.

12:5 “Maar gij zult Maryah zoeken

op de plaats die Maryah uw Aloha zal verkiezen

vanuit al uw stammen,

om Zijn naam daar te vestigen tot Zijn woning,

en daar moet gij komen.

12:6 “Daarheen moet gij uw brandoffers brengen,

uw slachtoffers,

uw tienden,

de bijdrage van uw hand,

uw gelofte offers,

uw vrijwillige offers,

en de eerstgeborene van uw rundvee en van uw schapen.

12:7 “Daar ook-

zullen gij en uw huishoudens eten-

in het bijzijn van Maryah uw Aloha,

en verheug u over al uw ondernemingen-

waarin Maryah uw Aloha u heeft gezegend.

12:8 “Gij moogt helemaal niet doen hetgeen wij hier vandaag doen,

waar ieder mens doet wat in zijn eigen ogen goed is;

12:9 omdat gij tot nu toe niet aangekomen zijt-

bij de rustplaats en de erfenis –

  die Maryah uw Aloha u geeft.

12:10 “Wanneer gij de Yarden oversteekt en in het land woont-

dat Maryah uw Aloha u geeft om te beërven,

en Hij u rust geeft van al uw vijanden om u heen-

zodat gij in veiligheid woont,

12:11 dan zal het gebeuren-

dat de plaats waarin Maryah uw Aloha-

verkiezen zal om Zijn naam te laten wonen,

  dat gij daarheen alles brengen zult wat ik u beveel:

uw brandoffers en u slachtoffers,

uw tienden en de bijdrage van uw hand,

en al uw keuze gelofte offers-

welke gij Maryah beloven zult.

12:12 “En gij zult u verheugen-

in het bijzijn van Maryah uw Aloha,

gij en uw zonen en dochters,

  uw mannelijke en vrouwelijke knechten,

en de Levi die binnen uw poorten is,

aangezien hij geen deel of erfenis met u heeft.

12:13 “Pas op dat gij uw brandoffers niet zomaar offert-

in elke cultische plaats die gij ziet,

12:14 maar in de plaats die Maryah in een van uw stammen verkiest,

daar moet gij uw brandoffers offeren,

en daar moet gij alles doen wat ik u beveel.

12:15 “Echter,

gij moogt slachten en vlees eten binnen al uw poorten,

wat gij ook maar verlangt,

overeenkomstig de zegen van Maryah uw Aloha

die Hij u gegeven heeft;

de onreine en de reine mogen ervan eten,

alsof het de gazelle en het hert was.

12:16 “Alleen het bloed moogt gij niet eten;

gij moet het op de grond uitgieten gelijk water.

12:17 “Het is u niet toegestaan-

om binnen uw poorten te eten-

het tiende deel van uw graan of nieuwe wijn of olie,

of de eerstgeborene van uw rundveekudde of schapenkudde,

of enige van uw gelofte offers die gij (hebt) belooft,

of uw vrijwillige offers,

of de bijdrage van uw hand.

12:18 “Maar gij moet ze eten in het bijzijn van Maryah uw Aloha-

in de plaats die Maryah uw Aloha zal verkiezen,

  gij en uw zoon en dochter,

en uw mannelijke en vrouwelijke knechten,

en de Levi die binnen uw poorten is;

en gij moet u verheugen voor Maryah uw Aloha-

in al uw ondernemingen.

12:19 “Pas op dat gij de Levi niet verlaat zolang gij in uw land woont.

ס

12:20 “Wanneer Maryah uw Aloha uw grens uitbreidt

zoals Hij u beloofd heeft,

en gij zegt,

‘Ik wil vlees eten’

omdat gij verlangt om vlees te eten,

dan moogt gij vlees eten,

wat gij ook maar verlangt.

12:21 “Indien de plaats die Maryah uw Aloha verkiest-

om Zijn naam (aldaar) te zetten-

  te ver van u verwijderd is,

dan moet gij slachten van uw rundveekudde en schapenkudde-

die Maryah u gegeven heeft,

zoals ik u heb bevolen;

en gij moogt binnen uw poorten eten-

wat gij ook maar verlangt.

12:22 “Precies zoals een gazelle of een hert wordt gegeten,

zo moet gij het eten;

de onreine en de reine mogen er op dezelfde wijze van eten.

12:23 “Wees er alleen zeker van om het bloed niet te eten,

omdat het bloed het leven is,

en gij moogt het leven met het vlees niet eten.

12:24 “Gij moogt het niet eten,

gij moet het als water op de grond uitgieten.

12:25 “Gij moogt het niet eten,

zo dat het met u en uw zonen na u goed moge gaan,

want gij zult doen wat recht is in het zicht van Maryah.

12:26 “Alleen uw heilige dingen die gij moogt hebben-

en uw gelofte offers,

moet gij meenemen-

en naar de plaats gaan die Maryah verkiest.

12:27 “En gij zult uw brandoffers offeren,

het vlees en het bloed,

op het altaar van Maryah uw Aloha;

en het bloed van uw slachtoffers moet worden uitgegoten-

op het altaar van Maryah uw Aloha,

en gij zult het vlees eten.

12:28 “Luister aandachtig naar al deze woorden die ik u beveel,

zo dat het met u en met uw zonen na u voor altijd goed moge gaan,

want gij zult doen wat goed en recht is

in het zicht van Maryah uw Aloha.

ס

12:29 “Wanneer Maryah uw Aloha de volken voor u afsnijd-

welke gij ingaat om te ontzetten,

en gij ontzet ze en woont in hun land,

12:30 pas op dat gij niet in de val gelokt wordt om ze te volgen,

nadat zij voor u zijn vernietigd,

en dat gij niet naar hun goden informeert,

zeggende,

‘Hoe dienen deze volken hun goden,

opdat ik evenzo hetzelfde moge doen,’

12:31 “Gij zult u zo niet gedragen jegens Maryah uw Aloha,

want elke gruwelijke daad die Maryah haat

hebben zij voor hun goden gedaan;

want zij verbranden zelfs hun zonen en dochters in het vuur-

voor hun goden.

12:32 “Wat ik u ook beveel,

gij moet het zorgvuldig doen;

gij moogt er niets aan toevoegen noch ervan wegnemen.

פ

13:1 “Indien een profeet of een dromer van dromen

te midden van u opstaat-

en hij u een teken of een wonder geeft,

13:2 en het teken of het wonder komt uit,

waarvan hij tegen u sprak,

zeggende,

‘Laat ons andere goden achterna gaan

(die gij niet hebt gekend)

en laat ons hen dienen,’

13:3 gij moogt naar de woorden van die profeet

of die dromer van dromen niet luisteren;

want Maryah uw Aloha stelt u op de proef-

om er achter te komen of gij Maryah uw Aloha echt liefhebt-

met gans uw hart en gans uw ziel.

13:4 “Gij moet Maryah uw Aloha volgen en Hem vrezen,

en gij moet zijn geboden houden,

naar Zijn stem luisteren,

Hem dienen,

en u aan Hem vastklampen.

13:5 “Maar die profeet of die dromer van dromen-

moet ter dood worden gebracht,

omdat hij opstand heeft aangeraden tegen Maryah uw Aloha-

die u uit het land van Egypte bracht

en u verloste uit het huis van slavernij,

om u van de weg weg te lokken

waarop Maryah uw Aloha u beval te wandelen.

  Zo zult gij het kwaad vanuit uw midden verwijderen.

ס

13:6 “Indien uw broeder,

uw moeders zoon,

of uw zoon of dochter,

of de vrouw die gij koestert,

of uw vriend die als uw eigen ziel is,

u in het geheim probeert te verleiden,

zeggende,

‘Laat ons gaan en andere goden dienen’

(die gij noch uw vaders hebben gekend,

13:7 van de goden van de volken die om u heen zijn,

dichtbij u of verre van u,

van het ene uiteinde van de aarde tot aan het andere uiteinde),

13:8 gij moogt niet voor hem zwichten of niet naar hem luisteren;

en uw oog moet hem niet beklagen,

noch moogt hij hem verschonen of verbergen.

13:9 “Maar gij moet hem zeker doden;

uw eigen hand moet als eerste tegen hem zijn

om hem ter dood te brengen,

en daarna de handen van gans het volk.

13:10 “Dus moet gij hem ter dood stenigen

omdat hij geprobeerd heeft u weg te lokken

van Maryah uw Aloha

die u van uit het land van Egypte bracht,

van uit het huis van slavernij.

13:11 “Dan zal gans Isra’el horen-

en bevreesd zijn,

en zullen nooit meer zo’n goddeloos ding doen (zoals dit is)-

te midden van u.

ס

13:12 “Indien gij in één van uw steden,

die Maryah uw Aloha u geeft om in te wonen,

iedereen hoort zeggen-

13:13 dat enige verachtelijke mannen van onder u zijn uitgegaan-

en de inwoners van hun stad hebben weggelokt,

zeggende,

‘Laat ons gaan en andere goden dienen’

(die gij niet hebt gekend),

13:14 dan moet gij onderzoeken

en grondig naspeuren

en grondig navragen.

Indien het waar is en de zaak is vastgesteld

dat deze gruweldaad te midden van u is gedaan,

13:15 moet gij de inwoners van die stad

zeker met de scherpte van het zwaard slaan,

en haar en alles wat erin is en haar vee

met de scherpte van het zwaard geheel en al vernietigen.

13:16 “Dan moet gij al haar buit verzamelen

in het midden van haar open plein

en de stad en al haar buit met vuur verbranden

  als een geheel brandoffer voor Maryah uw Aloha;

en zij zal voor eeuwig een puinhoop zijn.

Zij zal nooit meer worden herbouwd.

13:17 “Niets van dat wat onder het verbod is gesteld

mag aan uw uw hand kleven,

opdat Maryah zich moge afwenden van Zijn brandende toorn

en barmhartigheid aan u betoont,

en medelijden met u heeft en u doet toenemen,

  precies zoals Hij aan uw vaders heeft gezworen,

13:18 zo gij naar de stem van Maryah uw Aloha wilt luisteren,

al Zijn geboden onderhoud welke ik u vandaag beveel,

en doende wat recht is in het zicht van Maryah uw Aloha.

ס

14:1 “Gij zijt de zonen van Maryah uw Aloha;

gij moogt uzelf niet snijden

noch uw voorhoofd scheren omwille van de doden.

14:2 “Want gij zijt een heilig volk voor Maryah uw Aloha,

en Maryah heeft u uitgekozen

om een volk tot Zijn eigen bezit te zijn

van uit al de volken die op het aangezicht van de aarde zijn.

ס

14:3 “Gij moogt niet enig walgelijk ding eten.

14:4 “Dit zijn de dieren die gij moogt eten:

de os,

het schaap,

de geit,

14:5 het hert,

de gazelle,

de reebok,

de wilde geit,

de steenbok,

de antilope en het bergschaap.

14:6 “Elk dier dat de hoef verdeelt-

en de hoef in tweeën gespleten heeft-

  en herkauwt,

onder de dieren,

die moogt gij eten.

14:7 “Niettemin,

gij moogt niet eten-

van deze die behoren tot degenen die alleen herkauwen,

of die behoren tot degenen die alleen de hoef in tweeën verdelen:

  de kemel en het konijn en de haas,

want hoewel zij herkauwen,

verdelen ze de hoef niet;

ze zijn onrein voor u.

14:8 “Het varken,

omdat het de hoef verdeelt maar niet herkauwt,

is het onrein voor u.

Gij moogt niets van hun vlees eten-

noch hun karkassen aanraken.

ס

14:9 “Deze moogt gij eten van alles wat in het water is:

alles wat vinnen en schubben heeft moogt gij eten,

14:10 maar alles wat geen vinnen en schubben heeft moogt gij niet eten;

het is onrein voor u.

ס

14:11 “Gij moogt elke reine vogel eten.

14:12 “Maar dit zijn degenen die gij niet moogt eten:

de arend en de gier en de buizerd,

14:13 en de rode wauw, de valk, en de wouw naar hun soorten,

14:14 en elke raaf naar zijn soort,

14:15 en de struisvogel, de krijs-uil,

de zeemeeuw, en de havik naar hun soorten,

14:16 de kleine uil, de grote uil, de witte uil,

14:17 de pelikaan, de aasgier, de aalscholver,

14:18 de ooievaar, en de reiger naar hun soorten,

en de hop en de vleermuis.

14:19 “En al het wemelende leven met vleugels is onrein voor u;

zij mogen niet gegeten worden.

14:20 “Gij moogt elke reine vogel eten.

14:21 “Gij moogt niets eten dat uit zichzelf sterft.

Gij moogt het aan de vreemdeling geven die in uw stad is,

zodat hij het moge eten,

of gij moogt het verkopen aan een buitenlander,

omdat gij een heilig volk zijt voor Maryah uw Aloha.

Gij moogt een jong dier niet in zijn moeders melk koken.

פ

14:22 “Gij moet zeker tienden nemen-

van al de opbrengst die gij zaait,

dat elk jaar van het veld afkomt.

14:23 “Gij moet in het bijzijn van Maryah uw Aloha eten,

op de plaats waar Hij verkiest om Zijn naam te vestigen,

zult gij het tiende deel van uw graan eten,

uw nieuwe wijn,

uw olie,

en de eerstgeborene van uw runderkudde-

en van uw schapenkudde,

zodat gij moogt leren om Maryah uw Aloha altijd te vrezen.

14:24 “Indien de afstand zo groot voor u is

dat gij niet in staat zijt om de tiende te brengen,

vermits de plaats-

waar Maryah uw Aloha verkiest om Zijn naam te stellen-

  te ver van u weg is wanneer Maryah uw Aloha u zegenen zal,

14:25 dan moet gij het omwisselen voor geld,

en het geld in uw hand binden

en naar de plaats gaan die Maryah uw Aloha verkiezen zal.

14:26 “Gij moogt het geld besteden voor alles wat uw hart begeert:

voor ossen,

of schapen,

of wijn,

of sterke drank,

of wat uw hart ook begeert;

en gij moet daar eten in het bijzijn van Maryah uw Aloha-

en u verheugen,

gij en uw huishouden.

14:27 “Gij moogt ook de Levi die in uw stad is niet verwaarlozen,

omdat hij geen deel of erfenis onder u heeft?

ס

14:28 “Aan het einde van elk derde jaar-

  moet gij alle tienden van uw opbrengst uitbrengen van dat jaar,

  en (gij) zult het in uw stad deponeren.

14:29 “De Levi,

omdat hij geen deel of erfenis onder u heeft,

en de vreemdeling,

de wees en de weduwe die in uw stad zijn,

zullen komen en eten en verzadigd zijn,

opdat Maryah uw Aloha u moge zegenen-

in al het werk van uw hand dat gij doet.

ס

15:1 “Aan het einde van zeven jaren-

moet gij een kwijtschelding van schulden verlenen.

15:2 “Dit is de wijze van kwijtschelding:

elke schuldeiser moet wat hij aan zijn naaste heeft geleend vrijgeven;

hij zal het van zijn naaste en zijn broeder niet eisen,

omdat Maryah’s tijd van kwijtschelding uitgeroepen is geweest.

15:3 “Van een buitenlander moogt gij het eisen,

maar al wat van u bij uw broeder is-

moet uw hand vrijgeven.

15:4 “Hoe dan ook,

er zullen geen armen onder u zijn,

aangezien Maryah u zeker zal zegenen

in het land dat Maryah uw Aloha u geeft

als een erfenis om te bezitten,

15:5 indien gij slechts gehoorzaam luistert

naar de stem van Maryah uw Aloha,

om al deze geboden-

die ik u vandaag beveel-

zorgvuldig in acht te nemen.

15:6 “Want Maryah uw Aloha zal u zegenen

zoals Hij u beloofd heeft,

en gij zult aan vele volken lenen,

maar gij zult niet ontlenen;

en gij zult over vele volken heersen,

maar zij zullen over u niet heersen.

ס

15:7 “Indien er een arme man bij u is,

een van uw broeders,

in een van uw steden-

in uw land dat Maryah uw Aloha u geeft,

moogt gij uw hart niet verharden,

evenmin uw hand sluiten voor uw arme broeder;

15:8 maar gij moet uw hand vrijelijk voor hem openen,

en zult hem royaal genoeg lenen-

voldoende voor zijn behoefte in wat hem ontbreekt.

15:9 “Let op dat er geen gemene gedachte in uw hart is,

zeggende,

‘Het zevende jaar,

het jaar van kwijtschelding – is nabij,’

en uw oog vijandig is tegen uw arme broeder,

en gij hem niets geeft;

dan kan hij Maryah tegen u aanroepen,

en het zal een zonde in u zijn.

15:10 “Gij moet royaal aan hem geven,

en uw hart mag niet bedroefd zijn wanneer gij aan hem geeft,

want vanwege deze zaak zal Maryah uw Aloha u zegenen-

in al uw werk-

en in al uw ondernemingen.

15:11 “Want de armen zullen nooit ophouden om in het land te zijn;

daarom beveel ik u,

zeggende,

‘Gij moet uw hand vrijelijk openen voor uw broeder,

voor uw behoeftigen en armen in uw land.’

ס

15:12 “Indien uw verwant,

een Hebreeuwse man of vrouw,

aan u is verkocht,

dan zal hij u zes jaren dienen,

maar in het zevende jaar moet gij hem vrij laten gaan.

15:13 “Wanneer gij hem vrij laat gaan,

moogt gij hem niet met lege handen wegsturen.

15:14 “Gij moet hem royaal voorzien

vanuit uw kudde en vanuit uw dorsvloer en vanuit uw wijnvat;

gij moet aan hem geven naarmate Maryah uw Aloha u heeft gezegend.

15:15 “Gij moet bedenken dat gij een slaaf in het land van Egypte waart,

en Maryah uw Aloha verloste u;

daarom beveel ik u dit vandaag.

15:16 “Het zal gebeuren als hij tegen u zegt,

  ‘ik zal niet van u uitgaan,’

omdat hij u en uw huishouden liefheeft,

aangezien hij wel bij u vaart;

15:17 dan moet gij een priem nemen en steek die door zijn oor in de deur,

en hij zal voor altijd uw knecht zijn.

Gij moet ook hetzelfde doen met uw dienstmeid.

15:18 “Het zal niet moeilijk voor u lijken wanneer gij hem vrij laat gaan,

want hij heeft u zes jaren gegeven

met het dubbele van de dienst van een ingehuurde man;

  dus zal Maryah uw Aloha u zegenen in alles wat gij doet.

פ

15:19 “Gij moet voor Maryah uw Aloha al de eerstgeboren mannetjes heiligen-

die uit uw runderkudde en uit schapenkudde geboren zijn;

gij moogt niet arbeiden met de eerstgeborene van uw runderkudde,

noch de eerstgeborene van uw schapenkudde scheren.

15:20 “Gij en uw huishouden moeten het elk jaar eten-

voor Maryah uw Aloha-

in de plaats die Maryah verkiest.

15:21 “Maar indien het een gebrek heeft,

zoals kreupelheid of blindheid,

of enig ernstig gebrek,

moogt gij het niet offeren aan Maryah uw Aloha.

15:22 “Gij zult het binnen uw poorten eten;

de onreine en de reine mogen het op dezelfde wijze eten,

als een gazelle of een hert.

15:23 “Alleen moogt gij zijn bloed niet eten;

gij moet het als water op de grond uitgieten.

פ

16:1 “Neemt de maand van Aviv in acht

en viert het Pesach voor Maryah uw Aloha,

want in de maand van Aviv

bracht Maryah uw Aloha u bij nacht vanuit Egypte.

16:2 “Gij moet het Pesach offer offeren aan Maryah uw Aloha-

van de schapenkudde en de runderkudde,

in de plaats waar Maryah verkiest om Zijn naam te vestigen.

16:3 “Gij moogt er geen gezuurd brood mee eten;

gedurende zeven dagen moet gij er ongezuurd brood mee eten,

het brood van verdrukking-

(want gij zijt haastig uit het land van Egypte gekomen),

zodat gij al de dagen van uw leven-

de dag moogt gedenken-

waarop gij vanuit het land van Egypte zijt gekomen.

16:4 “Gedurende zeven dagen

zal er geen zuurdeeg bij u worden gezien

in gans uw gebied,

en niets van het vlees-

dat gij op de avond van de eerste dag offert-

zal tot de morgen blijven overnachten.

16:5 “Het is u niet toegestaan het Pesach offer te offeren-

binnen een van uw steden-

die Maryah uw Aloha u geeft;

16:6 maar op de plaats waar Maryah uw Aloha

verkiest om Zijn naam te vestigen,

moet gij het Pesach offer offeren s’avonds bij zonsondergang,

in de tijd (van het jaar) dat gij vanuit Egypte zijt gekomen.

16:7 “Gij moet het bereiden-

en eten in de plaats die Maryah uw Aloha verkiest.

in de morgen zult gij terugkeren naar uw tenten.

16:8 “Gedurende zes dagen moet gij ongezuurd brood eten,

en op de zevende dag

zal er een plechtige bijeenkomst zijn voor Maryah uw Aloha;

gij zult er geen werk op doen.

ס

16:9 “Gij zult voor uzelf zeven weken tellen;

gij moet zeven weken beginnen te tellen-

vanaf het moment dat gij begint-

om de sikkel over het staande graan te leggen.

16:10 “Dan moet gij het Feest der weken-

  voor Maryah uw Aloha vieren-

met een schatting van een vrijwillig offer van uw hand,

hetwelk gij geven zult-

precies zoals Maryah uw Aloha u zegent;

16:11 en gij moet u verheugen in het bijzijn van Maryah uw Aloha,

gij en uw zonen en uw dochters-

en uw mannelijke en vrouwelijke knechten-

en de L’vi’im die in uw steden zijn,

  en de vreemdelingen-

en de wezen en de weduwen-

die in uw midden zijn,

  in de plaats waar Maryah uw Aloha verkiest-

om Zijn naam te vestigen.

16:12 “Gij moet gedenken dat gij een slaaf waart in Egypte,

en gij zult deze wetten zorgvuldig in acht nemen.

פ

16:13 “Gij moet het Feest der Loofhutten zeven dagen vieren-

nadat gij (de opbrengst) van uw dorsvloer en uw wijnvat hebt verzameld;

16:14 en gij moet u verheugen in uw feest,

gij en uw zonen en uw dochters-

en uw mannelijke en vrouwelijke knechten-

en de L’vi’im en de vreemdelingen-

en de wezen en de weduwen-

die in uw steden zijn.

16:15 “Zeven dagen moet gij een feest voor Maryah uw Aloha vieren-

in de plaats die Maryah verkiest,

omdat Maryah uw Aloha u zal zegenen in al uw opbrengst

en in al het werk van uw handen,

zo dat gij volkomen vrolijk zult zijn.

16:16 “Drie keer per jaar moeten al uw mannen-

verschijnen in het bijzijn van Maryah uw Aloha-

in de plaats die Hij verkiest,

op het Feest der Ongezuurde Broden-

en op het Feest der Weken

en op het Feest der Loofhutten,

en zij mogen niet met lege handen voor Maryah verschijnen.

16:17 “Ieder mens moet geven zoals hij kan,

overeenkomstig de zegen van Maryah uw Aloha

die Hij u heeft gegeven.

ס

16:18 “Gij moet voor uzelf rechters en officieren benoemen-

in al uw steden die Maryah uw Aloha u geeft,

overeenkomstig uw stammen,

en zij moeten het volk oordelen met rechtvaardig oordeel.

16:19 “Gij moogt de gerechtigheid niet verdraaien;

gij moogt niet partijdig zijn,

en gij moogt geen steekpenning aannemen,

want een steekpenning verblind de ogen van de wijze-

en verdraait zelfs de woorden van de rechtvaardige.

16:20 “Gerechtigheid,

en gerechtigheid alleen,

moet gij nastreven,

opdat gij moogt leven

en het land bezitten

dat Maryah uw Aloha u geeft.

ס

16:21 “Gij moogt voor uzelf geen Asherah planten-

van om het even welk soort van boom –

naast het altaar van Maryah uw Aloha,

die gij voor uzelf zult maken.

16:22 “Ook moogt gij voor uzelf geen heilige pilaar oprichten-

Maryah uw Aloha haat zulke dingen.

ס

17:1 “Gij moogt geen os of een schaap-

aan Maryah uw Aloha offeren

dat een smet of enig gebrek heeft-,

want dat is een verfoeilijk ding voor Maryah uw Aloha.

ס

17:2 “Indien er in uw midden wordt gevonden,

binnen een van uw steden,

  die Maryah uw Aloha u geeft,

een man of een vrouw

die doet wat kwaad is in het zicht van Maryah uw Aloha,

door Zijn verbond te overtreden,

17:3 en heengegaan is en andere goden diende en ze aanbad,

  of de zon of de maan of een van de hemelse heirscharen,

  dat ik niet bevolen heb,

17:4 en indien het u is vertelt en gij hebt ervan gehoord,

dan moet gij het grondig onderzoeken.

Ziehier!

als het waar is

en de zaak zeker

dat dit verfoeilijke ding in Isra’el gedaan is geweest,

17:5 dan moet gij die man uitbrengen-

of die vrouw die deze kwade daad heeft gedaan-

naar uw poorten toe,

dat wil zeggen de man of de vrouw,

en gij zult hen ter dood stenigen.

17:6 “Op de getuigenis van twee getuigen of drie getuigen,

zal hij die moet sterven ter dood worden gebracht;

hij zal niet ter dood worden gebracht op de getuigenis van één getuige.

17:7 “De hand van de getuigen

moet als eerste tegen hem zijn om hem ter dood te brengen,

en daarna de hand van het ganse volk.

Zo zult gij het kwaad vanuit uw midden verwijderen.

פ

17:8 “Indien een zaak te zwaar voor u is om te beslissen,

tussen een vorm van doodslag of een andere,

  tussen een vorm van rechtsgeding of een andere,

en tussen een vorm van aanranding of een andere,

zijnde geschillen in uw rechtbanken,

dan moet gij opstaan

en naar de plaats opgaan die Maryah uw Aloha verkiest.

17:9 “Dus moet gij naar de priester komen de L’vi’im

of naar de rechter die in die dagen in dienst is,

en gij moet van hen vragen

en zij zullen aan u het vonnis in de zaak bekend maken.

17:10 “Gij zult doen volgens de voorwaarden van het vonnis-

dat zij u bekendmaken vanuit die plaats die Maryah verkiest;

  en gij zult zorgvuldig waarnemen-

overeenkomstig alles wat zij u leren.

 17:11 “Overeenkomstig de voorwaarden van de Torah die zij u leren,

en overeenkomstig het vonnis dat zij u vertellen,

moet gij doen;

gij zult niet afwijken van het woord dat zij u bekendmaken,

naar rechts of naar links.

17:12 “De man die aanmatigend handelt

door niet te luisteren naar de priester

die daar staat om Maryah uw Aloha te dienen,

evenmin naar de rechter,

die man zal sterven;

zo zult gij het kwaad vanuit Isra’el verwijderen.

17:13 “Dan zal al het volk (erover) horen en bevreesd zijn,

en zal niet meer aanmatigend handelen.

ס

17:14 “Wanneer gij het land ingaat dat Maryah uw Aloha u geeft,

en gij bezit het en woont erin,

en gij zegt,

‘Ik zal een koning over mij stellen

zoals al de volken die om mij heen zijn’,

17:15 moet gij zeker een koning over u stellen-

die Maryah uw Aloha verkiest,

een van onder uw landgenoten-

moet gij als koning over uzelf stellen;

gij moogt geen buitenlander over uzelf stellen-

die uw landgenoot niet is.

17:16 “Bovendien,

zal hij geen paarden voor zichzelf vermenigvuldigen,

evenmin zal hij het volk doen terugkeren naar Egypte

om paarden te vermenigvuldigen,

aangezien Maryah tegen u heeft gezegd,

‘Gij zult die weg nooit meer teruggaan.’

17:17 “Hij zal geen vrouwen voor zichzelf vermenigvuldigen,

of anders zal zijn hart zich afwenden;

evenmin zal hij voor zichzelf zilver en goud zeer vermeerderen.

17:18 “Nu zal het gebeuren-

wanneer hij op de troon van zijn koninkrijk zit,

dat hij voor zichzelf een kopie van deze Torah-

op een boekrol moet schrijven-

  in het bijzijn van de L’vi’im en de priesters.

17:19 “Het moet bij hem zijn en hij moet het alle dagen van zijn leven lezen,

opdat hij moge leren Maryah zijn Aloha te vrezen,

door al de woorden van deze Torah

en deze wetten zorgvuldig in acht te nemen,

17:20 opdat zijn hart niet boven zijn landgenoten moge worden verheven-

en opdat hij zich niet van het gebod moge afwenden,

naar rechts of naar links,

zodat hij en zijn zonen lang mogen doorgaan-

in zijn koninkrijk in het midden van Isra’el.

ס

18:1 ” De L’vi’im priesters,

de gehele stam van Levi,

mogen geen deel of erfenis hebben met Isra’el;

zij zullen Maryah’s offers door vuur en Zijn erfdeel eten.

18:2 “Zij mogen geen erfdeel hebben onder hun landgenoten;

Maryah is hun erfdeel,

zoals Hij hun beloofde.

ס

18:3 “Dit zal nu de priesters verschuldigd zijn van het volk,

van degenen die een offer offeren,

hetzij een os of een schaap,

van welke zij aan de priester zullen geven-

de schouder en de twee kaken en de maag.

18:4 “Gij zult hem de eerste vruchten van uw graan geven,

uw nieuwe wijn,

en uw olie,

en het eerste van het scheren van uw schapen.

18:5 “Want Maryah uw Aloha-

heeft hem en zijn zonen uit al uw stammen gekozen,

om voor altijd in de naam van Maryah te staan en te dienen.

ס

18:6 “Nu Indien een Levi-

uit een van uw steden in heel Isra’el komt-

waarin hij woont,

en (hij) komt wanneer hij dat wenst-

naar de plaats die Maryah verkiest,

18:7 dan zal hij dienen in de naam van Maryah zijn Aloha,

gelijk al zijn metgezellen-

de L’vi’im die daar in het bijzijn van Maryah staan.

18:8 “Zij zullen gelijke porties eten,

naast wat zij ontvangen uit de verkoop van hun vaders bezitting.

ס

18:9 “Wanneer gij het land ingaat dat Maryah uw Aloha u geeft,

moogt gij niet leren om de verfoeilijke dingen van die volken te imiteren.

18:10 “Er zal niemand onder u worden gevonden-

die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan,

iemand die waarzeggerij gebruikt,

iemand die hekserij beoefent,

of iemand die voortekenen interpreteert,

of een tovenaar,

18:11 of iemand die een betovering uitspreekt,

of een medium,

of een spiritist,

of iemand die de doden oproept.

18:12 “Want al wie deze dingen doet is verfoeilijk voor Maryah;

en vanwege deze verfoeilijke dingen-

zal Maryah uw Aloha ze van voor u uitdrijven.

18:13 “Gij moet onberispelijk zijn voor Maryah uw Aloha.

ס

18:14 “Want die volken,

  die gij moet ontzetten,

luisteren naar degenen die hekserij beoefenen en naar waarzeggers,

maar wat u betreft,

Maryah uw Aloha heeft u niet toegestaan om zo te doen.

18:15 “Maryah uw Aloha-

zal voor u een profeet zoals ik doen opstaan

van onder u,

van uit uw landgenoten,

gij moet naar hem luisteren.

18:16 “Dit is overeenkomstig alles wat gij

van Maryah uw Aloha

te Horev op de dag van samenkomst hebt gevraagd,

zeggende,

‘Laat mij de stem van Maryah mijn Aloha niet meer horen,

en laat mij dit grote vuur niet meer zien,

of ik zal sterven.’

18:17 “Maryah zei tegen mij,

‘Zij hebben goed gesproken.

18:18 ‘Ik zal een profeet doen opstaan-

van onder hun landgenoten-

gelijk u,

en Ik zal Mijn woorden in zijn mond leggen,

en hij zal tegen hen spreken alles wat Ik hem beveel.

18:19 “Het zal gebeuren-

dat al wie niet naar Mijn woorden wil luisteren

welke hij in Mijn naam spreken zal,

Ikzelf zal het van hem eisen.

18:20 “Maar de profeet die een aanmatigend woord spreekt in Mijn naam-

  hetwelk Ik hem niet bevolen heb om te spreken,

of dat hij spreekt in de naam van andere goden,

die profeet moet sterven.’

18:21 “Gij zoudt in uw hart kunnen zeggen,

‘Hoe zullen wij het woord dat Maryah niet gesproken heeft herkennen?’

18:22 “Wanneer een profeet in de naam van Maryah spreekt,

indien het ding niet tot stand komt of uitkomt,

dan is dat het ding dat Maryah niet gesproken heeft.

De profeet heeft het aanmatigend gesproken;

gij zult van hem niet bang zijn.

ס

19:1 “Wanneer Maryah uw Aloha de volken afsnijdt,

wiens land Maryah uw Aloha u geeft,

en gij ontzet ze-

en vestigt u in hun steden-

en in hun huizen,

19:2 moet gij drie steden voor uzelf terzijde zetten

in het midden van uw land,

hetwelk Maryah uw Aloha u geeft om te bezitten.

19:3 “Gij moet de wegen voor uzelf bereiden,

en het grondgebied van uw land-

dat Maryah uw Aloha u als bezitting geven zal-

in drie delen verdelen,

zodat elke doodslager daarheen moge vluchten.

19:4 “Dit is nu de zaak van de doodslager

die daarheen moge vluchten en leven:

wanneer hij zijn vriend onbedoeld dood,

hem niet eerder hatende–

19:5 zoals wanneer een man met zijn vriend het bos ingaat om hout te hakken,

en zijn hand zwaait de bijl om de boom om te hakken,

en de ijzeren kop glijdt van het handvat en treft zijn vriend zodat hij sterft–

hij moet naar een van deze steden vluchten en leven;

19:6 anders zou de wreker van bloed-

in de hitte van zijn woede-

de doodslager kunnen achtervolgen,

en hem inhalen,

omdat de weg lang is,

en zijn leven nemen,

hoewel hij de dood niet verdiende,

aangezien hij hem niet eerder had gehaat.

19:7 “Daarom,

beveel ik u,

zeggende,

‘Gij zult drie steden voor uzelf terzijde zetten.’

ס

19:8 “Indien Maryah uw Aloha uw grondgebied uitbreidt,

precies zoals Hij aan uw vaders heeft gezworen,

en u al het land geeft

hetwelk Hij beloofde om uw vaders te geven–

19:9 indien gij al deze geboden zorgvuldig in acht neemt

welke ik u vandaag beveel,

om Maryah uw Aloha lief te hebben,

en om altijd in Zijn wegen te wandelen–

dan moet gij voor uzelf drie steden meer toevoegen,

naast deze drie.

19:10 “Zodat onschuldig bloed niet zal worden vergoten-

in het midden van uw land-

  dat Maryah uw Aloha u als een erfenis geeft,

en er zo bloedschuld op u zou zijn.

ס

19:11 “Maar indien er een man is die zijn naaste haat-

en voor hem op de loer ligt-

en tegen hem opstaat en hem slaat-

zodat hij sterft,

en hij vlucht (vervolgens) naar een van die steden,

19:12 dan moeten de oudsten van zijn stad zenden

  en hem vandaar meenemen

en hem in de hand van de wreker van bloed geven,

dat hij moge sterven.

19:13 “Gij moet hem niet beklagen,

maar gij moet het bloed van de onschuldigen uit Isra’el verwijderen,

opdat het met u goed moge gaan.

ס

19:14 “Gij moogt de grensmarkering van uw naasten niet verplaatsen,

die de voorouders hebben ingesteld,

in uw erfenis die gij zult beërven

in het land hetwelk Maryah uw Aloha u geeft om te bezitten.

ס

19:15 “Een enkele getuige zal niet opstaan tegen een man

vanwege enige ongerechtigheid of enige zonde die hij heeft begaan;

op de bewijzen van twee of drie getuigen

zal een zaak worden bevestigd.

19:16 “Indien een kwaadwillige getuige tegen een man opstaat-

om hem te beschuldigen van overtreding,

19:17 dan zullen beide mannen die het geschil hebben voor Maryah staan,

voor de priesters en de rechters die in die dagen in dienst zullen zijn.

19:18 “De rechters zullen grondig onderzoeken,

en indien de getuige een valse getuige is

en hij heeft zijn broeder valselijk beschuldigd,

19:19 dan moet gij aan hem doen

precies zoals hij hem had voorgenomen om aan zijn broeder te doen.

Zo zult gij het kwaad uit het midden van u verwijderen.

19:20 “De rest zal het horen en bevreesd zijn,

en zal nooit meer Zo’n kwaad ding onder u doen.

19:21 “Gij zult dus geen medelijden betonen:

leven om leven,

oog om oog,

tand om tand,

hand om hand,

voet om voet.

ס

20:1 “Wanneer gij erop uittrekt om tegen uw vijanden te strijden-

en paarden en strijdwagens ziet-

en volken talrijker dan de uwe,

wees niet bevreesd van hen;

omdat Maryah uw Aloha,

die u uit het land van Egypte opwaarts bracht,

met u is.

20:2 “Wanneer gij de strijd nadert,

moet de priester naderbij komen en het volk toespreken.

20:3 “Hij moet tegen hen zeggen,

‘Hoort O Isra’el,

gij nadert vandaag de strijd tegen uw vijanden.

Wees niet zwak-hartig.

  Wees niet bevreesd,

of in paniek,

of huiver niet voor hen,

20:4 omdat Maryah uw Aloha de Ene is die met u gaat,

  om voor u te strijden tegen uw vijanden,

  om u te verlossen.’

20:5 “De officieren moeten ook tegen het volk spreken,

zeggende,

‘Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd

en het niet heeft opgedragen?

Laat hem heengaan en naar zijn huis terugkeren,

anders zou hij in de strijd kunnen sterven-

en een ander man zou het opdragen.

20:6 ‘Wie is de man die een wijngaard heeft geplant-

en nog niet is begonnen om zijn vrucht te gebruiken?

  Laat hem heengaan en naar zijn huis terugkeren,

anders zou hij in de strijd kunnen sterven-

en een ander man zou zijn vrucht beginnen te gebruiken.

20:7 ‘En wie is de man die verloofd is met een vrouw-

en nog niet met haar getrouwd is?

Laat hem heengaan en naar zijn huis terugkeren,

            anders zou hij in de strijd kunnen sterven-

en zou een ander man met haar trouwen.’

20:8 “Dan zullen de officieren verder tegen het volk spreken en zeggen,

‘Wie is de man die bevreesd en zwak-hartig is?

Laat hem heengaan en naar zijn huis terugkeren,

zodat hij zijn broeders harten niet zou doen smelten gelijk zijn hart.’

20:9 “Wanneer de officieren uitgesproken zijn tegen het volk,

moeten zij bevelhebbers van legers aan de top van het volk benoemen.

ס

20:10 “Wanneer gij een stad nadert om ertegen te strijden,

moet gij haar eerst voorwaarden van vrede aanbieden.

20:11 “Indien zij ermee instemt om vrede met u te sluiten-

en (haar poorten) voor u opent,

vervolgens,

alle mensen die daarin gevonden worden-

zullen uw dwangarbeiders worden-

en zullen u dienen.

20:12 “Echter,

indien zij geen vrede met u sluit,

maar verkiest om krijg tegen u te voeren,

dan moet gij haar belegeren.

20:13 “Wanneer Maryah uw Aloha haar in uw hand geeft,

moet gij alle mannen daarin slaan-

met de scherpte van het zwaard.

20:14 “Maar de vrouwen en de kinderen en de beesten

en alles wat in de stad is,

al haar buit,

moet gij voor uzelf als roof nemen,

en gij zult de buit van de vijanden bezigen-

die Maryah uw Aloha u gegeven heeft.

20:15 “Zo zult gij doen aan al de steden die ver van u verwijderd zijn,

welke niet in de buurt van de steden van deze volken zijn.

20:16 “Maar in de steden van deze volken

die Maryah uw Aloha u als een erfenis geeft,

moogt gij niets dat ademt levend achterlaten.

20:17 “Maar gij moet ze eerder volkomen vernietigen,

de Hitti en de Emori,

de Kena’ani en de P’rizi,

de Hivi en de Y’vusi,

gelijk Maryah uw Aloha u bevolen heeft,

20:18 zodat zij u niet zouden leren te doen-

overeenkomstig al hun verfoeilijke dingen-

  welke zij voor hun goden hebben gedaan,

  zodat gij zoudt zondigen tegen Maryah uw Aloha.

ס

20:19 “Wanneer gij een stad een lange tijd belegert,

om er strijd tegen te voeren om haar in te nemen,

gij moogt haar bomen niet vernietigen door een bijl tegen hen te zwaaien;

  want gij moogt van hen eten,

en gij zult ze niet omhakken,

Want is de boom van het veld immers een mens,

dat hij door u moet worden belegerd?

20:20 “Maar de bomen van welke gij weet dat ze geen vruchtenbomen zijn-

  gij moogt (die) vernietigen en neer hakken,

zodat gij belegeringswerken moogt bouwen tegen de stad-

die krijg tegen u voert totdat zij valt.

פ

21:1 “Indien er een gedood persoon wordt gevonden-

liggende in het open veld-

in het land hetwelk Maryah uw Aloha u geeft om te bezitten,

en het is niet bekend wie hem heeft geslagen,

21:2 dan moeten uw oudsten en uw rechters uitgaan-

en de afstand meten-

tot aan de steden die rond de gedode zijn.

21:3 “Het zal zijn dat die stad die het dichtst bij de gedode man is,

  dat wil zeggen,

de oudsten van die stad,

zullen een vaars van de runderkudde nemen,

met welke niet gewerkt is geweest

en welke niet in een juk heeft getrokken;

21:4 en de oudsten van die stad

moeten de vaars neerwaarts naar een dal met stromend water brengen

dat niet geploegd of gezaaid is geweest,

en moeten de nek van de vaars daar in het dal breken.

21:5 “De priesters dan,

die zonen van de L’vi’im zijn,

moeten dichterbij komen,

want Maryah uw Aloha heeft hen uitgekozen om Hem te dienen-

en om in de naam van Maryah te zegenen;

en elk geschil en elke aanval zal door hen worden afgehandeld.

21:6 “Al de oudsten van die stad

die het dichtst bij de gedode man is

moeten hun handen wassen over de vaars

wiens nek in het dal was gebroken;

21:7 en zij moeten antwoorden en zeggen,

‘Onze handen hebben dit bloed niet vergoten,

evenmin hebben onze ogen het gezien.

21:8 ‘Vergeef Uw volk Isra’el die Gij hebt verlost,

O Maryah,

en plaats de schuld van onschuldig bloed

niet in het midden van Uw volk Isra’el.’

En de bloedschuld zal hen worden vergeven.

21:9 “Zo zult gij de schuld van onschuldig bloed uit uw midden verwijderen,

wanneer gij doet wat recht is in de ogen van Maryah.

ס

21:10 “Wanneer gij uitgaat om tegen uw vijanden te strijden,

en Maryah uw Aloha ze in uw handen geeft

en gij ze gevangen wegneemt,

21:11 en onder de gevangenen een mooie vrouw ziet,

en een verlangen naar haar hebt-

en haar als vrouw voor uzelf zou nemen,

21:12 dan moet gij haar thuis in uw huis brengen,

en zij zal haar hoofd scheren en haar vingernagels knippen.

21:13 “Zij zal ook de kleren van haar gevangenschap uittrekken-

en zal in uw huis blijven,

en een volle maand om haar vader en moeder wenen;

en daarna moogt gij tot haar ingaan-

en haar man zijn-

en zij zal uw vrouw zijn.

21:14 “Het zal zijn,

ingeval gij niet tevreden met haar bent,

  dan moet gij haar laten gaan waarheen zij maar wil;

  maar gij zult haar zeker niet voor geld verkopen,

gij zult haar niet mishandelen,

omdat gij haar vernedert hebt.

ס

21:15 “Indien een man twee vrouwen heeft,

de ene bemind en de andere onbemind,

en zowel de beminde als de onbeminde hebben hem zonen gebaard,

indien de eerstgeboren zoon aan de onbeminde behoort,

21:16 dan zal het zijn-

op de dag dat hij aan zijn zonen nalaat wat hij heeft,

hij kan de zoon van de beminde niet de eerstgeborene maken-

in plaats van de zoon van de onbeminde,

welke de eerstgeborene is.

21:17 “Maar hij moet de eerstgeborene erkennen,

de zoon van de onbeminde,

door hem een dubbel deel te geven van alles wat hij heeft,

want hij is het begin van zijn kracht;

aan hem behoort het recht van de eerstgeborene toe.

ס

21:18 “Indien een man een koppige en opstandige zoon heeft-

die zijn vader of zijn moeder niet wil gehoorzamen,

en wanneer zij hem kastijden,

wil hij niet eens naar hen luisteren,

21:19 dan zullen zijn vader en moeder hem vastgrijpen,

en hem uitbrengen naar de oudsten van zijn stad-

bij de poort van zijn geboorteplaats.

21:20 “Zij moeten tegen de oudsten van zijn stad zeggen,

‘Deze zoon van ons is koppig en opstandig,

hij wil ons niet gehoorzamen,

hij is een veelvraat en een dronkaard.’

21:21 “Dan moeten al de mannen van zijn stad hem ter dood stenigen;

  zo moet gij het kwaad uit uw midden verwijderen,

en heel Isra’el zal ervan horen en bevreesd zijn.

ס

21:22 “Indien een man een zonde heeft begaan-

  de dood waardig-

  en hij wordt ter dood gebracht,

en gij hangt hem aan een boom,

21:23 zijn lijk zal niet de hele nacht aan de boom hangen,

maar gij moet hem zeker op dezelfde dag begraven-

(want hij die is opgehangen is vervloekt door Aloha),

zodat gij uw land-

dat Maryah uw Aloha u als een erfenis geeft-

niet verontreinigd.

ס

22:1 “Gij moogt uw landgenoot zijn os of zijn schapen niet zien afdwalen,

en geen aandacht aan hen besteden;

gij moet ze zeker naar uw landgenoot terugbrengen.

22:2 “Indien uw landgenoot niet nabij u is,

of indien gij hem niet kent,

dan moet gij ze thuis naar uw huis brengen,

  en ze zullen bij u blijven totdat uw landgenoot ernaar zoekt;

dan moet gij ze aan hem teruggeven.

22:3 “Zo moet gij doen met zijn ezel,

en gij moet hetzelfde doen met zijn kledij,

en gij moet hetzelfde doen met alles wat uw landgenoot verloren heeft,

wat hij heeft verloren en gij hebt gevonden.

Gij zijt niet toegestaan om hen te negeren.

ס

22:4 “Gij moogt uw landgenoot zijn ezel of zijn os niet zien omvallen op de weg,

en geen aandacht aan hen besteden;

gij moet hem zeker helpen om ze op te tillen.

ס

22:5 “Een vrouw mag geen mannenkleding dragen,

evenmin mag een man vrouwenkleding aantrekken;

  want al wie deze dingen doet-

is verfoeilijk voor Maryah uw Aloha.

פ

22:6 “Indien gij toevallig langs de weg een vogelnest tegenkomt,

in een boom of op de grond,

met jongen of eieren,

en het wijfje zit op de jongen of op de eieren,

moogt gij het wijfje met de jongen niet meenemen;

22:7 gij moet het wijfje zeker laten gaan,

maar de jongen moogt gij voor uzelf meenemen,

opdat het goed met u moge gaan-

en dat gij uw dagen moogt verlengen.

ס

22:8 “Wanneer gij een nieuw huis bouwt,

moet gij een balustrade om uw dak maken ,

zodat gij geen bloedschuld op uw huis brengt indien iemand eraf valt.

ס

22:9 “Gij moogt uw wijngaard niet met twee soorten zaad bezaaien,

of al de opbrengst van het zaad dat gij gezaaid hebt-

en de vermeerdering van de wijngaard zal verontreinigd worden.

ס

22:10 “Gij moogt niet met een os of een ezel tezamen ploegen.

ס

22:11 “Gij moogt geen gemengde stof dragen van wol en linnen tezamen.

ס

22:12 “Gij moet uzelf kwastjes maken op de vier hoeken van uw gewaad-

waarmee gij uzelf bedekt.

ס

22:13 “Indien een man een vrouw neemt en tot haar ingaat

en zich dan tegen haar keert,

22:14 en haar beschuldigd van beschamende daden

en haar publiekelijk belastert,

en zegt,

‘ik nam deze vrouw,

maar toen ik nabij haar kwam,

heb ik haar geen maagd bevonden,’

22:15 dan zullen de vader van het meisje en haar moeder-

het bewijs van de maagdelijkheid van het meisje nemen

en naar de oudsten van de stad uitbrengen bij de poort.

22:16 “De vader van het meisje zal tegen de oudsten zeggen,

‘ik gaf mijn dochter aan deze man tot een vrouw,

maar hij keerde zich tegen haar;

22:17 en ziedaar,

hij heeft haar beschuldigt van beschamende daden,

zeggende,

“Ik heb uw dochter geen maagd bevonden.”

Maar dit is het bewijs van mijn dochters maagdelijkheid.’

En zij zullen het kleed voor de oudsten van de stad uitspreiden.

22:18 “Dus moeten de oudsten van die stad de man nemen-

en hem kastijden,

22:19 en zij moeten hem beboeten-

met één honderd shekels van zilver-

en ze aan de vader van het meisje geven,

omdat hij een maagd van Isra’el publiekelijk heeft belasterd.

  En zij zal zijn vrouw blijven;

hij kan niet van haar scheiden al zijn dagen.

ס

22:20 “Maar indien deze aanklacht waar is,

dat het meisje geen maagd werd bevonden,

22:21 dan moeten zij het meisje uitbrengen

naar de deuropening van haar vaders huis,

en de mannen van haar stad moet haar ter dood stenigen-

omdat zij een daad van dwaasheid in Isra’el heeft gepleegd-

door de hoer te spelen in haar vaders huis;

zo zult gij het kwaad van onder u verwijderen.

ס

22:22 “Indien een man word gevonden liggende bij een getrouwde vrouw,

dan zullen beide van hen sterven,

de man die bij de vrouw lag,

en de vrouw;

zo zult gij het kwaad uit Isra’el verwijderen.

ס

22:23 “Indien er een meisje is die een maagd is-

verloofd met een man,

en een andere man vindt haar in de stad-

en ligt bij haar,

22:24 dan moet gij ze beiden uitbrengen naar de poort van die stad

en gij moet ze ter dood stenigen;

het meisje,

omdat zij het niet uitschreeuwde in de stad,

en de man,

omdat hij de vrouw van zijn naaste heeft misbruikt.

Zo zult gij het kwaad van onder u verwijderen.

ס

22:25 “Maar indien de man het meisje dat verloofd is-

in het veld vindt,

en de man dwingt haar en ligt bij haar,

dan zal alleen de man die bij haar ligt sterven.

22:26 “Maar aan het meisje moogt gij niets doen;

er is in het meisje geen zonde dat de dood waard is,

want zoals een man tegen zijn naaste opstaat en hem vermoord,

zo is ook deze zaak.

22:27 “Toen hij haar in het veld vond,

schreeuwde het verloofd meisje het uit,

maar er was niet één om haar te redden.

ס

22:28 “Indien een man een meisje vind die een maagd is,

die niet verloofd is,

en haar vastgrijpt en bij haar ligt-

en zij worden ontdekt,

22:29 dan moet de man die bij haar lag-

aan de vader van het meisje vijftig shekels van zilver geven,

en zij zal zijn vrouw worden-

omdat hij haar heeft misbruikt;

hij kan niet van haar scheiden al zijn dagen.

ס

22:30 “Een man mag zijn vader’s vrouw niet nemen-

zodat hij zijn vader’s slip niet zal ontbloten.

ס

23:1 “Niet één die ontmand is

of zijn mannelijk orgaan is afgesneden

zal de samenkomst van Maryah betreden.

ס

23:2 “Niet één van onwettige geboorte

mag de samenkomst van Maryah betreden;

niet één van zijn nakomelingen,

zelfs tot het tiende geslacht,

mag de samenkomst van Maryah betreden.

ס

23:3 “Geen ‘Amoni of Mo’avi mag de samenkomst van Maryah betreden;

niet één van hun nakomelingen,

zelfs tot het tiende geslacht,

mag ooit de samenkomst van Maryah betreden,

23:4 omdat zij u onderweg niet met voedsel en water hebben ontmoet-

toen gij vanuit Egypte kwam,

en omdat zij Bil’am-

de zoon van B’or van P’tor uit Aram-Naharayim-

tegen u huurden,

om u te vervloeken.

23:5 “Niettemin,

was Maryah uw Aloha niet bereid om naar Bil’am te luisteren,

maar Maryah uw Aloha veranderde de vloek in een zegen voor u-

omdat Maryah uw Aloha u liefhad.

23:6 “Gij moogt nooit hun vrede of welvaart zoeken al uw dagen.

ס

23:7 “Gij moogt een Edomi niet verafschuwen,

omdat hij uw broeder is;

ס

gij moogt een Egyptenaar niet verafschuwen,

omdat gij een vreemdeling waart in zijn land.

23:8 “De zonen van het derde geslacht

  die aan hun geboren zijn-

mogen de samenkomst van Maryah betreden.

ס

23:9 “Wanneer gij als een legermacht tegen uw vijanden uitgaat,

moet gij uzelf tegen elk kwaad ding beschermen.

23:10 “Indien er onder u enige man is

die onrein is vanwege een nachtelijke ontlading,

dan moet hij buiten het kamp gaan;

hij mag het kamp niet opnieuw betreden.

23:11 “Maar het zal zijn wanneer de avond nadert,

hij moet zichzelf met water baden,

en tegen zonsondergang mag hij het kamp opnieuw betreden.

23:12 “Gij moet ook een plaats buiten het kamp hebben-

en daarheen naar buiten gaan,

23:13 en gij moet een schopje onder uw gereedschap hebben,

en het zal zijn wanneer gij buiten gaat neerzitten,

dat gij daarmee zult graven-

en gij zult u omdraaien om uw uitwerpselen te bedekken.

23:14 “Aangezien Maryah uw Aloha in het midden van uw kamp wandelt-

om u te verlossen en om uw vijanden voor u te verslaan,

daarom moet uw kamp heilig zijn;

en Hij mag niets onfatsoenlijk’s onder u zien-

of Hij zal zich van u afkeren.

ס

23:15 “Gij moogt een slaaf niet aan zijn meester overhandigen

die van zijn meester naar u toe is ontsnapt.

23:16 “Hij zal in uw midden bij u wonen,

in de plaats die hij zal verkiezen

  in één van uw steden waar het hem behaagt;

gij moogt hem niet mishandelen.

ס

23:17 “Geen van de dochters van Isra’el zal een religieuze hoer zijn,

evenmin zal een van de zonen van Isra’el een religieuze hoer zijn.

23:18 “Gij moogt het loon van een hoer-

of het loon van een hond

niet in het huis van Maryah uw Aloha brengen

tot enig gelofte offer,

want beide zijn een gruwel voor Maryah uw Aloha.

ס

23:19 “Gij moogt aan uw landgenoten geen rente in rekening brengen:

rente over geld,

voedsel,

voor enig ding dat tegen rente kan worden uitgeleend.

23:20 “Gij moogt rente aanrekenen aan een buitenlander,

maar aan uw landgenoten moogt gij geen rente vragen,

zodat Maryah uw Aloha u moge zegenen in alles wat gij onderneemt-

in het land dat gij op het punt staat in te gaan om het te bezitten.

ס

23:21 “Wanneer gij een gelofte doet aan Maryah uw Aloha,

moogt gij niet uitstellen om die te voldoen,

want het zou zonde in u zijn,

en Maryah uw Aloha zal die zeker van u eisen.

23:22 “Echter,

indien gij u onthoud van gelofte te doen,

zou het geen zonde in u zijn.

23:23 “Gij moet zorgvuldig zijn om te doen wat uit uw lippen komt,

precies zoals gij vrijwillig aan Maryah uw Aloha hebt gezworen,

hetgeen gij hebt beloofd.

ס

23:24 “Wanneer gij de wijngaard van uw naaste betreed,

dan moogt gij druiven eten totdat gij ten volle voldaan zijt,

maar gij moogt er geen in uw mandje leggen.

ס

23:25 “Wanneer gij uw naaste zijn staande graan betreed,

dan moogt gij met uw hand de aren plukken,

maar gij moogt geen sikkel in uw naaste zijn staande graan zwaaien.

ס

24:1 “Wanneer een man een vrouw neemt en haar trouwt,

en het gebeurt dat zij geen gunst in zijn ogen vindt-

omdat hij enige onfatsoenlijkheid in haar heeft gevonden,

en hij schrijft haar een bewijs van echtscheiding

en legt het in haar hand-

en stuurt haar zijn huis uit,

24:2 en zij verlaat zijn huis en gaat-

en word een andere man zijn vrouw,

24:3 en als de laatstgenoemde man zich tegen haar keert-

en haar een bewijs van echtscheiding schrijft-

en het in haar hand legt

en haar zijn huis uitstuurt,

of als de laatstgenoemde man sterft

die haar tot zijn vrouw heeft genomen,

24:4 dan is het haar voormalige man die haar wegstuurde

niet toegestaan om haar weer tot vrouw nemen,

aangezien zij verontreinigd is;

want dat is een gruweldaad voor Maryah,

en gij moogt geen zonde brengen op het land-

dat Maryah uw Aloha u als een erfenis geeft.

ס

24:5 “Wanneer een man een nieuwe vrouw neemt,

mag hij met het leger niet uitgaan-

evenmin met enige plicht worden belast;

hij moet één jaar thuis vrij zijn-

en moet geluk schenken aan zijn vrouw die hij heeft genomen.

ס

24:6 “Niet één mag een handmolen

of een bovenste molensteen in onderpand nemen,

  want hij zou een leven in onderpand nemen.

ס

24:7 “Indien een man betrapt wordt-

op ontvoering van een van zijn landgenoten-

  van de zonen van Isra’el,

en hij behandelt hem met geweld of verkoopt hem,

dan moet die ontvoerder sterven;

zo moet gij het kwaad uit uw midden verwijderen.

ס

24:8 “Wees voorzichtig met een besmetting van lepra,

  dat gij naarstig waarneemt

en doet overeenkomstig alles wat de priesters de L’vi’im u leren;

zoals ik hun bevolen heb,

zo moet gij voorzichtig zijn om te doen.

ס

24:9 “Gedenk wat Maryah uw Aloha aan Miryam deed-

op de weg toen gij van Egypte uitkwam.

ס

24:10 “Wanneer gij uw naaste een lening verstrekt

van welke aard dan ook,

moogt gij zijn huis niet betreden om zijn onderpand te nemen.

24:11 “Gij moet buiten blijven,

en de man aan wie gij de lening verstrekt

zal het onderpand naar buiten naar u toe brengen.

24:12 “Indien hij een arme man is,

moogt gij niet rusten met zijn onderpand-

(dat hij in uw bezit gaf).

24:13 “Wanneer de zon ondergaat

moet gij hem zeker dat onderpand teruggeven,

  opdat hij in zijn mantel moge rusten en u zegenen;

en het zal gerechtigheid voor u zijn-

voor Maryah uw Aloha.

ס

24:14 “Gij moogt een ingehuurde knecht-

die arm en behoeftig is niet verdrukken,

of hij nu een van uw landgenoten-

of een van uw vreemdelingen is-

die in uw land (en) in uw steden woont.

24:15 “Gij moet hem zijn loon geven op zijn dag

voordat de zon opgaat,

want hij is arm en richt zijn hart daarop;

zodat hij tegen u niet zal roepen-

tot Maryah-

en het zonde in u wordt.

ס

24:16 “Vaders mogen niet ter dood worden gebracht voor hun zonen,

evenmin mogen zonen ter dood worden gebracht voor hun vaders;

ieder mens zal ter dood worden gebracht voor zijn eigen zonde.

ס

24:17 “Gij moogt het recht

  van een vreemdeling of een wees niet verdraaien,

  evenmin een weduwe haar gewaad in onderpand nemen.

24:18 “Maar gij moet gedenken dat gij een slaaf in Egypte waart,

en dat Maryah uw Aloha u van daaruit heeft verlost;

daarom beveel ik u om dit ding te doen.

ס

24:19 “Wanneer gij uw oogst in uw veld oogst-

en een schoof in het veld hebt vergeten,

moogt gij niet teruggaan om het te halen;

  het zal voor de vreemdeling zijn,

voor de wees,

en voor de weduwe,

  opdat Maryah uw Aloha u moge zegenen-

in al het werk van uw handen.

ס

24:20 “Wanneer gij uw olijfboom slaat,

moogt gij niet nogmaals over de takken gaan;

  het zal voor de vreemdeling zijn,

voor de wees,

en voor de weduwe.

24:21 “Wanneer gij de druiven van uw wijngaard verzamelt,

moogt gij er niet nogmaals overheen gaan;

het zal voor de vreemdeling zijn,

voor de wees,

en voor de weduwe.

24:22 “Gij moet gedenken dat gij een slaaf in het land van Egypte waart

  daarom beveel ik u om dit ding te doen.

ס

25:1 “Indien er een geschil is tussen mensen en ze naar de rechtbank gaan,

  en de rechters beslissen over hun zaak,

  en zij rechtvaardigen de rechtvaardigen

en veroordelen de goddelozen,

25:2 dan zal het zijn-

indien de goddeloze mens het verdient om geslagen te worden,

dat de rechter hem zal doen neerliggen-

en in zijn aanwezigheid geslagen wordt-

met het aantal slagen naargelang zijn schuld.

25:3 “Hij mag hem veertig keer slaan maar niet meer,

zodat hij hem niet met veel meer slagen slaat dan deze-

en uw broeder niet voor uw ogen wordt vernedert.

25:4 “Gij moogt de os niet muilkorven terwijl hij aan het dorsen is.

ס

25:5 “Wanneer broeders samenwonen en één van hen sterft-

en geen zoon heeft,

mag de vrouw van de overledene

buiten de familie niet met een vreemde man trouwen.

Haar man’s broer zal tot haar ingaan

en haar voor hemzelf als een vrouw nemen-

en de plicht van een man’s broer jegens haar vervullen.

25:6 “Het zal zijn dat de eerstgeborene die zij baart-

de naam van zijn overleden broer zal aannemen,

zodat zijn naam niet uit Isra’el zal worden uitgewist.

25:7 “Maar indien de man niet verlangt om zijn broer’s vrouw te nemen,

dan moet zijn broer’s vrouw opgaan naar de poort-

naar de oudsten-

en zeggen,

Mijn man’s broer weigert-

om voor zijn broer een naam in Isra’el te vestigen;

hij is niet bereid-

om de plicht van een man’s broer jegens mij te vervullen.’

25:8 “Dan moeten de oudsten van zijn stad hem oproepen

en met hem spreken.

En indien hij volhardt en zegt,

‘Ik verlang niet om haar te nemen,’

25:9 dan moet zijn broers vrouw naar hem toe komen

voor het aangezicht van de oudsten,

en zijn sandaal van zijn voet trekken

en in zijn aangezicht spugen;

en zij moet bekend maken,

‘Zo wordt er aan de man gedaan

die zijn broer’s huis niet opbouwt.’

25:10 “In Isra’el zal zijn naam worden genoemd,

‘Het huis van hem wiens sandaal is uitgetrokken’.

ס

25:11 “Indien twee mannen,

een man en zijn landgenoot,

met elkaar worstelen,

en de vrouw van één komt naderbij

om haar man te verlossen uit de hand van degene die hem slaat,

en haar hand uitsteekt en zijn geslachtsdelen grijpt,

25:12 dan moet gij haar hand afhakken;

gij zult geen medelijden betonen.

ס

25:13 “Gij moogt geen verschillende gewichten in uw buidel hebben,

een grote en een kleine.

25:14 “Gij moogt in uw huis geen verschillende maten hebben,

een grote en een kleine.

25:15 “Gij moet een volmaakt en rechtvaardig gewicht hebben;

gij moet een volmaakte en rechtvaardige maat hebben,

opdat uw dagen verlengd mogen worden-

in het land dat Maryah uw Aloha u geeft.

25:16 “Want al wie deze dingen doet,

al wie onrechtvaardig handelt-

is een gruwel voor Maryah uw Aloha.

פ

25:17 “Gedenkt wat ‘Amalek u aandeed-

langs de weg-

terwijl gij van uit Egypte komende waart,

25:18 hoe hij u langs de weg ontmoette-

en al de achterblijvers onder u aan uw achterkant aanviel-

wanneer gij verzwakt en vermoeid waart;

en hij vreesde Aloha niet.

25:19 “Daarom zal het gebeuren-

wanneer Maryah uw Aloha u rust heeft gegeven

van al uw omringende vijanden,

in het land dat Maryah uw Aloha u geeft als een erfenis om te bezitten,

gij moet elke herinnering aan ‘Amalek van onder de hemel uitwissen;

gij moogt het niet vergeten.

פ

26:1 “Dan zal het zijn,

wanneer gij het land ingaat

dat Maryah uw Aloha u als een erfenis geeft,

en gij het bezit en erin woont,

26:2 dat gij een deel van de eerste van alle opbrengst van de grond-

die gij inbrengt van uw land dat Maryah uw Aloha u geeft nemen zult,

en gij moet het in een korf leggen-

en naar de plaats gaan-

waarin Maryah uw Aloha verkiest om Zijn naam te vestigen.

26:3 “Gij moet naar de priester gaan die op dat moment in functie is-

en tegen hem zeggen,

‘Ik verklaar deze dag voor Maryah mijn Aloha

  dat ik het land ben ingegaan

hetwelk Maryah aan onze vaders zwoer om ons te geven.’

26:4 “Dan zal de priester de korf uit uw hand nemen-

en het voor het altaar van Maryah uw Aloha neerzetten.

26:5 “Gij moet antwoorden en voor Maryah uw Aloha zeggen,

‘Mijn voorvader was een nomade uit Aram,

en hij ging neerwaarts naar Egypte en verbleef daar,

  weinig in aantal;

maar daar werd hij een groot,

machtig en volkrijk volk.

26:6 ‘En de Egyptenaren behandelden ons hard en kwelden ons,

en legden ons zware arbeid op.

26:7 ‘Toen riepen wij Maryah aan,

  Aloha van onze voorvaders,

  en Maryah hoorde onze stem en zag onze ellende-

en ons zwoegen en onze onderdrukking;

26:8 en Maryah bracht ons uit van Egypte met een sterke hand-

en een uitgestrekte arm-

en met grote verschrikking-

en met tekenen en wonderen;

26:9 en Hij heeft ons naar deze plaats gebracht-

en ons dit land gegeven,

een land vloeiende met melk en honing.

26:10 ‘Nu ziehier!

ik heb het eerste van de opbrengst van de grond meegebracht

  dat Gij,

O Maryah mij hebt gegeven.’

En gij moet de korf voor Maryah uw Aloha neerzetten,

en voor Maryah uw Aloha aanbidden;

26:11 en gij en de Levi en de vreemdeling die onder u is-

gij zult u verheugen in al het goede-

dat Maryah uw Aloha u en uw huishouden heeft gegeven.

ס

26:12 “Wanneer gij geëindigd hebt-

met het betalen van al de tienden van uw vermeerdering-

in het derde jaar,

het jaar van tienden,

dan moet gij het aan de Levi geven,

aan de vreemdeling,

aan de wees en aan de weduwe,

opdat zij in uw steden mogen eten en voldaan zijn.

26:13 “Gij moet voor Maryah uw Aloha zeggen,

‘Ik heb het heilige gedeelte uit mijn huis verwijderd,

en heb het ook aan de Levi en de vreemdeling gegeven,

de wees en de weduwe,

overeenkomstig al Uw geboden die Gij mij hebt bevolen;

ik heb geen enkele van Uw geboden overtreden of vergeten.

26:14 ‘Ik heb er niet van gegeten terwijl rouwende,

evenmin heb ik er iets van verwijderd terwijl ik onrein was,

noch er iets van aan de doden aangeboden.

Ik heb geluisterd naar de stem van Maryah mijn Aloha;

ik heb gedaan overeenkomstig alles wat Gij mij hebt bevolen.

26:15 ‘Kijk neerwaarts vanuit Uw heilige woning,

vanuit de hemel,

en zegen Uw volk Isra’el,

en de grond welke Gij ons hebt gegeven,

een land vloeiende met melk en honing,

zoals Gij aan onze vaders zwoer.’

ס

26:16 “Deze dag gebiedt Maryah uw Aloha u-

om deze wetten en verordeningen te doen.

Gij moet daarom zorgvuldig zijn-

om ze met gans uw hart en met gans uw ziel te doen.

26:17 “Gij hebt vandaag verklaard dat Maryah uw Aloha is,

en dat gij in Zijn wegen zoudt wandelen

en Zijn wetten onderhouden,

Zijn geboden en Zijn verordeningen,

en naar Zijn stem luisteren.

26:18 “Maryah heeft vandaag verklaard dat gij Zijn volk zijt,

een kostbaar bezit,

zoals Hij u beloofde,

en dat gij al Zijn geboden zult houden;

26:19 en dat Hij u hoog boven alle volken zal plaatsen-

welke Hij heeft gemaakt,

tot lof,

roem,

en eer;

en dat gij een geheiligd volk zult zijn voor Maryah uw Aloha,

zoals Hij heeft gesproken.”

פ

27:1 Vervolgens-

Moshe en de oudsten van Isra’el gelasten het volk,

zeggende,

‘Onderhoud al de geboden welke ik u vandaag beveel.

27:2 “Zo zal het zijn op de dag wanneer gij de Yarden oversteekt-

naar het land dat Maryah uw Aloha u geeft,

dat gij voor uzelf grote stenen moet oprichten

en ze met kalk bestrijken-

27:3 en schrijf daarop al de woorden van deze wet,

wanneer gij oversteekt,

zodat gij het land kunt ingaan dat Maryah uw Aloha u geeft ,

een land vloeiende met melk en honing,

zoals Maryah,

Aloha van uw vaders,

u beloofde.

27:4 “Zo zal het zijn wanneer gij de Yarden oversteekt,

gij moet deze stenen op Berg ‘Eival oprichten,

zoals ik u vandaag beveel,

en gij moet ze met kalk bestrijken.

27:5 “Bovendien,

moet gij daar een altaar voor Maryah uw Aloha bouwen,

een altaar van stenen;

gij moogt er geen ijzeren werktuig op gebruiken.

27:6 “Gij moet het altaar van Maryah uw Aloha-

van ongesneden stenen bouwen,

en gij moet daarop brandoffers offeren voor Maryah uw Aloha;

27:7 en gij moet vredesoffers offeren en daar eten,

en u verblijden in het bijzijn van Maryah uw Aloha.

27:8 “Gij moet al de woorden van deze wet

zeer duidelijk en treffend op de stenen schrijven.”

ס

27:9 Vervolgens-

Moshe en de L’vi’im priesters spraken tegen gans Isra’el,

zeggende,

“Wees stil en luister,

O Isra’el!

Deze dag zijt gij een volk geworden voor Maryah uw Aloha.

27:10 “Gij moet daarom Maryah uw Aloha gehoorzamen,

en Zijn geboden en Zijn wetten doen-

die ik u vandaag beveel.”

ס

27:11 Moshe gelaste op die dag ook het volk,

zeggende,

27:12 “Wanneer gij de Yarden oversteekt,

moeten deze op de Berg G’rizim staan om het volk te zegenen:

Shim’on, Levi, Y’hudah, Yissakhar, Yosef, en Binyamin.

27:13 “Voor de vloek,

moeten deze op Berg ‘Eival staan:

Re’uven, Gad, Asher, Z’vulun, Dan, en Naftali.

27:14 “De L’vi’im moeten dan antwoorden-

en tegen al de mannen van Isra’el zeggen-

met een luide stem,

ס

27:15 ‘Vervloekt is de man die een afgod of een gesmolten beeld maakt,

een gruwel voor Maryah,

het werk van de handen van de ambachtsman,

en het in het geheim opzet!’

En al het volk moet antwoorden en zeggen,

‘Amen.’

ס

27:16 ‘Vervloekt is hij die zijn vader of moeder onteert!’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:17 ‘Vervloekt is hij die zijn naaste zijn grensmarkering verplaatst!’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:18 ‘Vervloekt is hij die een blinde mens op de weg doet dwalen.’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:19 ‘Vervloekt is hij die de gerechtigheid verdraaid-

een vreemdeling, wees, en weduwe verschuldigd.’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:20 ‘Vervloekt is hij die bij zijn vaders vrouw ligt,

omdat hij zijn vaders slip heeft ontbloot.’

  En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:21 ‘vervloekt is hij die bij welk dier dan ook ligt.’

  En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:22 ‘Vervloekt is hij die bij zijn zuster ligt,

(of zij nu) de dochter van zijn vader of van zijn moeder is.’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:23 ‘Vervloekt is hij die bij zijn schoonmoeder ligt.’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:24 ‘Vervloekt is hij die zijn naaste in het verborgene slaat.’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:25 ‘Vervloekt is hij die een steekpenning aanneemt-

om een onschuldig mens neer te slaan.’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

ס

27:26 ‘Vervloekt is hij die de woorden van deze wet-

niet bevestigd door ze te doen.’

En al het volk moet zeggen,

‘Amen.’

פ

28:1 “Nu zal het zijn,

indien gij Maryah uw Aloha ijverig gehoorzaamt,

zorgvuldig zijnde om al Zijn geboden te doen-

die ik u vandaag beveel,

dan zal Maryah uw Aloha-

u hoog boven al de volken van de aarde plaatsen.

28:2 “Al deze zegeningen zullen over u komen en u inhalen-

indien gij Maryah uw Aloha gehoorzaamt:

28:3 “Gezegend zult gij zijn in de stad,

en gezegend zult gij zijn in het platteland.

28:4 “Gezegend zullen de nakomelingen van uw lichaam zijn

en de opbrengst van uw grond

en de nakomelingen van uw beesten,

de vermeerdering van uw runderkudde-

en de jongen van uw schapenkudde.

28:5 “Gezegend zal uw graankorf en uw kneedschaal zijn.

28:6 “Gezegend zult gij zijn wanneer gij uitgaat,

en gezegend zult gij zijn wanneer gij inkomt.

28:7 “Maryah zal ervoor zorgen-

dat uw vijanden die tegen u opstaan-

voor u verslagen worden;

zij zullen op één weg tegen u uitkomen-

en zullen op zeven wegen voor u vluchten.

28:8 “Maryah zal de zegen op u gebieden

in uw schuren

en in alles waar gij uw hand op legt,

en Hij zal u zegenen in het land dat Maryah uw Aloha u geeft.

28:9 “Maryah zal u als een heilig volk voor Hemzelf vestigen,

zoals Hij aan u zwoer,

indien gij de geboden van Maryah uw Aloha onderhoudt-

en in Zijn wegen wandelt.

28:10 “Zo zullen al de volken van de aarde zien-

dat de naam van Maryah over u wordt genoemd,

en zij zullen bevreesd voor u zijn.

28:11 “Maryah zal u overvloedig maken in welvaart,

in de nakomelingen van uw lichaam-

en in de nakomelingen van uw beesten-

en in de opbrengst van uw grond,

in het land dat Maryah aan uw vaders zwoer om u te geven.

28:12 “Maryah zal voor u Zijn goede voorraadschuur openen,

  de hemel,

om in uw land regen te geven in zijn seizoen –

en om al het werk van uw hand te zegenen;

en gij zult aan vele volken lenen,

maar gij zult niet ontlenen.

28:13 “Maryah zal u de kop maken en niet de staart,

en gij zult alleen boven zijn,

en gij zult niet onder zijn,

  indien gij luistert naar de geboden van Maryah uw Aloha,

die ik u vandaag gelast,

om hen zorgvuldig in acht te nemen,

28:14 en wijk niet af van de woorden die ik u vandaag beveel,

naar rechts of naar links,

om achter andere goden aan te gaan-

om hen te dienen.

פ

28:15 “Maar het zal gebeuren,

wanneer gij Maryah uw Aloha niet gehoorzaamt,

om al Zijn geboden en Zijn wetten in acht te nemen en te doen-

door welke ik u vandaag gelast,

dat al deze vloeken u zullen overkomen en u zullen overvallen:

28:16 “Vervloekt zult gij zijn in de stad,

en vervloekt zult gij zijn in het platteland.

28:17 “Vervloekt zullen uw graankorf en uw kneedschaal zijn.

28:18 “Vervloekt zullen de nakomelingen van uw lichaam zijn

en de opbrengst van uw grond,

  de vermeerdering van uw runderkudde

en de jongen van uw schapenkudde.

28:19 “Vervloekt zult gij zijn wanneer gij uitgaat,

en vervloekt zult gij zijn wanneer gij inkomt.

28:20 “Maryah zal vloeken over u zenden,

verwarring,

en tuchtiging,

in alles wat gij onderneemt om te doen,

totdat gij vernietigd wordt en totdat gij haastig omkomt,

  vanwege het kwaad van uw daden,

omdat gij Mij hebt verlaten.

28:21 “Maryah zal de pest aan u doen vastklampen-

totdat Hij u heeft verteerd van het land-

waarheen gij ingaat om het te bezitten.

28:22 “Maryah zal u slaan met tering

en met koorts

en met ontsteking

en met vurige hitte

en met het zwaard

en met vuurziekte en met schimmel,

en zij zullen u achtervolgen totdat gij omkomt.

28:23 “De hemel die boven uw hoofd is zal brons zijn,

en de aarde die onder u is, ijzer.

28:24 “Maryah zal de regen van uw land tot pulver en stof maken;

vanuit de hemel zal het op u neerkomen-

totdat gij vernietigd wordt.

28:25 “Maryah zal ervoor zorgen dat gij verslagen wordt voor uw vijanden;

gij zult één weg tegen hen uitgaan,

maar gij zult zeven wegen voor hen vluchten,

en gij zult een voorbeeld van verschrikking zijn

voor al de koninkrijken van de aarde.

28:26 “Uw karkassen zullen voedsel zijn voor alle vogels van de lucht-

en voor de beesten van de aarde,

en er zal niet één zijn die ze weg jaagt.

28:27 “Maryah zal u slaan met de steenpuisten van Egypte

en met gezwellen

en met het schurft

en met de jeuk,

van welke gij niet kunt genezen worden.

28:28 “Maryah zal u slaan met waanzin-

en met blindheid-

en met verbijstering van het hart;

28:29 en gij zult op de middag rondtasten,

gelijk de blinde man die in duisternis rondtast,

en gij zult niet gedijen in uw wegen;

maar gij zult slechts gedurig onderdrukt en beroofd worden,

met niet één om u te verlossen.

28:30 “Gij zult (u met) een vrouw verloven,

maar een andere man zal haar geweld aandoen;

gij zult een huis bouwen,

maar gij zult er niet in wonen;

gij zult een wijngaard planten,

maar zijn vrucht zult gij niet gebruiken.

28:31 “Uw os zal voor uw ogen worden geslacht,

maar gij zult er niet van eten;

uw ezel zal van u worden weggerukt,

en zal niet aan uw worden teruggegeven;

uw schapen zullen aan uw vijanden worden gegeven,

en gij zult niet één hebben om u te verlossen.

28:32 “Uw zonen en uw dochters zullen aan een ander volk worden gegeven,

terwijl uw ogen toezien en gedurig naar hen verlangen;

maar er zal niets zijn dat gij doen kunt.

28:33 “Een volk dat gij niet kent-

zal de opbrengst van uw grond en al uw arbeid eten,

en gij zult nooit anders worden-

  dan voortdurend onderdrukt en verpletterd.

28:34 “Gij zult krankzinnig worden door de aanblik van wat gij ziet.

28:35 “Maryah zal u slaan-

met pijnlijke steenpuisten op de knieën en benen,

van welke gij niet genezen kunt worden,

(ze zullen zich verspreiden) vanaf de zool van uw voet-

tot aan de kruin van uw hoofd.

28:36 “Maryah zal u en uw koning,

die gij over u stelde,

naar een volk brengen die noch gij

noch uw vaders hebben gekend,

en daar zult gij andere goden dienen,

hout en steen

28:37 “Gij zult een verschrikking worden,

een spreekwoord,

en een bespotting onder al het volk-

waarheen Maryah u drijft.

28:38 “Gij zult veel zaad naar het veld uitbrengen

maar gij zult weinig inzamelen,

want de sprinkhaan zal het verteren.

28:39 “Gij zult wijngaarden planten en verbouwen;

maar gij zult noch van de wijn drinken noch de druiven verzamelen,

want de worm zal ze verslinden.

28:40 “Gij zult olijfbomen hebben overal op uw grondgebied-

maar gij zult uzelf niet zalven met de olie,

want uw olijven zullen er (onrijp) afvallen.

28:41 “Gij zult zonen en dochters hebben

maar zij zullen de uwe niet zijn,

want zij zullen in gevangenschap gaan.

28:42 “De krekel zal al uw bomen en de opbrengst van uw grond bezitten.

28:43 “De vreemdeling die onder u is

zal hoger en hoger boven u opstijgen,

maar gij zult lager en lager afdalen.

28:44 “Hij zal aan u lenen,

maar gij zult aan hem niet lenen;

hij zal de kop zijn,

en gij zult de staart zijn.

28:45 “Zo zullen al deze vloeken over u komen en u achtervolgen-

en u inhalen totdat gij vernietigd wordt,

omdat gij Maryah uw Aloha niet wilde gehoorzamen-

door Zijn geboden en Zijn wetten te houden-

welke Hij u beval.

28:46 “Zij (de vloeken) zullen op u en uw nakomelingen zijn-

als een teken en een wonder-

voor altijd.

28:47 “Omdat gij Maryah uw Aloha

niet met vreugde en een blij hart hebt gediend,

vanwege de overvloed van alle dingen (die gij had);

28:48 daarom zult gij uw vijanden dienen

die Maryah tegen u zenden zal,

in honger,

in dorst,

in naaktheid,

en in het gebrek aan alle dingen;

en Hij zal een ijzeren juk om uw nek doen

totdat Hij u heeft vernietigd.

28:49 “Maryah zal van veraf een volk tegen u brengen,

van het einde van de aarde,

dat zoals de adelaar naar beneden duikt,

een volk wiens taal gij niet zult begrijpen,

28:50 een volk grimmig van aangezicht

dat geen respect zal hebben voor de oude,

noch aan de jonge gunst betoont.

28:51 “Bovendien,

het zal de nakomelingen van uw runderkudde eten-

en de opbrengst van uw grond-

totdat gij vernietigd zijt,

dat u ook geen graan achterlaat,

nieuwe wijn,

of olie,

noch de vermeerdering van uw runderkudde-

  of de jongen van uw schapenkudde-

totdat zij u hebben doen omkomen.

28:52 “Het zal u belegeren in al uw steden dwars door uw land-

totdat uw hoge en versterkte muren neervallen-

op welke gij vertrouwde,

  en het zal u belegeren in al uw steden dwars door uw land-

hetwelk Maryah uw Aloha u gegeven heeft.

28:53 “Dan zult gij de nakomelingen van uw eigen lichaam eten,

het vlees van uw zonen en van uw dochters

die Maryah uw Aloha u heeft gegeven,

gedurende de belegering en de ellende

door welke uw vijand u zal benauwen.

28:54 “De man die gevoelig en zeer teder onder u is-

  zal vijandig zijn jegens zijn broeder-

en jegens de vrouw die hij bemint-

en jegens de rest van zijn kinderen die overblijven,

28:55 zodat hij zelfs niet één van hen

iets van het vlees van zijn kinderen zal geven

dat hij eten zal,

aangezien hij niets anders meer overheeft,

gedurende de belegering en de ellende

door welke uw vijand u in al uw steden zal benauwen.

28:56 “De fijngevoeligste en meest tedere vrouw onder u,

die het niet zou wagen om haar voetzool op de grond te zetten

vanwege tederheid en fijngevoeligheid,

zal vijandig zijn jegens haar man die zij bemint-

en jegens haar zoon en dochter,

28:57 en jegens haar nageboorte

die uitkomt van tussen haar benen-

en jegens haar kinderen (terwijl) ze die baart;

want zij zal ze in het verborgene eten bij gebrek aan iets anders,

(zo wanhopig hongerig zal ze zijn)

gedurende de belegering en de ellende-

door welke uw vijand u in uw steden zal benauwen.

28:58 “Indien gij niet behoedzaam zijt-

  om al de woorden van deze wet-

die in dit boek geschreven zijn in acht te nemen,

om deze geëerde en ontzagwekkende naam te vrezen,

Maryah uw Aloha,

28:59 dan zal Maryah vreemde plagen op u en uw nakomelingen brengen,

zelfs ingrijpende en aanhoudende plagen,

en ellendige en chronische ziekten.

28:60 “Hij zal al de ziekten van Egypte

van welke gij bevreesd waart

op u terugbrengen,

en zij zullen zich aan u vastklampen.

28:61 “Ook elke ziekte en elke plaag,

die niet in het boek van deze wet geschreven (zijn),

zal Maryah over u brengen

totdat gij vernietigd zijt.

28:62 “Dan zult gij weinig in aantal worden achtergelaten ,

terwijl gij ooit zo talrijk waart als de sterren van de hemel,

omdat gij Maryah uw Aloha niet hebt gehoorzaamt.

28:63 “Het zal gebeuren dat-

zoals Maryah zich over u verheugde om u te laten bloeien,

en u te vermenigvuldigen,

zo zal Maryah zich over u verheugen om u te doen omkomen

en u te vernietigen;

en gij zult vanuit het land worden gerukt

  waar gij ingaat om het te bezitten.

28:64 “Bovendien,

Maryah zal u verstrooien onder alle volken,

van het ene uiteinde van de aarde

naar het andere uiteinde van de aarde;

en daar zult gij andere goden dienen,

(gemaakt van) hout en steen,

die gij of uw vaders niet hebben gekend.

28:65 “Onder die volken zult gij geen rust vinden,

en daar zal geen rustplaats zijn voor de zool van uw voet;

maar daar zal Maryah u een bevend hart geven,

falen van de ogen,

en wanhoop van de ziel.

28:66 “Zo zal uw leven in twijfel voor u hangen;

en gij zult dag en nacht in angst zijn,

en zult geen zekerheid van uw leven hebben.

28:67 “In de ochtend zult gij zeggen,

‘Ik zou willen dat het avond was!’

En in de avond zult gij zeggen,

‘Ik zou willen dat het ochtend was!’

Ten gevolge van de angst van uw hart dat gij vreest,

en vanwege het zicht van uw ogen dat gij zien zult.

28:68 “Maryah zal u in schepen terugbrengen naar Egypte,

langs de weg over welke ik tegen u sprak,

  ‘Gij zult die nooit meer zien!’

En daar zult gij uzelf te koop aanbieden aan uw vijanden

als mannelijke en vrouwelijke slaven,

maar er zal geen enkele koper zijn.”

ס

29:1 Dit zijn de woorden van het verbond-

dat Maryah Moshe gebood te maken-

  met de zonen van Isra’el-

in het land van Mo’av,

naast het verbond dat Hij met hen had gemaakt op Horev.

פ

29:2 En Moshe riep gans Isra’el bijeen en zei tegen hen,

“Al wat Maryah in het land van Egypte voor uw ogen deed-

aan Pharaoh en al zijn knechten en gans zijn land,

hebt gij gezien;

29:3 de grote beproevingen welke uw ogen gezien hebben,

die grote tekenen en wonderen.

29:4 “Toch heeft Maryah u tot op deze dag-

geen hart gegeven om te begrijpen,

noch ogen om te zien,

noch oren om te horen.

29:5 “Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid;

uw kleding om u is niet versleten,

en uw sandaal aan uw voet is niet versleten.

29:6 “Gij hebt geen brood gegeten,

noch hebt gij wijn of sterke drank gedronken,

  opdat gij moogt weten dat ‘Ik ben Maryah uw Aloha.

29:7 “Wanneer gij deze plaats bereikte,

kwamen Sichon de koning van Heshbon-

en ‘Og de koning van Bashan opdagen-

  om ons te ontmoeten voor de strijd,

maar wij versloegen hen;

29:8 en wij namen hun land in

en gaven het als een erfenis aan de Re’uveni,

de Gadi,

en de halve stam van de M’nashi.

29:9 “Dus houdt de woorden van dit verbond om ze te doen,

opdat gij voorspoed moogt in alles wat gij doet .

פ

29:10 “Gij staat vandaag,

ieder van u,

voor Maryah uw Aloha:

uw hoofden,

uw stammen,

uw oudsten en uw officieren,

zelfs al de mannen van Isra’el,

29:11 uw kleinen,

uw vrouwen,

en de vreemdeling die in uw kampen is,

van degene die uw hout hakt

tot degene die uw water put,

29:12 opdat gij in het verbond met Maryah uw Aloha moogt ingaan,

en in Zijn eed welke Maryah uw Aloha vandaag met u maakt,

29:13 opdat Hij u vandaag moge vestigen als Zijn volk

en dat Hij uw Aloha mag zijn,

precies zoals Hij tegen u sprak en zoals Hij aan uw vaders zwoer,

aan Avraham, Yitz’chak, en Ya’akov.

29:14 “Nu maak ik dit verbond en deze eed niet met u alleen,

29:15 maar zowel met degenen die hier vandaag bij ons staan

in de aanwezigheid van Maryah onze Aloha

en met degenen die hier vandaag niet bij ons zijn

29:16 (want gij weet hoe wij in het land van Egypte woonden,

en hoe wij door het midden van de volken kwamen-

door welke gij passeerde;

29:17 bovendien,

gij hebt hun gruwelen en hun afgoden van hout,

steen, zilver en goud gezien,

welke zij bij zich hadden);

29:18 zo dat er onder u geen man of vrouw zal zijn,

of familie of stam,

wiens hart zich vandaag afwendt van Maryah onze Aloha,

om te gaan en de goden van die volken te dienen;

opdat er onder u geen wortel zal zijn

die zulke giftige vruchten en alsem draagt.

29:19 “Het zal zijn-

wanneer zo iemand de woorden van deze vloek hoort,

dat hij zal opscheppen,

zeggende,

‘Ik heb vrede hoewel ik in de eigenwijsheid van mijn hart wandel-

om de bewaterde grond (rechtvaardige)

met de droge (zondige) te vernietigen.’

29:20 “Maryah zal nooit bereid zijn om hem te vergeven,

maar eerder zal de toorn van Maryah

en zijn jaloersheid tegen die man ontbranden,

en elke vloek die in dit boek is geschreven zal op hem rusten,

en Maryah zal zijn naam van onder de hemel uitwissen.

29:21 “Dan zal Maryah hem afzonderen-

  van al de stammen van Isra’el-

voor tegenspoed,

naar al de vloeken van het verbond-

  welke in dit boek van de wet zijn geschreven.

29:22 “De komende generatie nu,

uw zonen die na u opstaan-

en de vreemdeling die uit een ver land komt,

wanneer zij de plagen van het land zien-

en de ziekten waarmee Maryah het heeft getroffen,

zullen zeggen,

29:23 ‘Al zijn land is zwavel en zout,

  een brandend puin,

niet bezaaid en onproductief,

en geen gras groeit daarin,

gelijk de omverwerping van S’dom en ‘Amora,

Admah en Tzvoyim,

welke Maryah omver wierp in Zijn verbolgenheid en toorn.’

29:24 “Al de volken zullen zeggen,

‘Waarom heeft Maryah aan dit land zo gedaan?

Waarom deze grote uitbarsting van toorn?’

29:25 “Dan zullen mensen zeggen:

‘Omdat ze het verbond van Maryah verlieten,

Aloha van hun vaders,

die Hij met hen maakte

wanneer Hij hen van uit het land van Egypte bracht.

29:26 ‘Zij gingen heen en dienden andere goden en aanbaden hen,

goden die zij niet hebben gekend

en die Hij aan hun niet had toegewezen.

29:27 ‘Daarom,

ontbrandde de toorn van Maryah tegen dat land,

om elke vloek erop te brengen die in dit boek is geschreven;

29:28 en Maryah ontwortelde hen vanuit hun land

in verbolgenheid en in woede en in grote toorn,

en wierp hen uit in een ander land,

  gelijk het deze dag is.’

29:29 “De verborgen dingen behoren aan Maryah onze Aloha,

maar de geopenbaarde dingen behoren aan ons

en aan onze zonen voor altijd,

opdat wij al de woorden van deze wet mogen in acht nemen.

ס

30:1 “Zo zal het zijn wanneer al deze dingen op u zijn gekomen,

de zegen en de vloek die ik u heb voorgelegd,

  en gij roept ze in gedachten bij alle volken-

waarheen Maryah uw Aloha u heeft verbannen,

30:2 en gij keert terug naar Maryah uw Aloha-

en gehoorzaamt Hem met gans uw hart en ziel-

overeenkomstig alles wat ik u vandaag beveel,

gij en uw zonen,

30:3 dan zal Maryah uw Aloha u uit gevangenschap terughalen,

en mededogen met u hebben,

en zal u weer bijeenbrengen uit al de volken-

waarheen Maryah uw Aloha u heeft verstrooid.

30:4 “Indien uw verstotelingen aan de uiteinden van de aarde zijn,

vandaar zal Maryah uw Aloha u bijeenbrengen,

en vandaar zal Hij u terughalen.

30:5 “Maryah uw Aloha zal u in het land brengen dat uw vaders bezaten,

en gij zult het bezitten;

en Hij zal u daar voorspoedig maken

en u vermenigvuldigen meer dan uw vaders.

30:6 “Bovendien zal Maryah uw Aloha-

uw hart en het hart van uw nakomelingen besnijden,

om Maryah uw Aloha lief te hebben-

met gans uw hart en met gans uw ziel,

zo dat gij moogt leven.

30:7 “Maryah uw Aloha zal al deze vloeken op uw vijanden leggen-

en op degenen die u haatten,

die u vervolgden.

30:8 “En gij zult Maryah wederom gehoorzamen,

en al Zijn geboden in acht nemen

  die ik u vandaag beveel.

30:9 “Dan zal Maryah uw Aloha u overvloedig voorspoedig maken-

in al het werk van uw hand,

in de nakomelingen van uw lichaam-

en in de nakomelingen van uw vee-

en in de opbrengst van uw grond,

want Maryah zal zich opnieuw over u ten goede verblijden,

precies zoals Hij zich verblijdde over uw vaders;

30:10 indien gij Maryah uw Aloha gehoorzaamt

om Zijn geboden en Zijn wetten te houden-

die in dit boek van de wet zijn geschreven,

indien gij u met gans uw hart en ziel

tot Maryah uw Aloha wendt.

ס

30:11 “Want dit gebod dat ik u vandaag gebied-

is niet al te zwaar voor u,

ook is het niet onbereikbaar.

30:12 “Het is niet in de hemel,

dat gij zoudt zeggen,

‘Wie zal naar de hemel opgaan

om het voor ons te halen

en het ons te laten horen,

zodat wij het kunnen in acht nemen?’

30:13 “Evenmin is het over de zee,

dat gij zoudt zeggen,

‘Wie zal de zee voor ons oversteken

om het voor ons te halen

en het ons te laten horen,

zodat wij het kunnen in acht nemen?’

30:14 “Maar het woord is heel dichtbij u,

in uw mond en in uw hart,

zodat gij het kunt in acht nemen.

ס

30:15 “Zie,

ik heb u vandaag leven en welvaart voorgelegd,

en dood en tegenspoed;

30:16 daarin beveel ik u vandaag om Maryah uw Aloha lief te hebben,

om in Zijn wegen te wandelen en Zijn geboden te houden

en Zijn wetten en Zijn gerichten

  zodat gij moogt leven en vermenigvuldigen,

en opdat Maryah uw Aloha u moge zegenen

in het land waarheen gij ingaat om het te bezitten.

30:17 “Maar indien uw hart zich afwendt en gij zult niet gehoorzamen,

maar worden weggetrokken en andere goden aanbidden en hen dienen,

30:18 verklaar ik u vandaag dat gij zeker zult omkomen.

Gij zult uw dagen niet verlengen-

in het land waarheen gij de Yarden oversteekt

om in te gaan en het te bezitten.

30:19 “Ik roep hemel en aarde op om vandaag tegenover u te getuigen,

dat ik u leven en dood heb voorgelegd,

de zegen en de vloek.

Dus kies leven opdat gij moogt leven,

gij en uw nakomelingen,

30:20 door Maryah uw Aloha lief te hebben,

door Zijn stem te gehoorzamen,

en door aan Hem vast te houden;

want dit is (het doel van) uw leven

en (hiervan hangt) de lengte (af) van uw dagen,

dat gij in het land zult wonen dat Maryah zwoer aan uw vaders,

  aan Avraham,

Yitz’chak en Ya’akov.”

  om hen te geven.”

פ

31:1 Dus ging Moshe en sprak deze woorden tegen gans Isra’el.

31:2 En hij zei tegen hen,

“Ik ben vandaag één-honderd-en-twintig jaren oud;

  ik ben niet meer in staat om uit te komen en te gaan,

en Maryah heeft tegen mij gezegd,

‘Gij zult deze Yarden niet oversteken.’

31:3 “Het is Maryah uw Aloha die voor u uit zal oversteken;

Hij zal deze volken voor u vernietigen,

en gij zult ze ontzetten.

Y’hoshua is degene die voor u uit zal oversteken,

precies zoals Maryah heeft gesproken.

31:4 “Maryah zal aan hun doen precies zoals Hij aan Sichon en ‘Og deed,

de koningen van de Emori,

en aan hun land,

wanneer Hij ze vernietigde.

31:5 “Maryah zal hen voor u overleveren,

en gij zult aan hun doen overeenkomstig al de geboden-

die ik u heb bevolen.

31:6 “Wees sterk en moedig,

wees niet bevreesd of beef niet voor hun

want Maryah uw Aloha is degene die met u gaat.

Hij zal u niet teleurstellen of u verlaten.”

ס

31:7 Vervolgens-

Moshe riep naar Y’hoshua

en zei tegen hem voor het aangezicht van gans Isra’el,

  “Wees sterk en moedig,

want gij zult met dit volk het land ingaan

dat Maryah aan hun vaders heeft gezworen om hun te geven,

  en gij zult het aan hun geven als een erfenis.

31:8 “Maryah is degene die voor u uitgaat;

Hij zal met u zijn.

Hij zal u niet teleurstellen of u verlaten.

Wees niet bevreesd of wees niet ontmoedigd.”

31:9 Dus schreef Moshe deze wet en gaf ze aan de priesters,

de zonen van Levi die de ark van het verbond van Maryah droegen,

en aan al de oudsten van Isra’el.

31:10 Toen gebood Moshe hun,

zeggende,

  “Aan het eind van elke zeven jaren,

op de tijd van het jaar van kwijtschelding van schulden,

op het Feest der loofhutten,

31:11 wanneer geheel Isra’el komt om voor Maryah uw Aloha te verschijnen-

op de plaats die Hij zal verkiezen,

moet gij deze wet voor geheel Isra’el in hun gehoor lezen.

31:12 “Verzamel het volk,

de mannen en de vrouwen en de kinderen

en de vreemdeling die in uw stad is,

opdat zij mogen horen en leren

en Maryah uw Aloha vrezen,

en nauwgezet al de woorden van deze wet in acht nemen.

31:13 “Hun kinderen,

die het niet hebben geweten,

zullen horen en leren om Maryah uw Aloha te vrezen,

zolang gij op het land woont-

  hetwelk gij op het punt staat om de Yarden over te steken-

om (dat) te bezitten.”

פ

31:14 Vervolgens-

Maryah zei tegen Moshe,

“Ziedaar,

de tijd voor u om te sterven is nabij;

roep Y’hoshua,

en presenteer uzelf bij de tent van samenkomst,

opdat Ik hem moge opdragen.”

Dus gingen Moshe en Y’hoshua-

en presenteerden zichzelf bij de tent van samenkomst.

31:15 Maryah verscheen in de tent in een pilaar van wolken

  en de pilaar van wolken stond bij de deuropening van de tent.

31:16 Maryah zei tegen Moshe,

“Ziedaar,

gij staat op het punt om bij u vaders neer te gaan liggen;

en dit volk zal opstaan

en de hoer spelen met de vreemde goden van dit land,

  in het midden van waar zij heengaan,

  en zullen Mij verlaten en Mijn verbond verbreken-

dat Ik met hen heb gemaakt.

31:17 “Dan zal mijn toorn op die dag tegen hun ontbranden,

  en Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen,

  en zij zullen worden verteerd,

en vele kwaden en narigheden zullen op hen komen;

zodat zij op die dag zullen zeggen,

‘Is het niet omdat onze Aloha niet onder ons is-

dat deze kwaden op ons zijn gekomen?’

31:18 “Maar Ik zal op die dag zeker Mijn aangezicht verbergen-

vanwege al het kwaad dat zij zullen doen,

want zij zullen zich naar andere goden toekeren.

31:19 “Daarom nu,

schrijf dit lied voor uzelf,

en leer het aan de zonen van Isra’el;

leg het op hun lippen,

zodat dit lied voor Mij een getuigenis kan zijn

tegen de zonen van Isra’el.

31:20 “Want wanneer Ik ze in het land breng

vloeiende van melk en honing,

hetwelk Ik zwoer aan hun vaders,

en zij hebben gegeten en zijn voldaan en voorspoedig worden,

dan zullen zij zich naar andere goden toekeren en hen dienen,

en Mij afwijzen en Mijn verbond verbreken.

31:21 “Dan zal het gebeuren,

wanneer er vele kwaden en narigheden op hen zijn gekomen,

dat dit lied voor hen zal getuigen tot een getuigenis-

(Want het zal van de lippen van hun nakomelingen niet worden vergeten);

want Ik ken hun bedoeling die zij vandaag ontplooien,

alvorens Ik ze in het land heb gebracht dat Ik zwoer.”

31:22 Dus schreef Moshe dit lied dezelfde dag op,

en leerde het aan de zonen van Isra’el.

31:23 Toen gaf Hij (Maryah) ook opdracht aan Y’hoshua-

de zoon van Nun,

en zei,

“Wees sterk en moedig,

want gij moet de zonen van Isra’el in het land brengen-

betreffende hetwelk Ik aan hun zwoer,

en Ik zal met u zijn.”

31:24 Het gebeurde,

wanneer Moshe-

de woorden van deze wet afwerkte-

schrijvende in een boek-

totdat zij voltooid waren,

31:25 dat Moshe de L’vi’im gebood

die de ark van het verbond van Maryah droegen,

zeggende,

31:26 “Neem dit boek van de wet-

en plaats het naast de ark van het verbond van Maryah uw Aloha,

zodat het daar kan blijven als een getuigenis tegen u .

31:27 “Want ik ken uw rebellie en uw koppigheid;

zie hier,

terwijl ik vandaag nog met u in leven ben,

zijt gij rebels geweest tegen Maryah;

hoeveel meer,

dan,

na mijn dood?

31:28 “Verzamel voor mij al de oudsten van uw stammen en uw officieren,

opdat ik deze woorden in hun gehoor kan spreken-

en roep de hemelen en de aarde om tegen hun te getuigen.

31:29 “Want ik weet dat gij na mijn dood verdorven zult handelen

en u afkeren van de weg die ik u heb bevolen;

en kwaad zal u overkomen in de laatste dagen,

  want gij zult dat doen wat kwaad is in het zicht van Maryah,

Hem uitlokkende tot toorn met het werk van uw handen.”

31:30 Toen sprak Moshe-

in het gehoor van gans de samenkomst van Isra’el-

de woorden van dit lied,

  (van het begin) totdat zij voltooid waren:

ש

32:1 “Geef gehoor,

O hemelen,

en laat mij spreken;

En laat de aarde de woorden van mijn mond horen.

32:2 “Laat mijn leer druppelen als de regen,

Mijn spraak neerslaan als de dauw,

Als de druppeltjes op het verse gras

En als de buien op het kruid.

32:3 “Want ik maak de naam van Maryah bekend;

Schrijf grootheid toe aan onze Aloha!

32:4 “De Rots!

Zijn werk is volmaakt,

Want al Zijn wegen zijn rechtvaardig;

Een Aloha van getrouwheid en zonder onrecht,

Rechtvaardig en oprecht is Hij.

32:5 “Zij hebben verdorven jegens Hem gehandeld,

Zij zijn niet Zijn kinderen,

vanwege hun gebrek;

Maar zijn een verdorven en verdraaid geslacht.

32:6 “Vergeldt gij alzo Maryah,

O gij dwaas en onverstandig volk?

Is Hij niet uw Vader die u heeft gekocht?

Hij heeft u gemaakt en gevestigd.

32:7 “Denk aan de dagen van weleer,

Overweeg de jaren van alle geslachten.

Vraag het uw vader,

en hij zal u informeren,

Uw oudsten,

en zij zullen het u vertellen.

32:8 “Toen de Meest Hoogste de volken hun erfenis gaf,

Toen Hij de zonen van de mens scheidde,

Bepaalde Hij de grenzen van de volkeren-

Overeenkomstig het aantal van de zonen van Isra’el.

32:9 “Want Maryah’s deel is Zijn volk;

Ya’akov is de toewijzing van Zijn erfenis.

32:10 “Hij vond zijn volk in een woestijn land,

en in de huilende woeste grond van een wildernis;

Hij omsloot hem,

Hij bekommerde zich om hem,

Hij behoedde hem als de pupil van Zijn oog.

32:11 “Gelijk een adelaar die haar nest aanwakkert,

Die over haar jongen fladdert,

Spreidde Hij Zijn vleugels uit en ving ze op,

Hij droeg ze op zijn vlerken.

32:12 “Maryah alleen leidde zijn volk,

En geen enkele vreemde god was daar met hem.

32:13 “Hij deed ze rijden op de hoge plaatsen van de aarde,

En zij aten de opbrengst van het veld;

En Hij deed ze honing zuigen uit de rots,

  En olijfolie uit de granietachtige rots,

32:14 Wrongel van koeien,

en melk van de schapenkudde,

Met vet van de lammeren,

En rammen,

het ras van Bashan,

en geiten,

Met het fijnste van de tarwe–

En van het bloed van druiven dronk je wijn.

32:15 “Maar Yeshurun werd vet en sloeg achteruit–

Gij zijt vet geworden,

dik,

en zacht en glanzend–

Toen verliet hij Aloha die hem maakte,

En versmaadde de Rots van zijn zaligheid.

32:16 “Zij maakten Hem jaloers met vreemde goden;

Met gruweldaden lokten zij Hem uit tot toorn.

32:17 “Zij offerden aan demonen die niet Aloha waren,

  Aan goden die zij niet hebben gekend,

Nieuwe goden die de laatste tijd opkwamen,

Voor welke uw vaders niet vreesden.

32:18 “Gij negeerde de Rots die u verwekte,

En vergat Aloha die u geboorte schonk.

32:19 “Maryah zag dit,

en wees ze af-

  Vanwege de terging van Zijn zonen en dochters.

32:20 “Toen zei Hij,

‘Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen,

Ik zal zien wat hun einde zal zijn;

Want zij zijn een verdorven geslacht,

Zonen in wie geen getrouwheid is.

32:21 “Zij hebben Mij jaloers gemaakt met datgene wat geen Aloha is;

Zij hebben Mij tot toorn uitgelokt met hun afgoden.

  Dus zal Ik hen jaloers maken met degenen die geen volk zijn;

Ik zal hen tot toorn uitlokken met een dwaas volk,

32:22 Want een vuur is ontstoken in Mijn toorn,

En brandt tot in het diepste deel van Sh’ol,

En verteert de aarde met haar opbrengst,

En zet de fundamenten van de bergen in vuur en vlam.

32:23 ‘Ik zal rampspoed over hen opstapelen;

Ik zal Mijn pijlen tegen hen gebruiken.

32:24 ‘Zij zullen door hongersnood worden verwoest,

en door pest worden verteerd-

En bittere vernietiging;

En de (slag)tanden van (wilde) beesten zal Ik op hen zenden,

  Met het venijn van kruipende dingen van het stof.

32:25 ‘Buiten zal het zwaard beroven,

En binnen (is er) verschrikking–

Beide jongeman en maagd,

De zuigeling met de man met grijs haar.

32:26 ‘Ik zou hebben gezegd,

“Ik zal ze in stukken snijden,

Ik zal de herinnering aan hun van mensen doen verdwijnen,”

32:27 ‘Had Ik de provocatie door de vijand niet gevreesd,

Dat hun tegenstanders verkeerd zouden inschatten,

Dat zij zouden zeggen,

“Onze hand is triomfantelijk,

En Maryah heeft dit alles niet gedaan.”‘

32:28 “Want zij zijn een volk dat gebrek heeft aan raad,

En er is geen inzicht in hen.

32:29 “Ik wou dat ze wijs waren,

dat ze dit begrepen,

Dat ze hun toekomst zouden onderscheiden!

32:30 “Hoe kon één er één duizend najagen,

En twee brachten er tienduizend op de vlucht,

Tenzij hun Rots hen had verkocht,

En Maryah hen overgegeven had?

32:31 “Inderdaad hun rots is niet gelijk onze Rots,

Zelfs onze vijanden beoordelen dit zelf.

32:32 “Want hun wijnstok is van de wijnstok van S’dom,

En van de velden van ‘Amora;

Hun druiven zijn druiven van vergif,

Hun trossen,

zijn bitter.

32:33 “Hun wijn is het venijn van serpenten,

En het dodelijke gif van cobra’s.

32:34 ‘Is het niet bij Mij neergelegd in de opslagplaats,

Verzegeld in Mijn schatkisten?

32:35 ‘Wraak is de Mijne,

en vergelding,

Te zijner tijd zal hen voet uitglijden;

Want de dag van hun rampspoed is nabij,

En de dreigende dingen haasten zich naar hen.’

32:36 “Want Maryah zal Zijn volk rechtvaardigen,

En zal medelijden hebben met Zijn knechten,

Wanneer Hij ziet dat hun kracht is weggegaan,

En er niet één is overgebleven,

gebonden of vrij.

32:37 “En Hij zal zeggen,

‘Waar zijn hun goden,

De rots in welke zij toevlucht zochten?

32:38 ‘Wie at het vet van hun offers,

En dronk de wijn van hun drankoffer?

Laat ze opstaan en u helpen,

Laat ze uw schuilplaats zijn!

32:39 ‘Zie nu dat Ik,

Ik ben Hij,

En er is geen god naast Mij;

Ik ben het die ter dood breng en leven geef.

Ik heb verwond en Ik ben het die genees,

En er is niet één die uit Mijn hand kan redden.

32:40 ‘Inderdaad,

Ik hef Mijn hand op naar de hemel,

En zeg,

zoals Ik leef voor altijd,

32:41 Als Ik Mijn fonkelende zwaard scherp,

En Mijn hand houdt vast aan gerechtigheid,

Ik zal wraak geven op Mijn tegenstanders,

En Ik zal degenen die Mij haten vergelden.

32:42 ‘Ik zal Mijn pijlen dronken maken met bloed,

En Mijn zwaard zal vlees verslinden,

Met het bloed van de verslagenen en de gevangenen,

Van de langharige leiders van de vijand.’

32:43 “Verheugt u,

O naties,

met Zijn volk;

Want Hij zal het bloed van Zijn knechten wreken,

En zal wraak teruggeven op Zijn tegenstanders,

En zal verzoenen voor Zijn land en Zijn volk.”

ש

32:44 Vervolgens-

Moshe kwam en sprak al de woorden van dit lied-

in het gehoor van het volk,

hij,

met Hoshea de zoon van Nun.

32:45 Toen Moshe geëindigd had-

al deze woorden tegen gans Isra’el te spreken,

32:46 zei hij tegen hen,

“Neem al de woorden met welke ik u vandaag waarschuw ter harte,

welke gij uw zonen moet bevelen om zorgvuldig in acht te nemen,

zelfs al de woorden van deze wet.

32:47 “Want dat is geen ijdel woord voor u;

inderdaad het is uw leven.

En door dit woord zult gij uw dagen verlengen in het land,

waarnaar gij op het punt staat de Yarden over te steken-

om het te bezitten.”

פ

32:48 “Maryah sprak diezelfde dag tegen Moshe,

zeggende,

32:49 “Ga opwaarts naar deze berg van de ‘Avarim,

Berg N’vo,

die in het land van Mo’av is tegenover Yericho,

en kijk naar het land van Kena’an,

dat Ik aan de zonen van Isra’el geef tot een bezitting.

32:50 “Sterf dan op de berg waarheen gij opgaat,

en wordt verzameld tot uw volk,

zoals Aharon uw broer stierf op Berg Hor

en werd verzameld tot zijn volk,

32:51 omdat gij het geloof met Mij verbrak-

te midden van de zonen van Isra’el-

aan de wateren van M’rivat-Kadesh,

in de woestijn van Tzin,

omdat gij Mij niet als geheiligd behandelde-

te midden van de zonen van Isra’el.

32:52 “Want gij zult het land op een afstand zien,

maar gij zult daar niet heengaan,

in het land dat Ik de zonen van Isra’el geef.”

פ

33:1 Dit is nu de zegen waarmee Moshe-

de man van Aloha-

de zonen van Isra’el voor zijn dood zegende.

33:2 Hij zei,

“Maryah kwam van Sinai,

En daagde van Se’ir op hun ;

Hij verscheen van Berg Pa’ran,

En Hij kwam uit het midden van tienduizenden heiligen;

Aan Zijn rechterhand was er fonkelend hemelvuur voor hen.

33:3 “Inderdaad,

Hij bemint het volk;

Al Uw heiligen zijn in Uw hand,

En zij volgden in Uw stappen;

Iedereen ontvangt van Uw woorden.

33:4 “Moshe gelaste ons met een wet,

een bezitting voor de samenkomst van Ya’akov.

33:5 “En hij was koning in Yeshurun,

Toen de hoofden van het volk waren verzameld,

De stammen van Isra’el bij elkaar.

33:6 “Moge Re’uven leven en niet sterven,

Noch zijn mannen weinig in aantal worden.”

ס

33:7 En dit betreffende Y’hudah;

zo zei hij,

“Hoor,

O Maryah,

de stem van Y’hudah,

En breng hem naar zijn volk.

Met zijn handen streed hij voor hen,

En moogt Gij (hem) een hulp zijn tegen zijn tegenstanders.”

פ

33:8 Van Levi zei hij,

“Laat Uw tumim en Uw urim Uw goddelijke man toebehoren,

Die Gij beproefde in Massah ,

  Met wie Gij betwistte aan de wateren van M’rivah;

33:9 Wie zei over zijn vader en zijn moeder,

  ‘Ik heb ze niet aanzien’;

En hij erkende zijn broers niet

  Noch achtte hij zijn eigen zonen,

Want zij namen Uw woord in acht,

En hielden Uw verbond.

33:10 “Zij zullen aan Ya’akov Uw verordeningen onderwijzen,

En Uw wet aan Isra’el.

Zij zullen wierook voor u zetten,

  En gave brandoffers op Uw altaar.

33:11 “O Maryah,

zegen zijn vermogen,

En aanvaard het werk van zijn handen;

Verbrijzel de lendenen van degenen die tegen hem opstaan,

En degenen die hem haatten,

zodat zij niet weer zullen opstaan.”

ס

33:12 Van Binyamin zei hij,

“Moge de beminde van Maryah in veiligheid bij Hem wonen,

Die hem de hele dag beschut,

En hij woont tussen Zijn schouders.”

ס

33:13 Van Yosef zei hij,

“Gezegend van Maryah zij zijn land,

Met de beste dingen van de hemel,

met de dauw,

En van de diepte liggende daaronder,

33:14 En met de beste opbrengst van de zon,

En met de beste voortbrengselen van de maanden.

33:15 “En met de beste dingen van de oude bergen,

En met de beste dingen van de eeuwige heuvels,

33:16 En met de beste dingen van de aarde en haar volheid,

En de gunst van Hem die in de (brandende) struik woonde.

Laat het op het hoofd van Yosef komen,

En op de kruin van het hoofd-

van degene die zich onderscheidde onder zijn broeders.

33:17 “Evenals de eerstgeborene van zijn os,

is majesteit het zijne,

En zijn horens zijn de horens van de wilde os;

Met hen zal hij de volken,

Allemaal tegelijk,

naar de uiteinden van de aarde stoten.

En dat zijn de tienduizenden van Efrayim,

En dat zijn de duizenden van M’nasheh.”

ס

33:18 Van Z’vulun zei hij,

“Verheugt u Z’vulun in uw uitgaan,

En gij Yissakhar in uw tenten.

33:19 “Zij zullen volken naar de berg roepen;

Daar zullen zij rechtvaardige offers offeren;

Want zij zullen de overvloed van de zeeën eruit putten,

En de verborgen schatten van het zand.”

ס

33:20 Van Gad zei hij,

“Gezegend is degene die Gad groot maakt;

Hij ligt neer als een leeuw,

En verscheurt de arm,

alsook de kruin van het hoofd.

33:21 “Toen voorzag hij het eerste deel voor hemzelf,

Want daar was het heersers deel gereserveerd;

En hij kwam met de leiders van het volk;

Hij voerde de gerechtigheid van Maryah uit,

En Zijn verordeningen met Isra’el.”

ס

33:22 Van Dan zei hij,

“Dan is een leeuwenwelp,

Die vanuit Bashan naar voren springt.”

33:23 Van Naftali zei hij,

“O Naftali,

Verzadigd met gunst,

En vol van de zegen van Maryah,

Neem bezit van de zee en het zuiden.”

ס

33:24 Van Asher zei hij,

“Meer gezegend dan zonen is Asher;

Moge hij door zijn broers begunstigd worden,

En moge hij zijn voet in olie dopen.

33:25 “Uw sloten zullen van ijzer en brons zijn,

En overeenkomstig uw dagen,

zo zal uw ontspannen wandeling zijn.

33:26 “Er is niet één zoals de Aloha van Yeshurun,

Die de hemelen berijdt om u te helpen,

En door de luchten in Zijn majesteit.

33:27 “De eeuwige Aloha is een woonplaats,

En daar onder zijn de eeuwige armen;

En Hij verdreef de vijand van voor u uit,

En zei,

‘Vernietig!’

33:28 “Zo woont Isra’el in veiligheid,

De fontein van Ya’akov afgezonderd,

in een land van graan en nieuwe wijn;

Zijn hemelen druppelen ook dauw neerwaarts.

33:29 “Gezegend zijt gij,

O Isra’el;

Wie is gelijk u,

een volk door Maryah verlost,

Die het schild van uw hulp is-

En het zwaard van uw majesteit!

Zodat uw vijanden voor u zullen ineenkrimpen,

En gij zult op hun hoge plaatsen treden.”

ס

34:1 Nu ging Moshe opwaarts

van de vlakten van Mo’av naar Berg N’vo,

  naar de top van Pisgah,

welke tegenover Yericho is.

  En Maryah toonde hem gans het land,

Gil’ad tot aan Dan,

34:2 en gans Naftali en het land van Efrayim en M’nasheh,

en gans het land van Y’hudah tot aan de westelijke zee,

34:3 en de Negev en de ‘Aravah in de vallei van Yericho,

de Stad van (Dadel) Palmbomen,

tot aan Tzo’ar.

34:4 Toen zei Maryah tegen hem,

“Dit is het land dat Ik zwoer aan Avraham,

Yitz’chak,

en Ya’akov,

  zeggende,

‘Ik zal het aan uw nakomelingen geven’,

Ik heb het u met uw ogen laten zien,

  maar gij zult daarheen niet overgaan.”

34:5 Zo stierf Moshe de knecht van Maryah daar in het land van Mo’av,

overeenkomstig het woord van Maryah.

34:6 En Hij begroef hem in het dal in het land van Mo’av,

tegenover Beit-P’or;

maar tot op deze dag kent geen mens zijn begraafplaats.

34:7 Hoewel Moshe één-honderd-en-twintig jaren oud was toen hij stierf,

was zijn oog niet onscherp,

noch zijn levenskracht vermindert.

34:8 Zo weenden de zonen van Isra’el om Moshe

in de vlakte van Mo’av dertig dagen lang;

toen kwamen de dagen van wenen en rouwen om Moshe ten einde.

34:9 Y’hoshua nu-

de zoon van Nun

was gevuld met de geest van wijsheid,

want Moshe had zijn handen op hem gelegd;

en de zonen van Isra’el luisterden naar hem

en deden zoals Maryah Moshe had bevolen.

34:10 Sinds die tijd is er geen profeet in Isra’el opgestaan zoals Moshe,

die Maryah van aangezicht tot aangezicht kende,

34:11 naar al de tekenen en wonderen die Maryah hem zond-

om die in het land van Egypte te doen tegen Pharaoh,

al zijn knechten,

en gans zijn land,

34:12 en naar al de machtige kracht

en naar al de grote verschrikking

die Moshe deed voor het aangezicht van geheel Isra’el.

ש

You cannot copy content of this page