Ezekiel

Aramaic Tanakh

Ketava d’Khazquiel

Boek Ezekiel.

Ezekiel 1.

1:1 Nu kwam het zowat in het dertigste jaar,

op de vijfde dag van de vierde maand,

terwijl ik bij de rivier de Chebar was

temidden van de ballingen,

de hemelen werden geopend

en ik zag visioenen van Aloha.

1:2 Op de vijfde van de maand

in het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jehoiachin,

1:3 het woord van Maryah kwam uitdrukkelijk tot Ezekiel de priester,

zoon van Buzi,

in het land van de Kaldean

bij de rivier Chebar;

en daar kwam de hand van Maryah op hem.-

1:4 Toen ik keek,

zie,

kwam er een stormwind uit het noorden,

een grote wolk met vuur dat voortdurend oplichtte

  en een helder licht eromheen,

en in het midden zoiets als gloeiend metaal

  in het midden van het vuur.

1:5 Daarin bevonden zich figuren

welke op vier levende wezens leken.

En dit was hun uiterlijk:

ze hadden een menselijke vorm.

1:6 Elk van hen had vier gezichten en vier vleugels.

1:7 Hun benen waren recht

en hun voeten waren als een kalfs-hoef,

  en ze glommen als gepolijst brons.

1:8 Onder hun vleugels aan hun vier zijden waren menselijke handen.

Wat betreft de gezichten en vleugels van de vier van hen,

1:9 hun vleugels raakten elkaar;

hun gezichten draaiden niet om toen ze bewogen,

elkeen ging recht vooruit.

1:10 Wat betreft de vorm van hun gezichten,

elk had het gezicht van een mens;

alle vier hadden het gezicht van een leeuw aan de rechterkant

en het gezicht van een stier aan de linkerkant,

en alle vier hadden ook het gezicht van een arend.

1:11 Dusdanig waren hun gezichten.

Hun vleugels waren (naar) boven uitgespreid;

elk had er twee

die een ander wezen aanraakten,

  en twee

die hun lichamen bedekten.

1:12 En elk ging recht vooruit;

waar ook de geest op het punt stond te gaan,

zouden zij gaan,

zonder zich om te keren terwijl ze gingen.

1:13 In het midden van de levende wezens

was er iets dat eruit zag als brandende kolen van vuur,

  zoals fakkels die heen en weer schoten

tussen de levende wezens.

Het vuur was helder ,

  en bliksem flitste uit het vuur.

1:14 En de levende wezens renden heen en weer

zoals bliksemschichten.

1:15 Terwijl ik nu naar de levende wezens keek,

zie,

er was een rad op de aarde naast de levende wezens,

voor elk van de vier van hen.

1:16 Het uiterlijk van de raderen

en hun afwerking

was als glinsterende beryl,

en alle vier hadden ze dezelfde vorm,

hun uiterlijk en afwerking

waren alsof het ene rad in het andere (rad) was.

1:17 Wanneer ze zich verplaatsten,

verplaatsten ze zich in elk van hun vier richtingen

zonder te draaien terwijl ze zich verplaatsten.

1:18 Wat hun ringen betreft

ze waren hoog en ontzagwekkend,

en de ringen van alle vier van hen waren vol van ogen rondom.

1:19 Wanneer de levende wezens zich verplaatsten,

verplaatsten de raderen zich met hen mee.

En telkens als de levende wezens opstegen van de aarde,

stegen de raderen ook op.

1:20 Waarheen ook de geest op het punt stond te gaan,

zij zouden in die richting gaan.

En de raderen stegen vlak naast hen op;

want de geest van de levende wezens was in de raderen.

1:21 Telkens als die gingen,

gingen deze;

en telkens als die stil stonden,

stonden deze stil.

En telkens als die opstegen van de aarde,

stegen de raderen vlak naast hun op;

want de geest van de levende wezens was in de raderen.

1:22 Over de hoofden nu van de levende wezens

was er zoiets als een uitspansel,

zoals de ontzagwekkende glans van kristal,

  uitgespreid over hun hoofden.

1:23 Onder dat uitspansel waren hun vleugels recht naar voren uitgestrekt,

de een naar de andere toe;

elk (van hen) had ook twee vleugels

aan de ene kant

en aan de andere (kant)

die zijn lichaam bedekken.

1:24 Ik hoorde ook het geluid van hun vleugels

  gelijk het geluid van overvloedige wateren

terwijl ze gingen,

gelijk de stem van de Almachtige,

Een geluid van tumult

gelijk het geluid van een legerkamp;

telkens wanneer zij stilstonden

  lieten zij hun vleugels neder-zakken.

1:25 En er kwam een stem van boven het uitspansel

dat over hun hoofd was;

van zodra zij stil stonden,

en hun vleugels lieten neder-zakken.

1:26 Boven het uitspansel nu

dat boven hun hoofd was

was er iets dat op een troon leek,

zoals lapis lazuli in uiterlijk;

en op dat wat op een troon leek,

er boven op,

was een figuur met het uiterlijk van een mens.

1:27 Vervolgens bemerkte ik

van het uiterlijk van Zijn lendenen en opwaarts

iets zoals gloeiend metaal

dat er uitzag als vuur

rondom en binnenin,

en van het uiterlijk van Zijn lendenen en naar beneden

zag ik iets zoals vuur;

en er was een glans rondom Hem.

1:28 Gelijk het uiterlijk van de regenboog

in de wolken op een regenachtige dag,

zo was het uiterlijk van de omringende glans.

Zo was het uiterlijk

van de gelijkenis van de heerlijkheid van Maryah.

En toen ik het zag,

viel ik op mijn gezicht

en hoorde een stem spreken.

Ezekiel 2.

2:1 Vervolgens,

Hij zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

sta op uw voeten

zodat Ik met u kan spreken!”

2:2 Terwijl Hij tegen mij sprak

kwam de Geest in mij

en zette mij op mijn voeten;

en ik hoorde Hem tegen mij spreken.

2:3 Verder zei Hij tegen mij,

“Zoon van mensen,

Ik zend u naar de zonen van Israël,

naar een opstandig volk dat tegen Mij rebelleerde;

zij en hun vaders hebben tegen Mij overtreden

tot op de dag van vandaag.

2:4 “Ik zend u naar hen

die eigenwijze en hardnekkige kinderen zijn,

en gij zult tegen hun zeggen,

‘Zo zegt Maryah Aloha.’

2:5 “Wat hen betreft,

of ze nu luisteren of niet

-want ze zijn een opstandig huis-

ze zullen weten dat er een profeet onder hen is geweest.

2:6 “En gij,

zoon van mensen,

vreest hen niet en vreest ook hen woorden niet,

hoewel distels en doornen bij u zijn

  en gij op schorpioenen zit;

vreest hun woorden niet

en wees evenmin ontzet over hun aanwezigheid,

want zij zijn een opstandig huis.

2:7 “Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken

of zij nu luisteren of niet,

want zij zijn zeer opstandig.

2:8 “Gij nu,

zoon van mensen,

luister naar wat Ik tegen u spreek;

wees niet opstandig zoals dat rebelse huis.

Open uw mond en wat Ik u geef eet dat.”

2:9 Toen keek ik,

en zie,

een hand strekte zich naar mij uit;

en kijk,

er was een rol daarin.

2:10 Toen Hij die voor mij uitspreidde,

was die op de voor-en-achterkant beschreven,

en erop waren klaagliederen geschreven,

gejammer en ellende.

Ezekiel 3.

3:1 Vervolgens,

Hij zei tegen mij,

“zoon van mensen,

verslind wat gij vindt;

verslind deze rol,

en ga,

spreek tot het huis van Israël.”

3:2 Dus opende ik mijn mond,

en Hij voedde mij die rol.

3:3 Hij zei tegen mij,

“zoon van mensen,

voed uw maag en vul uw lichaam

met deze rol die Ik u geef.”

Toen verslond ik ze,

en ze was zoet als honing in mijn mond.

3:4 Daarna zei Hij tegen mij,

“Zoon van mensen,

ga naar het huis van Israël

en spreek met Mijn woorden tegen hen.

3:5 “Want gij zijt niet gezonden

naar een volk van onbegrijpelijke rede of moeilijke taal,

maar naar het huis van Israël,

3:6 noch naar vele volken van onbegrijpelijke rede of moeilijke taal,

wiens woorden gij niet kunt begrijpen.

Maar Ik heb u naar hen toe gezonden

die behoren te luisteren naar u;

3:7 toch zal het huis van Israël niet bereid zijn om naar u te luisteren,

omdat zij niet bereid zijn om naar Mij te luisteren.

Het hele huis van Israël is immers eigenwijs en koppig.

3:8 “Zie,

Ik heb uw aangezicht zo hard als hun aangezichten gemaakt

en uw voorhoofd zo hard als hun voorhoofd.

3:9 “Zoals emery

harder dan vuursteen

heb Ik uw voorhoofd gemaakt.

  Wees niet bang van hen

of wees niet ontstelt over hen uiterlijk,

hoewel zij een opstandig huis zijn.”

3:10 Voorts,

zei Hij tegen mij,

“Zoon van mensen,

neemt al Mijn woorden

  die Ik tegen u spreken zal

in uw hart aan

en luistert aandachtig.

3:11 “Ga naar de bannelingen,

naar de zonen van uw volk,

en spreek tegen hen en vertel hen,

of ze nu luisteren of niet,

‘Zo zegt Maryah Aloha.'”

3.12 Vervolgens,

de Geest tilde mij op,

en ik hoorde een geweldig rommelend geluid vanachter mij,

  “Gezegend zij de heerlijkheid van Maryah in Zijn plaats.”

3:13 En ik hoorde het geluid

van de vleugels van de levende wezens

welke elkaar raakten

  en het geluid van de raderen bij hen,

zelfs een geweldig rommelend geluid.

3:14 Dus tilde de Geest mij op

en nam mij weg;

en ik ging verbitterd heen

in de hitte van mijn geest,

en de hand van Maryah was sterk op mij.

3:15 Vervolgens kwam ik bij de bannelingen

die naast de rivier Chebar leefden te Tel-abib,

en ik zat daar zeven dagen

waar zij leefden,

waardoor ze in verwarring raakten.

3:16 Aan het einde van die zeven dagen

het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

3:17 “Zoon van mensen,

Ik heb u tot wachter aangesteld

  aan het huis van Israël;

wanneer gij een woord vanuit Mijn mond hoort,

geef hen vermaning (door kracht) van Mij.

3:18 “Wanneer Ik tegen de goddeloze zeg,

‘Gij zult zeker sterven,’

en gij waarschuwt hem niet

of spreekt niet uit

om de goddeloze te waarschuwen

  voor zijn goddeloze weg,

zodat hij moge leven,

die goddeloze mens zal sterven in zijn ongerechtigheid,

maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

3:19 “Maar toch

indien gij de goddeloze hebt gewaarschuwd

en hij zich niet afkeert

van zijn goddeloosheid

of van zijn boze weg,

hij zal in zijn ongerechtigheid sterven;

maar gij hebt uzelf bevrijd.

3:20 “Wederom,

wanneer een rechtvaardige

zich van zijn gerechtigheid afkeert

en ongerechtigheid begaat,

en Ik een obstakel voor hem plaats,

zal hij sterven;

aangezien gij hem niet gewaarschuwd hebt,

zal hij in zijn zonde sterven,

en zijn rechtvaardige daden die hij heeft gedaan

zullen niet herinnerd worden;

maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

3:21 “Echter,

indien gij de rechtvaardige mens hebt gewaarschuwd

opdat de rechtvaardige niet zou zondigen

en hij zondigt niet,

hij zal zeker leven omdat hij waarschuwing aannam;

en gij hebt uzelf bevrijd.

3:22 De hand van Maryah was daar op mij,

en Hij zei tegen mij,

“Sta op,

ga uit naar de vlakte,

en daar zal Ik tegen u spreken.”

3:23 Dus stond ik op en ging uit naar de vlakte;

en zie,

de glorie van Maryah stond daar,

zoals de glorie die ik zag bij de rivier Chebar,

en ik viel op mijn aangezicht.

3:24 De Geest voer toen in mij

en deed mij op mijn voeten staan,

  en Hij sprak met mij

en zei tegen mij:

“Ga,

sluit uzelf op in uw huis.

3:25 “Wat u betreft,

zoon van mensen,

ze zullen touwen over u leggen

  en u ermee vastbinden

  zodat gij onder hen niet kunt uitgaan.

3:26 “Bovendien,

Ik zal uw tong doen vastkleven

aan het gewelf van uw mond

zodat gij stom zult zijn

en geen man kunt zijn

  die hun berispt,

want ze zijn een rebels huis.

3:27 “Maar wanneer Ik tegen u spreek,

zal Ik uw mond openen

en gij zult tegen hen zeggen,

  ‘Zo zegt Maryah Aloha,’

  Hij die hoort,

laat hem horen;

en hij die afwijst,

laat hem afwijzen;

  want ze zijn een rebels huis.

Ezekiel 4.

4:1 “Gij nu zoon van mensen,

  pak uzelf een tichelsteen,

plaats hem voor u

en kerf daarop een stad in,

Jeruzalem.

4:2 “Vervolgens,

beleg belegering tegen haar,

bouw een belegeringsmuur,

werp glooiingen op,

zet leger kampen op

en plaats beukende stormrammen

rondom tegen haar.

4:3 “Vervolgens,

pak uzelf een ijzeren koekeplaat

en richt het op als een ijzeren muur

tussen u en de stad,

en richt uw aangezicht daarop

  zodat zij onder belegering komt,

  en beleger haar.

Dit is een teken voor het huis van Israël.

4:4 “Wat u betreft,

ga op uw linkerzijde nederliggen

en leg de ongerechtigheid van het huis van Israël erop;

gij zult hun ongerechtigheid dragen

  naar het aantal dagen dat gij erop ligt.

4:5 “Want Ik heb u een aantal dagen toegewezen

die overeenkomen met de jaren van hun ongerechtigheid,

drie honderd en negentig dagen;

zo zult gij de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen.

4:6 “Wanneer gij deze hebt voltooid,

zult gij voor een tweede keer gaan liggen,

maar dan op uw rechterzijde

en de ongerechtigheid van het huis van Judah dragen;

Ik heb het aan u toegewezen voor veertig dagen,

één dag voor elk jaar.

4:7 “Dan zult gij uw aangezicht richten

naar de belegering van Jeruzalem

met uw arm ontbloot

en tegen haar profeteren.

4:8 “Zie nu,

Ik zal touwen over u leggen

zodat gij niet kunt omkeren

van de ene zijde naar de andere

totdat gij de dagen van uw belegering hebt voltooid.

4:9 “Maar wat u betreft,

neem tarwe,

gerst bonen linzen gierst en spelt,

leg ze in een bak

en maak ze tot een brood voor uzelf;

gij zult het eten

volgens het aantal dagen dat gij op uw zijde ligt,

driehonderd en negentig dagen.

4:10 “Uw voedsel dat gij eet

zal twintig sikkelen per dag van gewicht zijn;

gij zult het van tijd tot tijd eten.

4:11 “Het water dat gij drinkt

zal naar maat het zesde deel van een hin zijn;

gij zult het van tijd tot tijd drinken.

4:12 “Gij zult het eten als een gerstekoek,

het gebakken hebbende

boven menselijke mest

voor hun aanblik.”

4:13 Vervolgens zei Maryah,

“Zo zullen de zonen van Israël hun brood onrein eten

onder de natien

waarheen Ik hen verbannen zal.”

4:14 Maar ik zei,

“Ah Maryah Aloha!

Zie,

ik ben nog nooit verontreinigd geweest;

want vanaf mijn jeugd tot nu toe

heb ik nog nooit iets gegeten

wat uit zichzelf is gestorven

of door beesten is verscheurd,

evenmin is enig onrein vlees ooit mijn mond ingegaan.”

4:15 Toen zei Hij tegen mij,

“Zie Ik zal u koeienmest geven

  inplaats van menselijke mest

  waarover gij uw brood zult bereiden.”

4:16 Verder,

zei Hij tegen mij,

“Zoon van mensen,

zie!

Ik ga de staf van brood in Jeruzalem breken,

en zij zullen het brood per gewicht eten,

en met angst,

en het water per maat drinken,

en in afschuw,

4:17 omdat brood en water schaars zullen zijn;

  en zij zullen onthutst zijn – samen met elkaar –

  en in hun ongerechtigheid wegkwijnen.

Ezekiel 5.

5:1 “Wat u betreft,

zoon van mensen,

neem een scherp zwaard;

neem het en benut het als een scheermes van een barbier

over uw hoofd en baard.

Neem dan de balans ter weging

en verdeel het haar.

5:2 “Gij zult één derde deel verbranden in het vuur

in het centrum van de stad,

wanneer de dagen van de belegering zijn voltooid.

Vervolgens zult gij één derde deel nemen

  en het met het zwaard

rondom gans de stad slaan,

en één derde deel zult gij in de wind verstrooien;

en Ik zal een zwaard uit de schede trekken

achter hen aan.

5:3 “Neem daarvan ook een weinig in aantal –

en bind ze in de randen van uw gewaden.

5:4 “Neem er nogmaals wat van hen

en gooi ze in het vuur

en verbrand ze in het vuur;

van daaruit zal zich een vuur verspreiden

naar het hele huis van Israël.

5:5 “Zo zegt Maryah Aloha,

‘Dit is Jeruzalem;

Ik heb haar in het midden van de naties geplaatst,

met landen om haar heen.

5:6 ‘Maar zij heeft gerebelleerd tegen Mijn verordeningen

goddelozer dan de naties

en tegen Mijn inzettingen

meer dan de landen die haar omringen;

want zij hebben Mijn verordeningen verworpen

en hebben niet in Mijn inzettingen gewandeld.’

5:7 “Daarom,

dus zegt Maryah Aloha,

‘Omdat gij meer onrust/kwelling hebt dan de naties die u omringen

en niet in Mijn inzettingen hebt gewandeld,

noch Mijn verordeningen opmerkte,

noch de verordeningen opmerkte van de naties die u omringen,’

5:8 daarom,

dus zegt Maryah Aloha,

‘Zie,

Ik,

zelfs Ik,

ben tegen u,

en Ik zal oordelen onder u uitvoeren

voor het aanblik van de naties.

5:9 ‘En vanwege al uw gruwelen,

zal Ik onder u doen hetgeen Ik niet heb gedaan,

en iets dergelijks

zal Ik nooit meer doen.

5:10 ‘Daarom,

de vaders zullen hun zonen eten

te midden van u,

en de zonen zullen hun vaders eten;

want Ik zal oordelen over u uitvoeren

en al uw overblijfsel naar elke wind verstrooien.

5:11 ‘Zoals Ik leef’

  maakt Maryah Aloha bekend,

‘Immers,

omdat gij Mijn heiligdom hebt bezoedeld

met al uw verfoeilijke afgoden

en met al uw gruwelen,

daarom zal Ik u ook verminderen,

en Mijn oog zal geen medelijden hebben

en Ik zal u niet sparen.

5:12 ‘Een derde deel van u zal sterven door de pest

of worden verteerd door honger te midden van u,

één derde deel zal vallen door het zwaard rondom u,

en één derde deel zal Ik naar elke wind verstrooien,

en Ik zal een zwaard achter hen uit (de schede) trekken.

5:13 ‘Zo zal Mijn toorn besteed worden

en Ik zal Mijn gramschap op hen tevredenstellen,

en Ik zal worden gerustgesteld;

dan zullen zij weten dat Ik,

Maryah,

in Mijn ijver heb gesproken

  wanneer Ik Mijn gramschap op hen heb besteed.

5:14 ‘Bovendien,

Ik zal u tot een verlatenheid

en tot een schande maken

te midden van de naties die u omringen,

voor het aangezicht van ieder die voorbij komt.

5:15 ‘Zo zal het een schande zijn,

een beschimping,

een waarschuwing en een voorwerp van afschuw aan de naties

die u omringen

wanneer Ik oordelen tegen u uitvoer in toorn,

gramschap en woedende berispingen.

Ik, Maryah, heb gesproken.

5:16 ‘Wanneer Ik de dodelijke pijlen van honger tegen hen zend

die voor de vernietiging zijn

-van degenen- die Ik zal zenden om u te vernietigen,

  dan zal Ik ook de honger over u intensiveren

en de staf van uw brood breken.

5:17 ‘Bovendien,

Ik zal hongersnood over u zenden

en wilde beesten,

en zij zullen u van kinderen beroven;

pest en bloedvergieten zullen ook door u heen gaan

  en Ik zal het zwaard over u brengen.

  Ik, Maryah, heb gesproken. ‘”

Ezekiel 6.

6:1 En het woord van Maryah kwam tot mij zeggende,

6:2 “Zoon van mensen,

richt uw aangezicht naar de bergen van Israël,

en profeteer tegen hen-

6:3 en zeg,

‘Bergen van Israël,

luister naar het woord van Maryah Aloha!

Zo zegt Maryah Aloha tegen de bergen,

de heuvels,

de ravijnen en de valleien:

“Zie,

Ik, Ikzelf, ga een zwaard over u brengen,

en Ik zal uw hoge plaatsen vernietigen.

6:4 “Zo zullen uw altaren verwoest worden

en uw wierook-altaren zullen verpletterd worden;

en Ik zal uw verslagenen doen neervallen

  voor uw afgoden.

6:5 “De dode lichamen van de zonen van Israël

zal Ik ook voor hun afgoden leggen;

en uw botten

zal Ik rondom uw altaren strooien.

6:6 “In al uw woningen,

zullen steden verwoest worden

en de hoge plaatsen zullen verlaten zijn,

dat uw altaren verwoest en verlaten mogen worden,

uw afgoden verbroken en beëindigd mogen worden,

uw wierook altaren omgehouwen mogen worden,

en uw werken uitgewist mogen worden.

6:7 “De verslagenen zullen te midden van u neervallen,

en gij zult weten dat Ik Maryah ben.

6:8 “Echter,

Ik zal een overblijfsel achterlaten,

want gij zult diegenen hebben die het zwaard ontsnapten

onder naties

wanneer gij verstrooid word onder de landen.

6:9 “Vervolgens,

diegenen van u die ontsnappen

zullen Mij onder de naties gedenken

  waarnaar zij gevangen zullen worden gedragen,

hoe ben Ik gepijnigd

door hun overspelige harten die zich van Mij afkeerden,

en door hun ogen die de hoer speelden hun afgoden na;

en zij zullen zichzelf verafschuwen in hun eigen ogen

  voor al het kwaad dat zij hebben begaan,

en voor al hun gruwelen.

6:10 “Dan zullen zij weten dat Ik Maryah ben;

Ik heb niet tevergeefs gezegd

dat Ik hen dit onheil zou aandoen.”‘

6:11 “Zo zegt Maryah Aloha,

‘Klap met uw hand,

stamp met uw voet en zeg,

“O wee,

vanwege alle boze gruweldaden van het huis van Israël,

welke door het zwaard zal vallen,

door hongersnood en door pestziekte!

6:12 “Hij die ver weg is zal sterven door de pestziekte,

en hij die nabij is zal door het zwaard vallen,

en hij die overblijft en belegerd wordt zal sterven door hongersnood.

Zo zal Ik Mijn gramschap over hen aanwenden.

6:13 “Dan zult gij weten dat Ik Maryah ben,

wanneer hun verslagenen

te midden van hun afgoden zijn

rondom hun altaren,

op elke hoge heuvel,

op al de toppen van de bergen,

onder elke groene boom en onder elke bladerrijke eik

– de plaatsen waar zij rustgevend aroma aanboden aan al hun afgoden.

6:14 “Dus overal in hun bewoningen

zal Ik Mijn hand tegen hen uitstrekken

en het land meer verlaten en woester maken

dan de wildernis richting Diblah;

zo zullen zij weten dat Ik Maryah ben.”‘”

Ezekiel 7.

7:1 “Verder

  het woord van Maryah kwam tot mij zeggende,

7:2 “En gij,

zoon van mensen,

zo zegt Maryah Aloha tegen het land van Israël,

‘Een einde!

Het einde nadert over de vier hoeken van het land.

7:3 “Als het einde op u is,

  en Ik Mijn toorn tegen u zal zenden;

zal Ik u beoordelen volgens uw wegen

en al uw gruwelen op u brengen.

7:4 ‘Want Mijn oog zal geen medelijden met u hebben,

evenmin zal Ik u sparen,

maar Ik zal uw wegen op u brengen,

en uw gruwelen zullen te midden van u zijn;

dan zult gij weten dat Ik Maryah ben!’

7:5 “Zo zegt Maryah Aloha,

‘Een onheil

  een ongeëvenaard onheil,

zie het komt eraan!

7:6 ‘Een einde komt eraan;

het einde is gekomen!

het is tegen u ontwaakt;

zie,

het is gekomen!

7:7 ‘Uw noodlot is tot u gekomen,

O inwoner van het land.

De tijd is gekomen,

de dag is nabij

-eerder (van) beroering

dan (van) vreugdevol geschreeuw op de bergen-.

7:8 ‘Nu zal Ik weldra Mijn gramschap op u uitstorten

en Mijn toorn tegen u gebruiken;

u beoordelen volgens uw wegen

en al uw gruweldaden op u brengen.

7:9 ‘Mijn oog zal geen medelijden betonen

Ik zal ook niet sparen.

Ik zal u vergoeden volgens uw wegen,

terwijl uw gruweldaden in uw midden zijn;

dan zult gij weten dat Ik,

Maryah,

het slaan doe.

7:10 ‘AANSCHOUW,

  de dag!

AANSCHOUW,

het komt eraan!

Uw noodlot is uitgegaan;

de roede is ontluikt,

arrogantie is tot bloei gekomen.

7:11 ‘Geweld is uitgegroeid tot een roede van goddeloosheid .

Niemand van hen zal overblijven,

niemand van hun volk,

niets van hun rijkdom,

noch iets bijzonders onder hen.

7:12 ‘De tijd is gekomen,

de dag is aangebroken.

Laat de koper zich niet verheugen

noch de verkoper rouwen;

want toorn is tegen gans hun menigte.

7:13 ‘Inderdaad,

de verkoper zal niet herwinnen wat hij verkocht zolang ze beiden leven;

want het visioen aangaande gans hun menigte zal niet worden afgewend,

noch zal één van hen zijn leven handhaven door zijn ongerechtigheid.

7:14 ‘Ze hebben op de bazuin geblazen

en alles klaar-gemaakt,

  maar niet één gaat naar de strijd,

want Mijn toorn is tegen al hun menigte.

7:15 ‘Het zwaard is buiten

en de pestziekte en de hongersnood zijn binnen.

Hij die in het veld is zal door het zwaard sterven;

hongersnood en de pestziekte

zullen ook die in de stad verteren.

7:16 ‘Zelfs wanneer hun overlevenden ontkomen,

zullen ze op de bergen zijn

gelijk duiven van de valleien,

allen van hen rouwend,

elk over zijn eigen ongerechtigheid.

7:17 ‘Alle handen zullen krachteloos neer-hangen

en alle knieën zullen als water worden.

7:18 ‘Ze zullen zichzelf aangorden met rouwgewaden

en huivering zal hen overweldigen;

en schaamte zal op alle aangezichten zijn

en kaalheid op al hun hoofden.

7:19 ‘Ze zullen hun zilver op de straten werpen

en hun goud zal een weerzinwekkend ding worden;

hun zilver en goud zal niet in staat zijn om hun te verlossen

op de dag van de toorn van Maryah.

Ze kunnen hun trek niet stillen

noch kunnen ze hun buiken vullen

want hun ongerechtigheid

is een gelegenheid om te struikelen geworden.

7:20 ‘Zij transformeerden de schoonheid van Zijn sieraden tot hoogmoed,

en zij maakten er de beelden van hun gruwelen

en hun verfoeilijkheden mee;

daarom zal Ik dit een weerzinwekkend ding voor hen maken.

7:21 ‘Ik zal het in de handen van vreemdelingen geven

tot roof

en aan de goddelozen van de aarde

  tot buit,

en die zullen het ontheiligen.

7:22 ‘Ik zal ook Mijn aangezicht van hen afkeren,

en zij zullen Mijn geheime plaats ontheiligen;

dan zullen er rovers binnendringen en het ontheiligen.

7:23 ‘Maak de keten

want het land is vol bloedige misdaden

en de stad is vol van geweld.

7:24 ‘Daarom,

zal Ik de slechtste van de naties brengen,

en zij zullen hun huizen bezitten.

Ik zal ook de hoogmoed van de sterken doen ophouden,

en hun heilige plaatsen zullen onheiligd worden.

7:25 ‘Wanneer de verschrikking komt,

zullen ze vrede zoeken,

maar er zal geen (vrede) zijn.

7:26 ‘Er zal onheil op onheil komen

en gerucht zal aan gerucht worden toegevoegd;

dan zullen zij een visioen van de profeet zoeken,

maar de instructie van de priester

en de raad van de oudsten

  zullen verloren gaan.

7:27 ‘De koning zal rouwen,

de prins zal worden bekleed met afschuw,

en de handen van het volk van het land zullen beven.

Volgens hun gedrag zal Ik met hen handelen,

en met hun oordelen zal Ik hen oordelen.

En zij zullen weten dat Ik Maryah ben.'”

Ezekiel 8.

8:1 Het gebeurde in het zesde jaar,

op de vijfde dag van de zesde maand,

terwijl ik in mijn huis zat

met de oudsten van Judah

voor mij zittende,

dat de hand van Maryah Aloha daar op mij viel.

8:2 Toen keek ik;

en aanschouwde,

een gelijkenis als de gedaante van een mens;

van Zijn lendenen en naar beneden

was er de schijn van vuur,

en van Zijn lendenen en opwaarts

  de schijn van helderheid,

gelijk het uiterlijk van gloeiend metaal.

8:3 Hij strekte de vorm van een hand uit

en greep me bij een lok van mijn hoofd;

en de Geest tilde mij op tussen aarde en hemel

en bracht mij in de visioenen van Aloha naar Jeruzalem,

naar de ingang van de noordelijke poort van de binnenhof,

waar de zetel van het afgodsbeeld van jaloezie was gevestigd,

welke tot jaloezie aanspoort.

8:4 En zie,

de glorie van Aloha van Israël was daar,

net als de verschijning die ik zag in de vlakte.

8:5 Vervolgens,

Hij zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

hef nu uw ogen op naar het noorden,”

  Dus hief ik mijn ogen op naar het noorden,

en aanschouwde,

ten noorden van de altaarpoort

  dit afgodsbeeld van jaloezie bij de ingang.

8:6 En Hij zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

ziet gij wat ze aan het doen zijn,

de grote gruweldaden die het huis van Israël hier pleegt,

zodat Ik verre van Mijn heiligdom zou zijn?

  Maar toch zult gij nog grotere gruweldaden zien.”

8:7 Toen bracht Hij mij naar de ingang van de binnenhof,

en toen ik keek,

zie,

een gat in de muur.

8:8 Hij zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

graaf nu doorheen de muur.”

Dus groef ik doorheen de muur,

en zie,

een ingang.

8:9 En Hij zei tegen mij,

“Ga naar binnen en zie de goddeloze gruweldaden

die zij hier plegen.”

8:10 Dus ging ik naar binnen en keek,

en zie,

elke vorm van kruipende dingen

en beesten

en verfoeilijke dingen,

met alle afgoden van het huis van Israël,

waren geheel rondom op de muur uitgehouwen.

8:11 Voor hen stonden zeventig ouderlingen van het huis van Israël,

met Jaazaniah de zoon van Shaphan die te midden van hen stond,

elke man met zijn wierookvat in zijn hand

en de welriekendheid van de wolk van wierook steeg op.

8:12 Vervolgens,

Hij zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

ziet gij wat de ouderlingen van het huis van Israël in het donker plegen,

eenieder in de kamer van zijn uitgehouwen beelden?

Want zij zeggen,

‘Maryah ziet ons niet;

Maryah heeft het land verlaten.'”

8:13 En Hij zei tegen mij,

“Toch zult gij nog grotere gruweldaden zien die zij plegen.”

8:14 Vervolgens,

Hij bracht mij naar de ingang van de poort van het huis van Maryah

  die naar het noorden was;

  en zie,

vrouwen zaten daar te wenen om Tammuz.

8:15 Hij zei tegen mij,

‘ziet gij dit,

zoon van mensen?

Toch zult gij nog grotere gruweldaden dan deze zien.”

8:16 Toen bracht Hij mij in de binnenhof van het huis van Maryah.

En zie,

bij de ingang van de tempel van Maryah,

tussen het portaal en het altaar,

  waren ongeveer twintig-en-vijf mannen

met hun rug naar de tempel van Maryah

en hun aangezichten naar het oosten;

en zij wierpen zichzelf ter aarde

oostwaarts

naar de zon toe.

8:17 Hij zei tegen mij,

“Ziet gij dit,

zoon van mensen?

Is het een ding te licht voor het huis van Judah

om de gruweldaden te plegen die zij hier hebben gepleegd,

opdat zij het land met geweld hebben gevuld

en Mij herhaaldelijk tergden?

Want zie,

zij zetten de rank tegen hun neus.

8:18 “Daarom,

zal Ik inderdaad in toorn handelen.

Mijn oog zal geen medelijden hebben

noch zal Ik sparen;

en hoewel zij met een luide stem in Mijn oren roepen,

toch zal Ik niet naar hen luisteren.”

Ezekiel 9.

9:1 Vervolgens,

Hij schreeuwde het uit in mijn gehoor

met een luide stem

zeggende,

“Nadert,

O beulen van de stad,

elk met zijn vernietigende wapen in zijn hand.”

9:2 Zie,

zes mannen kwamen uit de richting van de bovenste poort

die naar het noorden is gericht,

  elk met zijn verbrijzelende wapen in zijn hand;

en onder hen was een zeker man gekleed in linnen

met een schrijfkoker aan zijn lendenen.

En zij gingen naar binnen en stonden naast het bronzen altaar.

9:3 Vervolgens,

de glorie van Aloha van Israël ging op van de cherub

-waarop het was geweest,-

naar de drempel van de tempel.

En Hij riep naar de man in linnen gekleed

aan wiens lendenen de schrijfkoker was.

9:4 Maryah zei tegen hem,

“Ga door het midden van de stad,

zelfs door het midden van Jeruzalem,

en zet een merkteken op de voorhoofden van de mannen

die zuchten slaken en kreunen over al de gruweldaden

die in haar midden gepleegd geworden zijn.”

9:5 Maar tot de anderen zei Hij voor mijn gehoor,

“Ga door de stad achter hem aan en slaat;

  laat uw oog geen medelijden hebben

en spaart niet.

9:6 “Dood de oude mannen

jonge mannen en maagden

kleine kinderen en vrouwen

geheel en al,

maar raak geen mens aan op wie het merkteken is;

en gij zult beginnen vanuit Mijn heiligdom.”

Dus begonnen ze bij de ouderlingen die voor de tempel waren.

9:7 En Hij zei tegen hen,

“Verontreinigt de tempel

en vul de binnen-hoven met de verslagenen.

Ga uit!”

Dus gingen zij uit-

en sloegen het volk neer

in de stad.

9:8 Terwijl zij het volk sloegen

en ik alleen was achtergelaten,

viel ik op mijn gezicht en riep het uit zeggende,

“Helaas,

Maryah Aloha!

Vernietigd GIj het hele overblijfsel van Israël

door Uw gramschap uit te storten over Jeruzalem?”

9:9 Toen zei Hij tegen mij,

“De ongerechtigheid van het huis van Israël en Judah

is heel erg groot,

en het land is gevuld met bloed –

en de stad is vol van verdraaiing;

want zij zeggen,

‘Maryah heeft het land verlaten,

en Maryah ziet het niet!’

9:10 “Maar wat Mij betreft,

Mijn oog zal geen medelijden hebben

noch zal ik sparen

maar Ik zal hun wandel op hun hoofden brengen.”

9:11 Vervolgens,

ziet,

de man gekleed in linnen op wiens lendenen de schrijfkoker was meldde,

zeggende,

“ik heb gedaan precies zoals Gij mij bevolen hebt.”

Ezekiel 10.

10:1 Vervolgens keek ik,

en zie,

in het uitspansel boven de hoofden van de cherubs

verscheen iets zoals een saffiersteen boven hen,

in verschijning een troon gelijkende.

10:2 En Hij sprak tegen de man gekleed in linnen en zei,

“Ga in tussen de wervelende wielen onder de cherubs

en vul uw handen met kolen van vuur

van tussen de cherubs

en verstrooi ze over de stad.”

En hij ging in voor mijn ogen.

10:3 Nu stonden de cherubs aan de rechterzijde van de tempel

toen die man inging,

en de wolk vervulde de binnenhof.

10:4 Toen rees de glorie van Maryah op

van de cherub naar de drempel van de tempel,

en de tempel was gevuld met de wolk

  en de hof was gevuld met de glans van de glorie van Maryah.

10:5 Bovendien,

het geluid van de vleugels van de cherubs

  werd gehoord tot aan de buiten-hof,

gelijk de stem van Aloha

de Almachtige

  wanneer Hij spreekt.

10:6 Het gebeurde toen Hij de man in linnen gekleed had geboden,

zeggende,

“Neem vuur van tussen de wervelende wielen,

van tussen de cherubs,”

dat hij inging en bij een rad stond.

10:7 Toen strekte de cherub zijn hand uit van tussen de cherubs

naar het vuur dat tussen die cherubs was,

nam er wat van

en legde het in de handen van degene bekleed met linnen,

  die het nam en naar buiten ging.

10:8 De cherubs

bleken de vorm van een mensenhand te hebben

onder hun vleugels.

10:9 Vervolgens,

ik keek,

en zag,

vier raderen naast de cherubs,

één rad naast elke cherub;

en het uiterlijk van de raderen

was als de glinstering van een Tar’-shish steen.

10:10 Wat hun uiterlijk betreft

alle vier van hen hadden dezelfde gelijkenis,

alsof één rad zich in een ander rad bevond.

10:11 Wanneer zij bewogen,

gingen zij in elk van hun vier richtingen

  zonder zich om te keren terwijl zij gingen;

maar ze volgden in de richting die zij aankeken,

zonder zich om te keren terwijl zij gingen.

10:12 Hun hele lichaam,

hun ruggen,

hun handen,

hun vleugels en de raderen waren rondom vol van ogen,

  de raderen die behoorden bij alle vier van hen.

10:13 De raderen werden In mijn gehoor

de wervelende raderen genoemd.

10:14 En elkeen had vier aangezichten.

Het eerste aangezicht was het aangezicht van een cherub,

het tweede aangezicht was het aangezicht van een mens,

het derde het aangezicht van een leeuw,

en het vierde het aangezicht van een arend.

10:15 Toen stegen de cherubs op.

Zij zijn de levende wezens die ik bij de rivier de Chebar zag.

10:16 Toen de cherubs zich nu verplaatsten,

zouden de raderen naast hen gaan;

ook toen de cherubs hun vleugels ophieven

om van de grond op te stijgen,

zouden die raderen niet van hun zijde afwijken.

10:17 Toen de cherubs stil stonden,

zouden de raderen stilstaan;

en toen ze opstonden,

zouden de raderen met hen opstaan,

want de geest van de levende wezens was in hen.

10:18 Vervolgens,

de glorie van Maryah vertrok

van de drempel van de tempel

en ging boven de cherubs gaan staan.

10:19 Toen de cherubs vertrokken,

hieven zij hun vleugels op

en stegen van de aarde op voor mijn ogen

met de raderen naast hen;

  en bij de ingang van de oost-poort

van het huis van Maryah

stonden zij stil,

en de glorie van Aloha van Israël zweefde boven hen.

10:20 Dit zijn de levende wezens

die ik zag onder Aloha van Israël

bij de rivier Chebar;

zo wist ik dat zij cherubs waren.

10:21 Elkeen had vier gezichten

en elkeen vier vleugels,

en onder hun vleugels was de vorm van menselijke handen.

10:22 Wat betreft de gelijkenis van hun aangezichten,

het waren dezelfde aangezichten

wiens uiterlijk ik had gezien bij de rivier Chebar.

Elkeen ging recht vooruit.

Ezekiel 11.

11:1 En ook tilde de Geest mij op

en bracht mij naar de oost-poort van het huis van Maryah

  welke oostwaarts keek.

En zie,

er waren twintig-en-vijf mannen bij de ingang van de poort,

en onder hen zag ik Jaazaniah zoon van Azzur

en Pelatiah zoon van Benaiah,

leiders van het volk.

11:2 Hij zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

deze zijn de mannen die ongerechtigheid bedenken

en kwaad advies geven in deze stad,

11:3 die zeggen,

‘De tijd is niet nabij om huizen te bouwen!

Deze stad is de ketel en wij zijn het vlees.’

11:4 “Daarom,

profeteer tegen hen,

zoon van mensen,

profeteer!”

11:5 Vervolgens,

de Geest van Maryah viel op mij,

en Hij zei tegen mij;

“Spreekt,

‘Zo zegt Maryah,”

  Zo denkt gij,

huis van Israël,

want Ik ken uw gedachten.

11:6 “Gij hebt uw verslagenen in deze stad vermenigvuldigd,

haar straten met hen gevuld.”

11:7 ‘Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

“Uw verslagenen

die gij in het midden van de stad hebt gelegd

zijn het vlees

en deze stad is de ketel;

maar Ik zal u van haar uitbrengen.

11:8 “Gij hebt een zwaard gevreesd;

dus zal Ik een zwaard over u brengen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

11:9 En Ik zal u uit het midden van die stad brengen

en u overleveren in de handen van vreemden

en oordelen tegen u uitvoeren.

11:10 “Gij zult door het zwaard vallen.

Ik zal u bij de grens van Israël oordelen;

zo zult gij weten dat Ik Maryah ben.

11:11 “Hoewel deze stad niet uw ketel zal zijn,

zult gij het vlees zijn in het midden daarvan,

Ik zal u bij de grens van Israël oordelen.

11:12 “Alzo zult gij weten dat Ik Maryah ben;

want gij hebt in Mijn inzettingen niet gewandeld

  en gij hebt Mijn verordeningen niet uitgevoerd,

maar overeenkomstig de verordeningen

van die naties om u heen

hebt gij gehandeld .”‘”

11:13 Nu gebeurde het als ik profeteerde,

dat Pelatiah zoon van Benaiah stierf.

Toen viel ik op mijn aangezicht

en schreeuwde het met een luide stem uit en zei:

“O wee,

Maryah Aloha!

Wilt Gij het overblijfsel van Israël tot een volkomen einde brengen?”

11:14 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot mij,

zeggende:

11:15 “Zoon van mensen,

uw broeders,

uw familieleden,

uw mede-ballingen

en het hele huis van Israël,

allen van hen,

zijn degenen tot wie de inwoners van Jeruzalem hebben gezegd,

‘Ga verre van Maryah;

dit land is ons gegeven geweest

als een bezitting.’

11:16 “Zeg daarom,

‘Zo zegt Maryah Aloha,”

Hoewel Ik ze verre weg

onder de naties had verwijderd

en hoewel Ik ze onder de landen had verstrooid,

toch was Ik een tijdje een heiligdom voor hen

in de landen waar zij waren gegaan.”‘

11:17 “Zeg daarom,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Ik zal u uit de volken vergaderen

en u bijeenvoegen uit de landen

waaronder gij verstrooid geweest zijt,

en Ik zal u het land van Israël geven.”‘

11:18 “Wanneer zij daarheen komen,

zullen zij al haar verfoeilijke dingen

en al haar gruwelen ervan verwijderen.

11:19 “En Ik zal hen één hart geven,

en een nieuwe geest in hen plaatsen.

En Ik zal het hart van steen uit hun vlees nemen

en hun een hart van vlees geven,

11:20 opdat zij in Mijn inzettingen mogen wandelen

en Mijn verordeningen bewaren en ze doen.

Dan zullen zij Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn.

11:21 “Maar wat betreft degenen

wiens harten hun verfoeilijke dingen en gruwelen achterna gaan,

hun gedrag zal Ik op hun hoofden neder-leggen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

11:22 Vervolgens,

de cherubs hieven hun vleugels op

met de raderen naast hen,

en de glorie van Aloha van Israël zweefde boven hun.

11:23 De glorie van Maryah steeg op vanuit het midden van de stad

en stond boven de berg

die ten oosten van de stad is.

11:24 En de Geest tilde mij op

en bracht mij in een visioen

door de Geest van Aloha

naar de ballingen in Chaldea.

Het visioen die ik gezien had,

verliet mij ook weer.

11:25 Vervolgens vertelde ik de ballingen al de dingen

die Maryah mij had getoond.

Ezekiel 12.

12:1 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot mij,

zeggende,

12:2 “Zoon van mensen,

gij leeft in het midden van het opstandig huis,

die ogen hebben om te zien maar niet kunnen zien,

oren om te horen maar niet kunnen horen;

daar zij een opstandig huis zijn.

12:3 “Daarom,

zoon van mensen,

bereid voor uzelf bagage tot ballingschap

en ga bij dag in ballingschap

voor hun aangezicht;

ga zelfs in ballingschap van uw plaats naar een andere plaats

voor hun aangezicht.

Misschien zullen zij het begrijpen

hoewel zij een opstandig huis zijn.

12:4 “Breng uw bagage naar buiten bij dag

in hun zicht,

als bagage voor ballingschap.

Dan zult gij uitgaan in de avond

in hun zicht,

zoals degenen die in ballingschap gaan.

12:5 “Graaf een gat door de muur in hun zicht

  en ga daar doorheen.

12:6 “Laad de bagage op uw schouder

in hun zicht

en draag het buiten in het donker.

Gij zult uw gezicht bedekken

zodat gij het land niet zien kunt,

want Ik heb u als een teken gesteld

voor het huis van Israël.”

12:7 Zo deed ik,

gelijk ik bevolen was geweest.

Bij dag bracht ik mijn bagage naar buiten

als de bagage van een balling.

Toen groef ik in de avond doorheen de muur

met mijn handen;

ik ging naar buiten in het donker

en droeg de bagage op mijn schouder

in hun zicht.

12:8 In de ochtend

kwam het woord van Maryah naar mij toe,

zeggende,

12:9 “Zoon van mensen,

heeft niet het huis van Israël,

het opstandige huis,

tot u gezegd,

‘Wat zijt gij aan het doen?’

12:10 “Zeg tegen hun,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Deze last betreft zowel de prins te Jeruzalem

alsmede het hele huis van Israël,

  die erin is.”‘

12:11 “Zeg,

‘Ik ben een teken voor u.

Zoals ik heb gedaan,

zo zal het worden gedaan aan hen;

ze zullen in ballingschap gaan,

in gevangenschap.’

12:12 “De prins die onder hen is

zal zijn bagage op zijn schouder laden in het donker

en naar buiten gaan.

Ze zullen een gat graven door de muur

om het naar buiten te brengen.

Hij zal zijn aangezicht bedekken

zodat hij het land niet met zijn ogen kan zien.

12:13 “Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden,

en hij zal in Mijn strik gevangen worden.

En Ik zal hem naar Babel brengen

in het land van de Kaldean;

toch zal hij het niet zien,

hoewel hij daar zal sterven.

12:14 “Ik zal allen die rondom hem zijn-

  zijn helpers en zijn troepen-

naar elke wind verstrooien;

  en Ik zal een zwaard uittrekken

achter hun aan.

12:15 “Zo zullen zij weten dat Ik Maryah ben

wanneer Ik hen onder de naties verstrooi

en hen onder de landen verspreid.

12:16 “Maar een weinig van hen zal Ik sparen van het zwaard,

(van) de hongersnood en de pestziekte,

zodat zij al hun gruweldaden kunnen vertellen

  onder de naties waar ze heengaan,

en zij mogen weten dat Ik Maryah ben.”

12:17 Verder,

het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

12:18 “Zoon van mensen,

eet uw brood met beven

en drinkt uw water met huivering en angst.

12:19 “Zeg vervolgens tegen het volk van het land,

  ‘Zo zegt Maryah Aloha

betreffende de inwoners van Jeruzalem

in het land van Israël,

  “Ze zullen hun brood met angst eten

en hun water met afgrijzen drinken,

omdat hun land zal worden ontdaan van haar volheid

vanwege het geweld van allen die daarin leven.

12:20 “De bewoonde steden zullen in puin worden gelegd

  en het land zal een verlatenheid zijn.

Zo zult gij weten dat Ik Maryah ben.”‘”

12:21 Toen kwam het woord van Maryah naar mij toe,

zeggende,

12:22 “Zoon van mensen,

wat is dit spreekwoord dat jullie mensen hebben

omtrent het land van Israël,

zeggende,

‘De dagen zijn lang

en elk gezicht faalt’?

12:23 “Zeg daarom tegen hen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Ik zal dit spreekwoord doen ophouden

  zodat ze het niet langer zullen gebruiken

als een spreekwoord in Israël.”

Maar vertel hen,

“De dagen trekken nabij

evenals de vervulling van elk gezicht.

12:24 “Want er zal geen één bedrieglijk gezicht

  of vleiende voorspelling meer zijn

in het huis van Israël.

12:25 “Want Ik Maryah zal spreken,

en welk woord Ik dan ook zal spreken

het zal worden uitgevoerd.

Het zal niet langer worden uitgesteld,

want in uw dagen,

O opstandig huis,

zal Ik het woord spreken en het uitvoeren,”

  maakt Maryah Aloha bekend.'”

12:26 Voorts,

kwam het woord van Maryah naar mij toe,

zeggende,

12:27 “Zoon van mensen,

zie,

het huis van Israël zegt,

‘Het gezicht dat hij ziet

is voor vele-komende-jaren,

en hij profeteert van tijden verre weg.’

12:28 “Zeg dus tegen hun,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Niet één van Mijn woorden

zal nog langer worden uitgesteld.

Welk woord Ik ook spreek het zal worden uitgevoerd,”‘”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 13.

13:1 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

13:2 “Zoon van mensen,

profeteer tegen de profeten van Israël die profeteren,

en zeg tegen degenen die profeteren vanuit hun eigen inspiratie,

‘Luistert naar het woord van Maryah!

13:3 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Wee aan die dwaze profeten

die hun eigen geest volgen

en niets hebben gezien.

13:4 “O Israël,

uw profeten zijn als vossen geweest

temidden van ruïnes.

13:5 “Gij zijt niet opgegaan in de bressen,

gij hebt de muur ook niet gebouwd

rondom het huis van Israël

  om in de strijd te staan

op de dag van Maryah.

13:6 “Zij zien valsheden en leugenachtige voorspelling die zeggen,

‘Maryah maakt bekend,’

wanneer Maryah hen niet gezonden heeft;

toch verwachten zij de vervulling van hun woord.

13:7 “Hebt gij niet een vals gezicht gezien

  en een leugenachtige voorspelling uitgesproken

toen gij hebt gezegd,

‘Maryah maakt bekend,’

maar Ik het niet ben

  die gesproken heb? “‘”‘

13:8 Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat gij valsheden hebt gesproken

en een leugen gezien,

daarom – zie,

ben Ik tegen u,”

maakt Maryah Aloha bekend.

13:9 “Zo zal Mijn hand tegen de profeten zijn

die valse gezichten zien

en leugenachtige voorspellingen uiten.

Ze zullen geen plaats hebben in de raad van Mijn volk,

noch zullen ze worden opgeschreven

in het register van het huis van Israël,

noch zullen zij het land van Israël ingaan,

  opdat gij moogt weten dat Ik Maryah Aloha ben.

13:10 “Het is absoluut omdat zij Mijn volk hebben misleid

door te zeggen,

“Vrede!’

Terwijl er geen vrede is.

  En wanneer men een muur bouwt,

zie,

zij bekladden die met witkalk:

13:11 dus vertel degenen die bekladden met witkalk,

dat hij zal vallen.

Een overstromende regen zal komen,

en gij,

O hagelstenen,

zult vallen;

en een heftige wind zal doorbreken.

13:12 “Zie,

wanneer de muur is gevallen,

zult gij niet worden gevraagd,

‘Waar is de bekladding waarmee gij hem hebt beklad?'”

13:13 Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

“Ik zal in Mijn gramschap een hevige wind doen uitbreken.

  Er zal ook in Mijn boosheid

een overstromende regen zijn

en hagelstenen

om hem in toorn te verteren.

13:14 “Dus zal Ik de muur afbreken

die gij hebt beklad met wit-kalk

en die naar beneden brengen op de grond,

zodat zijn fundament wordt blootgelegd;

en wanneer die valt,

zult gij worden verteerd in zijn midden.

En gij zult weten dat Ik Maryah ben.

13:15 “Zo zal Ik Mijn gramschap besteden aan de muur

  en aan degenen die hem hebben beklad met wit-kalk;

en Ik zal tegen u zeggen,

‘De muur is weg

en zijn bekladderaars zijn weg,

13:16 samen met de profeten van Israël

die profeteren tegen Jeruzalem;

en die gezichten van vrede voor haar zien

wanneer er geen vrede is,’

maakt Maryah Aloha bekend.

13:17 “Gij nu,

zoon van mensen,

richt uw aangezicht naar de dochters van uw volk

die profeteren vanuit hun eigen ingeving.

Profeteer tegen hen-

13:18 en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Wee de vrouwen die magische linten aan alle polsen naaien

  en sluiers maken voor de hoofden van personen van elk formaat

  om levens op te jagen!

  Wilt gij de levens van Mijn volk opjagen,

maar de levens van anderen behoeden voor uzelf?

13:19 “Voor handenvol gerst en stukjes brood,

hebt gij Mij ontheiligd voor Mijn volk

om sommigen ter dood te brengen die niet zouden moeten sterven

en om anderen in leven te houden die niet zouden moeten leven,

door uw liegen tegen Mijn volk

dat naar leugens luistert.”‘”

13:20 Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik ben tegen uw magische linten

  waarmee gij daar levens als vogels opjaagt

  en Ik zal ze van uw armen scheuren;

en Ik zal hen laten gaan,

zelfs deze levens die gij als vogels opjaagt.

13:21 “Ik zal ook uw sluiers afrukken

en Mijn volk verlossen uit uw handen,

en ze zullen niet langer in uw handen zijn om opgejaagd te worden;

en gij zult weten dat Ik Maryah ben.

13:22 “Omdat gij de rechtvaardige met de leugen hebt ontmoedigd

terwijl Ik hem geen verdriet deed,

maar gij de goddeloze niet hebt aangemoedigd

om zich van zijn kwade weg af te keren

en zijn leven te behouden,

13:23 daarom,

zullen uw vrouwen niet langer meer valse gezichten zien

of voorspelling beoefenen,

en Ik zal Mijn volk vanuit uw hand bevrijden.

Zo zult gij weten dat Ik Maryah ben.”

Ezekiel 14.

14:1 Vervolgens,

enkele oudsten van Israël kwamen naar mij toe

en gingen voor mij neerzitten.

14:2 En het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

14:3 “Zoon van mensen,

deze mannen hebben hun afgoden in hun harten opgericht

  en hebben het struikelblok van hun ongerechtigheid

recht voor hun aangezichten gelegd.

Moet Ik dan door hun helemaal niet geraadpleegt worden?

14:4 “Spreek daarom tegen hen en vertel hen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Elke man van het huis van Israël

die zijn afgoden in zijn hart opricht,

legt het struikelblok van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht,

en komt dan naar de profeet,

  Ik Maryah zal worden opgericht

om hem in deze zaak een antwoord te geven

met het oog op de veelheid van zijn afgoden,

14:5 ten einde de harten van het huis van Israël te grijpen

die door al hun afgoden

van Mij vervreemd zijn.”‘

14:6 “Zeg daarom tegen het huis van Israël,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Komt tot inkeer en draai weg van uw afgoden

en draai uw aangezichten weg van al uw gruweldaden.

14:7 “Want elkeen van het huis van Israël

  of van de immigranten die in Israël verblijven

  die zichzelf van Mij afscheid,

richt zijn afgoden in zijn hart op,

legt recht voor zijn aangezicht het struikelblok van zijn ongerechtigheid,

en komt dan naar de profeet

om van Mij voor zichzelf te vragen,

  Ik Maryah zal worden opgericht

  om hem te beantwoorden in Mijn eigen persoon.

14:8 “Ik zal Mijn aangezicht tegen die man stellen

en hem tot een teken en tot een spreekwoord maken,

en Ik zal hem afsnijden vanonder Mijn volk.

Zo zult gij weten dat Ik Maryah ben.

14:9 “Maar indien de profeet overweldigt wordt om een woord te spreken,

Ik ben het,

Maryah,

die deze profeet overweldigt heb,

  en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken

en hem vernietigen vanonder Mijn volk Israël.

14:10 “Zij zullen de bestraffing van hun ongerechtigheid dragen;

zoals de ongerechtigheid van de vrager is,

  zo zal de ongerechtigheid van de profeet zijn,

14:11 opdat het huis van Israël niet langer van Mij moge afdwalen

en zich niet langer verontreinigt

met al hun overtredingen.

  Zo zullen zij Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn,”‘

maakt Maryah Aloha bekend.”

14:12 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

14:13 “Zoon van mensen,

als een land tegen Mij zondigt door het plegen van ontrouw,

en Ik strek Mijn hand ertegen uit,

vernietig haar voorraad van brood

  en Ik zend er hongersnood tegen

  en snijd beide ervan af

mens en beest,

14:14 alhoewel zelfs deze drie mannen,

Noah,

Daniel en Job in haar midden waren,

door hun eigen gerechtigheid

konden zij slechts enkel en alleen zichzelf redden,”

  maakt Maryah Aloha bekend.

14:15 “Zo Ik wilde beesten

door het land zou doen passeren

en zij ontvolkten het,

en het werd verlaten

opdat niet één er doorheen zou gaan

  vanwege de beesten,

14:16 zelfs al waren deze drie mannen in haar midden,

zoals Ik leef,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“konden zij noch hun zonen noch hun dochters bevrijden.

Alleen zij zouden worden bevrijd,

maar het land zou verlaten zijn.

14:17 “Of zo Ik een zwaard over dat land zou brengen en zeggen,

  ‘Laat het zwaard door het land passeren

en mens en beest ervan afhouwen,’

14:18 alhoewel zelfs deze drie mannen in haar midden waren,

            zoals Ik leef,”

            maakt Maryah Aloha bekend,

            “konden zij noch hun zonen noch hun dochters bevrijden,

            maar alleen zij zouden worden bevrijd.

14:19 “Of als Ik een pestziekte tegen dat land zou zenden

en Mijn gramschap met bloed erop uitstorten

  om mens en beest ervan af te snijden,

14:20 alhoewel zelfs Noah,

Daniel en Job in haar midden waren,

zoals Ik leef,”

Maakt Maryah Aloha bekend,

“konden zij noch hun zoon of hun dochter bevrijden.

Zij zouden alleen zichzelf bevrijden door hun gerechtigheid.”

14:21 Want zo zegt Maryah Aloha,

“Hoeveel te meer

wanneer Ik Mijn vier zware oordelen tegen Jeruzalem zend:

zwaard,

hongersnood,

wilde beesten en pestziekte

om mens en beest ervan af te snijden!

14:22 “Nochtans,

zie,

overlevenden zullen daarin achterblijven

  die uitgebracht zullen worden

zowel zonen als dochters.

Zie,

zij gaan naar u toekomen

en gij zult hun gedrag en acties zien;

vervolgens zult gij worden getroost

voor het onheil die Ik tegen Jeruzalem heb gebracht

voor elk ding die Ik op haar heb gebracht.

14:23 “Vervolgens zullen ze u troosten

wanneer gij hun gedrag en acties ziet,

want gij zult weten

dat Ik alles wat Ik aan haar heb gedaan

niet tevergeefs heb gedaan,”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 15.

15:1 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

15:2 “Zoon van mensen,

hoe is het hout van de wijnstok beter-

dan een hout van een tak die opgegroeid is tussen de bomen van het bos?

15:3 “Kan er hout van worden genomen om iets te maken,

of kunnen mannen er een pin van nemen

om er een vat aan op te hangen?

15:4 “Wanneer het in het vuur is gestoken als brandstof,

en het vuur heeft beide uiteinden ervan verteerd

en het middendeel ervan is verkoold,

is het dan voor iets bruikbaar?

15:5 “Zie,

terwijl het intact is,

is het niet tot iets gemaakt.

  Hoeveel te min,

wanneer het vuur het heeft verteerd

en het is verkoold,

kan het dan nog tot iets gemaakt worden!

15:6 “Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

‘Zoals het hout van de wijnstok tussen de bomen van het bos,

die Ik aan het vuur als brandstof heb gegeven,

zo heb Ik de inwoners van Jeruzalem overgegeven;

15:7 en Ik stelde Mijn aangezicht tegen hen.

Hoewel zij vanuit het vuur zijn gekomen,

toch zal het vuur hen verteren.

Dan zult gij weten dat Ik Maryah ben,

wanneer Ik mijn aangezicht tegen hen heb gesteld.

15:8 ‘Zo zal Ik het land verlaten maken,

omdat zij ontrouw gehandeld hebben,'”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 16.

16:1 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

16:2 “Zoon van mensen,

maak aan Jeruzalem haar gruweldaden bekend-

16:3 en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha tegen Jeruzalem,

“Uit het land van de Kanaänieten

is uw oorsprong en uw geboorte,

de Amoriet was uw vader,

en de Hettitische was uw moeder.

16:4 “Wat uw geboorte betreft,

op de dag dat gij waart geboren was uw navelstreng niet geknipt,

noch waart gij gewassen met water om te reinigen;

met zout waart gij niet ingewreven

zelfs niet in doeken gewikkeld.

16:5 “Geen oog keek met medelijden op u

om één van deze dingen voor u te doen,

om mededogen met u te hebben.

Eerder werd gij in het open veld weggeworpen,

want gij werd verafschuwd op de dag dat gij geboren werd.

16:6 “Wanneer ik langs u heen ging

en u zag kronkelen in uw bloed,

zei Ik tegen u terwijl gij in uw bloed waart,

‘Leef!’

ja,

Ik zei tegen u terwijl gij in uw bloed waart,

‘Leef!’

16:7 “Ik maakte u talrijk gelijk de planten van het veld.

Vervolgens groeide je op,

werd groot

en bereikte de leeftijd voor fijne sieraden;

uw borsten werden gevormd

  en uw haar was gegroeid.

Nochtans waart gij naakt en bloot.

16:8 “Vervolgens

Ik ging langs u heen en zag u,

  en zie,

gij waart op dat moment voor de liefde;

dus spreidde Ik Mijn rok over u uit

en bedekte uw naaktheid.

Ik zwoer ook tot u

  en ging een verbond met u aan

  zodat gij de Mijne werd,”

maakt Maryah Aloha bekend.

16:9 “Vervolgens,

Ik baadde u met water,

waste uw bloed van u af

en zalfde u met olie.

16:10 “Ik kleedde u ook met geborduurde doek

  en deed sandalen van robbenhuid aan uw voeten;

en Ik omwikkelde u met fijn linnen

en bedekte u met zijde.

16:11 “Ik versierde u met versiersels,

deed armbanden om uw handen

en een halssnoer om uw nek.

16:12 “Ik deed ook een ring in uw neusvleugel,

oorringen in uw oren

en een schone kroon op uw hoofd.

16:13 “Zo waart gij versierd met goud en en zilver;

en uw kleed was van fijn linnen,

zijde en geborduurde doek.

Gij at fijne bloem,

honing en olie;

zo waart gij buitengewoon schoon

en tot koningschap gevorderd.

16:14 Vervolgens,

uw faam ging uit onder de naties

vanwege uw schoonheid,

want die was volmaakt vanwege Mijn luister

die ik aan u heb geschonken,”

maakt Maryah Aloha bekend.

16:15 “Maar gij vertrouwde op uw schoonheid

en speelde de hoer vanwege uw faam,

en gij stortte uw hoererijen uit

op elke voorbijganger

die bereidwillig was.

16:16 “Je nam een aantal van uw klederen,

maakte voor uzelf hoge plaatsen van verschillende kleuren

en speelde de hoer op hen,

wat nooit tot stand zou mogen komen

nog plaatsvinden.

16:17 “Gij hebt ook uw schone juwelen genomen

gemaakt van Mijn goud en van Mijn zilver,

die Ik u gegeven had,

en maakte voor uzelf mannelijke beelden

opdat gij met hen de hoer zou kunnen spelen.

16:18 “Vervolgens,

je nam uw geborduurde doek en bedekte hen,

en bood voor hun Mijn olie en Mijn wierook aan.

16:19 “Ook Mijn brood dat Ik u gaf,

fijne bloem,

olie en honing waarmee Ik u voedde,

zou je voor hen aanbieden tot een rustgevend aroma;

zo gebeurde het,”

maakt Maryah Aloha bekend.

16:20 “Verder nam je uw zonen en dochters

die gij voor Mij gebaard had

  en offerde hen aan afgoden om te worden verslonden .

Waren uw hoererijen zo’n kleinigheid?

16:21 “Gij maakte Mijn kinderen af

en bood hen tot afgoden aan

  door hen doorheen het vuur te laten gaan.

16:22 “Naast al uw gruweldaden en hoererijen

herinnerde gij u de dagen van uw jeugd niet,

wanneer gij naakt-

en bloot-

  en kronkelend waart in uw bloed.

16:23 “Vervolgens,

het gebeurde na al uw zondigheid

-‘Wee, wee aan u!’

maakt Maryah Aloha bekend-,

16:24 dat gij u zelf een schrijn hebt gebouwd

en u zelf een hoge plaats hebt gemaakt op elk plein.

16:25 “Gij bouwde u zelf een hoge plaats

aan de top van elke straat

en maakte uw schoonheid weerzinwekkend,

en gij spreidde uw benen voor elke passant-

om uw hoererij te vermenigvuldigen.

16:26 “Gij speelde ook de hoer met de Egyptenaren,

uw wellustige buren,

en vermenigvuldigde uw hoererij om Mij boos te maken.

16:27 “Zie nu!

Ik heb Mijn hand tegen u uitgestrekt

  en verminderde uw rantsoenen.

  en Ik gaf u over aan de begeerte van hen die u haten,

de dochters van de Filistijnen,

die zich voor uw ontuchtig gedrag schamen.

16:28 “Verder,

omdat gij niet voldaan waart-

speelde je ook de hoer met de Assyriërs;

je speelde de hoer met hen-

en nog steeds waart gij niet voldaan.

16:29 “Gij vermenigvuldigde ook uw hoererij met het land van kooplieden,

Chaldea,

maar zelfs hiermee waart gij niet voldaan.”‘”

16:30 “Hoe smachtend is uw hart,”

maakt Maryah Aloha bekend,

  “ziend dat gij al deze dingen doet,

de daden van een brutaal ogende hoer.

16:31 “Wanneer gij uw schrijn bouwde

aan het begin van elke straat

  en uw hoge plaatsen maakte op elk plein,

in het minachten van geld,

waart gij niet als een hoer.

16:32 “Gij overspelige vrouw,

  die vreemden neemt in-plaats-van haar man!

16:33 “Mannen geven geschenken aan alle hoeren,

maar gij geeft uw geschenken aan al uw geliefden

  om ze om te kopen om naar u toe te komen vanuit elke richting

voor uw hoererijen.

16:34 “Zo zijt gij verschillend van die vrouwen in uw hoererijen,

in dat niet één de hoer speelt zoals gij doet,

omdat gij geld geeft

en aan u geen geld is gegeven;

daarom zijt gij verschillend.”

16:35 Daarom,

O hoer,

hoort het woord van Maryah.

16:36 Zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat uw wellust werd uitgestort-

  en uw naaktheid blootgelegd-

door uw hoererijen met uw geliefden-

en met al uw verfoeilijke afgoden,

en vanwege het bloed van uw zonen-

dat gij aan die afgoden gaf,

16:37 daarom,

zie,

al uw geliefden zal Ik verzamelen

met wie gij plezier hebt gemaakt,

zelfs al degenen van wie gij hebt gehouden

en al degenen die gij hebt gehaat.

Zo zal Ik ze tegen u verzamelen vanuit elke richting

en uw naaktheid voor hun ontbloten

  dat zij al uw naaktheid mogen zien.

16:38 “Daarom zal Ik u oordelen-

zoals vrouwen geoordeeld worden

die overspel plegen en bloed vergieten;

en Ik zal het bloed der gramschap en ontsteltenis over u brengen.

16:39 “En Ik zal u ook in de handen van uw geliefden geven,

en zij zullen uw schrijnen afbreken,

uw hoge plaatsen vernietigen,

u van uw kleding ontdoen,

uw juwelen wegnemen,

en zullen u naakt en bloot achterlaten.

16:40 “Zij zullen een menigte tegen u ophitsen

en die zullen u stenigen

en u aan stukken snijden

met hun zwaarden.

16:41 “Zij zullen uw huizen met vuur verbranden

  en oordelen over u uitvoeren

voor de ogen van vele vrouwen.

Dan zal Ik u ervan weerhouden om de hoer te spelen,

en gij zult ook niet langer uw geliefden betalen.

16:42 “Dus zal Ik Mijn woede tegen u kalmeren

en Mijn ontsteltenis zal van u wijken,

en Ik zal gerust gesteld zijn

en niet meer boos wezen.

16:43 “Omdat gij de dagen van uw jeugd niet hebt herinnerd

maar Mij woedend hebt gemaakt hebt

door al deze dingen,

zie,

daarom zal Ik uw gedrag op uw eigen hoofd neer-brengen,”

maakt Maryah Aloha bekend,

  “Zodat gij bovenop al uw andere gruweldaden

deze ontuchtigheid niet zult begaan.

16:44 “Zie,

een ieder die spreekwoorden citeert

zal dit spreekwoord over u citeren,

zeggende,

‘Zo moeder,

zo dochter.’

16:45 “Gij zijt de dochter van uw moeder,

die haar man en kinderen verafschuwde.

Gij zijt ook de zuster van uw zusters,

die hun mannen en hun kinderen verafschuwden.

Uw moeder was een Hettitische

en uw vader een Amoriet.

16:46 “Uw oudere zuster nu is Samaria,

die ten noorden van u woont met haar dochters;

en uw jongere zuster,

die ten zuiden van u woont,

is Sodom met haar dochters.

16:47 “Maar gij hebt niet alleen maar op hun wegen gewandeld

  en gedaan naar hun gruweldaden;

maar,

alsof dat (zelfs) te weinig was,

gij handelde nog verderfelijker dan zij

in al uw gedragingen .

16:48 “Zo-als Ik leef,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“Sodom,

uw zuster en haar dochters

hebben niet gedaan

zoals gij en uw dochters hebben gedaan.

16:49 “Zie,

de misdaad van uw zuster Sodom was deze:

zij en haar dochters hadden arrogantie,

rijkelijk voedsel en achteloos gemak,

maar zij hielp de armen en behoeftigen niet.

16:50 “Dus waren zij hooghartig

en pleegden gruweldaden voor Mij.

Daarom haalde Ik hen weg toen Ik dat zag.

16:51 “Bovendien,

  Samaria heeft zelfs niet de helft van uw zonden gepleegd,

  want gij hebt uw gruweldaden meer vermenigvuldigd dan zij.

Zo hebt gij uw zusters verschijnen rechtvaardig gemaakt

door al uw gruweldaden

welke gij hebt gepleegd.

16:52 “Draag ook uw schandvlek

omdat gij een gunstig oordeel hebt gemaakt voor uw zusters.

Vanwege uw zonden

in welke gij afschuwelijker hebt gedragen dan zij,

zijn zij meer in het recht dan gij (zijt).

Ja,

wees tevens beschaamd

en draag uw schandvlek,

  omdat gij uw zusters verschijnen rechtvaardig maakte.

16:53 “Desondanks,

Ik zal hun gevangenschap,

de gevangenschap van Sodom en haar dochters,

de gevangenschap van Samaria en haar dochters,

en samen met hen uw eigen gevangenschap terugdraaien,

16:54 opdat gij uw vernedering moogt verdragen

  en u beschaamd voelt

om alles wat gij hebt gedaan

wanneer gij een vertroosting voor hen wordt.

16:55 “Uw zusters,

Sodom met haar dochters en Samaria met haar dochters,

zullen terugkeren naar hun voormalige toestand,

en gij met uw dochters

zult ook naar uw voormalige toestand terugkeren.

16:56 “Want de naam van uw zuster Sodom

werd van uw lippen niet gehoord

  op uw dag van hoogmoed,

16:57 voordat uw goddeloosheid werdt ontdekt,

  zo zijt ge nu het verwijt geworden van de dochters van Aram

en van allen die rondom haar zijn,

van de dochters van de Filistijnen-

zij die u omringen die minachten u.

16:58 “Gij hebt de straf van uw ontuchtigheid en gruweldaden gedragen”

maakt Maryah Aloha bekend.

16:59 Want zo zegt Maryah Aloha,

“Ik zal ook met u doen zoals gij gedaan hebt,

gij die de eed hebt veracht

  door het verbond te verbreken.

16:60 “Desondanks,

  Ik zal Mijn verbond met u herinneren

  in de dagen van uw jeugdigheid,

en ik zal een eeuwigdurend verbond met u oprichten.

16:61 “Vervolgens,

zult gij uw wegen gedenken

  en beschaamd zijn wanneer gij uw zusters ontvangt,

  uw oudere en uw jongere beide;

  en Ik zal ze aan u als dochters geven,

maar niet vanwege uw verbond

16:62 “Zo zal Ik Mijn verbond met u oprichten,

en gij zult weten dat Ik Maryah ben,

16:63 opdat gij moogt herinneren

en beschaamd zijn

en nooit meer uw mond openen

  vanwege uw vernedering,

wanneer Ik u vergeven heb

voor alles dat gij gedaan hebt,”

Maryah Aloha maakte bekend.

Ezekiel 17.

17:1 Het woord van Maryah kwam nu naar mij toe,

zeggende,

17:2 “Zoon van mensen,

leg een raadsel voor

en spreek een gelijkenis uit

aan het huis van Israël,

17:3 zeggende,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Een grote arend met grote vleugels,

lange slagpennen

en een vol verenkleed van vele kleuren

kwam tot op de Libanon

en nam de top weg van een ceder.

17:4 “Hij plukte de toppen van zijn jonge twijgen af

en bracht het naar een land van kooplieden;

hij plaatste het in een stad van handelaars.”

17:5 “Hij nam ook een beetje van het zaad van het land

en plantte het in vruchtbare bodem.

Hij plaatste het bij overvloedige wateren;

als een wilg plaatste hij het.

17:6 “Toen ontsproot het

en werd een uitgespreide wijnstok laag van gestalte,

met zijn ranken naar hem toegekeerd,

maar zijn wortels bleven onder hem.

Zo werd hij een wijnstok

die scheuten voortbracht

en ranken uitzond.

17:7 “Maar er was nog een grote arend

met grote vleugels en veel gevederte;

en zie,

deze wijnstok boog zijn wortels naar hem toe

  en zond zijn ranken naar hem

vanuit de bedding waar hij was geplant,

opdat hij hem zou bevochtigen.

17:8 “Hij was geplant in goede bodem

bij overvloedige wateren,

opdat hij ranken zou voortbrengen

en vrucht zou dragen

en een prachtige wijnstok zou worden.”‘

17:9 Zeg dan,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zal hij gedijen?

Zal hij zijn wortels niet omhoog trekken

en zijn vrucht afbreken,

zodat hij verdort-

zodat al zijn ontluikende bladeren verdorren?

En noch door grote kracht

noch door vele mensen

kan hij nogmaals worden opgericht

van zijn wortels af.

17:10 “Ziet u,

hoewel hij geplant is,

zal hij gedijen?

zal hij niet helemaal verdorren

zodra de oostenwind hem treft-

verdorren op de bedding waar hij groeide?”‘”

17:11 Voorts,

kwam het woord van Maryah naar mij toe,

zeggende,

17:12 “Zeg nu tegen het opstandige huis,

‘Weet gij niet wat deze dingen betekenen?’

Zeg hen,

‘Zie,

de koning van Babel kwam naar Jeruzalem,

nam haar koning en haar prinsen

en bracht ze naar hem toe-

naar Babel.

17:13 ‘hij nam er één van de koninklijke familie

en sloot een verbond met hem,

en plaatste hem onder een eed.

  Hij nam ook de machtigen van het land weg,

17:14 opdat het koninkrijk in onderwerping zou zijn,

(opdat het) zichzelf niet zou verheffen,

maar zijn verbond nakomen

opdat het zou standhouden.

17:15 ‘Maar hij kwam in opstand tegen hem

door zijn gezanten naar Egypte te sturen

opdat zij hem paarden en vele troepen zouden geven.

  Zal hij slagen?

Zal hij die zulke dingen doet ontsnappen?

Kan hij werkelijk het verbond verbreken en toch ontsnappen?

17:16 ‘Zo als Ik leef,’

maakt Maryah Aloha bekend,

‘In het land van de koning die hem tot koning maakte,

wiens eed hij verachte en wiens verbond hij verbrak,

(daar) bij hem in Babel zal hij zeker sterven.

17:17 ‘Farao met zijn machtige leger en zijn groot gezelschap

zal hem in de strijd niet te hulp komen,

wanneer zij hun hellingen opwerpen

en hun belegeringsmuren bouwen

  om veel levens af te snijden.

17:18 ‘Hij verachtte nu de eed

door het verbond te verbreken,

en zie,

hij beloofde zijn loyaliteit,

maar deed al deze dingen;

hij zal niet ontsnappen.'”

17:19 Daarom dus zegt Maryah Aloha,

“Zo als Ik leef,

waarlijk Mijn eed die hij verachtte

en Mijn verbond dat hij verbrak,

Ik zal het op zijn kop brengen.

17:20 “Ik zal Mijn net over hem uitspreiden,

en hij zal gevangen worden in Mijn strik.

Vervolgens zal Ik hem naar Babel brengen

en daar met hem in het gericht treden

betreffende de ontrouwe daad

die hij tegen Mij heeft begaan.

17:21 “Al de uitverkoren mannen in al zijn troepen

zullen door het zwaard vallen,

  en de overlevenden zullen naar alle winden worden verspreid;

en gij zult weten dat Ik,

Maryah,

gesproken heb.”

17:22 Zo zegt Maryah Aloha,

  “Ook Ik zal een twijgje nemen

van de verheven top van de ceder

en het uitzetten;

  Ik zal van de bovenste van zijn jonge twijgjes een tedere afplukken

  en Ik zal het op een hoge en verheven berg planten.

17:23 “Op de berg van de hoogte van Israël zal ik het planten,

opdat het takken mag voortbrengen

en vrucht dragen

en een statige ceder worden.

En vogels van alle soort zullen onder hem nestelen;

zij zullen nestelen in de schaduw van zijn takken .

17:24 “Al de bomen van het veld zullen weten dat Ik Maryah ben;

Ik breng de hoge boom naar beneden,

verhef de lage boom,

droog de groene boom op

en doe de droge boom bloeien.

Ik ben Maryah;

Ik heb gesproken,

en Ik zal het uitvoeren.”

Ezekiel 18.

18:1 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

18:2 “Wat bedoelt gij

door dit spreekwoord te gebruiken

betreffende het land Israël ,

zeggende,

‘De vaders eten de zure druiven,

maar de tanden van de kinderen zijn geïrriteerd’?

18:3 “Zo als Ik leef,”

maakt Maryah bekend,

“Zult gij dit spreekwoord in Israël beslist niet meer gebruiken.

18:4 “Zie,

alle zielen zijn de Mijne;

zowel de ziel van de vader als de ziel van de zoon is de Mijne.

De ziel die zondigt zal sterven.

18:5 “Maar als een man rechtvaardig is

en rechtvaardigheid en gerechtigheid in de praktijk brengt,

18:6 en bij de berg-schrijnen niet eet

evenmin zijn ogen naar de afgoden van het huis van Israël optilt ,

ook de vrouw van zijn buurman niet verontreinigt

noch een vrouw tijdens haar menstruatieperiode benadert-

18:7 als een man niet iemand verdrukt,

maar aan de schuldenaar zijn belofte herstelt,

geen diefstal pleegt,

maar zijn brood aan de hongerige geeft

en de naakte met kleding bedekt,

18:8 als hij geen geld op rente uitleent of vermeerdering neemt;

  als hij zijn hand voor ongerechtigheid behoedt

  en ware gerechtigheid tussen man en man uitvoert,

18:9 als hij in Mijn inzettingen

en Mijn verordeningen wandelt

om dus terwijl getrouwelijk te handelen-

is hij rechtvaardig en zal zeker leven,”

maakt Maryah Aloha bekend.

18:10 “Vervolgens kan hij een gewelddadige zoon hebben

die bloed vergiet

en die een van deze dingen aan een broeder doet

18:11 (alhoewel hij zelf geen van deze dingen deed),

dat wil zeggen,

hij eet zelfs bij de berg-schrijnen,

en verontreinigt zijn buurman’s vrouw,

18:12 verdrukt de armen en behoeftigen,

pleegt diefstal,

herstelt geen gelofte,

maar tilt zijn ogen op naar de afgoden

en pleegt gruweldaden,

18:13 hij leent geld uit op rente en neemt vermeerdering;

zal hij leven?

Hij zal niet leven!

Hij heeft al deze gruweldaden gepleegd,

hij zal zeker ter dood worden gebracht;

zijn bloed zal op zijn eigen hoofd zijn.

18:14 “Zie,

heeft hij nu een zoon-

die al de zonden van zijn vader

(welke hij pleegde) heeft opgemerkt

maar opmerkende niet hetzelfde doet.

18:15 “Hij eet niet bij de berg-schrijnen

of tilt zijn ogen niet op naar de afgoden van het huis van Israël,

of verontreinigt zijn buurman’s vrouw niet,

18:16 of verdrukt niet iemand,

of houdt geen belofte in,

of pleegt geen diefstal,

maar hij geeft zijn brood aan de hongerigen

en bedekt de naakte met kleding,

18:17 hij houdt zijn hand van de armen af,

neemt geen rente noch vermeerdering,

maar voert Mijn verordeningen uit,

en wandelt in Mijn inzettingen;

hij zal niet sterven vanwege zijn vader’s ongerechtigheid,

hij zal zeker leven.

18:18 “Wat zijn vader betreft,

omdat hij afpersing praktiseerde,

zijn broeder beroofde

en deed wat niet goed was onder zijn volk,

zie,

hij zal vanwege zijn ongerechtigheid sterven!

18:19 Toch zegt gij,

‘Waarom zou de zoon

de straf voor de ongerechtigheid van de vader niet dragen?’

Als de zoon

het recht en de gerechtigheid heeft beoefent

  en al Mijn inzettingen in acht heeft genomen

en hen heeft gedaan,

zal hij zeker leven.

18:20 “De persoon die zondigt zal sterven.

De zoon zal de straf niet dragen

voor de ongerechtigheid van de vader ,

ook zal de vader de straf niet dragen

voor de ongerechtigheid van de zoon;

de gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hem zelf zijn,

en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hem zelf zijn.

18:21 “Maar indien de goddeloze mens afkeert van al zijn zonden

welke hij heeft gepleegd

en al Mijn inzettingen observeert

en recht en gerechtigheid beoefent,

  zonder twijfel;

hij zal leven;

hij zal niet sterven.

18:22 “Geen van zijn overtredingen die hij heeft gepleegd

zullen tegen hem worden herinnerd;

vanwege zijn gerechtigheid

die hij heeft beoefend

zal hij leven.

18:23 “Heb Ik enig welbehagen in de dood van de goddelozen,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“En niet eerder dat hij van zijn wegen zou afkeren-

en leven?

18:24 “Maar wanneer een rechtvaardig mens van zijn gerechtigheid afkeert,

ongerechtigheid pleegt

en doet volgens alle gruweldaden die een goddeloze mens doet,

zal hij leven?

Geen van zijn rechtvaardige daden

die hij heeft gedaan

zal worden herinnerd vanwege zijn verraad

dat hij heeft gepleegd

en zijn zonde die hij heeft begaan;

vanwege haar zal hij sterven.

18:25 “Toch zegt gij,

‘De weg van Maryah is niet correct.’

Hoort nu,

O huis van Israël!

Is Mijn weg niet correct?

Zijn het niet eerder uw wegen die niet correct zijn?

18:26 “Wanneer een rechtvaardig mens afkeert van zijn gerechtigheid,

ongerechtigheid pleegt en daarom sterft,

vanwege zijn ongerechtigheid die hij pleegde zal hij sterven.

18:27 “En nogmaals,

Wanneer een zondig mens zich afkeert van zijn zondigheid

  welke hij pleegde

en recht en gerechtigheid beoefent,

hij zal zijn leven redden.

18:28 “Omdat hij overwoog

en afkeerde van al zijn overtredingen

die hij had begaan,

zal hij zeker leven;

hij zal niet sterven.

18:29 “Maar het huis van Israël zegt,

‘De weg van Maryah is niet correct.’

Zijn Mijn wegen niet correct,

O huis van Israël?

Zijn het niet uw wegen die niet correct zijn?

18:30 “Daarom zal Ik u oordelen,

O huis van Israël,

ieder volgens zijn gedrag,”

maakt Maryah Aloha bekend.

“Heb berouw en keert u af van al uw overtredingen,

zo dat ongerechtigheid geen struikelblok voor u zal worden.

18:31 “Werpt al uw overtredingen van u weg

die gij hebt gepleegd

en maakt uzelf een nieuw hart

en een nieuwe geest!

Want waarom zou je willen sterven,

O huis van Israël?

18:32 “Want Ik heb geen welbehagen in de dood van iemand die sterft,”

maakt Maryah Aloha bekend.

“Dat is de reden waarom,

kom tot inkeer en leef.”

Ezekiel 19.

19:1 “Wat u betreft,

  voor de prinsen van Israël

brengt een klaaggezang op

19:2 en zeg,

‘Wat was uw moeder?

Een leeuwin onder leeuwen!

Ze lag neer tussen jonge leeuwen,

Ze bracht haar welpen groot.

19:3 ‘Toen zij één van haar welpen grootbracht,

Werdt hij een leeuw,

En hij leerde zijn prooi te verscheuren;

Hij verslond mensen.

19:4 ‘Vervolgens hoorden de naties over hem;

Hij werd in hun kuil gevangen genomen,

En zij brachten hem met haken

Naar het land van Egypte.

19:5 ‘Toen ze zag,

(terwijl ze afwachtte),

Dat haar hoop verloren was,

Nam zij nog één van haar welpen

En maakte hem een jonge leeuw.

19:6 ‘En hij liep rond tussen de leeuwen;

Hij werd een jonge leeuw,

Hij leerde zijn prooi te verscheuren;

Hij verslond mensen.

19:7 ‘Hij vernietigde hun versterkte torens

En legde hun steden in puin;

En het land en haar volheid waren ontzet

Vanwege het geluid van zijn gebrul.

19:8 ‘Toen gingen de naties op weg tegen hem

Van alle kanten uit hun provincies,

En ze spreidden hun net over hem uit,

Hij werd in hun kuil gevangen genomen.

19:9 ‘Ze stopten hem met haken in een kooi

En brachten hem naar de koning van Babel;

Ze brachten hem in jachtnetten

Zo dat zijn stem niet meer gehoord zou worden

Op de bergen van Israël.

19:10 ‘Uw moeder was als een wijnstok in uw wijngaard,

Geplant bij wateren;

Ze was vruchtbaar en vol van ranken

Vanwege overvloedige wateren.

19:11 ‘En zij had sterke ranken

geschikt voor scepters van heersers,

En haar hoogte was boven de wolken verheven

Zo dat ze werd gezien in haar hoogte

met de massa van haar ranken.

19:12 ‘Maar zij werd in razernij uitgetrokken;

zij werd op de grond neder geworpen;

En de oostenwind droogde haar vrucht op.

Haar sterke rank werd afgescheurd

Zodat het verdorde

  Het vuur verteerde haar.

19:13 ‘En nu is ze geplant in de woestijn,

in een droog en dorstig land.

19:14 ‘En vuur is van haar rank uitgegaan;

  het heeft haar scheuten en vrucht verteerd,

  Zo dat er in haar geen sterke rank is,

(Om) Een scepter (te zijn) om te heersen.'”

Dit is een weeklacht,

en is een weeklacht geworden.

Ezekiel 20.

20:1 In het zevende jaar nu,

in de vijfde maand,

op de tiende van de maand,

sommigen van de oudsten van Israël

kwamen om te vragen van Maryah,

en (zij) zaten voor mij.

20:2 En het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

20:3 “Zoon van mensen,

spreek tegen de oudsten van Israël en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Komt gij om te vragen van Mij?

Zoals Ik leef,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“Zal Ik niet worden bevraagd door u.”‘

20:4 “Zult gij hen rechtspreken,

zult gij hen rechtspreken,

zoon van mensen?

Maak hen de gruweldaden van hun vaders bekend;

20:5 en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Op de dag waarop Ik Israël verkoos

  en zwoer aan de nakomelingen van het huis van Jakob

  en Mij bekend maakte aan hun

in het land van Egypte,

toen zwoer Ik aan hen,

zeggende,

Ik ben Maryah uw Aloha,

20:6 op die dag heb Ik aan hun gezworen,

om hen vanuit het land van Egypte te brengen

in een land dat Ik voor hen had uitgekozen,

vloeiend van melk en honing,

welke de glorie is

van alle landen.

20:7 “Ik zei tegen hen,

‘Werp weg,

  eenieder van u,

de verfoeilijke dingen van zijn ogen,

en verontreinig uzelf niet met de afgoden van Egypte;

IK BEN MARYAH

uw ALOHA.’

20:8 “Maar zij rebelleerden tegen Mij

en waren niet bereid om naar Mij te luisteren;

zij wierpen de verfoeilijke dingen van hun ogen niet weg,

noch verzaakten zij de afgoden van Egypte.

Toen besloot Ik om Mijn gramschap over hen uit te storten,

om Mijn toorn tegen hun te volbrengen

in het midden van het land van Egypte.

20:9 “Maar Ik handelde omwille van Mijn naam,

opdat hij niet ontheiligd zou worden in het zicht van de naties

  onder wie zij leefden,

in wiens zicht Ik Mijzelf aan hen bekend maakte

door ze uit het land van Egypte te brengen.

20:10 “Dus haalde Ik ze uit het land van Egypte

en bracht hen in de woestijn.

20:11 “Ik gaf hun Mijn inzettingen

  en informeerde hen over Mijn verordeningen,

door welke,

indien een mens ze observeert,

hij leven zal.

20:12 “Ook gaf Ik hen Mijn sabbatten

om een teken te zijn tussen Mij en hen,

opdat zij zouden weten

dat IK BEN

MARYAH ALOHA

die heiligt

20:13 “Maar het huis van Israël rebelleerde tegen Mij in de woestijn.

  Zij wandelden niet in Mijn inzettingen

en zij verwierpen Mijn verordeningen,

door welke,

indien een mens ze observeert,

hij leven zal;

en Mijn sabbatten ontheiligden zij zeer.

  Toen besloot Ik om Mijn gramschap over hun uit te storten in de woestijn,

om hen te vernietigen.

20:14 “Maar Ik handelde omwille van Mijn naam,

opdat hij niet ontheiligd zou worden voor het aanblik van de naties,

voor wiens aanblik Ik hen uitgebracht had.

20:15 “Ook heb Ik aan hen gezworen in de woestijn

dat Ik hen niet in het land brengen zou

welk Ik hen had gegeven,

vloeiend van melk en honing,

  welke de glorie is

van alle landen,

20:16 omdat zij Mijn verordeningen verwierpen,

en wat Mijn inzettingen betreft,

zij wandelden niet in hen;

zij ontheiligden zelfs Mijn Sabbatten,

want hun hart ging voortdurend hun afgoden achterna.

20:17 “Nochtans Mijn oog heeft hun eerder gespaard

dan ze te vernietigen,

en Ik heb hun vernietiging niet veroorzaakt in de woestijn.

20:18 “Ik zei tegen hun kinderen in de woestijn,

‘Wandelt niet in de inzettingen van uw vaders

bewaar hun verordeningen niet

en verontreinigt u ook niet met hun afgoden.

20:19 ‘IK BEN MARYAH uw ALOHA;

wandelt in Mijn inzettingen

en bewaar Mijn verordeningen

en handel volgens hen!

20:20 ‘Heiligt Mijn sabbatten;

en zij zullen een teken zijn tussen Mij en u,

opdat gij moogt weten

dat IK BEN

MARYAH

uw ALOHA.’

20:21 “Maar die kinderen rebelleerden tegen Mij;

zij wandelden niet in Mijn inzettingen,

ook waren zij niet zorgvuldig om Mijn verordeningen te bewaren,

door welke;

indien een mens ze observeert,

hij leven zal;

zij ontheiligden Mijn sabbatten.

Dus besloot Ik Mijn gramschap over hun uit te storten,

om Mijn toorn tegen hun te volbrengen in de woestijn.

20:22 “Maar Ik trok Mijn hand terug

en handelde omwille van Mijn naam,

opdat hij niet ontheiligd moet worden voor de ogen van de naties

voor wiens aanblik Ik hen uitgebracht had.

20:23 “Ook zwoer Ik aan hun in de woestijn

dat Ik hen zou verspreiden onder de naties

en hen verstrooien in de landen,

20:24 omdat ze Mijn verordeningen niet hadden nageleefd,

maar Mijn inzettingen hadden verworpen

en Mijn sabbatten hadden ontheiligd,

en hun ogen waren (gericht) op de afgoden van hun vaders.

20:25 “Ik gaf hen ook inzettingen die niet goed waren

en verordeningen door welke zij niet leven konden;

20:26 en Ik sprak hen onrein uit vanwege hun giften,

omdat zij ervoor zorgden dat al hun eerstgeborenen

door het vuur gingen

zodat Ik hen tot een verlaten plek zou maken,

opdat zij zouden weten

dat IK BEN

MARYAH.”‘

20:27 “Daarom,

zoon van mensen,

spreek tegen het huis van Israël

en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Toch, hierin hebben uw vaders Mij gelasterd

door trouweloos tegen Mij te handelen.

20:28 “Wanneer Ik hen in het land had gebracht

dat Ik hun gezworen had te geven,

  toen zagen zij elke hoge heuvel en elke lommerijke boom,

en zij offerden daar hun offers

en daar boden zij de terging van hun offeranden aan.

  Daar ook maakten zij hun rustgevende aroma

  en daar goten zij hun drankoffers uit.

20:29 “Toen zei Ik tegen hen,

‘ Wat is die hoge plaats waar gij heengaat?’

Bamah-

zo is haar naam genoemd-

tot op deze dag.”‘

20:30 “Daarom,

zeg tegen het huis van Israël,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Wilt gij uzelf verontreinigen naar de wijze van uw vaders

en de hoer spelen naar hun verfoeilijke dingen?

20:31 “Wanneer gij uw gaven offert,

wanneer gij uw zonen door het vuur laat gaan,

verontreinigd gij u met al uw afgoden tot op deze dag.

En zal Ik door u worden gevraagd,

O huis van Israël?

Zoals Ik leef,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“Ik zal door u niet worden gevraagd.

20:32 “Wat er in uw geest opkomt zal helemaal niet gebeuren,

wanneer gij zegt:

‘we zullen zijn als de naties,

als de stammen van de landen,

dienende hout en steen.’

20:33 “Zoals Ik leef,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“Met een sterke hand

en met een uitgestrekte arm

en met uitgestorte gramschap,

zal Ik zonder twijfel koning over u zijn.

20:34 “Ik zal u uit de volken brengen

en u verzamelen uit de landen

waarheen gij verstrooid zijt,

met een sterke hand

en met een uitgestrekte arm

en met uitgestorte gramschap;

20:35 en Ik zal u in de woestijn van de volken brengen,

en daar zal Ik oog in oog

met u in het gericht treden.

20:36 “Zoals Ik in het gericht trad met uw vaders

in de woestijn van het land van Egypte,

zo zal Ik met u in het gericht treden,”

maakt Maryah Aloha bekend.

20:37 “Ik zal u onder de roede laten doorgaan,

en Ik zal u in de band van het verbond brengen;

20:38 en Ik zal de rebellen uit u uitzuiveren

en degenen die tegen Mij overtreden;

Ik zal hen uit het land brengen waar zij verblijven,

maar zij zullen het land van Israël niet binnengaan.

Zo zult gij weten

dat IK BEN MARYAH.

20:39 “Wat u betreft,

O huis van Israël,”

Zo zegt Maryah Aloha,

“Ga,

ieder dient zijn afgoden;

maar daarna zult gij wel naar Mij luisteren,

en Mijn heilige naam zult gij niet langer ontheiligen

met uw giften en met uw afgoden.

20:40 “Want op Mijn heilige berg,

op de hoge berg van Israël,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“Daar zal het hele huis van Israël,

allen van hen,

Mij dienen in het land;

daar zal ik hen accepteren

en daar zal Ik uw bijdragen

en de meest beste geschenken verlangen,

met al uw geheiligde dingen.

20:41 “Als een rustgevend aroma-

zal Ik u accepteren-

wanneer Ik u van de volken weghaal-

en u verzamel uit de landen-

waarin gij zijt verstrooid;

en Ik zal Mijzelf heilig onder u bewijzen

voor de aanblik van de naties.

20:42 “En gij zult weten dat Ik Maryah ben,

wanneer Ik u in het land van Israël breng,

in het land-

dat Ik beloofde-

te geven aan uw voorvaders.

20:43 “Daar zult gij uw wegen herinneren

en al uw daden met welke gij uzelf hebt verontreinigd;

en gij zult uzelf verafschuwen

voor uw eigen aanblik

voor al de kwade dingen die gij hebt gedaan.

20:44 “Dan zult gij weten

dat IK BEN MARYAH

  wanneer Ik heb gehandeld met u

omwille van Mijn naam,

niet volgens uw kwade wegen

of volgens uw corrupte daden,

O huis van Israël,”

maakt Maryah Aloha bekend.'”

20:45 Het woord van Maryah kwam nu naar mij toe,

zeggende,

20:46 “Zoon van mensen,

richt uw aangezicht naar Teman toe,

en spreek uit tegen het zuiden

en profeteer tegen het woud-land van de Negev,

20:47 en zeg tegen het woud van de Negev,

‘Hoor het woord van Maryah:

zo zegt Maryah Aloha;

“Zie,

Ik sta op het punt om een vuur in u te ontsteken,

en het zal elke groene boom in u verteren,

evenals elke droge boom;

de laaiende vlam zal niet gedoofd worden

  en het gehele oppervlak

van zuid naar noord zal daardoor worden verschroeid.

20:48 “Alle vlees zal zien dat Ik,

Maryah,

het heb ontstoken;

het zal niet worden gedoofd.”‘”

20:49 Daarop zei ik,

“Ah Maryah Aloha!

ze zeggen van mij,

‘Spreekt hij niet alleen maar parabels?'”

Ezekiel 21.

21:1 En het woord kwam naar mij toe zeggende,

21:2 “Zoon van mensen,

richt uw aangezicht naar Jeruzalem toe,

en spreek tegen de heiligdommen

en profeteer tegen het land van Israël;

21:3 en zeg tegen het land van Israël,

‘Zo zegt Maryah,

“Zie,

Ik ben tegen u;

en Ik zal Mijn zwaard vanuit zijn schede trekken

en van u de rechtvaardigen en de goddelozen afsnijden.

21:4 “Omdat Ik dan van u

de rechtvaardigen en de goddelozen zal afsnijden,

  daarom zal Mijn zwaard uitgaan van zijn schede

  tegen alle vlees

van zuid naar noord.

21:5 “Zo zal alle vlees weten dat Ik,

Maryah,

Mijn zwaard vanuit zijn schede heb getrokken.

  Het zal niet opnieuw terugkeren naar zijn schede.”‘

21:6 “Wat u betreft,

zoon van mensen,

kreunt met gebroken hart en bittere droefheid,

kreunt voor hun aangezicht.

21:7 “En wanneer zij tegen u zeggen,

‘Waarom kreunt gij?’

Zult gij zeggen,

vanwege het nieuws dat eraan komt;

en elk hart zal smelten,

alle handen zullen zwak zijn,

elke geest zal krachteloos zijn

en alle knieën zullen zwak zijn als water.

Ziedaar!

het komt en het zal gebeuren,’

maakt Maryah Aloha bekend.”

21:8 Het woord van Maryah kwam opnieuw naar mij toe,

zeggende,

21:9 “Zoon van mensen,

profeteer en zeg,

‘Zo zegt Maryah.’

Zeg,

‘Een zwaard,

een zwaard geslepen

En ook gepolijst!

21:10 ‘Geslepen om een zware slachting te maken,

Gepolijst om te flitsen als hemelvuur!’

Of zullen wij ons verheugen?

het is de roede van Mijn Zoon

die elke boom veracht.

21:11 “Het is gegeven om gepolijst te worden,

opdat het gehanteerd zou worden;

het zwaard is geslepen en gepolijst,

om het in de hand van de moordenaar te geven.

21:12 “Schreeuw het uit en jammer,

zoon van mensen;

want het is tegen Mijn volk,

het is tegen al de ambtenaren van Israël.

Ze worden met Mijn volk overgeleverd aan het zwaard,

stoot daarom uw dijbeen aan.

21:13 “Want er is een proef;

  en wat als zelfs de roede die veracht

niet meer zijn zal?”

maakt Maryah Aloha bekend.

21:14 “Gij daarom,

zoon van mensen,

profeteert en klapt uw handen tezamen;

  en laat het zwaard de derde maal verdubbeld worden,

het zwaard van de verslagenen.

Het is het zwaard van de grote verslagene

  dat hen omringt,

21:15 dat hun harten mogen smelten,

en velen vallen bij al hun poorten.

Ik heb het glinsterende zwaard gegeven.

Ah! Het is gemaakt om zoals hemelvuur te slaan,

het is omwikkeld in gereedheid voor de slachting.

21:16 “Vertoon u zelf scherp,

ga naar rechts;

  stel u zelf op;

ga naar links,

waarheen uw snede ook bestemd wordt.

21:17 “Ik zal ook Mijn handen tezamen klappen,

en Ik zal Mijn gramschap sussen;

Ik,

Maryah,

heb gesproken.”

21:18 Het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

21:19 “Wat u betreft,

zoon van mensen,

maak twee wegen om het zwaard van de koning van Babel te laten komen;

beide van hen zullen van één land uitgaan.

En maak een wegwijzer bord;

maak het aan de kop van de weg naar de stad.

21:20 “Gij zult een weg markeren voor het zwaard

om naar Rabba van de zonen van Ammon te komen,

en naar Judah tot Jeruzalem de versterkte.

21:21 “Want de koning van Babel staat bij de splitsing van de weg,

aan de kop van de twee wegen,

  om waarzeggerij te gebruiken;

hij schudt de pijlen,

hij raadpleegt de huishoudelijke afgoden,

hij kijkt naar de lever.

21:22 “In zijn rechterhand kwam de voorspelling,

‘het lot van Jeruzalem,’

om stormrammen te plaatsen,

om de mond te openen voor de slachting,

om de stem te verheffen met een strijdkreet,

om stormrammen tegen de poorten te plaatsen,

om hellingen op te werpen,

om een belegerings-muur te bouwen.

21:23 “En dit zal tot hen-

in hun ogen als een valse waarzegging zijn;

zij hebben plechtige eden gezworen.

Maar hij brengt ongerechtigheid ter herinnering,

opdat zij mogen gegrepen worden.

21:24 “Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

‘Omdat gij uw ongerechtigheid tot een herinnering hebt gemaakt,

doordat uw overtredingen zijn blootgelegd,

zodat in al uw daden uw zonden verschijnen-

omdat gij ter herinnering zijt gekomen,

zult gij met de hand gegrepen worden.

21:25 ‘En gij,

O verdorvene,

  goddeloze,

de prins van Israël,

wiens dag gekomen is,

in de tijd der bestraffing van het einde,’

21:26 zo zegt Maryah Aloha,

‘Verwijder de tulband en neem de kroon af;

dit zal niet meer hetzelfde zijn.

Verhoogt dat wat laag is en verlaagt dat wat hoog is.

21:27 ‘Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop, zal Ik het maken.

Ook dit zal niet meer zijn totdat Hij komt wiens recht het is,

en Ik zal het aan Hem geven.’

21:28 “En gij,

zoon van mensen,

profeteer en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha aangaande de zonen van Ammon

en aangaande hun smaad,’

en zeg,

‘Een zwaard, een zwaard ,

een zwaard is getrokken,

gepolijst ter slachting,

om het te doen verteren,

opdat het moge zijn als hemelvuur-

21:29 terwijl zij voor u valse visioenen zien,

terwijl zij voor u leugens waarzeggen-

om u op de halzen van de goddelozen te plaatsen die gedood worden,

wiens dag gekomen is,

in de tijd der bestraffing van het einde.

21:30 ‘Laat het (zwaard) terugkeren in zijn schede.

  In de plaats waar gij zijt gemaakt,

In het land van uw begin,

zal Ik u oordelen.

21:31 ‘Ik zal Mijn verontwaardiging over u uitstorten;

ik zal op u blazen met het vuur van Mijn gramschap,

en Ik zal u in de hand van brutale mannen geven,

bedreven om te vernietigen.

21:32 ‘Gij zult brandstof voor het vuur zijn;

uw bloed zal in het midden van het land zijn.

  Gij zult niet herinnerd worden,

want Ik,

Maryah,

heb het gesproken.'”

Ezekiel 22.

22:1 Vervolgens kwam het woord van Maryah naar mij toe,

zeggende,

22:2 “En gij,

zoon van mensen,

zult gij oordelen,

zult gij de bloedige stad oordelen?

Maak haar dan al haar gruweldaden bekend.

22:3 “Gij zult zeggen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Een stad die bloed in haar midden vergiet,

  zodat haar tijd komen zal,

  en welke afgoden maakt,

  in tegenstelling tot haar belang,

  tot verontreiniging!

22:4 “Gij zijt schuldig geworden om het bloed

dat gij hebt vergoten,

en (gij zijt) verontreinigd door uw afgoden

die gij hebt gemaakt.

Zo hebt gij uw dag nabij gebracht

en zijt (zelfs) tot uw jaren gekomen;

daarom heb Ik u tot een blaam voor de naties gemaakt

en een spotternij voor al de landen.

22:5 “Degenen die nabij zijn

en degenen die ver van u vandaan zijn zullen u bespotten,

gij ziekelijke van naam,

vol van onrust.

22:6 “Zie,

de heersers van Israël,

elk volgens zijn macht,

zijn in u geweest met het doel om bloed te vergieten.

22:7 “Zij hebben vader en moeder in u lichtvaardig (niet ernstig) behandeld.

De vreemdeling hebben zij in uw midden onderdrukt;

de vaderloze en de weduwe hebben zij in u onrecht aangedaan.

22:8 “Gij hebt Mijn heilige dingen veracht

en ontheiligde Mijn sabbatten.

22:9 “Lasterlijke mannen zijn in u geweest

met het doel om bloed te vergieten,

en in u hebben zij gegeten bij de berg-schrijnen.

in uw midden hebben zij daden van ontuchtigheid gepleegd?

22:10 “In u hebben zij hun vaders naaktheid blootgelegd;

in u hebben zij haar vernederd die onrein was

in haar maandelijkse onzuiverheid.

22:11 “De ene heeft gruweldaden begaan met de vrouw van zijn naaste

en een ander heeft zijn schoondochter onzedelijk bevuild.

En nog een ander in u heeft zijn zuster vernederd,

zijn vaders dochter.

22:12 “In u hebben zij steekpenningen aangenomen

om bloed te vergieten;

gij hebt rente en overwinst genomen,

en gij hebt uw naasten benadeeld voor winst door onderdrukking,

en gij hebt Mij vergeten,”

maakt Maryah Aloha bekend.

22:13 “Zie dan,

Ik sla Mijn hand naar uw oneerlijke winst

die gij verworven hebt

en naar het bloedvergieten dat onder u is.

22:14 “Kan uw hart (het) verdragen,

of kunnen uw handen sterk zijn

in de dagen dat Ik met u zal handelen?

Ik,

Maryah,

heb gesproken en zal handelen.

22:15 “Ik zal u onder de naties verstrooien

en Ik zal u door de landen verspreiden,

en Ik zal uw vuilheid uit u verteren.

22:16 “Gij zult uzelf ontheiligen

voor de ogen van de naties,

en gij zult weten dat Ik Maryah ben.”‘”

22:17 En het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

22:18 “Zoon van mensen,

het huis van Israël is voor Mij onzuiverheid geworden;

allen van hen zijn brons en tin en ijzer en lood in de oven;

zij zijn de onzuiverheid van zilver.

22:19 “Daarom,

dus zegt Maryah Aloha,

‘Omdat allen van u onzuiverheid zijn geworden,

daarom,

zie,

Ik ga u vergaren

in het midden van Jeruzalem.

22:20 ‘Zoals ze zilver

en brons en ijzer

en lood en tin in de oven vergaren

om er vuur op te blazen om het te smelten,

zo zal Ik u vergaren in Mijn toorn

en in Mijn gramschap

en Ik zal u daar-in leggen-

en u smelten.

22:21 ‘Ik zal u vergaren en op u blazen

met het vuur van Mijn gramschap,

en gij zult gesmolten worden

in het midden daarvan.

22:22 ‘Zoals zilver wordt gesmolten in de oven,

zo zult gij worden gesmolten in het midden daarvan;

en gij zult weten dat Ik,

Maryah,

Mijn gramschap heb uitgestort over u .'”

22:23 En het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

22:24 “Zoon van mensen,

zeg tegen haar,

‘Gij zijt een land

dat niet gereinigd is

of (dat niet) beregend (is)

op de dag van verontwaardiging.’

22:25 “Er is een samenzwering van haar profeten in haar midden

gelijk een brullende leeuw (die) de prooi verscheurt.

  Zij hebben levens verslonden;

zij hebben edelgesteente en kostbare dingen genomen;

zij hebben vele weduwen gemaakt in het midden van haar.

22:26 “Haar priesters hebben Mijn wet geweld aangedaan

en hebben Mijn heilige dingen ontheiligd;

zij hebben geen onderscheid gemaakt

tussen het heilige en het wereldse,

en zij hebben het verschil niet geleerd

tussen het onreine en het reine;

en zij verbergen hun ogen voor Mijn sabbatten,

en Ik ben te midden van hen ontheiligd.

22:27 “Haar prinsen zijn in haar als wolven die de prooi verscheuren,

door bloed te vergieten

en levens te vernietigen,

om zo oneerlijke winst te verkrijgen.

22:28 “Haar profeten hebben voor hen witkalk gesmeerd,

valse visioenen ziende en leugens voorspellende voor hen,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah Aloha,’

terwijl Maryah niet gesproken heeft.

22:29 “Het volk van het land

heeft verdrukking gepraktiseerd en dieverij gepleegd,

en zij hebben de armen en de behoeftigen onrecht aangedaan

en hebben de vreemdeling verdrukt zonder gerechtigheid.

22:30 “Ik zocht naar een man onder hen

die de muur zou opbouwen

en voor Mij(n)-(aangezicht)

in de bres zou gaan staan voor het land,

zodat Ik het niet zou vernietigen;

maar Ik vond er geen één.

22:31 “Dus heb Ik Mijn verontwaardiging over hun uitgestort;

Ik heb hun verteerd met het vuur van Mijn gramschap;

hun eigen weg heb Ik op hun hoofd gebracht,”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 23.

23:1 Het woord van Maryah kwam opnieuw naar mij toe,

zeggende,

23:2 “Zoon van mensen,

er waren twee vrouwen,

de dochters van één moeder;

23:3 en zij speelden de hoer in Egypte.

Zij speelden de hoer in hun jeugd;

daar werden hun borsten geknepen

en daar werd hun maagdelijke boezem betast.

23:4 “Hun namen waren Oholah de oudere

en Oholibah haar zuster.

En zij werden de Mijne,

en zij baarden zonen en dochters.

En wat hun namen betreft,

Samaria is Oholah

en Jeruzalem is Oholibah.

23:5 “Oholah speelde de hoer terwijl ze van Mij was;

en ze verlangde hevig naar haar minnaars,

naar de Assyriërs,

haar nageburen,

23:6 die gekleed waren in violet-blauw,

gouverneurs en ambtenaren,

allen van hen begeerlijke jonge mannen,

ruiters – berijders van paarden.

23:7 “Ze schonk haar hoererijen over hen,

die allen de beste mannen van Assur waren;

  en met allen naar wie zij verlangde

  en met al hun afgoden verontreinigde zij zich.

23:8 “Ze heeft haar hoererijen vanuit de tijd in Egypte niet verlaten;

  want in haar jeugd hadden mannen met haar gelegen,

en zij betasten haar maagdelijke boezem

en (zij) stortten hun lust over haar uit.

23:9 “Daarom,

Ik gaf haar in de hand van haar minnaars,

in de hand van de Assyriërs,

naar wie zij hevig verlangde.

23:10 “Ze hebben haar naaktheid blootgelegd;

ze namen haar zonen en haar dochters mee,

maar zij doodden haar met het zwaard.

Zo kreeg zij een spotnaam onder vrouwen,

en zij voerden oordelen tegen haar uit.

23:11 “Nu zag haar zuster Oholibah dit,

ze was echter meer verdorven in haar begeerte dan zij,

en haar hoererijen waren meerder

  dan de hoererijen van haar zuster.

23:12 “Ze verlangde naar de Assyriërs,

gouverneurs en ambtenaren,

degenen nabij,

prachtig gekleed,

ruiters – berijders van paarden,

allen van hen begeerlijke jonge mannen.

23:13 “Ik zag dat zij zichzelf had verontreinigd;

alle twee namen zij dezelfde weg.

23:14 “Dus vermeerderde zij haar hoererijen.

En ze zag mannen geportretteerd op de muur,

afbeeldingen van de Kaldean geschilderd met vermiljoen,

23:15 omgord met gordels om hun lendenen,

met golvende tulbanden op hun hoofden,

allen van hen zien eruit als officieren,

zoals de Babyloniërs in Kaldea,

het land van hun geboorte.

23:16 “Toen zij hun zag verlangde zij naar hen

en zond boodschappers naar hen in Kaldea.

23:17 “De Babyloniërs kwamen bij haar in het bed der liefde

en verontreinigden haar met hun hoererij.

En toen zij door hen verontreinigd was geweest,

werd zij misselijk door hen.

23:18 “Ze onthulde haar hoererijen

en onthulde haar naaktheid;

toen werd Ik afkerig van haar,

zoals Ik afkerig was geworden van haar zuster.

23:19 “Toch vermenigvuldigde ze haar hoererijen,

denkend aan de dagen van haar jeugd,

  toen ze de hoer speelde in het land van Egypte.

23:20 “Ze verlangde innig naar haar minnaars,

wiens vlees gelijk het vlees van ezels is

en wiens kwestie gelijk de kwestie van paarden is.

23:21 “Zo hebt gij verlangd naar de ontuchtigheid van uw jeugd,

wanneer de Egyptenaren uw boezem betastten

vanwege de borsten van uw jeugd.

23:22 “Daarom,

O Oholibah,

zegt dus Maryah Aloha,

‘Zie Ik zal uw minnaars tegen u opwekken,

van wie gij vervreemd waart

  en Ik zal hen van alle kanten tegen u inbrengen:

23:23 de Babyloniërs en al de Kaldeans,

Pekod en Shoa en Koa, 

en al de Assyriërs met hen;

  begeerlijke jonge mannen,

allen van hen gouverneurs en ambtenaren,

officieren en mannen van faam,

allen van hen rijden op paarden.

23:24 ‘Ze zullen u aanvallen met wapens,

karren en wagens,

en met een gezelschap van volken.

Ze zullen zich van alle kanten tegen u keren

met beukelaar en schild en helm;

en Ik zal het oordeel aan hen toevertrouwen,

en zij zullen u oordelen volgens hun gewoonten.

23:25 ‘Ik zal Mijn ijver tegen u instellen;

opdat zij in gramschap met u mogen handelen.

  Zij zullen uw neus en uw oren verwijderen;

en uw overlevenden zullen door het zwaard vallen.

Zij zullen uw zonen en uw dochters meenemen;

en uw overlevenden zullen door het vuur worden verteerd.

23:26 ‘Zij zullen u ook van uw klederen ontdoen

en uw schone juwelen wegnemen.

23:27 ‘Zo zal Ik uw ontuchtigheid van u doen ophouden

en uw hoererij mede gebracht uit het land van Egypte,

zodat gij uw ogen niet naar hen zult opheffen

en Egypte niet meer (zult) gedenken.’

23:28 “Want zo zegt Maryah Aloha,

‘Zie!

Ik zal u in de hand geven van degenen die gij haat,

in de hand van degenen van wie gij zijt vervreemd.

23:29 ‘Zij zullen met u handelen uit haat

  al uw eigendom afnemen,

en u naakt en bloot achterlaten.

En de naaktheid van uw hoererijen zal worden ontbloot,

zowel uw ontuchtigheid als uw hoererijen.

23:30 ‘Deze dingen zullen u worden aangedaan

omdat gij de hoer hebt gespeeld met de naties,

omdat gij uzelf hebt bevuild met hun afgoden.

23:31 ‘Gij hebt gewandeld naar de weg van uw zuster;

daarom zal Ik haar beker in uw hand geven.’

23:32 “Zo zegt Maryah Aloha,

‘Gij zult uw zusters beker drinken,

Die diep en groot is.

Gij zult worden uitgelachen

en voor de gek gehouden worden;

hij bevat veel.

23:33 ‘Gij zult worden gevuld met dronkenschap en smart,

De beker van gruwel en verlatenheid,

De beker van uw zuster Samaria.

23:34 ‘Gij zult hem zelfs drinken en hem ledigen.

Dan zult gij op zijn brokstukken knagen

En uw borsten aftrekken;

want Ik heb gesproken,’

  maakt Maryah Aloha bekend.

23:35 “Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

‘Aangezien gij Mij hebt vergeten

en Mij achter uw rug hebt geworpen,

draagt (gij) thans de straf

van uw ontuchtigheid en uw hoererijen.'”

23:36 Verder,

zei Maryah tegen mij,

“Zoon van mensen,

zult gij Oholah en Oholibah oordelen?

  Maakt dan hun gruweldaden aan hen bekend.

23:37 “Want zij hebben overspel gepleegd,

en bloed is aan hun handen.

Zo hebben zij overspel gepleegd

met hun afgoden,

en hebben zij zelfs hun zonen

-die zij Mij hebben gebaard-

door het vuur naar hen toe doen gaan-

als voedsel.

23:38 “Bovendien,

hebben zij Mij dit aangedaan:

zij hebben op die-zelfde dag Mijn heiligdom bezoedeld

en (zij) hebben Mijn sabbatten ontheiligd.

23:39 “Want toen zij hun kinderen hadden afgeslacht voor hun afgoden,

gingen zij op diezelfde dag Mijn heiligdom binnen

om dat te ontheiligen;

en ziet!

zo hebben zij in Mijn huis gedaan.

23:40 “Bovendien,

hebben zij zelfs om mannen gezonden die van verre komen,

tot wie een boodschapper werd gezonden;

  en ziet!

zij kwamen-

  voor wie gij baadde

  uw ogen schilderde

en u versierde met sieraden;

23:41 en gij zat op een prachtige rustbank

met een tafel ervoor geschikt

  waarop gij Mijn wierook en Mijn olie hebt gezet.

23:42 “Het geluid van een zorgeloze menigte was bij hen;

en dronkaards werden vanuit de woestijn gebracht

met mannen van de gewone soort.

En die deden armbanden om de handen van de vrouwen

en prachtige kronen op hun hoofden.

23:43 “Toen zei Ik betreffende hun die door overspel uitgeput waren,

‘Zullen zij thans overspel met hun plegen-

terwijl zij zo zijn?’

23:44 “Maar zij gingen tot hun in zoals zij tot een hoer zouden ingaan.

Zo gingen zij in tot Oholah en tot Oholibah,

die ontuchtige vrouwen.

23:45 “Maar zij,

-rechtvaardige mannen,-

zullen hen oordelen met het oordeel van overspelige vrouwen

en met het oordeel van vrouwen die bloed vergieten,

omdat ze overspelige vrouwen zijn

en er bloed op hun handen is.

23:46 “Want zo zegt Maryah Aloha,

‘Stel een schare tegen hen op

en geef ze over aan verschrikking en plundering.

23:47 ‘De schare zal hun stenigen met stenen

en hun neerhakken met hun zwaarden;

ze zullen hun zonen en hun dochters doodslaan

en hun huizen met vuur verbranden.

23:48 ‘Zo zal Ik de ontuchtigheid uit het land doen ophouden,

opdat alle vrouwen mogen vermaand worden

en geen ontuchtigheid plegen

zoals gij hebt gedaan.

23:49 ‘Uw ontuchtigheid zal op u worden vergolden,

en gij zult de straf dragen om uw afgoden te aanbidden;

zo zult gij weten dat Ik MARYAH ALOHA BEN.'”

Ezekiel 24.

24:1 En het woord van Maryah kwam naar mij toe

in het negende jaar,

in de tiende maand,

op de tiende van de maand,

zeggende,

24:2 “Zoon van mensen,

schrijf de naam van deze dag neer,

deze zelfde dag.

De koning van Babel

heeft Jeruzalem belegerd

-deze zelfde dag-.

24:3 “Spreek een gelijkenis aan het opstandig huis

en zeg tegen hen:

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zet de pot op,

zet hem op en giet ook water daarin;

24:4 Doe de stukken daarin,

Elk goed stuk,

het dij en schouderstuk;

Vul hem met de beste botten.

24:5 “Neem het beste van de kudde,

En stapel ook hout onder de pot.

  Laat hem krachtig zieden.

Kook ook zijn botten daarin.”

24:6 ‘Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

“Wee aan de bloedige stad,

Aan de pot in welke er roest is

En wiens roest er niet uitgegaan is!

Haal het er stuk na stuk uit,

Zonder een voorkeur te vormen.

24:7 “Want haar bloed is in haar midden;

Ze legde het op de kale rots;

Ze gooide het niet op de grond

Om het met stof te bedekken .

24:8 “Opdat het gramschap zou doen opkomen om wraak te nemen,

heb Ik haar bloed op de kale rots gelegd,

Opdat het niet zou bedekt worden.”

24:9 Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

“O wee de bloedige stad!

Ik zal ook de brandstapel groot maken.

24:10 “Stapel het hout op,

steek het vuur aan,

  Kook het vlees goed

En meng de kruiden in,

En laat ook de botten verbrand worden.

24:11 “Vervolgens,

Zet hem leeg op zijn kolen

Zodat hij heet moge worden

En zijn brons moge gloeien

En zijn smerigheid erin moge gesmolten worden,

  Zijn roest verteerd wordt.

24:12 “Zij heeft Mij met gezwoeg vermoeid,

Toch is haar grote roest niet van haar weggegaan;

Laat haar roestige roest in het vuur zijn!

24:13 “In uw smerigheid is ontuchtigheid.

Omdat Ik u zou hebben gereinigd,

Nochtans zijt gij niet rein,

Zult gij niet opnieuw worden gereinigd van uw smerigheid

Totdat Ik Mijn gramschap over u heb verzadigd.

24:14 “Ik,

Maryah,

heb het gesproken;

het is komende en Ik zal handelen.

Ik zal niet zwichten,

en Ik zal geen medelijden hebben

en Ik zal geen spijt hebben;

naar uw wegen

en naar uw daden

zal Ik u oordelen,”

maakt Maryah Aloha bekend.'”

24:15 En het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

24:16 “Zoon van mensen,

ziet,

Ik sta op het punt

om de begeerte van uw ogen van u weg te nemen

in één haal;

maar gij zult niet rouwen

en gij zult niet wenen

en uw tranen zullen niet opkomen.

24:17 “Kreunt stilletjes;

maakt geen rouw voor de doden.

Bind uw tulband om en doe uw schoenen aan uw voeten,

en bedekt uw snor niet

en eet het brood der mensen niet.”

24:18 Zo sprak ik tot het volk in de morgen,

en in de avond stierf mijn vrouw.

En in de morgen deed ik zoals mij bevolen was.

24:19 Het volk zei tegen mij,

“Wilt gij ons niet vertellen

wat deze dingen die gij doet voor ons betekenen?”

24:20 Vervolgens zei ik tegen hun,

“Het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

24:21 ‘Spreek tot het huis van Israël,

“Zo zegt Maryah Aloha,

‘Zie,

Ik sta op het punt om Mijn heiligdom te ontheiligen,

de trots van uw macht,

  de begeerte van uw ogen

  en de verrukking van uw ziel;

en uw zonen en uw dochters

die gij hebt achtergelaten

zullen door het zwaard vallen.

24:22 ‘Gij zult doen zoals ik heb gedaan;

gij zult uw snor niet bedekken

en gij zult het brood der mensen niet eten.

24:23 ‘Uw tulbanden zullen op uw hoofden zijn,

en uw schoenen aan uw voeten.

Gij zult niet rouwen

en gij zult niet wenen,

maar gij zult wegrotten in uw ongerechtigheden

en gij zult tegen een ander kreunen.

24:24 ‘Zo zal Ezekiel een teken tot u zijn;

naar alles wat hij heeft gedaan

zult gij doen;

wanneer dit komt,

dan zult gij weten dat Ik MARYAH ALOHA BEN.'”

24:25 ‘Wat u betreft,

zoon van mensen,

zal het niet op die dag zijn

wanneer Ik hun sterkte van hen afneem,

de vreugde van hun trots,

de begeerte van hun ogen en hun verrukking des harten,

hun zonen en hun dochters,

24:26 dat op die dag-

hij die ontkomt tot u zal komen

met kennisgeving voor uw oren?

24:27 ‘Op die dag-

zal uw mond geopend worden aan hem die ontkomen is,

en gij zult spreken

en niet langer meer stom zijn.

Zo zult gij een teken tot hen zijn,

en zij zullen weten dat Ik MARYAH BEN.'”

Ezekiel 25.

25:1 En het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

25:2 “Zoon van mensen,

richt uw aangezicht naar de zonen van Ammon

en profeteer tegen hen,

25:3 en zeg tegen de zonen van Ammon,

‘Hoort het woord van Maryah Aloha!

Zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat gij hebt gezegd,

‘aha!’

  tegen Mijn heiligdom toen het werd ontheiligd,

en tegen het land van Israël

toen het verlaten werd gemaakt,

en tegen het huis van Judah

toen zij in ballingschap gingen,

25:4 daarom,

zie,

Ik ga u aan de zonen van het oosten geven

  tot een bezitting,

  en zij zullen hun kampementen te midden van u opstellen

  en hun woningen te midden van u maken;

zij zullen uw fruit eten en uw melk drinken.

25:5 “Ik zal Rabbah (tot) een weiland maken voor kamelen,

de zonen van Ammon (tot) een rustplaats voor kuddes.

zo zult gij weten dat Ik MARYAH BEN.”

25:6 ‘Want zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat gij uw handen klapte

en uw voeten stampte-

en verheugde met al de minachting van uw ziel

tegen het land van Israël,

25:7 daarom,

zie,

heb Ik Mijn hand tegen u uitgestrekt

en Ik zal u tot buit aan de naties geven.

  en Ik zal u van de volken afsnijden

en u doen omkomen uit de landen;

  Ik zal u vernietigen.

Zo zult gij weten dat Ik Maryah ben.”

25:8 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat Moab en Seir zeggen,

‘zie,

het huis van Judah is zoals al de naties,’

25:9 daarom,

zie,

Ik ga de flank van Moab beroven

van zijn steden,

van zijn steden die aan zijn grenzen zijn,

de heerlijkheid van het land,

Beth-jeshimoth,

Baal-meon

en Kiriathaim,

25:10 en Ik zal hen samen met de zonen van Ammon-

aan de zonen van het oosten geven-

tot een bezitting,

zodat de zonen van Ammon niet herinnerd zullen worden

te midden van de naties.

25:11 “Zo zal Ik oordelen over Moab uitvoeren,

en zij zullen weten dat Ik Maryah ben.”

25:12 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat Edom tegen het huis van Judah heeft gehandeld-

  door wraak te nemen,

en zich zwaar schuldig heeft gemaakt,

  en zich op hen heeft gewroken,”

25:13 daarom dus zegt Maryah Aloha,

“Ik zal ook Mijn hand uitstrekken tegen Edom

en mens en beest ervan afsnijden.

  En Ik zal het in puin leggen;

  van Teman zelfs tot Dedan toe

zullen zij door het zwaard vallen.

25:14 “Ik zal Mijn wraak op Edom leggen

door de hand van Mijn volk Israël.

Daarom,

zullen zij in Edom handelen naar Mijn toorn

en naar Mijn gramschap;

zo zullen zij Mijn wraak kennen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

25:15 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat de Filistijnen hebben gehandeld uit wraakzucht

en wraak hebben genomen met minachting van ziel

om te vernietigen door eeuwigdurende vijandschap,”

25:16 daarom dus zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de Filistijnen,

zelfs de Cherethieten afsnijden

en het overblijfsel van aan de zeekant vernietigen.

25:17 “Ik zal grote wraak over hen uitvoeren

met toornige berispingen;

en zij zullen weten dat Ik MARYAH BEN

wanneer Ik Mijn wraak op hen zal leggen.”‘”

Ezekiel 26.

26:1 Nu,

In het elfde jaar,

op de eerste van de maand,

kwam het woord van Maryah naar mij toe,

zeggende,

26:2 “Zoon van mensen,

omdat Tyre betreffende Jeruzalem heeft gezegd,

‘Aha,

de poort van de volken is verbroken;

zij is voor mij geopend.

Ik zal vervuld worden,

nu dat zij in puin is gelegd,’

26:3 daarom dus zegt Maryah Aloha,

‘Zie,

Ik ben tegen u,

O Tyre,

en Ik zal vele naties tegen u opwerpen,

zoals de zee haar golven opwerpt.

26:4 ‘Zij zullen de muren van Tyre vernietigen

en haar torens afbreken:

en Ik zal haar puin van haar af schrapen

en haar tot een kale steenrots maken.

26:5 ‘Zij zal een plaats zijn voor het uitspreiden van netten

in het midden van de zee,

want Ik heb gesproken,’

maakt Maryah Aloha bekend,

‘en zij zal een buit voor de naties worden.

26:6 ‘Ook haar dochters die op het vasteland zijn

zullen worden gedood door het zwaard,

en zij zullen weten dat Ik Maryah ben.'”

26:7 Want zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik zal Nebuchadnezzar

koning van Babel naar Tyre brengen,

koning der koningen,

van het noorden,

met paarden,

strijdwagens,

cavalerie en een groot leger.

26:8 “Hij zal uw dochters op het vasteland met het zwaard slaan;

en hij zal belegeringsmuren tegen u maken,

een wal tegen u opwerpen

en een groot schild tegen u opheffen.

26:9 “De stoten van zijn stormrammen

zal hij tegen uw muren richten,

en met zijn bijlen zal hij uw torens afbreken.

26:10 “Vanwege het groot aantal van zijn paarden,

zal het door hen opgeworpen stof u bedekken;

uw muren zullen schudden van het lawaai

van de cavalerie en de wagens en de strijdwagens

wanneer hij uw poorten ingaat,

zoals mannen een stad binnengaan-

waarin een bres is geslagen.

26:11 “Met de hoeven van zijn paarden

zal hij al uw straten vertrappen.

Hij zal uw volk met het zwaard doodslaan;

en uw sterke pilaren zullen op de grond neerkomen.

26:12 “Ook zullen zij een roof van uw rijkdom maken

en een buit van uw koopwaar,

uw muren afbreken

en uw aangename huizen vernietigen,

en uw stenen

en uw balken

en uw puin in het water gooien.

26:13 “Zo zal Ik het geluid van uw liedjes tot zwijgen brengen,

en het klinken van uw harpen zal niet meer worden gehoord.

26:14 “Ik zal u tot een kale steenrots maken;

gij zult een plaats zijn voor het uitspreiden van netten.

Gij zult niet meer opgebouwd worden,

want Ik Maryah heb gesproken,”

maakt Maryah Aloha bekend.

26:15 Zo zegt Maryah Aloha tegen Tyre,

“Zullen de kustlanden niet beven bij het geluid van uw val

wanneer de gewonden kreunen,

wanneer de slachting in uw midden plaatsvindt ?

26:16 “Vervolgens,

al de vorsten van de zee zullen van hun tronen afdalen,

hun gewaden verwijderen

en hun geborduurde kleding uittrekken.

Ze zullen zich bekleden met siddering;

ze zullen op de grond gaan zitten,

elk moment sidderen

en ontzet over u zijn.

26:17 “Ze zullen een weeklacht over u opheffen

en tegen u zeggen,

‘Hoe zijt gij omgekomen,

O gij goed bewoonde,

Van de zeeën,

O vermaarde stad,

Die machtig was aan de zee,

Zij en haar inwoners,

Die haar schrik oplegde

  aan ieder die de aarde bewoont!

26:18 ‘Nu zullen de kustlanden beven

Op de dag van uw val;

Ja de kustlanden die bij de zee zijn

Zullen doodsbang zijn door uw ondergang.'”

26:19 Want zo zegt Maryah Aloha,

“Wanneer Ik u tot een verlaten stad maak,

zoals de steden die niet bewoond zijn,

wanneer Ik de diepten over u heen breng

en de grote wateren u bedekken,

26:20 dan zal Ik u naar beneden brengen

met degenen die naar beneden gaan in de kuil,

naar het volk van weleer,

en Ik zal u doen wonen in de lagere delen van de aarde,

zoals de oude verlaten plaatsen

met degenen die naar beneden gaan in de kuil,

zodat gij niet bewoond zult zijn;

maar Ik zal de heerlijkheid in het land der levenden vestigen.

26:21 “Ik zal verschrikkingen over u brengen

en gij zult niet meer zijn;

alhoewel gij gezocht zult worden,

toch zult gij nooit meer teruggevonden worden,”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 27.

27:1 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

27:2 “En gij,

  zoon van mensen,

  hef een klaagzang op over Tyre;

27:3 en zeg tegen Tyre,

die bij de ingang van de zee woont,

de handelaar der volken naar vele kustlanden,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“O Tyre,

gij hebt gezegd,

‘Ik ben volmaakt in schoonheid.’

27:4 “Uw grenzen liggen in het hart van de zeeën;

Uw bouwers hebben uw schoonheid geperfectioneerd.

27:5 “Van cipressen van Senir

hebben zij al uw planken gevormd;

Om masten voor u te maken

hebben zij ceders uit Libanon gehaald.

27:6 “Van de eiken van Basan

hebben zij uw roeispanen gemaakt;

  Uw dek van lariks hebben zij ingelegd

met ivoor uit de kustlanden van Cyprus.

27:7 “Uw zeil was van fijne geborduurde linnen uit Egypte

Zodat het uw onderscheidend merkteken werd;

Uw luifel was blouw en paars

uit de kustlanden van Elishah.

27:8 “De inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers;

Uw wijze mannen,

O Tyre,

waren aan boord;

zij waren uw roergangers.

27:9 “De ouderlingen van Gebal en haar wijze mannen

waren bij u om uw naden te repareren;

Al de schepen van de zee en hun matrozen

waren bij u om te handelen in uw handelswaar.

27:10 “Perzie en Lud en Put waren in uw leger,

uw krijgslieden.

Zij hebben het schild en de helm in u opgehangen;

zij hebben uw schoonheid vertoond.

27:11 “De zonen van Arvad en uw leger waren rondom op uw wallen,

en de Gammadim waren in uw torens.

Zij hebben hun schilden overal aan uw wallen opgehangen;

zij hebben uw schoonheid geperfectioneerd.

27:12 “Uw afnemer was Tarsis

vanwege de overvloed van allerlei soorten van rijkdommen;

met zilver – ijzer – tin en lood betaalden zij voor uw handelswaren.

27:13 “Javan,

Tubal en Meshech,

zij waren uw handelaars;

met de levens van mannen en vaten van brons

betaalden zij voor uw koopwaar.

27:14 “Die van Beth-togarmah gaven paarden

en strijdrossen en muilezels voor uw handelswaren.

27:15 “De zonen van Dedan waren uw handelaars.

Vele kustlanden waren uw handelsmarkt;

zij brachten u als beloning slagtanden van ivoor en ebbenhout.

27:16 “Aram was uw afnemer

vanwege de overvloed van uw goederen;

zij betaalden voor uw handelswaar met smaragden,

paars,

geborduurd handwerk,

  fijn linnen,

koraal en robijnen.

27:17 “Judah en het land van Israël

die waren uw handelaars;

met de tarwe van Minnith,

zoete lekkernijen en honing,

olie en balsem betaalden zij voor uw koopwaar.

27:18 “Damascus was uw afnemer

vanwege de overvloed van uw goederen,

vanwege de overvloed van alle soorten van rijkdom,

vanwege de wijn van Helbon en witte wol.

27:19 “Vedan en Javan betaalden voor uw koopwaar van Uzal;

smeedijzer,

kassie en zoete-stok waren onder uw handelswaren.

27:20 “Dedan handelde met u in zadeldoeken om paard te rijden.

27:21 “Arabië en al de prinsen van Kedar,

zij waren uw afnemers voor lammeren,

rammen en geiten;

voor deze waren zij uw afnemers.

27:22 “De handelaars van Sheba en Raamah,

zij handelden met u;

zij betaalden voor uw koopwaren

met het beste van alle soorten specerijen,

en met alle soorten van kostbare stenen en goud.

27:23 “Haran en Canneh en Eden,

de handelaars van Sheba,

Asshur en Chilmad handelden gelijkwaardig met u.

27:24 “Zij handelden met u in de prachtigste stoffen,

in doeken van blauw en geborduurd handwerk,

en in vloerkleden met vele kleuren-

en strak gebonden draden,

die onder uw koopwaar waren.

27:25 “De schepen van Tarsis-

die waren de vrachtvaarders voor uw koopwaar.

En gij werd gevuld-

en waart zeer glorieus in het hart der zeeën.

27:26 “Uw roeiers hebben u in geweldige wateren gebracht;

De oostenwind heeft u in het hart der zeeën verbroken.

27:27 “Uw vermogen,

uw waren,

uw goederen,

  Uw zeelieden en uw roergangers,

Uw herstellers van naden,

uw handelaars in koopwaar

En al uw krijgslieden die in u zijn,

Samen met heel uw gezelschap dat in uw midden is,

Zij zullen in het hart der zeeën vallen

op de dag van uw verwoesting.

27:28 Op het geluid van de roep van uw roergangers

De weilanden zullen beven.

27:29 “Allen die de roeispaan hanteren,

De zeelieden en al de roergangers van de zee

Zullen van hun schepen afkomen;

Zij zullen op het land staan,

27:30 En zij zullen hun stem over u laten horen

En zullen bitter huilen.

Zij zullen stof op hun hoofden werpen,

Zij zullen zich in de as wentelen.

27:31 “Ook zullen ze zich kaal maken voor u

En zich omgorden met een jute zak;

En zij zullen voor u wenen in bitterheid van de ziel-

Met bittere rouw.

27:32 “Verder,

in hun geweeklaag zullen zij een klaaglied over u aanheffen

En over u weeklagen:

‘Wie was als Tyre,

Zoals zij die zwijgend is in het midden van de zee?

27:33 ‘Wanneer uw waren vertrokken uit de zeeën,

  Gij stelde vele volken tevreden;

Met de overvloed van uw rijkdom

en uw goederen

Gij verrijkte de koningen van de aarde.

27:34 ‘Nu dat gij door de zeeën verbroken zijt

In de diepten van de wateren,

Uw goederen en heel uw gezelschap

Zijn in het midden van u gevallen.

27:35 ‘Al de inwoners van de kustlanden

Zijn ontzet over u,

En hun koningen zijn verschrikkelijk bevreesd;

Ze zijn verontrust van aangezicht.

27:36 ‘De handelaars onder de volken sissen naar u;

Gij zijt doodsbang geworden

En gij zult ophouden om voor eeuwig te zijn.”‘”‘

Ezekiel 28.

28:1 Het woord van Maryah kwam opnieuw naar mij toe,

zeggende,

28:2 “Zoon van mensen,

zeg tegen het hoofd van Tyre,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat uw hart is verhoogd

en gij hebt gezegd,

‘Ik ben een god,

ik zit in de zetel van goden

In het hart van de zeeën’;

Toch zijt gij een mens en niet Aloha,

Alhoewel gij uw hart als het hart van Aloha maakt-

28:3 Zie,

Gij zijt wijzer dan Daniël;

Er is geen enkel geheim die een partij voor u is.

28:4 “Door uw wijsheid en begrip

Hebt gij rijkdommen voor uzelf verkregen

En hebt goud en zilver verworven voor uw schatkisten.

28:5 “Door uw grote wijsheid,

door uw handel-

hebt gij uw rijkdommen vergroot

En uw hart is verhoogd vanwege uw rijkdommen-

28:6 Daarom dus zegt Maryah Aloha,

“Omdat gij uw hart als het hart van Aloha hebt gemaakt,

28:7 Daarom,

zie,

Ik zal vreemden over u brengen,

De meest meedogenloze van de naties.

En zij zullen hun zwaarden trekken

Tegen de schoonheid van uw wijsheid

En uw pracht verontreinigen.

28:8 ‘Zij zullen u naar beneden brengen naar de kuil,

En gij zult de dood sterven van hen die worden doodgeslagen-

In het hart van de zeeën.

28:9 ‘Zult gij nog altijd zeggen,

“Ik ben god,”

In de aanwezigheid van uw doodslager,

Alhoewel gij een mens zijt en niet Aloha,

In de handen van degenen die u verwonden?

28:10 ‘Gij zult de dood van de onbesnedenen sterven

  Door de hand van vreemden,

Want Ik heb gesproken!’

maakt MARYAH ALOHA bekend!”‘”

28:11 Opnieuw kwam het woord van Maryah naar mij toe zeggende,

28:12 “Zoon van mensen,

  hef een klaagzang op over de koning van Tyre en zeg tegen hem,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Gij bezat het zegel van volmaaktheid,

Vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid.

28:13 “Gij waart in Eden,

de hof van Aloha;

Elke kostbare steen was uw bedekking:

De robijn,

de topaas en de diamant;

De beryl,

de onyx en de jaspis;

De lapis lazuli,

de turkoois en de smaragd;

En het goud,

de vakmanschap van uw vattingen en houders,

Was in u.

Op de dag dat gij werd geschapen

Waren zij bereid.

28:14 “Gij waart de gezalfde cherub die overdekt,

En Ik plaatste u daar.

Gij waart op de heilige berg van Aloha;

Gij hebt op en neer gewandeld

te midden van de stenen van vuur.

28:15 “Gij waart onberispelijk in uw wegen

Vanaf de dag dat gij werd geschapen

Totdat (er) zondigheid in u werd gevonden.

28:16 “Door de overvloed van uw handel

Gij waart inwendig gevuld met geweld,

En gij zondigde;

  Daarom heb Ik u als goddeloos

Van de de berg van Aloha geworpen.

En Ik heb u vernietigd,

O overdekkende cherub,

Uit het midden van de stenen van vuur.

28:17 “Uw hart is verheven vanwege uw schoonheid;

Gij hebt uw wijsheid bedorven vanwege uw pracht.

Ik gooide u op de grond;

Ik heb u voor koningen geplaatst,

Opdat zij u zouden zien.

28:18 “Door de veelheid van uw ongerechtigheden,

In de ongerechtigheid van uw handel

Ontheiligde gij uw heiligdommen.

Daarom heb Ik vuur vanuit het midden van u gehaald;

Het heeft u verteerd,

En Ik heb u tot as veranderd op de aarde

Voor de ogen van allen die u zien.

28:19 “Allen onder de volken die u kennen

Zijn ontzet over u;

Gij zijt schrikwekkend geworden

En gij zult ophouden om voor eeuwig te zijn.”‘”

28:20 En het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

28:21 “Zoon van mensen,

richt uw aangezicht naar Sidon toe,

profeteer tegen haar-

28:22 en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

IK BEN tegen u,

O Sidon,

En Ik zal verheerlijkt worden in uw midden.

Dan zullen zij weten dat Ik MARYAH BEN

Wanneer Ik oordelen in haar uitvoer,

En Ik zal Mijn heiligheid in haar manifesteren.

28:23 “Want Ik zal pestziekte naar haar zenden

En bloed naar haar straten,

En de gewonden zullen in haar midden vallen

Door het zwaard van alle kanten tegen haar;

Dan zullen zij weten dat Ik MARYAH BEN.

28:24 “En voor het huis van Israël-

  zal er geen stekende rozenbottel

of een pijnlijke doornstruik meer zijn

van welke ook rondom hen die hen minachtte;

dan zullen zij weten dat Ik MARYAH ALOHA BEN.”

28:25 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Wanneer Ik het huis van Israël verzamel

  vanuit de volken onder welke zij verstrooid zijn,

en Mijn heiligheid in hen zal manifesteren

voor het aanblik van de naties,

dan zullen zij in hun land wonen

dat Ik aan Mijn dienaar Jakob gaf.

28:26 “Zij zullen er gerust in wonen;

en zij zullen huizen bouwen,

wijngaarden planten

en verzekerd wonen

wanneer Ik oordelen uitvoer

over allen rondom hen

die hen minachtten.

  Dan zullen zij weten dat Ik Maryah hun Aloha ben.”‘”

Ezekiel 29.

29:1 In het tiende jaar,

in de tiende maand,

  op de twaalfde van de maand,

  het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

29:2 “Zoon van mensen,

stel uw aangezicht op tegen Farao

koning van Egypte

en profeteer tegen hem

en tegen heel Egypte.

29:3 “Spreek en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik ben tegen u,

Farao koning van Egypte,

Het grote gedrocht die in het midden van zijn rivieren ligt,

Die heeft gezegd,

‘Mijn Nijl is de mijne,

  en Ik heb die zelf gemaakt.’

29:4 “Ik zal haken in uw kaken steken

En de vis van uw rivieren aan uw schubben doen hangen.

En Ik zal u vanuit het midden van uw rivieren ophalen,

En al de vis van uw rivieren zal zich aan uw schubben vastklampen.

29:5 “Ik zal u prijsgeven aan de woestijn,

u en al de vis van uw rivieren;

Gij zult op het open veld vallen;

gij zult niet samengebracht of verzameld worden.

Ik heb u tot voedsel gegeven

aan de beesten van de aarde

en aan de vogels van de lucht.

29:6 “Vervolgens,

al de inwoners van Egypte zullen weten

dat Ik MARYAH BEN,

Omdat zij slechts

een staf -van riet gemaakt- zijn geweest

voor het huis van Israël.

29:7 “Toen zij u met de hand vastgrepen,

Knakte je – en gij hebt hun allen de handen opengereten;

En toen zij op u leunden,

Knakte je – en gij hebt al hun lendenen doen wankelen.”

29:8 ‘Daarom dus zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik zal het zwaard over u brengen

en Ik zal mens en beest van u afsnijden.

29:9 “Het land van Egypte zal een verlatenheid en woestenij worden.

Vervolgens zullen zij weten dat Ik MARYAH BEN.

Omdat gij hebt gezegd,

‘De Nijl is de mijne,

en ik heb die gemaakt,’

29:10 daarom,

zie,

Ik ben tegen u en tegen uw rivieren,

en Ik zal het land van Egypte

tot een totaal verwoeste verlatenheid maken,

van Migdol tot Syene

en zelfs tot aan de grens van Ethiopië.

29:11 “Een mensenvoet zal er niet passeren,

  en de poot van een beest zal er niet passeren,

en het zal niet worden bewoond

gedurende veertig jaren.

29:12 “Zo zal Ik het land van Egypte tot een verlatenheid maken

te-midden van verlaten landen.

En haar steden,

te-midden van steden die verwoest zijn,

zullen veertig jaren verlaten zijn;

en Ik zal de Egyptenaren onder de naties verstrooien

en hen verspreiden onder de landen.”

29:13 ‘Want zo zegt Maryah Aloha,

“Aan het einde der veertig jaren

zal Ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken

onder wie zij waren verstrooid.

29:14 “Ik zal het lot van Egypte keren

en ze laten terugkeren naar het land van Pathros,

naar het land van hun herkomst,

en daar zullen zij een nederig koninkrijk zijn.

29:15 “Het zal het nederigste van de koninkrijken zijn,

en het zal zich nimmer meer verheffen boven de naties.

En Ik zal ze zo gering maken

dat zij niet meer over de naties zullen heersen.

29:16 “En het zal het vertrouwen van het huis van Israël niet meer zijn,

de ongerechtigheid tot gedachten brengende

van hun terugkeer naar Egypte .

Dan zullen zij weten dat Ik BEN MARYAH ALOHA.”‘”

29:17 Nu,

in het twintigste en zeven jaar,

in de eerste maand,

op de eerste van de maand,

het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

29:18 “Zoon van mensen,

Nebuchadnezzar koning van Babel

deed zijn leger hard arbeiden tegen Tyre;

  elke kop was kaal gemaakt

en elke schouder was (tot op het bot) afgeschuurd.

Maar hij en zijn leger hadden geen loon van Tyre

voor de arbeid die hij tegen haar had verricht.”

29:19 Daarom dus zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik geef het land van Egypte aan Nebuchadnezzar-

de koning van Babel.

En hij zal haar rijkdom wegdragen

en haar buit vangen

en haar roof grijpen:

en het zal tot lonen zijn

voor zijn leger.

29:20 “Ik heb hem het land van Egypte gegeven

voor zijn arbeid die hij heeft verricht,

omdat zij voor Mij hebben gearbeid,”

maakt Maryah Aloha bekend.

29:21 “Op die dag zal Ik een hoorn doen opschieten tot het huis van Israël,

en Ik zal uw mond openen in hun midden.

Dan zullen zij weten dat Ik BEN MARYAH.”

Ezekiel 30.

30:1 Het woord van Maryah kwam opnieuw naar mij toe,

zeggende,

30:2 “Zoon van mensen,

profeteer en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Jammert,

‘O wee om die dag!’

30:3 “Want die dag is nabij,

Zelfs de dag van Maryah is nabij;

Het zal een dag van verduistering zijn,

Een onheilstijd voor de naties.

30:4 “Een zwaard zal over Egypte komen,

Een stuiptrekking zal in Ethiopië zijn;

  Wanneer de verslagenen in Egypte vallen,

  Ze nemen haar rijkdommen weg,

En haar fundamenten worden afgebroken.

30:5 “Ethiopië,

Put,

Lud,

heel Arabië,

Libië-

en het volk van het land dat in verbond is-

zij zullen met hen door het zwaard vallen.”

30:6 ‘Zo zegt Maryah,

“Inderdaad,

zij die Egypte verdedigen zullen vallen-

En de hoogmoed van haar sterkte zal neder-komen;

Van Migdol tot Syene toe-

Zij zullen in haar door het zwaard vallen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

30:7 “Zij zullen verlaten worden in het midden van de verlaten landen;

En haar steden zullen in het midden van de verwoeste steden zijn.

30:8 “En zij zullen weten dat Ik BEN MARYAH,

Wanneer Ik een vuur in Egypte ontsteek-

En al haar helpers verbroken worden.

30:9 “Op die dag

zullen boodschappers van Mij uitgaan in schepen-

  om veilig Ethiopië bang te maken;

en benauwdheid zal bij hun zijn

zoals op de dag van Egypte;

want zie,

het komt!”

30:10 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

Ik zal ook de menigte van Egypte doen ophouden

Door de hand van Nebuchadnezzar koning van Babel.

30:11 “Hij en zijn volk met hem,

De meest gruwelijkste der naties,

Zal worden ingebracht om het land te vernietigen;

En zij zullen hun zwaarden trekken tegen Egypte

  En het land vullen met de verslagenen.

30:12 “Bovendien,

  Ik zal de Nijl kanalen doen opdrogen

En het land in de handen van slechte mannen verkopen.

En Ik zal het land verlaten maken

En alles dat daarin is,

Door de hand van vreemden;

Ik Maryah heb gesproken.”

30:13 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Ik zal ook de afgoden vernietigen

En de beelden van Memphis doen ophouden.

  En er zal geen prins meer zijn in het land van Egypte;

En Ik zal een vrees in het land van Egypte brengen.

30:14 “Ik zal Pathros verlaten maken,

Een vuur in Zoan leggen

En oordelen uitvoeren over Thebes.

30:15 “Ik zal Mijn gramschap over Sin uitstorten,

Het bolwerk van Egypte,

Ik zal ook de menigte van Thebes afsnijden.

30:16 “Ik zal een vuur in Egypte leggen;

Sin zal in benauwdheid kronkelen,

Thebes zal worden doorbroken

En Memphis zal dagelijks kwellingen hebben.

30:17 “De jonge mannen van On en van Pi-beseth-

Zij zullen door het zwaard vallen,

En de vrouwen-

Zij zullen in gevangenschap gaan.

30:18 “In Tehaphnehes zal de dag duister worden

Wanneer Ik daar de jukken van Egypte verbreek.

Dan zal de hoogmoed van haar sterkte in haar ophouden;

Een wolk zal haar bedekken,

En haar dochters zullen in gevangenschap gaan.

30:19 “Zo zal Ik oordelen over Egypte uitvoeren

En zij zullen weten dat Ik BEN MARYAH.”‘”

30:20 In het elfde jaar,

in de eerste maand,

op de zevende van de maand,

het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

30:21 “Zoon van mensen,

Ik heb de arm (of macht) van Farao gebroken-

koning van Egypte;

en zie,

hij is niet opgebonden geweest tot herstel

of met een verband omwikkeld,

opdat hij krachtig moge zijn om het zwaard vast te houden.

30:22 “Daarom dus zegt Maryah Aloha,

‘Zie,

Ik ben tegen Farao

koning van Egypte

en zal allebei zijn armen breken,

de sterke-

en de gebrokene;

en het zwaard zal Ik uit zijn hand doen vallen.

30:23 ‘Ik zal de Egyptenaren onder de naties verstrooien

en hen onder de landen verspreiden.

30:24 ‘Want Ik zal de armen van de koning van Babel versterken

en Mijn zwaard in zijn hand leggen;

en de armen van Farao zal Ik breken,

zodat hij voor hem zal kreunen

met het gekreun van een verwond man.

30:25 ‘Zo zal Ik de armen van de koning van Babel omhoog houden,

maar de armen van Farao zullen naar beneden vallen.

Dan zullen zij weten dat Ik BEN MARYAH,

wanneer Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel leg

  en hij dat uitstrekt tegen het land van Egypte.

30:26 ‘Wanneer Ik de Egyptenaren onder de naties verstrooi

en hen onder de landen verspreidt,

dan zullen zij weten dat Ik BEN MARYAH.'”

Ezekiel 31.

31:1 In het elfde jaar,

  in de derde maand,

op de eerste van de maand,

het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

31:2 “Zoon van mensen,

zeg tegen Farao koning van Egypte

en tegen zijn menigte,

‘Aan wie zijt gij in uw grootheid gelijk?

31:3 ‘Zie,

Assyrië was een ceder in Libanon

Met prachtige takken en met een schaduw-sluier,

En zeer hoog,

En zijn top was tussen de wolken.

31:4 ‘De wateren deden hem groeien,

de diepte maakte hem groot.

Haar stromen strekten zich voortdurend uit

helemaal rond zijn plantplaats,

En zij zond haar kanalen uit naar al de bomen van het veld.

31:5 Daarom was zijn hoogte verhevener dan alle bomen van het veld

en zijn dikke takken werden vele

en zijn zijtakken lang

Vanwege de vele wateren

terwijl hij hen uitspreidde.

31:6 ‘Al de vogels van de hemelen nestelden in zijn dikke takken,

En onder zijn zijtakken gaven al de beesten van het veld geboorte,

En alle grote naties leefden onder zijn schaduw.

31:7 ‘Zo was hij prachtig in zijn grootsheid,

in de lengte van zijn zijtakken;

Want zijn wortels strekten zich uit naar vele waters.

31:8 ‘De ceders in Aloha Zijn hof konden hem niet evenaren;

De cipressen konden niet vergeleken worden met zijn dikke takken,

En de platanen konden zijn zijtakken niet evenaren.

Geen boom in Aloha Zijn hof

kon met hem vergeleken worden in zijn schoonheid.

31:9 ‘Ik maakte hem zo schoon door de veelheid van zijn zijtakken,

  En al de bomen van Eden,

welke in de hof van Aloha waren,

waren jaloers op hem.

31:10 ‘Daarom dus zegt Maryah Aloha,

“Omdat hij hoog van gestalte is

  en zijn top tussen de wolken heeft gezet,

en zijn hart hooghartig is in zijn verhevenheid,

31:11 daarom zal Ik hem in de hand geven

van een geweldenaar der naties;

hij zal hem grondig aanpakken.

Volgens zijn goddeloosheid heb Ik hem uitgedreven.

31:12 “Vreemde tirannen der naties hebben hem omgehakt

en hebben hem verlaten;

zijn zijtakken-

zijn op de bergen en in al de valleien gevallen

en zijn dikke takken-

zijn verbroken geweest in al de ravijnen van het land.

En al de volken der aarde zijn uit zijn schaduw afgedaald

en hebben hem verlaten.

31:13 “Op zijn verwoest hout zullen al de vogels van de hemelen wonen,

en al de beesten van het veld zullen op zijn gevallen zijtakken zijn

31:14 opdat al de bomen bij de wateren

in hun gestalte niet zouden verheven worden,

noch hun top tussen de wolken plaatsen,

noch hun goed bewaterde machtigen rechtop staan in hun hoogte.

Want zij zijn allemaal overgegeven geworden aan de dood,

aan de aarde daar beneden,

onder de zonen der mensen,

samen met hen die afdalen naar de kuil.”

31:15 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Op die dag wanneer hij afdaalde naar Sheol maakte Ik klaagliederen;

Ik sloot de diepte over hem toe

en hield haar stromen tegen.

  En haar vele wateren werden opgestopt

  en Ik deed Libanon vanwege hem rouwen,

  en al de bomen van het veld kwijnden vanwege hem weg.

31:16 “Ik deed de naties beven op het geluid van zijn val

  wanneer Ik hem deed afdalen naar Sheol

samen met hen die afdaalden naar de kuil;

  en al de goed bewaterde bomen van Eden,

de prachtigste en de beste van Libanon,

werden vertroost in de aarde daar beneden.

31:17 “Ook daalden zij met hem af naar Sheol

naar degenen die door het zwaard werden gedood;

en degenen die zijn arm (of kracht) geweest waren

en onder zijn schaduw leefden

te midden van de naties.

31:18 “Tot welke onder de bomen van Eden

zijt gij dus gelijk in glorie en grootheid?

  Toch zult gij met de bomen van Eden

naar de aarde daar beneden worden gebracht;

  gij zult in het midden van de onbesnedenen liggen,

met degenen die door het zwaard werden gedood.

Zo is Farao en heel zijn menigte!”‘

maakt Maryah Aloha bekend.”

Ezekiel 32.

32:1 In het twaalfde jaar,

in de twaalfde maand,

op de eerste van de maand,

het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

32:2 “Zoon van mensen,

heft een klaagzang op over Farao

koning van Egypte

en zeg tegen hem,

‘Gij hebt uzelf vergeleken met een jonge leeuw van de naties,

Toch zijt gij als het gedrocht in de zeeën;

En gij barst uit in uw rivieren

En bemodderde de wateren met uw voeten

En bevuilde hen rivieren.'”

32:3 Dus zegt Maryah Aloha,

“Daarom zal Ik Mijn net over u uitspreiden

  Met een schare van vele volken,

En zij zullen u optillen in Mijn net.

32:4 “Ik zal u achterlaten op het land;

Ik zal u op het open veld werpen.

En Ik zal al de vogels van de hemelen op u doen wonen,

En Ik zal de beesten van de hele aarde met u bevredigen.

32:5 “Ik zal uw vlees op de bergen leggen

En de valleien met uw smerigheid vullen.

32:6 “Ik zal het land ook de lossing van uw bloed doen drinken

  Zo ver als bergen,

En de ravijnen zullen vol van u zijn.

32:7 “En wanneer Ik u uitdoof,

Zal Ik de hemelen bedekken

En hun sterren verduisteren;

Ik zal de zon met een wolk bedekken

  En de maan zal haar licht niet geven.

32:8 “Al de schitterende lichten in de hemelen

zal Ik over u verduisteren

En Ik zal een duisternis over uw land leggen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

32:9 “Ik zal ook de harten van vele volken kwellen

wanneer Ik uw vernietiging onder de naties breng,

naar de landen die gij niet hebt bekend.

32:10 “Ik zal vele volken ontzet over u maken,

en hun koningen zullen vreselijk bang worden van u

wanneer Ik Mijn zwaard voor hen zwaai;

en zij zullen elk moment sidderen,

ieder mens voor zijn eigen leven,

op de dag van uw val.”

32:11 Want zo zegt Maryah Aloha,

“Het zwaard van de koning van Babel zal over u komen.

32:12 “Door de zwaarden van de machtigen

zal Ik uw menigte doen vallen;

allen van hen zijn geweldenaars van de naties,

En zij zullen de hoogmoed van Egypte verwoesten,

En gans haar menigte zal vernietigd worden.

32:13 “Ik zal ook al haar vee vernietigen-

van bij de vele wateren;

En de voet van de mens zal hun niet meer troebel maken

  En de hoeven van beesten zullen hun niet meer troebel maken.

32:14 “Vervolgens,

Ik zal hun wateren laten bezinken

En zal maken dat hun rivieren vloeien als olie,”

maakt Maryah Aloha bekend.

32:15 “Wanneer Ik het land van Egypte tot een verlatenheid maak,

En het land is beroofd van datgene wat het vervulde,

Wanneer Ik al degenen die daarin leven zal slaan,

Dan zullen zij weten dat Ik BEN MARYAH.

32:16 “Dit is een weeklacht waarmee zij zullen weeklagen.

De dochters der naties zullen daarmee weeklagen.

Over Egypte en over haar gehele menigte zullen zij daarmee weeklagen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

32:17 In het twaalfde jaar,

op de vijftiende van de maand,

het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

32:18 “Zoon van mensen,

jammert voor de menigte van Egypte en werpt ze neerwaarts,

ja haar en de dochters van de machtige naties,

naar de onderwereld,

met hen die afdalen in de kuil;

32:19 ‘Wie overtreft gij in schoonheid?

Daal af en maak uw bed op bij de onbesnedenen.’

32:20 “Zij zullen in het midden vallen

van hen die door het zwaard worden doodgeslagen.

Zij is overgegeven aan het zwaard;

zij hebben haar naar beneden getrokken

met gans haar menigte .

32:21 “De sterke onder de machtigen

zal een rede houden over hem en zijn helpers

van uit het midden van Sheol;

‘Ze zijn afgedaald;

ze liggen er stil,

ja de onbesnedenen,

doodgeslagen door het zwaard.’

32:22 “Assyrië is daar en gans haar schare;

haar graven zijn rondom haar.

Allen van hen zijn gedood,

gevallen door het zwaard,

32:23 wiens graven in de verste delen van de kuil zijn geplaatst

  en haar schare is rondom haar graf.

  Allen van hen zijn gedood,

gevallen door het zwaard,

die verschrikkingen hebben verspreid

in het land der levenden.

32:24 “Elam is daar en gans haar schare rondom haar graf;

allen van hen gedood,

gevallen door het zwaard,

die onbesneden afdaalden

naar de lagere delen van de aarde,

  die hun terreur zaaiden in het land van de levenden

  toch droegen zij hun schande

met hen die naar de kuil afdaalden.

32:25 “Zij hebben een bed voor haar gemaakt tussen de gedoden

met gans haar menigte.

Haar graven zijn er omheen,

zij zijn allen onbesneden,

gedood door het zwaard

(Daar hun terreur in het land van de levenden was gezaaid),

en zij droegen hun schande

met hen die afdaalden naar de kuil:

zij werden in het midden van de gedoden gelegd.

32:26 “Meshech,

Tubal en gans hun menigte zijn daar,

hun graven omgeven hen.

  Allen van hen werden onbesneden gedood door het zwaard,

Daar zij hun terreur zaaiden in het land van de levenden.

32:27 “Evenmin liggen zij naast de gevallen helden van de onbesnedenen,

die met hun wapens der strijd afdaalden naar Sheol

  en wiens zwaarden onder hun hoofden werd gelegd;

maar de kastijding van hun ongerechtigheid rustte op hun beenderen,

daar de terreur van deze helden

ooit in het land van de levenden was.

32:28 “Maar in het midden der onbesnedenen zult gij verbroken worden

en gaan liggen bij degenen die door het zwaard zijn gedood.

32:29 “Ook Edom is daar,

haar koningen en al haar prinsen,

die vanwege al hun macht zijn gelegd

bij hen die door het zwaard zijn gedood;

zij zullen bij de onbesnedenen liggen

en bij degenen die naar de kuil afdaalden.

32:30 “Daar zijn ook de oversten van het noorden,

  allen van hen,

en al de Zidonians,

die in de wreedheid van de terreur als gevolg van hun macht,

in schaamte afdaalden met de verslagenen.

Zo liggen zij neer onbesneden

bij hen die door het zwaard zijn gedood

en dragen hun schande

met hen die afdaalden naar de kuil.

32:31 “Farao zal deze zien,

en hij zal getroost worden over zijn ganse menigte

(die) gedood (is) door het zwaard,

zelfs farao en heel zijn leger,”

maakt Maryah Aloha bekend.

32:32 “Al heb Ik hem alleen maar een schrik ingeboezemd

in het land der levenden,

toch zal hij worden gedwongen

om te gaan neerliggen tussen de onbesnedenen

samen met die gedoden door het zwaard,

zelfs farao en heel zijn menigte,”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 33.

33:1 En het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

33:2 “Zoon van mensen,

spreek tegen de zonen van uw volk en zeg tegen hen,

‘Wanneer Ik een zwaard over een land breng,

en het volk van het land één man van onder hen neemt

en hem tot hun wachter maakt,

33:3 “en hij ziet het zwaard over het land komen

en blaast op de bazuin

en waarschuwt het volk,

33:4 hij dan die het geluid van de bazuin hoort

en geen waarschuwing aanneemt,

en een zwaard komt en neemt hem weg,

zijn bloed zal op zijn eigen hoofd zijn.

33:5 ‘Hij hoorde het geluid van de bazuin

  maar nam geen waarschuwing aan;

  zijn bloed zal op hemzelf zijn.

Maar had hij waarschuwing aangenomen

hij zou zijn leven hebben gered.

33:6 ‘Maar als de wachter het zwaard ziet komen

en niet op de bazuin blaast

en het volk wordt niet gewaarschuwd,

en een zwaard komt en neemt iemand vanuit hen weg,

hij wordt in zijn ongerechtigheid weggenomen;

maar zijn bloed zal Ik van de wachter’s hand opeisen.’

33:7 “Welnu,

wat u betreft,

zoon van mensen,

Ik heb u tot een wachter benoemd

over het huis van Israël;

Zo zult gij een boodschap uit Mijn mond horen

en hun wegens Mij waarschuwen.

33:8 “Wanneer Ik tegen de goddeloze zeg,

‘O goddeloze mens,

gij zult zeker sterven,’

en gij spreekt niet om de goddeloze voor zijn weg te waarschuwen;

die goddeloze mens zal sterven in zijn ongerechtigheid,

maar zijn bloed zal Ik vanuit uw hand opeisen.

33:9 “Maar indien gij van uw kant een goddeloze mens waarschuwt

  om van zijn weg af te keren

en hij keert zich niet van zijn weg af,

hij zal sterven in zijn ongerechtigheid,

maar gij hebt uw leven gered.

33:10 “Welnu,

wat u betreft,

zoon van mensen,

zeg tegen het huis van Israël,

‘Zo hebt gij gesproken,

zeggende,

“Onze overtredingen en onze zonden zijn immers op ons,

en wij versmachten in hun;

hoe zijn wij dan in staat om te overleven?”‘

33:11 “Zeg tegen hun,

‘Aangezien Ik leef!’

maakt Maryah Aloha bekend,

‘Ik heb geen lust in de dood van de goddelozen,

maar eerder dat de goddeloze ((zich) van zijn weg afkeert en leeft.

Keert terug,

keert u af van uw wegen vol boosheid!

Waarom toch wilt gij sterven,

O huis van Israel?’

33:12 “En gij,

zoon van mensen,

zeg tegen uw medeburgers,

‘De gerechtigheid van een rechtvaardige mens

zal hem niet redden op de dag van zijn overtreding,

en wat betreft de goddeloosheid van de goddeloze,

hij zal niet struikelen vanwege deze

op de dag wanneer hij (zich) van zijn goddeloosheid afkeert;

terwijl een rechtvaardige mens niet in staat is

om te leven door zijn gerechtigheid

op de dag dat hij zonde begaat.’

33:13 “Wanneer Ik tegen de rechtvaardige zeg

(dat) hij immers zal leven,

en hij vertrouwt zo op zijn gerechtigheid

dat hij ongerechtigheid begaat,

zal geen van zijn rechtvaardige daden worden herinnerd;

maar in diezelfde ongerechtigheid van hem

die hij heeft begaan,

zal hij sterven.

33:14 “Maar wanneer Ik tegen de goddeloze zeg,

‘Gij zult immers sterven,’

  en hij (zich) van zijn zonde (af) keert

en wet en recht beoefent,

33:15 zo een goddeloze mens een gelofte herstelt,

terug betaald wat hij heeft genomen door diefstal,

wandelt door de verordeningen die het leven verzekeren

  zonder ongerechtigheid te begaan,

hij zal immers leven;

hij zal niet sterven.

33:16 “Niet één van zijn zonden die hij heeft begaan

zal tegen hem worden herinnerd.

Hij heeft wet en recht toegepast;

hij zal immers leven.

33:17 “Toch zeggen uw medeburgers,

‘De weg van Maryah is niet recht,’

terwijl het hun eigen weg is die niet recht is.

33:18 “Wanneer de rechtvaardige

(zich) van zijn gerechtigheid afkeert

en ongerechtigheid begaat,

dan,

zal hij daardoor sterven.

33:19 “Maar wanneer de goddeloze

(zich) van zijn goddeloosheid afkeert

en wet en recht toepast,

zal hij daardoor leven.

33:20 “Toch zegt gij,

‘De weg van Maryah is niet recht.’

O huis van Israël,

Ik zal elk van u oordelen naar zijn wegen.”

33:21 In het twaalfde jaar nu van onze ballingschap,

op de vijfde van de tiende maand,

de vluchtelingen uit Jeruzalem kwamen naar mij toe,

zeggende,

“De stad is ingenomen.”

33:22 Nu was de hand van Maryah ’s avonds op mij geweest,

  voordat die vluchtelingen kwamen.

En Hij opende mijn mond

op het tijdstip dat zij ’s ochtends tot mij kwamen;

Zo werd mijn mond geopend

en ik was niet langer sprakeloos.

33:23 Toen kwam het woord van Maryah naar mij toe,

zeggende,

33:24 “Zoon van mensen,

die in deze woeste plaatsen

in het land van Israël wonen – zij zeggen,

‘Abraham was maar één,

toch bezat hij het land;

zo is voor ons – die velen zijn

het land als een bezit gegeven geworden.’

33:25 “Zeg daarom tegen hun,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Gij eet vlees met het bloed erin,

heft uw ogen op naar uw afgoden terwijl gij bloed vergiet.

Moet gij dan het land bezitten?

33:26 “Gij vertrouwt op uw zwaard,

gij begaat gruweldaden

en ieder van u verontreinigt de vrouw van zijn naaste.

Moet gij dan het land bezitten? “‘

33:27 “Zo zult gij tegen hen zeggen,

  ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Aangezien Ik leef,

zullen zij die op de woeste plaatsen zijn

  zeker door het zwaard vallen,

en wie ook in het open veld is

zal Ik aan de beesten geven om verslonden te worden ,

en zij die in de vestingen en in de holen zijn

zullen sterven aan de pestziekte.

33:28 “Ik zal het land tot een verlatenheid en een woestenij maken,

en de hoogmoed van haar macht zal ophouden;

en de bergen van Israël zullen verlaten zijn

zodat niet één er door zal trekken.

33:29 “Dan zullen zij weten dat Ik Maryah ben,

wanneer Ik het land

tot een verlatenheid

en een woestenij maak

vanwege al hun gruweldaden

die zij hebben begaan.”‘

33:30 “Maar wat u betreft,

zoon van mensen,

uw medeburgers die spreken over u

bij de muren en in de deuropeningen van de huizen,

de een spreekt tegen de ander,

elkeen tot zijn broeder,

zeggende,

‘Kom nu en hoort

wat de boodschap is die van Maryah voortkomt.’

33:31 “Zij komen naar u toe zoals het volk komt;

en zij zitten voor u zoals Mijn volk

en horen uw woorden,

maar doen ze niet,

want met hun mond betonen zij veel liefde,

maar hun hart gaat hun hebzucht achterna

33:32 “Zie,

gij zijt voor hen als een sensueel liedje

  van iemand die een prachtige stem heeft

en goed op een instrument speelt;

want zij horen uw woorden

maar passen die niet toe.

33:33 “Dus wanneer dat gebeurt

-zoals het immers zal-

dan zullen zij weten

dat een profeet in hun midden is geweest.”

Ezekiel 34.

34:1 Vervolgens

het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

34:2 “Zoon van mensen,

profeteer tegen de herders van Israël.

Profeteer en zeg tegen die herders,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Wee,

herders van Israël die zichzelf hebben gevoed!

Behoren de herders de kudde niet te voeden?

34:3 “Gij eet het vet-

en kleedt uzelf met de wol,

  Gij slacht de vette schapen-

zonder de kudde te voeden.

34:4 “Degene die ziekelijk zijn hebt gij niet gesterkt,

  de zieke hebt gij niet genezen,

de verbrokene hebt gij niet verbonden,

de verstrooiden hebt gij niet teruggebracht,

en naar de verlorenen hebt gij ook niet gezocht;

maar met geweld en met strengheid hebt gij hen gedomineerd.

34:5 “Zij waren verstrooid bij gebrek aan een herder,

en zij werden voedsel voor elk beest van het veld

en zij waren verstrooid.

34:6 “Mijn kudde doolde door al de bergen

en op elke hoge heuvel;

Mijn kudde was verstrooid over al de oppervlakte van de aarde,

  en er was niet één om te onderzoeken

of om naar hen te zoeken.”‘”

34:7 “Daarom,

gij herders,

hoort het woord van Maryah:

34:8 “Aangezien Ik leef,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“Omdat Mijn kudde immers een prooi geworden is,

en Mijn kudde zelfs voedsel is geworden

voor al de beesten van het veld

bij gebrek aan een herder,

en Mijn herders naar Mijn kudde niet zochten,

maar de herders eerder zichzelf hebben gevoed

  en Mijn kudde niet hebben gevoed;

34:9 daarom,

gij herders,

hoort het woord van Maryah:

34:10 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik ben tegen de herders,

en Ik zal Mijn schapen van hun (hand) opeisen

  en hen doen stoppen met het weiden van schapen.

Zo zullen de herders zichzelf niet meer voeden,

maar Ik zal MIjn kudde uit hun mond bevrijden

  opdat zij geen voedsel voor hen zullen zijn.”‘”

34:11 Want zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik

Ik zal zelf naar Mijn schapen zoeken

  en ze opzoeken.

34:12 “Zoals een herder voor zijn kudde zorgt

op de dag wanneer hij onder zijn verstrooide schapen is,

zo zal ik voor Mijn schapen zorgen

en zal ze bevrijden

uit al de plaatsen waarheen zij waren verstrooid

  op een betrokken en sombere dag.

34:13 “Ik zal ze uit de volken halen

en ze uit de landen verzamelen

en ze naar hun eigen land brengen;

en Ik zal ze voeden

op de bergen van Israël;

bij de beken,

en in al de bewoonde plaatsen van het land.

34:14 “Ik zal ze voeden op een goede weide,

en hun graas grond zal op de berghoogten van Israël zijn.

Daar zullen zij neerliggen op goede graas grond

en zich voeden op een weelderige weide op de bergen van Israël.

34:15 “Ik zal Mijn kudde voeden

en Ik zal ze de weg wijzen naar rustigheid,”

maakt Maryah Aloha bekend.

34:16 “Ik zal dat wat verloren was zoeken,

en dat wat verstrooid was terugbrengen,

en dat wat verbroken was verbinden,

en dat wat ziek was versterken;

maar het vette en het sterke zal Ik vernietigen.

Ik zal ze in gerechtigheid voeden.

34:17 “Wat u betreft,

Mijn kudde,

zo zegt Maryah Aloha,

‘Zie

Ik zal tussen het ene en het andere schaap oordelen,

zelfs tussen de rammen en de mannelijke geiten.

34:18 ‘Lijkt het u een te gering ding-

dat gij u op de goede weide moet voeden,

maar dat gij de rest van uw weide met uw voeten moet vertreden?

of dat gij van het heldere water drinkt,

maar gij de rest met uw voeten moet bevuilen?

34:19 ‘Wat betreft Mijn kudde,

zij moeten eten wat gij met uw voeten vertrapt

en drinken wat gij met uw voeten vervuilt!'”

34:20 Daarom,

zo zegt Maryah Aloha tegen hen,

  “Zie,

Ik,

zelfs Ik,

zal oordelen tussen het vette schaap

en het magere schaap.

34:21 “Omdat gij met zijde en met schouder verdringt,

en al de zwakken met uw horens stoot

totdat gij hen naar alle kanten verstrooid hebt,

34:22 daarom,

Ik zal Mijn kudde verlossen,

en zij zullen niet langer tot een buit zijn;

en Ik zal tussen het ene schaap

en het andere schaap oordelen.

34:23 “Vervolgens,

Ik zal een herder over hen plaatsen,

Mijn dienaar David,

en hij zal ze voeden;

hij zal ze voeden-

hijzelf-

en hun herder zijn.

34:24 “En Ik,

Maryah,

zal hun Aloha zijn,

en Mijn dienaar-

David-

zal vorst zijn

te midden van hun;

Ik Maryah heb gesproken.

34:25 “Ik zal een verbond van vrede met hun maken

en (zal) de schadelijke beesten uit het land verwijderen;

zodat zij veilig mogen leven-

in de woestijn –

en rusten-

in de wouden.

34:26 “Ik zal hun

en de plaatsen rondom Mijn heuvel tot een zegen maken.

En Ik zal stortregens maken

die naar beneden komen in hun seizoen;

ze zullen stortregens van zegen zijn.

34:27 “Ook de boom van het veld zal zijn vrucht voortbrengen

en de aarde zal haar vermeerdering voortbrengen,

en zij zullen veilig zijn op hun land.

Dan zullen zij weten dat Ik Maryah ben,

wanneer Ik de staven van hun juk heb verbroken-

en hen verlost heb-

uit de hand van degenen die hen tot slaaf maakten.

34:28 “Zij zullen niet langer ten prooi zijn aan de naties,

en de beesten van de aarde zullen hen niet verslinden;

maar ze zullen veilig leven,

en niet één zal hen bevreesd maken.

34:29 “Een vermaarde plantplaats-

zal Ik voor hun vestigen,

  en van hongersnood in het land zullen zij niet weer slachtoffers zijn,

en de hoon der naties zullen zij niet langer verdragen.

34:30 “Dan zullen zij weten dat Ik,

Maryah hun Aloha,

met hun ben,

en dat zij,

het huis van Israël,

Mijn volk zijn,”

maakt Maryah Aloha bekend.

34:31 “Wat betreft u,

Mijn schapen,

de schapen van Mijn weide,

gij zijt mensen,

en Ik ben uw Aloha,”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 35.

35:1 Verder,

het woord van Maryah kwam naar mij toe zeggende,

35:2 “Zoon van mensen,

richt uw aangezicht tegen Berg-Seir,

en profeteer ertegen-

35:3 en zeg ertegen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik ben tegen u,

Berg Seir,

En Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken

En u tot een verlatenheid en een puinhoop maken.

35:4 “Ik zal uw steden in puin leggen

  En gij zult een verlatenheid worden

Vervolgens zult gij weten dat IK BEN MARYAH.

35:5 “Omdat gij eeuwige vijandschap hebt gehad

en de zonen van Israël

aan de macht van het zwaard hebt overgeleverd

  ten tijde van hun rampspoed,

ten tijde van de kastijding van het einde,

35:6 daarom,

zo als Ik leef,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“Ik zal u overgeven aan het bloedvergieten,

en het bloedvergieten zal u achtervolgen;

aangezien gij het bloedvergieten niet hebt gehaat,

daarom zal het bloedvergieten u achtervolgen.

35:7 “Ik zal Berg Seir tot een puinhoop-

en een verlatenheid maken

en degene die er doorheen gaat en terugkeert

zal Ik ervan afsnijden .

35:8 “Ik zal zijn bergen met zijn verslagenen vullen;

op uw heuvels

en in uw valleien

en in al uw ravijnen

zullen zij vallen

die door het zwaard omgebracht zijn.

35:9 “Ik zal u tot een eeuwigdurende verlatenheid maken

  en uw steden zullen niet bewoond worden.

Vervolgens zult gij weten dat Ik BEN MARYAH.

35:10 “Omdat gij hebt gezegd,

‘Deze twee naties

en deze twee landen zullen de mijne zijn,

en wij zullen ze bezitten,’

alhoewel Maryah daar was,

35:11 daarom zo als Ik leef,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“Ik zal met u handelen volgens uw boosheid

  en volgens uw nijd die gij toonde

vanwege uw haat tegen hen;

zo zal Ik Mijzelf onder hen bekend maken

wanneer Ik u oordeel.

35:12 “Dan zult gij weten dat Ik,

Maryah,

al uw beschimpingen heb gehoord

  welke gij hebt gesproken

tegen de bergen van Israël- zeggende,

‘Ze zijn tot puin gelegd,

ze zijn ons gegeven om te verslinden.’

35:13 “En gij hebt arrogant tegen Mij gesproken

en gij hebt uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd;

Ik heb het gehoord.”

35:14 ‘Dus zegt Maryah Aloha,

“Terwijl de hele wereld zich verheugt-

zal Ik u tot een verlatenheid maken.

35:15 “Zoals gij u verheugde

  over de erfenis van het huis van Israël

  omdat zij een verlatenheid was,

zo zal Ik (ook) met u doen.

Gij zult (ook) een verlatenheid zijn,

O Berg Seir,

en gans Edom,

helemaal zelfs.

Dan zullen zij weten dat Ik BEN MARYAH.”‘

Ezekiel 36.

36:1 “En gij,

Zoon van mensen,

profeteer tegen de bergen van Israël en zeg,

‘O bergen van Israël,

hoort het woord van Maryah.

36:2 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Omdat de vijand tegen u heeft gesproken,

‘Aha!’ en,

‘De eeuwige hoge plaatsen zijn zelfs ons bezit geworden,’

36:3 daarom- profeteer en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Wegens sterke reden

hebben zij u verlaten gemaakt

en u van alle kanten verpletterd,

zodat gij tot een bezit zou worden voor het overblijfsel der naties-

en gij zijt opgenomen geweest in de praatjes

en de fluisteringen van het volk.”‘”

36:4 ‘Daarom,

O bergen van Israël,

hoort het woord van Maryah Aloha.

Zo zegt Maryah Aloha

tegen de bergen en tegen de heuvels,

tegen de ravijnen en tegen de valleien,

tegen de verlaten puinhopen en tegen de verlaten steden

welke tot een buit en een spotternij geworden zijn

voor het overblijfsel der naties

welke rondom zijn,

36:5 daarom dus zegt Maryah Aloha,

“In het vuur van Mijn jaloersheid heb Ik immers gesproken

tegen het overblijfsel van de naties,

en tegen heel Edom,

die Mijn land hebben toegeëigend

als een bezit voor zichzelf

met de vreugde van gans hun hart

en met minachting van ziel,

om het te verdrijven als een prooi.”

36:6 ‘Daarom profeteer betreffende het land Israël

en zeg tegen de bergen en tegen de heuvels,

tegen de ravijnen en tegen de valleien,

“Zo zegt Maryah Aloha,

‘Zie,

Ik heb gesproken in Mijn jaloersheid

en in Mijn toorn

omdat gij de beschimpingen der naties hebt verdragen.’

36:7 “Daarom dus zegt Maryah Aloha,

‘Ik heb immers gezworen

dat de naties

  die rondom u zijn

  hun beschimpingen zelf zullen verdragen.

36:8 ‘Maar gij,

O bergen van Israël

  gij zult uw takken uitsteken

en uw vrucht voor Mijn volk Israël dragen;

want zij zullen spoedig komen.

36:9 ‘Want,

zie,

IK BEN voor u,

en Ik zal naar u toekeren,

en gij zult bewerkt en bezaaid worden.

36:10 ‘Ik zal mensen vermenigvuldigen op u,

geheel het huis van Israël,

alles ervan;

en de steden zullen worden bewoond

en de verlaten plaatsen zullen worden herbouwd.

36:11 ‘Ik zal mens en beest vermenigvuldigen op u;

en zij zullen toenemen en vruchtbaar zijn:

en Ik zal ervoor zorgen dat gij wordt bewoond

zoals gij vroeger waart

en zal u beter behandelen dan eerst.

  Zo zult gij weten dat Ik BEN MARYAH.

36:12 ‘Ja,

Ik zal mensen

-Mijn volk Israël-

ertoe bewegen om over u te wandelen en u te bezitten,

  zodat gij hun erfenis zult worden

  en (gij) hen nooit meer (zult) beroven van hun kinderen.’

36:13 “Zo zegt Maryah Aloha,

‘Omdat zij tegen u zeggen,

“Gij zijt een verslinder van mensen

en hebt uw natie van kinderen beroofd,”

36:14 daarom zult gij niet langer mensen verslinden

en niet langer uw natie van kinderen beroven,’

maakt Maryah Aloha bekend.

36:15 “Ik zal u geen beledigingen van de naties meer laten horen,

ook zult gij de schande van de volken niet langer verdragen,

ook zult gij uw natie niet langer doen struikelen,”

maakt Maryah Aloha bekend.'”

36:16 Vervolgens kwam het woord van Maryah naar mij toe,

zeggende,

36:17 “Zoon van mensen,

toen het huis van Israel in hun eigen land woonde,

verontreinigden zij het door hun wegen en hun daden;

hun weg vóór Mij

was als de onreinheid van een vrouw in haar onzuiverheid.

36:18 “Daarom stortte Ik Mijn gramschap over hen uit-

vanwege het bloed dat zij hadden vergoten

op het land,

en omdat zij dat hadden verontreinigd

met hun afgoden.

36:19 “Ook verstrooide Ik hen onder de naties

en ze waren verspreid door de landen.

Naar hun wegen en hun daden oordeelde Ik hen.

36:20 “Toen zij naar de naties kwamen waarheen zij gingen,

ontheiligden ze Mijn heilige naam,

omdat er van hen werd gezegd,

‘Dit zijn de mensen van Maryah;

toch zijn ze van Zijn land uit gekomen’

36:21 “Maar Ik was bezorgd om Mijn heilige naam,

die het huis van Israël had ontheiligd

onder de naties

waarheen zij zijn gegaan.

36:22 “Daarom zeg tegen het huis van Israël,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Het is niet omwille van u,

O huis van Israël,

dat Ik op het punt sta te handelen,

maar om Mijn heilige naam,

die gij hebt ontheiligd

onder de naties

waarheen gij zijt gegaan.

36:23 “Ik zal de heiligheid van Mijn grote naam rechtvaardigen

die ontheiligd is geweest onder de naties,

die gij hebt ontheiligd in hun midden.

Dan zullen de naties weten dat Ik BEN MARYAH,”

Maakt Maryah Aloha bekend,

“Wanneer Ik Mijzelf heilig toon

te midden van u

voor hun aangezicht.

36:24 “Want Ik zal u uit de naties nemen,

u verzamelen uit al de landen

en u in uw eigen land brengen.

36:25 “Vervolgens,

  Ik zal schoon water over u sprenkelen,

en gij zult rein zijn;

Ik zal u reinigen van al uw smerigheid

en van al uw afgoden.

36:26 “Verder,

Ik zal u een nieuw hart geven

en een nieuwe geest in u leggen;

en Ik zal het hart van steen uit uw vlees verwijderen

en u een hart van vlees geven.

36:27 “Ik zal Mijn geest in u leggen

en u doen wandelen in Mijn inzettingen,

  en Mijn verordeningen

zult gij met een scherp oog observeren.

36:28 “Gij zult wonen in het land

dat Ik aan uw voorvaders gaf;

zo zult gij Mijn volk zijn,

en Ik zal uw Aloha zijn.

36:29 “Verder,

Ik zal u verlossen van al uw onreinheid;

en Ik zal tot het graan roepen en het vermenigvuldigen,

en Ik zal geen hongersnood over u brengen.

36:30 “Ik zal de vrucht van de boom vermenigvuldigen

en de opbrengst van het veld,

opdat gij niet opnieuw

de schande van hongersnood

onder naties zult ontvangen.

36:31 “Dan zult gij uw boze wegen herinneren

en uw daden die niet goed waren,

en gij zult walgen van uzelf

voor uw eigen aanblik

  voor uw ongerechtigheden en uw gruweldaden.

36:32 “Ik doe dit niet omwille van u,’

maakt Maryah Aloha bekend,

“Laat het aan u bekend zijn.

Wees beschaamd en verbijsterd u om uw wegen,

O huis van Israël!”

36:33 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Op de dag dat Ik u reinig van al uw ongerechtigheden,

zal Ik maken dat de steden bewoond worden,

en de verwoeste plaatsen herbouwd zullen worden.

36:34 “Het verlaten land-

zal bewerkt worden-

inplaats van een verlatenheid te zijn-

voor het aanblik van eenieder die er voorbij komt.

36:35 “Zij zullen zeggen,

‘Dit verlaten land is als de hof van Eden geworden;

en de verwoeste,

verlaten en ten gronde gerichte steden-

zijn versterkt en bewoond.’

36:36 “Dan zullen de naties

welke rondom u zijn achtergebleven

weten dat Ik,

Maryah,

de verwoeste plaatsen heb herbouwd

en datgene beplantte wat verlaten was;

Ik,

Maryah,

heb gesproken en zal het doen.”

36:37 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Ook zal Ik het huis van Israël Mij laten vragen

om dit voor hen te doen:

Ik zal hun mensen

als een kudde vermeerderen.

36:38 “Zoals de kudde om te offeren,

zoals de kudde te Jeruzalem tijdens haar benoemde feesten,

zo zullen de verlaten steden worden gevuld met kuddes van mensen.

Dan zullen zij weten dat Ik BEN MARYAH.”‘”

Ezekiel 37.

37:1 De hand van Maryah was op mij,

en Hij bracht mij uit door de Geest van Maryah

en zette mij neer in het midden van de vallei;

en het was vol met knoken.

37:2 Hij deed mij rondom hen voorbijgaan,

en zie,

er waren er heel veel op het oppervlak van de vallei;

en kijk,

zij waren erg dor.

37:3 Hij zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

kunnen deze knoken leven?”

En ik antwoordde:

“O Maryah, Gij weet het.”

37:4 Wederom zei Hij tegen mij,

“Profeteer over deze knoken en zeg tegen hen,

‘O dorre knoken,

hoort het woord van Maryah.’

37:5 “Zo zegt Maryah Aloha tegen deze knoken,

‘Zie,

Ik zal adem in u doen gaan

opdat gij tot leven moogt komen.

37:6 ‘Ik zal pezen op u leggen,

terug vlees op u doen groeien,

u bedekken met huid

en adem in u brengen

opdat gij levend moogt worden;

en gij zult weten dat Ik BEN MARYAH.'”

37:7 Dus profeteerde ik zoals mij was geboden;

en terwijl ik profeteerde was er een geluid,

en zie,

een gerammel;

en de knoken kwamen bij elkaar,

knook naar zijn knook.

37:8 En Ik keek,

en zie,

pezen waren op hen,

en vlees groeide en de huid bedekte hen;

maar adem was er niet in hen.

37:9 Vervolgens,

Hij zei tegen mij,

“Profeteer tegen de adem,

profeteer,

zoon van mensen,

en zeg tegen de adem,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Kom vanuit de vier winden,

O adem,

en adem op deze doden,

opdat zij tot leven komen.”‘”

37:10 Dus profeteerde ik zoals Hij mij geboden had,

en de adem kwam in hen,

en zij kwamen tot leven

en stonden op hun voeten,

een buitengewoon groot leger.

37:11 Toen zei Hij tegen mij,

“Zoon van mensen,

deze knoken zijn het gehele huis van Israël;

zie,

zij zeggen,

‘Onze knoken zijn verdord

en onze hoop is verloren.

We zijn compleet afgesneden.’

37:12 “Daarom-

profeteer en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik zal uw graven openen

en u doen opkomen vanuit uw graven,

Mijn volk;

en ik zal u in het land van Israël brengen.

37:13 “Dan zult gij weten dat Ik BEN MARYAH,

wanneer Ik uw graven geopend heb,

en u vanuit uw graven heb doen opkomen,

Mijn volk.

37:14 “En Ik zal Mijn Geest in u leggen

en gij zult tot leven komen,

en Ik zal u op uw eigen land plaatsen.

Dan zult gij weten dat Ik,

Maryah,

dit gesproken en gedaan heb,”

maakt Maryah bekend.'”

37:15 Het woord van Maryah kwam opnieuw naar mij toe,

zeggende,

37:16 “En gij,

zoon van mensen,

neem voor uzelf één stok en schrijf op deze,

‘Voor Judah en voor de zonen van Israël,

zijn metgezellen’;

neem vervolgens nog één stok en schrijf op deze,

‘Voor Jozef,

de stok van Ephraim

en heel het huis van Israël,

zijn metgezellen.’

37:17 “Vervolgens,

voeg die voor u tezamen

de een bij de andere

tot één stok,

opdat zij in uw hand één mogen worden.

37:18 “Wanneer de zonen van uw volk tot u spreken,

zeggende,

‘Wilt gij ons niet bekend maken wat gij hiermee bedoelt?’

37:19 Zeg dan tegen hen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik zal de stok van Jozef,

die in de hand is van Ephraim,

en van de stammen van Israël,

zijn metgezellen nemen;

en Ik zal ze samenvoegen,

met de stok van Judah,

en ze tot één stok maken,

en ze zullen één zijn in Mijn hand.”‘

37:20 “De stokken waarop gij schrijft

zullen voor hun ogen

  in uw hand zijn.

37:21 “Zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik zal de zonen van Israël

vanonder de naties nemen

waarheen zij gegaan zijn,

en Ik zal ze van alle kanten verzamelen

en ze in hun eigen land brengen;

37:22 en Ik zal hen tot één natie maken in het land,

op de bergen van Israël;

en één zal koning zijn-

koning voor allen van hen;

en zij zullen niet langer twee naties zijn

en niet langer in twee koninkrijken verdeeld zijn.

37:23 “Ze zullen zichzelf niet langer verontreinigen met hun afgoden,

of met hun verfoeilijke dingen,

of met een van hun overtredingen;

maar Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen

in welke zij hebben gezondigd,

en zal hen reinigen.

En zij zullen Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn.

37:24 “Mijn dienaar David zal koning over hen zijn,

en zij zullen allen één herder hebben;

en zij zullen in Mijn verordeningen wandelen

en Mijn inzettingen bewaren

en zich daaraan houden.

37:25 “Ze zullen wonen in het land

dat Ik gaf aan Jakob Mijn dienaar,

waarin uw vaders woonden;

en zij zullen daarin wonen,

zij,

en hun zonen en de zonen van hun zonen,

voor eeuwig;

en David Mijn dienaar

zal hun Vorst zijn

voor eeuwig.

37:26 “Ik zal een verbond van vrede met hun sluiten;

het zal een eeuwig verbond met hen zijn.

En Ik zal hen thuisbrengen en hen vermenigvuldigen,

en zal Mijn heiligdom in hun midden plaatsen

voor eeuwig.

37:27 “Mijn woonplaats zal ook bij hen zijn;

en Ik zal hun Aloha zijn,

en zij zullen Mijn volk zijn.

37:38 “En de naties zullen weten

dat Ik BEN MARYAH

die Israël heiligt,

wanneer Mijn heiligdom in hun midden is

voor eeuwig.”‘”

Ezekiel 38.

38:1 En het woord van Maryah kwam naar mij toe,

zeggende,

38:2 “Zoon van mensen,

richt uw aangezicht naar Gog toe-

van het land Magog,

de soevereine vorst van Rosh,

Meshech en Tubal,

en profeteer tegen hem-

38:3 en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik ben tegen u,

O Gog,

soevereine vorst van Rosh,

Meshech en Tubal.

38:4 “Ik zal u omdraaien en haken in uw kaken steken,

en Ik zal u uitbrengen,

en heel uw leger,

paarden en ruiters,

allen van hen prachtig gekleed,

een groot gezelschap met pantser-schild en wapen-schild,

allen van hen zwaarden zwaaiende;

38:5 Perzië,

Cush en Put met hen,

allen van hen met het wapen-schild en helm;

38:6 Gomer met al zijn troepen;

Beth-togarmah

uit de afgelegen delen van het noorden

met al zijn troepen-

vele volken zelfs met u.

38:7 “Wees voorbereid,

en maak u klaar,

gij en al uw gezelschappen

  die rondom u zijn verzameld,

en wees een bewaker voor hen.

38:8 “Na vele dagen zult gij worden opgeroepen;

in de laatste jaren zult ge tegen het land komen

dat is hersteld van het zwaard,

wiens inwoners zijn verzameld geweest uit vele naties

tot de bergen van Israël

welke een voortdurende verwoesting zijn geweest;

maar haar volk werd vanuit de naties gebracht,

en ze wonen veilig,

allen van hen.

38:9 “Gij zult opgaan,

gij zult komen als een storm

gij zult als een wolk zijn die het land bedekt,

gij en al uw troepen,

en vele volken met u.”

38:10 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Het zal zowat komen op die dag,

dat gedachten in uw geest zullen opkomen

en gij een kwaad plan zult bedenken,

38:11 en gij zult zeggen,

‘Ik zal opgaan tegen het land van de niet ommuurde dorpen.

Ik zal ingaan tegen diegenen die in rust zijn,

die verzekerd wonen,

zij wonen allen zonder muren

en hebben geen tralies noch poorten,

38:12 om roof te vangen en om buit te grijpen

om uw hand te keren tegen de woeste plaatsen

die nu bewoond zijn,

en tegen het volk dat uit de heidenen is verzameld ,

dat vee en goederen heeft verkregen,

dat in het centrum van de wereld woont.’

38:13 “Sheba en Dedan

en de handelaars van Tarshish

met al haar steden

  zullen tegen u zeggen,

‘Zijt gij gekomen om de buit te veroveren?

Hebt gij uw gezelschap bijeengebracht om buit te grijpen,

om zilver en goud weg te dragen,

om vee en goederen weg te nemen,

om grote buit te veroveren?'”‘

38:14 “Daarom profeteer,

zoon van mensen,

en zeg tegen Gog,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Op die dag wanneer Mijn volk Israël verzekerd woont,

zult gij het niet weten?

38:15 “Gij zult komen vanuit uw plaats

vanuit de afgelegen delen van het noorden,

gij en vele volken met u,

allen van hen rijdend op paarden,

een groot gezelschap en een machtig leger;

38:16 en gij zult opkomen tegen Mijn volk Israël

  zoals een wolk om het land te bedekken.

  Het zal zowat komen in de laatste dagen

dat Ik u tegen Mijn land zal brengen,

opdat de naties Mij mogen kennen

wanneer Ik door u heen

voor hun ogen wordt geheiligd,

O Gog.”

38:17 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zijt gij degene,

van wie Ik sprak in vroegere dagen

door Mijn dienaren de profeten van Israël,

die in die dagen gedurende vele jaren profeteerden

dat Ik u tegen hun zou brengen?

38:18 “Het zal zowat komen op die dag,

wanneer Gog tegen het land van Israël opkomt,”

maakt Maryah Aloha bekend,

“dat Mijn razernij in Mijn gramschap zal opklimmen.

38:19 “In Mijn vurigheid en in Mijn brandende toorn-

maak Ik bekend-

dat er immers op die dag een grote beving zal zijn-

in het land van Israël.

38:20 “De vissen van de zee,

de vogels van de hemelen,

de beesten van het veld,

al de kruipende dingen die op de aarde kruipen,

en al de mensen die op het aangezicht van de aarde zijn

  zullen beven bij Mijn aanwezigheid;

ook de bergen zullen neergegooid worden,

de steile paden zullen instorten

en elke muur zal op de grond neervallen.

38:21 “Ik zal een zwaard tegen hem oproepen-

op al Mijn bergen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

“Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn.

38:22 “Met pestziekte en met bloed

zal Ik met hem in het gericht treden;

en Ik zal doen neerkomen

over hem en over zijn troepen,

en over de vele volken die bij hem zijn,

een onstuimige regen,

met hagelstenen,

vuur en zwavel.

38:23 “Ik zal Mijzelf groot maken,

Mijzelf heiligen,

en Mijzelf bekend maken

voor het aangezicht van vele naties;

en zij zullen weten

dat Ik BEN MARYAH.”‘

Ezekiel 39.

39:1 “En gij,

zoon van mensen,

profeteer tegen Gog en zeg,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Zie,

Ik ben tegen u,

O Gog,

soevereine vorst van Rosh,

Meshech en Tubal;

39:2 en Ik zal u omdraaien,

u opjagen,

u opnemen uit de meest afgelegen delen van het noorden

en u opbrengen tegen de bergen van Israël.

39:3 “Ik zal uw boog vanuit uw linkerhand slaan

en uw pijlen vanuit uw rechterhand naar beneden smijten.

39:4 “Gij zult op de bergen van Israël vallen,

gij en al uw troepen en de volken die bij u zijn;

Ik zal u als voedsel geven-

aan allerlei soorten van

roof-zuchtige-vogels

en beesten van het veld.

39:5 “Gij zult op het open veld vallen;

want IK BEN het die gesproken heb,”

maakt Maryah Aloha bekend.

39:6 “En Ik zal vuur zenden op Magog-

en op hen die de kustgebieden veilig bewonen ;

en zij zullen weten dat Ik BEN MARYAH.

39:7 “Mijn heilige naam

zal Ik bekend maken

in het midden van Mijn volk Israël;

en Ik zal Mijn heilige naam niet meer ontheiligd laten worden.

En de naties zullen weten dat Ik BEN MARYAH,

de ENE Heilige in Israël.

39:8 “Zie,

het is komend en het zal gedaan worden,”

maakt Maryah Aloha bekend.

“Dit is de dag van welke ik heb gesproken.

39:9 “Vervolgens,

zij die de steden van Israël bewonen zullen uitgaan

en vuren maken van de wapens en die verbranden,

zowel wapenschilden als hand-schilden,

bogen en pijlen,

strijd-knuppels en speren,

en gedurende zeven jaren zullen ze er vuren van maken.

39:10 “Ze zullen geen hout halen vanuit het veld

noch brandhout verzamelen vanuit de bossen,

want ze zullen vuren maken van de wapens;

en zij zullen de roof nemen van zij die hun beroofd hebben

  en de plundering grijpen van zij die hen geplunderd hebben,”

maakt Maryah Aloha bekend.

39:11 “Op die dag,

Ik zal Gog daar in Israël een begrafenis grond geven,

het dal van hen die ten oosten van de zee voorbijtrekken,

en het zal hen die zouden voorbij trekken versperren.

Zo zullen ze Gog daar met heel zijn troep begraven,

en zij zullen het noemen

‘Het dal van Hamon-gog’.

39:12 “Gedurende zeven maanden

zal het huis van Israël hen begraven

om het land te reinigen.

39:13 “Ja al het volk van het land zal hen begraven;

  en het zal hen tot roem zijn

  op de dag dat Ik Mijzelf verheerlijk,”

maakt Maryah Aloha bekend.

39:14 “Zij zullen mannen apart zetten

die voortdurend door het land zullen trekken,

om degenen te begraven die er doorheen gingen,

zelfs degenen die op het oppervlak van de grond zijn achtergelaten,

om die te reinigen.

Aan het einde van zeven maanden

zullen ze een zoektocht maken.

39:15 “Wanneer degenen die doortrekken

doorheen het land trekken

en iemand ziet een mensen bot;

dan zal hij er een merkteken bijzetten

  totdat de doodgravers het begraven hebben

in het dal van Hamon-gog.

39:16 “En ja de naam van de stad zal Hamonah zijn.

zo zullen zij het land reinigen.”‘

39:17 “Wat u betreft,

zoon van mensen,

zo zegt Maryah Aloha,

“Spreek tegen elke soort van gevogelte

en tegen elk beest van het veld,

“Verzamel en kom,

verzamelt van alle kanten tot Mijn offer

dat IK BEN voor u ga offeren,

als een groot offer op de bergen van Israël,

opdat gij vlees moge eten

en bloed moge drinken.

39:18 “Gij zult het vlees van machtige mannen eten

en het bloed van de vorsten der aarde drinken,

alsof ze rammen,

lammeren,

geiten en stieren waren,

allemaal vetgemeste beesten van Bashan.

39:19 “Zo zult gij vet eten totdat gij overvol zijt,

en bloed drinken totdat gij wankel zijt,

van Mijn offer

dat Ik voor u geofferd heb.

39:20 “Gij zult aan Mijn tafel worden gevuld

met paarden en wagenmenners,

met machtige mannen

en al de krijgslieden,”

maakt Maryah Aloha bekend.

39:21 “En Ik zal Mijn eer zetten onder de naties;

en al de naties zullen Mijn oordeel zien

welke Ik heb uitgevoerd

en Mijn hand die Ik op hen heb gelegd.

39:22 “Zo zal het huis van Israël weten

dat IK BEN Maryah hun Aloha

vanaf die dag en daarna.

39:23 “De naties zullen weten

dat het huis van Israël in ballingschap ging

vanwege hun ongerechtigheid,

omdat zij trouweloos tegen mij handelden,

en Ik verborg Mijn aangezicht voor hen;

dus gaf Ik ze in de hand van hun tegenstanders,

en allen van hen vielen door het zwaard.

39:24 “Volgens hun onreinheid

en volgens hun overtredingen

handelde Ik met hen,

en Ik verborg Mijn aangezicht voor hen.”‘”

39:25 Daarom dus zegt Maryah Aloha,

“Nu zal Ik het lot van Jakob herstellen

en barmhartigheid hebben over het hele huis van Israël;

en om Mijn heilige naam

zal Ik ijverzuchtig zijn.

39:26 “Ze zullen hun schande vergeten

en al hun verraad

dat ze tegen Mij hebben begaan,

wanneer ze veilig wonen in hun eigen land

met niet één om hen bevreesd te maken.

39:27 “Wanneer Ik ze terugbreng van de volken

en ze verzamel uit de landen van hun vijanden,

dan zal Ik door hen worden geheiligd

voor het aanblik van de vele naties.

39:28 “Dan zullen zij weten dat IK BEN Maryah hun Aloha

omdat Ik hen in ballingschap onder de naties heb doen gaan,

en hen vervolgens opnieuw verzamelde tot hun eigen land;

en ik zal geen van hen daar nog langer achterlaten.

39:29 “Ik zal Mijn aangezicht niet langer voor hen verbergen,

want Ik zal Mijn Geest over het huis van Israël hebben uitgestort,”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 40.

40:1 In het twintigste en vijf jaar van onze ballingschap,

bij het begin van het jaar,

op de tiende van de maand,

in het tiende en vier jaar

nadat de stad werd ingenomen,

op diezelfde dag was de hand van Maryah op mij

en Hij bracht me daarheen.

40:2 In de visioenen van Aloha

bracht Hij mij in het land van Israël

en zette mij op een zeer hoge berg,

en daarop

tegen het zuiden

daar was een constructie als van een stad.

40:3 Dus bracht Hij mij daarheen;

en zie,

daar was een man

wiens uiterlijk was gelijk het uiterlijk van brons,

met een lijn van vlas

en een meetstaaf in zijn hand;

en hij stond in de poort.

40:4 De man zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

zie met uw ogen,

hoor met uw oren,

en geef aandacht

aan alles wat ik u ga laten zien;

want gij zijt hierheen gebracht

om het aan u te laten zien.

Maak aan het huis van Israël alles bekend dat gij ziet.”

40:5 En zie,

er was een muur aan de buitenkant van de tempel

er helemaal om heen,

en in de hand van de man was een meetstaaf van zes ellen,

elk daarvan was één el en een handbreed.

Zo mat hij de dikte van de muur,

één staaf;

en de hoogte,

één staaf.

40:6 Toen ging hij naar de poort die naar het oosten keek,

  ging haar trappen op en mat de dorpel van de poort,

één staaf in de breedte,

en de andere dorpel

was één staaf in de breedte.

40:7 Elk wachtershuisje was één staaf lang en één staaf breed;

en er waren vijf ellen tussen de wachtershuisjes

  En de dorpel van de poort

bij het portiek van de poort

naar binnen gericht,

was één staaf.

40:8 Vervolgens mat hij het portiek van de poort naar binnen gericht,

één staaf.

40:9 Hij mat het (andere) portiek van de poort,

acht ellen;

en haar zij-pilaren,

twee ellen.

En het portiek van de poort was naar binnen gericht.

40:10 De wachtershuisjes van de poort naar het oosten

telden aan elke kant drie;

  de drie van hen hadden dezelfde maat.

  De zij-pilaren hadden ook dezelfde maat aan elke zijde.

40:11 En hij mat de breedte van de ingang der poort,

  tien ellen,

  en de lengte van de poort,

dertien ellen.

40:12 Er was een scheidingsmuur,

van één el breed

voor de wachtershuisjes

aan elke zijde;

en de wachtershuisjes waren vierkant

zes ellen aan elke zijde.

40:13 Hij mat de poort

  vanaf het dak van het ene wachtershuisje

naar het dak van het andere,

een breedte van twintig en vijf ellen

van de ene deur naar de tegenovergestelde deur.

40:14 Hij maakte de zij-pilaren zestig ellen hoog;

de poort ongeveer verlengd-

tot aan de zij-pilaar van de binnenplaats.

40:15 Vanaf de voorkant van de toegangspoort

tot de voorkant van het binnenportiek van de poort,

  was het vijftig ellen.

40:16 Er waren geblindeerde ramen

uitziende naar de wachtershuisjes,

en naar hun zij-pilaren overal in de poort

  en eveneens naar de portieken.

  En overal waren er ramen in;

en aan elke zij-pilaar

waren palmboom ornamenten.

40:17 Toen bracht hij mij in de buitenste voorhof,

en zie,

er waren kamers

en een plaveisel

gemaakt  voor de voorhof

helemaal rondom;

  dertig kamers keken uit op het plaveisel.

40:18 Het plaveisel-

(Dat is, het onderste plaveisel)

  was aan de zijkant van de poorten,

overeenkomstig met de lengte van de poorten.

40:19 Vervolgens mat hij de breedte van de voorkant van de lagere poort

tot de voorkant van het buitenste van de binnenhof,

één honderd ellen over het oosten en ook over het noorden.

40:20 Wat betreft de poort van de buitenste voorhof

  welke uitkeek naar het noorden,

hij mat de lengte en de breedte ervan.

40:21 Zij had drie wachtershuisjes aan elke kant;

en haar zij-pilaren

en haar portieken

hadden dezelfde maat als de eerste poort.

Haar lengte was vijftig ellen

en de breedte twintig en vijf ellen.

40:22 Haar ramen

en haar portieken

en haar palmboom ornamenten

hadden dezelfde maat

als de poort die naar het oosten uitkeek;

en zij werd bereikt door zeven treden;

en haar portiek was vóór hen.

40:23 De binnenste voorhof had een poort

tegenover de poort aan het noorden

zoals ook de poort aan het oosten;

en hij mat één honderd ellen

van poort tot poort.

40:24 Daarna leidde hij mij naar het zuiden,

en zie,

daar was een poort naar het zuiden;

en hij mat haar zij-pilaren

en haar portieken

  volgens die zelfde maten.

40:25 De poort en haar portieken

hadden overal ramen

zoals die andere ramen;

de lengte was vijftig ellen

en de breedte twintig en vijf ellen.

40:26 Er waren zeven treden opgaand ernaar toe,

  en haar portieken waren voor hen;

  en zij had palmboom ornamenten op haar zij-pilaren,

één aan elke zijde.

40:27 De binnenste voorhof

had een poort naar het zuiden toe;

en hij mat van poort tot poort naar het zuiden toe,

één honderd ellen.

40:28 Daarna bracht hij mij naar de binnenste voorhof door de zuidpoort;

en hij mat de zuidpoort

volgens die zelfde maten.

40:29 Ook haar wachtershuisjes,

haar zij-pilaren,

en haar portieken,

waren volgens die zelfde maten.

En de poort en haar portieken

hadden overal ramen;

ze was vijftig ellen lang en twintig en vijf ellen breed.

40:30 Er waren overal portieken,

twintig en vijf ellen lang

en vijf ellen breed.

40:31 Haar portieken waren naar de buitenste voorhof toe;

  en palmboom ornamenten waren op haar zij-pilaren,

en haar trappenhuis had acht treden.

40:32 Hij bracht mij naar de binnenste voorhof naar het oosten toe.

En hij mat de poort volgens die zelfde maten.

40:33 Ook haar wachtershuisjes,

haar zij-pilaren,

en haar portieken,

waren volgens die zelfde maten.

En de poort

en haar portieken

hadden overal ramen;

zij was vijftig ellen lang

en twintig en vijf ellen breed.

40:34 Haar portieken waren naar de buitenste voorhof toe:

en palmboom ornamenten waren op haar zij-pilaren,

aan elke zijde;

en haar trappenhuis had acht treden.

40:35 Daarna bracht hij me naar de noordpoort;

en hij mat haar volgens die zelfde maten,

40:36 met haar wachtershuisjes,

haar zijpilaren

en haar portieken.

En de poort had overal ramen;

de lengte was vijftig ellen

en de breedte twintig en vijf ellen.

40:37 Haar zij-pilaren waren naar de buitenste voorhof toe;

en palmboom ornamenten waren op haar zij-pilaren

aan elke zijde,

en haar trappenhuis had acht treden.

40:38 Een kamer met haar deuropening

was bij de zij-pilaren aan de poort;

daar spoelde men het brandoffer af.

40:39 In het portiek van de poort waren twee tafels

aan elke zijde,

om daarop het brandoffer

het zondeoffer,

en het schuldoffer te doden.

40:40 Aan de ene buitenkant;

(zoals men naar de toegang van de poort opging)

richting het noorden,

waren twee tafels;

en aan de andere kant

van het portiek van de poort

waren twee tafels.

40:41 Vier tafels waren aan elke kant naast de poort;

hetzij,

acht tafels waarop men de offers slachtte.

40:42 Voor het brandoffer waren er vier tafels van gehouwen steen,

één el en een half lang

één el en een half breed

en één el hoog,

waarop men het gereedschap neerlegde

waarmee men het brandoffer en het offer slachtte.

40:43 De dubbele haken,

één handbreedte in lengte,

werden overal in huis vastgemaakt;

en op de tafels was het vlees van het offer.

40:44 Vanaf het buitenste tot aan de binnenste poort

waren er kamers voor de wacht in de binnenste voorhof,

waarvan er één aan de zijkant van de noordpoort was,

met zijn voorkant gericht naar het zuiden,

en één aan de zijkant van de zuidpoort

gericht naar het noorden.

40:45 Hij ze tegen mij,

“Dit is de kamer die naar het zuiden gericht is,

bestemd voor de priesters

die de tempel in het oog houden;

40:46 maar de kamer die naar het noorden is gericht

is voor de priesters die het altaar in het oog houden.

Dit zijn de zonen van Zadok,

die uit de zonen van Levi tot Maryah naderen

om Hem te dienen.”

40:47 Hij mat de voorhof,

een volmaakt vierkant,

één honderd ellen lang

en één honderd ellen breed;

en het altaar was voor de tempel.

40:48 Daarna bracht hij mij naar het portiek van de tempel

en mat elke zij-pilaar van het portiek,

vijf ellen aan elke kant;

en de breedte van de poort

was drie ellen aan elke kant.

40:49 De lengte van het portiek was twintig ellen

en de breedte elf ellen;

en bij het trappenhuis

door welke hij was opgegaan

waren kolommen die behoorden tot de zij-pilaren,

één aan elke kant.

Ezekiel 41.

41:1 Daarna bracht hij mij naar de ark

en mat de zij-pilaren;

zes ellen breed aan elke kant

  was de breedte van een zij-pilaar.

41:2 De breedte van de ingang was tien ellen

en de zijkanten van de ingang waren vijf ellen

aan elke kant.

En hij mat de lengte van de ark,

veertig ellen,

en de breedte,

twintig ellen.

41:3 Vervolgens ging hij naar binnen

en mat elke zij-pilaar van de deuropening,

twee ellen,

en de deuropening,

zes ellen hoog;

en de breedte van de deuropening,

zeven ellen.

41:4 Hij mat haar lengte,

twintig ellen,

  en de breedte,

twintig ellen,

voor de ark;

en hij zei tegen mij,

“Dit is de allerheiligste plaats.”

41:5 Daarna mat hij de muur van de tempel,

zes ellen,

  en de breedte van de zijkamers,

vier ellen,

helemaal rondom het huis

van alle kanten.

41:6 De zijkamers waren op drie verdiepingen,

de een boven de ander,

en dertig op elke verdieping;

en de zijkamers staken uit tot tegen de muur

die helemaal rondom hun binnenste wand stond,

opdat ze zouden vastgemaakt worden,

en niet in de muur van de tempel zelf

zouden vastgemaakt worden.

41:7 De zijkamers rondom de tempel-

waren op elke opeenvolgende verdieping wijder.

  Omdat de structuur rondom de tempel

  aan alle kanten van de tempel met etappes omhoog ging,

  daarom nam de breedte van de tempel toe-

naarmate deze hoger werd;

  en zo ging men van de laagste verdieping

naar de hoogste omhoog

door middel van de tweede verdieping.

41:8 Ik zag ook dat het huis een verheven spreekgestoelte had

helemaal rondom;

de fundamenten van de zijkamers

waren zes ellen lang

en één volle roede in de hoogte.

41:9 De dikte van de buitenste muur

van de zijkamers was vijf ellen.

Maar de vrije ruimte tussen de zijkamers

behorende tot de tempel-

41:10 en de buitenste kamers

  was twintig ellen in de breedte

helemaal om de tempel heen

aan elke kant.

41:11 De deuropeningen van de zijkamers naar de vrije ruimte

bestonden uit één doorgang naar het noorden

  en één andere doorgang naar het zuiden;

en de breedte van de vrije ruimte was vijf ellen helemaal rondom.

41:12 Het gebouw dat voor de afgescheiden ruimte was

aan de kant naar het westen

  was zeventig ellen breed;

en de muur van het gebouw

was overal vijf ellen dik

  en zijn lengte was negentig ellen.

41:13 Daarna mat hij de tempel af,

één honderd ellen lang;

  ook de afgescheiden ruimte

samen met het gebouw en haar muren

waren één honderd ellen lang.

41:14 Ook de breedte van de voorkant van de tempel

en die van de afgescheiden ruimtes langs de oostkant

bedroeg één honderd ellen.

41:15 Hij mat de lengte van het gebouw

langs de voorkant van de afgescheiden ruimte erachter,

met een galerij aan elke kant,

  één honderd ellen;

hij mat ook de binnenste ark

en de portieken van de voorhof.

41:16 De drempels,

de getraliede ramen

en de galerijen rondom haar drie verdiepingen,

tegenover de drempel,

waren overal met hout betimmerd,

en vanaf de grond tot aan de ramen

(Maar de ramen waren bedekt),

41:17 over de ingang,

en aan het binnenste huis,

en op de buitenkant,

en op de gehele wand rondom

binnen en buiten,

  op maat.

41:18 Het was gebeeldhouwd

met cherubim en palmbomen;

en één palmboom was er tussen cherub en cherub,

en elke cherub had twee aangezichten,

41:19 een mensen gezicht

in de richting van de palmboom aan één kant

en een jonge leeuwen gezicht

in de richting van de palmboom aan de andere kant;

ze waren overal gebeeldhouwd

op het hele huis.

41:20 Vanaf de grond tot boven de ingang

waren er cherubim en palmbomen gebeeldhouwd,

zo-wel-als op de muur van de ark.

41:21 De deurposten van de ark waren vierkant;

wat de voorkant van het allerheiligste betreft,

het uiterlijk van de ene deurpost

was als die van de ander.

41:22 Het altaar was van hout,

drie ellen hoog en haar lengte twee ellen;

haar hoeken,

en haar voetstuk

en haar zijkanten waren van hout.

En hij zei tegen mij,

“Dit is de tafel die voor Maryah is

41:23 De ark

en het allerheiligste

hadden elk een dubbele deur.

41:24 Elk van de deuren had twee bladen,

twee (open) zwaaiende bladen;

twee bladen voor de ene deur

en twee bladen voor de ander.

41:25 Ook waren er op hen gebeeldhouwd,

op de deuren van de ark,

cherubim en palmbomen

zoals die op de muren waren gebeeldhouwd;

  en er was een drempel van hout

aan de voorkant bij het portiek daarbuiten.

41:26 Er waren traliewerk ramen

en palmbomen aan de ene kant en aan de andere,

aan de zijwanden van het portiek;

  zo waren de zijkamers van het huis

en de drempels.

Ezekiel 42.

42:1 Daarna bracht hij mij naar buiten in de buitenste voorhof,

de weg naar het noorden;

en hij bracht mij naar de kamer

die tegenover de afgescheiden ruimte was

en tegenover het gebouw naar het noorden.

42:2 Langs de lengte,

die één honderd ellen was,

was de noordelijke deur;

de breedte was vijftig ellen.

42:3 Tegenover de twintig ellen-

die behoorden tot de binnenste voorhof,

en tegenover het plaveisel

die behoorde tot de buitenste voorhof,

was een zuilengalerij-

vergelijkbaar met een zuilengalerij-

in drie verdiepingen.

42:4 Voor de kamers was een binnenste wandelweg

tien ellen breed,

een weg van één honderd ellen;

en hun openingen waren op het noorden.

42:5 Nu waren de bovenste kamers smaller

omdat de galerijen meer ruimte van hen wegnamen

dan van de lagere

en de middelste in het gebouw.

42:6 Want ze waren in drie verdiepingen-

en hadden geen pilaren zoals de pilaren van de voorhoven;

daarom werden de bovenste kamers achteruit geplaatst

van de grond af naar boven,

meer dan de lagere en de middelste.

42:7 Wat betreft de buitenste muur

aan de zijkant van de kamers,

die naar de buitenste voorhof gericht was

  tegenover de kamers,

  zijn lengte was vijftig ellen.

42:8 Want de lengte van de kamers

  die in de buitenste voorhof waren

was vijftig ellen:

  en zie,

de lengte van die tegenover de tempel

was één honderd ellen.

42:9 Onder deze kamers

was de ingang op de oostkant,

  wanneer men hen betreed

vanuit de buitenste voorhof.

42:10 Bij de dikte van de muur van de voorhof

naar het oosten toe,

tegenover de afgescheiden ruimte

en tegenover het gebouw,

daar waren kamers,

42:11 met één weg voor hen;

overeenkomstig het uiterlijk van die kamers

welke op het noorden waren,

naar hun lengte zo was ook hun breedte,

en al hun uitgangen-

en beide waren naar hun inrichtingen en openingen.

42:12 En overeenstemmend met de openingen van de kamers

die naar het zuiden waren gericht

was er een opening aan de kop van de weg,

de weg voor de muur naar het oosten,

zoals men hen ingaat.

42:13 Daarna zei hij tegen mij,

“De noordelijke kamers en de zuidelijke kamers,

die tegenover de afgescheiden ruimte zijn,

zij zijn de heilige kamers

waar de priesters die dicht bij Maryah zijn

de heiligste dingen zullen eten.

Daar zullen zij de heiligste dingen neerleggen,

het graanoffer,

het zondoffer en het schuldoffer;

want de plaats is heilig.

42:14 “Wanneer de priesters betreden,

dan zullen zij van het allerheiligste niet uitgaan

in de buitenste voorhof

zonder daar eerst hun gewaden neer te leggen

in welke zij dienen,

want ze zijn heilig.

Zij zullen andere gewaden aantrekken;

dan zullen zij dat naderen wat aan het volk behoort.”

42:15 Wanneer hij nu het opmeten van het binnenste huis had beëindigd,,

bracht hij mij naar buiten

door de weg van de poort

wiens uitzicht zich naar het oosten uitstrekt

en mat het helemaal rondom .

42:16 Hij mat aan de oostelijke zijde

met het meetriet:

vijfhonderd rieten

met het meetriet.

42:17 Hij mat aan de noordelijke zijde

vijfhonderd rieten

met het meetriet.

42:18 Aan de oostelijke zijde

mat hij vijfhonderd rieten

met het meetriet.

42:19 Hij draaide naar de westelijke zijde

en mat vijfhonderd rieten

met het meetriet.

42:20 Hij mat het aan de vier zijden;

het had een muur helemaal rondom,

de lengte vijfhonderd

en de breedte vijfhonderd,

om een scheiding te maken

tussen dat wat heilig was en dat wat gewoon was.

Ezekiel 43.

43:1 Daarna leidde hij mij naar de poort,

de poort naar het oosten gericht;

43:2 en zie,

de glorie van Aloha van Israël

was komende vanaf de weg van het oosten.

En Zijn stem was als het geluid van vele wateren;

en de aarde schitterde door Zijn glorie.

43:3 En het was zoals

de verschijning van het visioen dat ik zag,

zoals het visioen dat ik zag

toen Hij kwam om de stad te vernietigen.

En de visioenen waren

zoals het visioen dat ik zag bij de rivier Chebar;

en ik viel op mijn aangezicht.

43:4 En de glorie van Maryah

kwam in het huis

langs de weg van de poort naar het oosten toe gericht.

43:5 En de Geest tilde mij op

en bracht mij in de binnenste voorhof;

en zie,

de glorie van Maryah vervulde het huis.

43:6 Toen hoorde ik iemand

vanuit het huis tegen mij spreken,

terwijl er een man naast mij was

staande.

43:7 Hij zei tegen mij,

“Zoon van mensen,

dit is de plaats van Mijn troon

en de plaats van de zolen van Mijn voeten,

waar Ik onder de zonen van Israël zal wonen

voor altijd.

En het huis van Israël

  zal Mijn heilige naam niet opnieuw verontreinigen,

noch zij noch hun koningen,

door hun hoererij

  en door de lijken van hun koningen

wanneer ze sterven,

43:8 door hun drempel tegen Mijn drempel te plaatsen-

en hun deurpost naast Mijn deurpost,

met slechts de muur tussen Mij en hen.

En zij hebben Mijn heilige naam verontreinigd

door hun gruweldaden die zij hebben begaan.

Dus heb Ik ze in Mijn toorn verteerd.

43:9 “Laat hen nu hun hoererij

en de lijken van hun koningen

verre van Mij wegdoen;

en Ik zal onder hun wonen

voor altijd.

43:10 “Wat u betreft,

zoon van mensen,

beschrijf de tempel aan het huis van Israël,

opdat zij zich zouden schamen voor hun ongerechtigheden;

en laat ze het plan nauwkeurig uitmeten.

43:11 “Indien zij zichzelf schamen

over alles wat ze hebben gedaan,

maak aan hen bekend,

het ontwerp van het huis,

haar structuur,

haar uitgangen,

haar ingangen,

al haar ontwerpen,

al haar verordeningen,

en al haar wetten.

En schrijf het uit voor hun aangezicht,

opdat zij haar hele ontwerp

en al haar verordeningen

in acht nemen

en ze mogen doen.

43:12 “Dit is de wet van het huis:

haar hele gebied

op de top van de berg

helemaal rondom

zal allerheiligst zijn.

Zie,

dit is de wet van het huis.

43:13 “En dit zijn de afmetingen van het altaar door ellen

(de el zijnde één el en één handbreedte):

het voetstuk zal één el zijn

en de breedte één el,

en haar eindpunt aan haar rand helemaal rondom één omvang;

en dit zal de hoogte zijn van het voetstuk van het altaar.

43:14 “Vanaf het voetstuk op de grond tot aan de onderste richel

zullen twee ellen zijn

en de breedte één el;

en van de kleinere richel tot aan de grotere richel

zullen vier ellen zijn

en de breedte één el.

43:15 “Het altaar-vuur

zal vier ellen zijn;

en vanuit het altaar-vuur

zullen vier hoornen naar boven uitsteken.

43:16 “Het altaar-vuur

zal twaalf ellen lengte

  bij twaalf ellen breedte zijn,

  naar zijn vier zijden vierkant.

43:17 “De richel zal veertien ellen lengte-

bij veertien breedte zijn

  aan haar vier zijden,

de rand eromheen zal een halve el zijn

en haar voetstuk zal één el helemaal rondom zijn;

en haar treden zullen naar het oosten gericht zijn.”

43:18 En Hij zei tegen mij,

“zoon van mensen,

zo zegt Maryah Aloha,

‘Dit zijn de verordeningen voor het altaar

op de dag dat het word gebouwd,

om er brandoffers op te offeren

en om er bloed op te besprenkelen.

43:19 ‘Gij zult aan de Levitische priesters

die uit het zaad van Zadok zijn geven,

die tot Mij naderen om Mij te dienen,’

maakt Maryah Aloha bekend,

‘een stierkalf-voor-het-zondoffer.

43:20 ‘Gij zult wat van zijn bloed nemen

en het aan haar vier hoornen doen

en aan de vier hoeken van de richel

en aan de rand eromheen;

zo zult gij haar reinigen

en verzoening voor haar doen.

43:21 ‘Gij zult ook het stierkalf-

voor-het-zondoffer nemen,

en het zal worden verbrand

in de bestemde plaats van het huis,

buiten het allerheiligste.

43:22 ‘Op de tweede dag

zult gij een mannelijke geit zonder smet offeren

tot een zondoffer,

en men zal het altaar reinigen

gelijk men haar reinigde met het stierkalf.

43:23 ‘Wanneer gij het reinigen hebt afgewerkt,

zult gij een stierkalf zonder smet-

en een ram zonder smet vanuit de kudde offeren.

43:24 ‘Gij zult hen voor Maryah aanbieden

en de priesters zullen zout op hen werpen,

en men zal hen offeren

als een brandoffer aan Maryah.

43:25 ‘Zeven dagen lang

zult gij elke dag een geit

tot-een-zondoffer bereiden;

ook een stierkalf

en een ram vanuit de kudde,

zonder smet,

zullen worden bereid.

43:26 ‘Zeven dagen lang

zullen zij verzoening doen voor het altaar

en het reinigen;

zo zullen zij het heiligen.

43:27 ‘Wanneer zij de dagen hebben voltooid,

zal het zijn dat op de achtste dag en daarna,

de priesters uw brandoffers op het altaar zullen brengen,

en uw vredeoffers;

en Ik zal u accepteren,’

maakt Maryah Aloha bekend.”

Ezekiel 44.

44:1 Vervolgens,

Hij bracht me terug

op de weg bij de buitenste poort van het allerheiligste,

welke naar het oosten is gericht;

en zij was dicht.

44:2 Maryah zei tegen mij,

“Deze poort zal afgesloten zijn;

zij zal niet geopend worden,

en niet één zal door haar ingaan,

want Maryah Aloha van Israël

  is door haar ingegaan;

daarom zal zij afgesloten zijn.

44:3 “Wat de vorst betreft,

hij zal in haar zitten als vorst

om brood te eten voor Maryah;

hij zal ingaan door de weg van het portiek van de poort

en zal uitgaan langs dezelfde weg.”

44:4 Vervolgens,

Hij bracht me over de weg bij de noordelijke poort

  naar de voorkant van het huis toe;

  en ik keek,

en zie,

de glorie van Maryah

  vulde het huis van Maryah,

en ik viel op mijn aangezicht.

44:5 Maryah zei tegen mij,

“Zoon van mensen;

markeer nauwkeurig,

zie met uw ogen

en hoor met uw oren alles wat Ik u zeg

  betreffend al de verordeningen van het huis van Maryah

en betreffende al haar wetten;

en markeer nauwkeurig de ingang van het huis,

met alle uitgangen van het allerheiligste.

44:6 “Gij zult zeggen

tegen de opstandige,

ja tegen het huis van Israël,

‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Genoeg van al uw gruweldaden,

O huis van Israël,

44:7 omdat gij vreemdelingen inbracht,

onbesneden van hart

en onbesneden van vlees,

om in Mijn allerheiligste te zijn

  om het te ontheiligen,

ja Mijn huis,

terwijl gij Mijn voedsel offerde,

het vet en het bloed;

want zij maakten Mijn verbond nietig–

dit om toe te voegen aan al uw gruweldaden.

44:8 “En zelf hebt gij de wacht niet gehouden

over Mijn heilige dingen,

  maar gij hebt vreemdelingen aangesteld

om de wacht te houden

over Mijn allerheiligste,

om uzelf te plezieren.”

44:9 ‘Dus zegt Maryah Aloha,

“Geen vreemdeling

onbesneden van hart

en onbesneden van vlees,

zelfs van alle vreemdelingen

die zich onder de zonen van Israël bevinden,

zal Mijn allerheiligste ingaan.

44:10 “Maar de Levieten die ver van Mij verdwenen

toen Israël op een dwaalspoor ging,

die van Mij afdwaalden hun afgoden achterna,

zij zullen de straf voor hun ongerechtigheid dragen.

44:11 “Toch zullen zij dienaars zijn in Mijn allerheiligste,

die toezicht houden aan de poorten van het huis

en in het huis dienen;

zij zullen het brandoffer

en het slachtoffer voor het volk slachten,

en zij zullen voor hun staan

om hen te dienen.

44:12 “Omdat zij tot hen dienden voor hun afgoden

en een struikel-blok van ongerechtigheid werden

voor het huis van Israël,

daarom heb Ik tegen hen door een eed bevestigd,”

maakt Maryah Aloha bekend,

dat zij de straf voor hun ongerechtigheid zullen dragen.

44:13 “En zij zullen tot Mij niet naderen

om als een priester voor Mij te dienen,

evenmin om tot één van Mijn heilige dingen naderen

tot de dingen die allerheiligst zijn;

maar zij zullen hun schande dragen

en hun gruweldaden

die zij hebben begaan.

44:14 “Toch zal Ik hen aanstellen om de wacht te houden

over het huis,

over al haar dienst

en over alles wat daarin zal gedaan worden.

44:15 “Maar de Levitische priesters,

de zonen van Zadok,

die de wacht hielden over Mijn allerheiligste,

wanneer de zonen van Israël van Mij afdwaalden,

zullen tot Mij naderen om Mij te dienen;

en zij zullen voor Mij staan

om Mij het vet en het bloed te offeren,”

maakt Maryah Aloha bekend.

44:16 “Zij zullen Mijn allerheiligste ingaan;

zij zullen tot Mijn tafel naderen

om aan Mij te dienen-

en om Mijn wacht te houden.

44:17 “Het zal zijn,

dat zij,

wanneer zij in de poorten ingaan

van de binnenste voorhof

bekleed zullen worden met linnen gewaden;

en op hen zal geen wol zijn

terwijl zij in de poorten dienen

van de binnenste voorhof

en in het huis.

44:18 “Linnen tulbanden zullen op hun hoofden staan

en linnen kniebroeken zullen op hun lendenen zijn;

zij zullen zich niet omgorden

met iets waardoor ze gaan zweten.

44:19 “Wanneer zij uitgaan naar de buitenste voorhof,

ja naar de buitenste voorhof tot het volk,

zullen zij hun gewaden uitrekken

in welke zij hebben gediend

en hen in de heilige kamers leggen;

dan zullen ze andere gewaden aantrekken

opdat zij geen heiligheid zullen overdragen

door hun gewaden

naar het volk toe.

44:20 “Ook zullen zij hun hoofden niet scheren,

toch zullen zij hun lokken niet laten aangroeien;

zij zullen slechts het haar van hun hoofden bijknippen.

44:21 “Ook zal niet één van de priesters wijn drinken

wanneer zij de binnenste voorhof ingaan.

44:22 “En een weduwe

of een weg-gezonden-vrouw

zullen zij niet huwen;

maar maagden zullen zij nemen

uit het zaad van het huis van Israël,

of een weduwe die de weduwe van een priester is.

44:23 “Verder,

zullen zij Mijn volk het verschil leren

tussen het heilige en het onheilige

en hun doen onderscheiden

tussen het onreine en het reine.

44:24 “In een geschil zullen zij hun plaats innemen om te oordelen;

zij zullen het oordelen naar Mijn verordeningen.

Zij zullen ook Mijn wetten

en Mijn inzettingen houden

op al Mijn vastgestelde feesten

en Mijn sabbatten heiligen.

44:25 “Zij zullen niet naar een gestorven mens gaan

om zich te verontreinigen;

echter,

voor vader,

of voor moeder,

of voor zoon,

of voor dochter,

voor broer,

of voor een zuster-

die geen man heeft gehad,

mogen zij zich verontreinigen.

44:26 “Nadat hij gereinigd is,

zullen zeven dagen voor hem verstrijken.

44:27 “Op de dag dat hij het allerheiligste ingaat,

ja naar de binnenste voorhof

om in het allerheiligste te dienen,

zal hij zijn zondoffer offeren,”

maakt Maryah Aloha bekend.

44:28 “En dit zal betreffende een erfenis voor hun zijn,

opdat IK BEN hun erfenis;

en gij zult hen geen bezitting geven in Israël-

want IK BEN hun bezitting.

44:29 “Zij zullen het graanoffer,

het zondoffer

en het schuldoffer eten,

en elk toegewijd ding in Israël zal het hunne zijn.

44:30 “De eerste van al de eerste vruchten van iedere soort

en elke bijdrage van iedere soort

van al uw bijdragen,

zal voor de priesters zijn;

ook zult gij het eerste van uw deeg

aan de priesters geven

om een zegen te doen rusten

op uw huis.

44:31 “De priesters zullen niet eten

van enig ding dat van zichzelf stierf

of is verscheurd

of het nu gevogelte of beest is.

Ezekiel 45.

45:1 “En wanneer gij het land door lot ten erve verdeelt,

zult gij een lot-deel aan Maryah offeren,

  een heilig deel van het land;

de lengte zal de lengte van 25,000 ellen zijn,

en de breedte zal 20,000 zijn.

Het zal binnen al haar grenzen rond-om-heen heilig zijn.

45:2 “Hiervan zal er voor de heilige plaats

een vierkant zijn rond-om-heen

vijfhonderd bij vijfhonderd ellen,

  en voor haar open ruimte rond-om-heen

vijftig ellen.

45:3 “Van dit gebied meet gij een lengte van 25.000 ellen

en een breedte van 10.000 ellen;

en daarin zal het allerheiligste zijn,

de meest heilige plaats.

45:4 Het zal het heilige deel van het land zijn;

het zal voor de priesters zijn,

de dienaars van het allerheiligste,

die naderbij komen om Maryah te dienen,

en het zal een plaats zijn voor hun huizen

en een geheiligde plaats voor het allerheiligste.

45:5 “Een gebied 25.000 ellen in lengte

en 10.000 in breedte

zal voor de Levieten zijn,

de dienaars van het huis,

en tot hun bezitting

steden om in te wonen.

45:6 “Gij zult de stad bezit geven

van een gebied van 5,000 ellen breed

en 25.000 ellen lang,

langszij het lot-deel van het heilige deel;

  het zal voor het gehele huis van Israël zijn.

45:7 “De vorst zal land hebben

aan weerszijden van het heilig lot-deel

en de eigendom van de stad,

grenzend aan het heilig lot-deel

  en het eigendom van de stad,

aan de westkant naar het westen

en aan de oostkant naar het oosten,

en in lengte vergelijkbaar met één van de delen,

van de westgrens naar de oostgrens.

45:8 “Dit zal zijn land zijn tot een bezitting in Israël;

zo zullen Mijn vorsten niet langer Mijn volk onderdrukken,

  maar zij zullen de rest van het land aan het huis van Israël geven

volgens hun stammen.”

45:9 ‘Dus zegt Maryah Aloha,

“Genoeg,

gij vorsten van Israel;

doe geweld en roof weg,

en pas recht en gerechtigheid toe.

Stop uw afpersingen van Mijn volk,”

maakt Maryah Aloha bekend.

45:10 “Gij zult nauwkeurige weegschalen hebben,

een nauwkeurige ephap en een nauwkeurige bath.

45:11 “De ephah en de bath zullen dezelfde hoeveelheid zijn,

zodat de bath één tiende van een homer zal bevatten

en de ephah één tiende van een homer;

hun standaardmaat zal naar de homer zijn.

45:12 “De shekel zal twintig gerahs zijn;

  twintig shekels,

vijf-en-twintig shekels,

en vijf-tien shekels zal uw maneh zijn.

45:13 “Dit is het offer dat gij zult offeren:

één zesde van een ephah uit één homer van tarwe;

één zesde van een ephah uit één homer van gerst;

45:14 “en het voorgeschreven deel van olie

(namelijk de bath van olie),

één tiende van één bath uit elke kor

(dat tien baths is of één homer,

want tien baths zijn één homer);

45:15 en één schaap van elke kudde van-uit twee-honderd-

van de bewaterde oorden van Israël-

tot een graanoffer,

tot een brandoffer

en tot vredeoffers,

om verzoening voor hen te doen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

45:16 “Al het volk van het land

zal dit tot offer geven

voor de vorst in Israël.

45:17 “Het zal de vorst zijn aandeel zijn

  om de brandoffers te voorzien,

de graanoffers,

en de drankoffers,

op de feesten,

op de nieuwe manen en op de sabbatten,

  op al de vastgestelde feesten van het huis van Israël;

hij zal het zondoffer voorzien,

het graanoffer,

het brandoffer

en de vredeoffers,

om verzoening te doen voor het huis van Israël.”

45:18 ‘Dus zegt Maryah Aloha,

“In de eerste maand op de eerste van de maand,

zult gij een jonge stier nemen zonder smet

  en het allerheiligste reinigen.

45:19 “De priester zal wat nemen

van het bloed van het zondoffer

en het aan de deurposten van het huis doen,

aan de vier hoeken van de richel van het altaar

en aan de posten van de poort van de binnenste voorhof.

45:20 “Zo zult gij doen

op de zevende dag van die maand

voor iedereen die op een dwaalspoor gaat

en voor hem die onnozel is;

zo zult gij verzoening voor het huis doen.

45:21 “In de eerste maand,

op de veertiende dag van de maand,

zult gij het Pascha hebben,

een feest van zeven dagen;

ongezuurd brood zal worden gegeten.

45:22 “Op die dag

zal de vorst voor zichzelf

  en voor geheel het volk van het land

  een stier voor een zondoffer voorzien.

45:23 “Gedurende de zeven dagen van het feest

zal hij tot Maryah

zeven stieren en zeven rammen zonder smet

als een brandoffer voorzien

  op elke dag van de zeven dagen,

en dagelijks

een mannelijke geit voor een zondoffer.

45:24 “Hij zal als een graanoffer aanbieden

één ephah met één stier,

één ephah met één ram

en één hin olie met één ephah.

45:25 “In de zevende maand,

op de vijftiende dag van de maand,

op het feest,

zal hij dit zo voorzien,

zeven dagen voor het zondoffer,

het brandoffer,

het graanoffer en de olie.”

Ezekiel 46.

46:1 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“De poort van de binnenste voorhof

gericht naar het oosten

zal de zes werkende dagen gesloten zijn;

maar op de sabbatdag

zal zij worden geopend

en op de dag van de nieuwe maan

zal zij worden geopend.

46:2 “De vorst zal van buitenaf ingaan

door het portiek van de poort

en bij de post van de poort staan.

Vervolgens,

de priesters zullen voor zijn brandoffer

en zijn vredeoffers zorgen,

en hij zal aanbidden bij de drempel van de poort

en daarna uitgaan;

maar de poort zal tot de avond niet gesloten zijn.

46:3 “Het volk van het land

zal ook aanbidden

bij de deuropening van die poort

voor Maryah

op de sabbatten

en op de nieuwe manen.

46:4 “Het brandoffer

dat de vorst op de sabbatdag

aan Maryah zal offeren,

zal zes lammeren

zonder smet

en één ram

zonder smet zijn;

46:5 en het graanoffer

zal één ephah zijn met de ram,

en het graanoffer met de lammeren

zoveel als hij in staat is te geven,

en één hin van olie met één ephah.

46:6 “Op de dag van de nieuwe maan

hij zal één jonge stier offeren zonder smet,

eveneens zes lammeren en één ram,

welke zonder smet zullen zijn.

46:7 “En hij zal een graanoffer offeren,

één ephah met de stier

en één ephah met de ram,

en met de lammeren

zoveel als hij in staat is,

en één hin van olie met één ephah.

46:8 “Wanneer de vorst ingaat,

zal hij door het portiek van de poort ingaan

en op dezelfde wijze uitgaan.

46:9 “Maar,

wanneer het volk van het land voor Maryah komt

op de aangestelde feesten,

  hij die door de noordelijke poort ingaat om te aanbidden

zal uitgaan door de zuidelijke poort.

En hij die door de zuidelijke poort ingaat

zal uitgaan door de noordelijke poort.

Niet één zal terugkeren door de poort waardoor hij in-is-gegaan

maar zal rechtdoor uitgaan.

46:10 “Wanneer zij ingaan,

temidden van hun zal de vorst ingaan;

en wanneer zij uitgaan,

zal hij uitgaan.

46:11 Op de festivals en de aangestelde feesten

zal het graanoffer één ephah zijn met één stier

en één ephah met één ram,

en met de lammeren zoveel als men in staat is om te geven,

en één hin van olie met één ephah.

46:12 “Wanneer de vorst een vrijwillig offer voorziet,

een brandoffer,

of vredeoffers als een vrijwillig offer aan Maryah,

  zal de poort naar het oosten gericht voor hem worden geopend.

En hij zal zijn brandoffer

en zijn vredeoffers voorzien

  zoals hij op de sabbatdag doet.

Daarna zal hij uitgaan,

en de poort zal gesloten worden

nadat hij uit-is-gegaan.

46:13 “En gij zult dagelijks één lam voorzien

van één jaar oud zonder smet

  als een brandoffer voor Maryah;

ochtend na ochtend zult gij zo één voorzien.

46:14 “Ook zult gij daarvan een graanoffer voorzien

ochtend na ochtend,

één zesde van één ephah,

  en één derde van één hin olie,

om de zuivere bloem te bevochtigen,

een voortdurend graanoffer voor Maryah

door een eeuwigdurende verordening.

46:15 “Zo zullen zij het lam,

het graanoffer en de olie,

ochtend na ochtend,

voor een voortdurend brandoffer voorzien.”

46:16 ‘Zo zegt Maryah Aloha,

“Wanneer de vorst

aan een van zijn zonen

een gave geeft,

het is zijn erfenis,

het zal aan zijn zonen toebehoren;

het is hun bezitting door overerving.

46:17 “Maar wanneer hij van zijn erfenis

aan een van zijn dienaren

een gave geeft,

het zal van hem zijn tot het jaar der vrijheid;

dan zal het terugkeren naar de vorst.

Zijn erfenis zal alleen van zijn zonen zijn’;

het zal aan hun toebehoren.

46:18 “De vorst zal niet nemen

  van de erfenis van het volk,

ze uit hun bezitting uitstoten;

hij zal zijn zonen van zijn eigen bezitting erfdeel geven

opdat Mijn volk niet verstrooid zal worden,

wie dan ook uit zijn bezit.”‘”

46:19 Daarna bracht hij mij door de ingang,

die aan de zijkant van de poort was,

in de heilige kamers voor de priesters,

die naar het noorden gericht waren,

en zie,

daar was een plaats

aan de uiterste achterkant

naar het westen toe.

46:20 Hij zei tegen mij,

“Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer

en het zondoffer zullen koken

en waar zij het graanoffer zullen bakken,

opdat zij hen niet mogen uitbrengen

in de buitenste voorhof

om aan het volk heiligheid over te dragen.”

46:21 Daarna bracht hij mij eruit in de buitenste voorhof

en leidde mij dwars overheen naar de vier hoeken van de voorhof;

en zie,

in elke hoek van de voorhof was er een kleine hof.

46:22 In de vier hoeken van de voorhof waren ingesloten hoven,

veertig ellen lang en dertig breed,

deze vier in de hoeken waren hetzelfde formaat.

46:23 Er was een rij van metselwerk rondom in hen,

rondom de vier van hen,

en beneden die rijen

werden rondom kookplaatsen gemaakt.

46:24 Vervolgens zei hij tegen mij,

“Deze zijn de kookplaatsen

waar de dienaars van het huis

de offers van het volk zullen koken.”

Ezekiel 47.

47:1 Daarna,

hij bracht mij terug naar de deur van het huis;

en zie,

water stroomde van onder de drempel van het huis naar het oosten,

want het huis was naar het oosten gericht.

En het water stroomde van onder af naar beneden,

van de rechterkant van het huis,

uit het zuiden van het altaar.

47:2 Hij bracht mij naar buiten door de noord poort

en leidde mij rondom

langs de buitenkant

naar de buitenste poort

  door de poort die naar het oosten was gericht.

en zie,

water sijpelde uit de zuidkant.

47:3 Toen de man uitging naar het oosten toe

met een lijn in zijn hand,

mat hij één duizend ellen,

en hij leidde mij door het water,

  het water bereikte de enkels.

47:4 Opnieuw mat hij één duizend

en leidde mij door het water,

het water bereikte de knieën.

Opnieuw mat hij één duizend

en leidde mij door het water,

het water bereikte de lendenen.

47:5 Opnieuw mat hij één duizend;

en het was een rivier dat ik niet kon doorwaden,

want het water was gestegen,

genoeg water om in te zwemmen,

een rivier die niet kon doorwaad worden.

47:6 Hij zei tegen mij,

  “zoon van mensen,

  hebt gij dit gezien?”

Toen bracht hij mij terug naar de oever van de rivier.

47:7 Wanneer ik nu was teruggekeerd,

  zie,

op de oever van de rivier

waren zeer veel bomen

zowel aan de ene en aan de andere kant.

47:8 Daarna zei hij tegen mij,

“Deze wateren gaan uit naar de oostelijke regio toe

en dalen af in de Arabah;

daarna gaan ze naar de zee;

gemaakt geworden om in de zee te stromen,

en de wateren van de zee worden zoet.

47:9 “Het zal tot stand komen

  dat elk levend schepsel

-die rondzwermd op elke plaats waar de rivier heen-gaat,-

zal leven.

En daar zal zeer veel vis zijn,

want deze wateren gaan daar heen

en de anderen worden zoet,

zo zal alles leven waar de rivier heen-gaat.

47:10 “En het zal tot stand komen

dat vissers bij haar zullen staan;

vanaf Engedi tot aan Eneglaim toe

daar zal een plaats zijn voor de uitspreiding van netten.

Haar vis zal naar hun aard zijn,

zoals de vis van de Grote Zee,

bijzonder veel.

47:11 “Maar haar moerassen en draslanden

  zullen niet zoet worden;

zij zullen tot zout worden achtergelaten.

47:12 “Bij de rivier op haar oever,

zowel aan de ene en aan de andere kant,

zullen er allerlei soorten van bomen groeien tot voedsel.

Hun bladeren zullen niet verdorren

en hun vrucht zal niet mislukken.

Zij zullen elke maand dragen

omdat hun water vanuit het allerheiligste ontspringt,

en hun vrucht zal tot voedsel zijn

  en hun bladeren tot herstel.”

47:13 Zo zegt Maryah Aloha,

“Dit zal de grens zijn

door welke gij het land zult verdelen

tot een erfdeel onder de twaalf stammen van Israël;

Joseph zal twee delen hebben.

47:14 “Gij zult het verdelen tot een erfdeel,

elkeen in gelijke mate als de ander;

want Ik beloofde onder ede om het aan uw voorvaders te geven

  en dit land zal u overkomen als een erfdeel.

47:15 “Dit zal de grens van het land zijn:

aan de noordkant,

van de Grote Zee langs de weg van Hethlon,

tot aan de ingang van Zedad;

47:16 Hamath,

Berothah,

Sibraim,

die tussen de grens van Damascus

  en de grens van Hamath liggen;

  Hazar-hatticon,

dat bij de grens van Hauran ligt.

47:17 “De grens zal zich uitstrekken

van de zee naar Hazar-enan

  op de grens van Damascus,

en op het noorden naar het noorden

is de grens van Hamath.

Dit is de noordkant.

47:18 “De oostkant,

van tussen Hauran,

Damascus,

Gilead en het land van Israël,

Zal de Jordaan zijn;

van de noordgrens tot de oostelijke zee zult gij meten.

Dit is de oostkant.

47:19 “De zuidkant naar het zuiden

zal zich uitstrekken van Tamar

zover als de wateren van Meribath-kadesh,

naar de beek van Egypte

en naar de Grote Zee.

Dit is de zuidkant naar het zuiden.

47:20 “De westkant zal de Grote Zee zijn,

van de zuidgrens naar Lebo-hamath

een tegenovergelegen punt.

Dit is de westkant.

47:21 “Zo zult gij dit land onder uzelf verdelen

overeenkomstig de stammen van Israël.

47:22 “Gij zult het verdelen per lot

tot een erfdeel onder uzelf

en onder de vreemdelingen

die in uw midden verblijven,

die in uw midden zonen voortbrengen.

En zij zullen tot u als de inheemse-geborene zijn

onder de zonen van Israël;

zij zullen samen met u een erfenis worden toegewezen

onder de stammen van Israël.

47:23 “En in de stam bij welke de vreemdeling verblijft,

daar zult gij hem zijn erfdeel geven,”

maakt Maryah Aloha bekend.

Ezekiel 48.

48:1 “Dit zijn nu de namen van de stammen:

van het noordelijke uiteinde,

bij de weg van Hetlon naar Lebo-hamath,

zo ver als Hazar-enan tot aan de grens van Damascus,

naar het noorden bij Hamath,

loopt van oost naar west,

Dan,

één deel.

48:2 “Bij de grens van Dan,

van de oostkant tot aan de westkant,

Asher,

één deel.

48:3 “Bij de grens van Asher,

van de oostkant tot aan de westkant,

Naphtali,

één deel.

48:4 “Bij de grens van Naphtali,

van de oostkant tot aan de westkant,

Manasseh,

één deel.

48:5 “Bij de grens van Manasseh,

van de oostkant tot aan de westkant,

Ephraim,

één deel.

48:6 “Bij de grens van Ephraim,

van de oostkant tot aan de westkant,

Reuben,

één deel.

48:7 “Bij de grens van Reuben,

van de oostkant tot aan de westkant,

Judah,

één deel.

48:8 “En bij de grens van Judah,

van de oostkant tot aan de westkant,

zal het lot zijn welke gij apart zult zetten,

25.000 ellen in breedte,

en in lengte zoals één van de delen,

van de oostkant tot aan de westkant;

en het allerheiligste zal in het midden ervan staan.

48:9 “Het lot dat gij apart zult zetten voor Maryah

zal 25.000 ellen zijn in lengte en 10.000 in breedte.

48.10 “Het heilig lot zal voor deze zijn;

namelijk voor de priesters,

naar het noorden toe 25.000 ellen in lengte,

naar het westen toe 10.000 in breedte,

naar het oosten toe 10.000 in breedte,

en naar het zuiden toe 25.000 in lengte;

en het allerheiligste van Maryah zal in haar midden zijn.

48:11 “Het zal voor de priesters zijn

die geheiligd zijn door de zonen van Zadok.

die Mijn wacht hebben gehouden,

die niet afdwaalden

toen de zonen van Israël verdwaalden

zoals de Levieten verdwaalden.

48:12 “Het zal voor hen een lot-deel zijn

(apart gezet) van de toewijzing van het land,

een hoogst heilige plaats,

bij de grens van de Levieten.

48:13 “Langszij de grens van de priesters

zullen de Levieten 25.000 ellen in lengte hebben

en 10.000 in breedte.

De gehele lengte bedraagt 25.000 ellen

  en de breedte 10.000.

48:14 “Bovendien,

zullen zij er niets van verkopen of ruilen,

noch dit uitverkoren deel van het land vervreemden;

want het is heilig voor Maryah.

48:15 “Het restant,

5000 ellen in breedte en 25.000 in lengte,

zal voor gemeenschappelijk gebruik zijn

voor de stad,

voor woningen

en voor open ruimtes;

en de stad zal in het midden ervan staan.

48:16 “Dit zullen haar afmetingen zijn:

de noordkant 4500 ellen,

de zuidkant 4500 ellen,

de oostkant 4500 ellen,

en de westkant 4500 ellen.

48:17 “De stad zal open ruimtes hebben:

op het noorden 250 ellen,

op het zuiden 250 ellen,

op het oosten 250 ellen,

en op het westen 250 ellen.

48:18 “Het restant van de lengte

langszij het heilige lotdeel

zal 10.000 ellen naar het oosten toe zijn

  en 10.000 naar het westen toe;

en het zal langszij het heilig lot-deel zijn.

En haar opbrengst zal voedsel zijn voor de arbeiders van de stad.

48:19 “De arbeiders van de stad,

vanuit al de stammen van Israël

  zullen haar bewerken.

48:20 “Het gehele lot-deel zal 25.000 bij 25.000 ellen zijn;

gij zult het heilig lot-deel -een vierkant -,

met het bezit van de stad apart zetten .

48:21 “Het overige zal voor de vorst zijn,

aan de ene kant en aan de andere kant van het heilig lotdeel

en van het bezit van de stad;

voor de 25.000 ellen van het lot-deel naar de oostelijke grens toe

en westwaarts voor de 25.000 naar de westelijke grens toe,

langszij de delen,

het zal voor de vorst zijn.

En het heilige lot-deel

en het allerheiligste van het huis

zal er middenin staan.

48:22 “Exclusief het bezit van de Levieten-

en het bezit van de stad,

die in het midden van datgene zijn dat tot de vorst behoort;

zal alles tussen de grens van Judah-

en de grens van Benjamin-

voor de vorst zijn.

48:23 “Wat betreft de rest van de stammen:

van de oostkant tot aan de westkant,

  Benjamin,

één deel.

48:24 “Bij de grens van Bejamin,

van de oostkant tot aan de westkant,

Simeon,

één deel.

48:25 “Bij de grens van Simeon,

van de oostkant tot aan de westkant,

Issachar,

één deel.

48:26 “Bij de grens van Issachar,

van de oostkant tot aan de westkant,

Zebulun,

één deel.

48:27 “Bij de grens van Zebulun,

van de oostkant tot aan de westkant,

Gad,

één deel.

48:28 “En bij de grens van Gad,

aan de zuidkant naar het zuiden,

zal de grens van Tamar zijn

  tot aan de wateren van Meribath-kadesh,

  tot aan de beek van Egypte,

tot aan de Grote Zee.

48:29 “Dit is het land

dat gij zult verdelen per lot

aan de stammen van Israël tot een erfenis,

en deze zijn haar verschillende delen,”

maakt Maryah Aloha bekend.

48:30 “Deze zijn de uitgangen van de stad:

op de noordkant,

4500 ellen door meting,

48:31 zullen de poorten van de stad zijn,

genoemd naar de stammen van Israël,

drie poorten naar het noorden:

de poort van Reuben, één;

de poort van Judah, één;

de poort van Levi, één.

48:32 “Op de oostkant,

4500 ellen,

zullen drie poorten zijn:

de poort van Joseph, één;

de poort van Benjamin, één;

de poort van Dan, één.

48:33 “Op de zuidkant,

4500 ellen door meting,

zullen drie poorten zijn:

de poort van Simeon, één;

de poort van Issachar, één;

de poort van Zebulun, één.

48:34 “Op de westkant,

4500 ellen,

zullen drie poorten zijn:

de poort van Gad, één;

de poort van Asher, één;

de poort van Naphtali, één.

48:35 “De stad zal 18.000 ellen rondom zijn;

en de naam van de stad zal vanaf die dag zijn,

‘MARYAH IS DAAR.'”

You cannot copy content of this page