Jeremiah

Aramaic Tanakh

Ketava d’Eramya Nebya

Het boek Jeremiah de profeet.

Jeremiah 1.

1:1 De woorden van Jeremiah

de zoon van Hilkiah,

uit de priesters die in Anathoth waren

in het land van Benjamin,

1:2 tot wie het woord van Maryah kwam,

in de dagen van Josiah de zoon van Amon,

koning van Judah,

in het dertiende jaar van zijn heerschappij.

1:3 Het kwam ook in de dagen van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

tot het einde van het elfde jaar van Zedekiah

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

tot de ballingschap van Jeruzalem

in de vijfde maand.

1:4 Het woord van Maryah kwam nu tot mij zeggende,

1:5 “Voordat Ik u in de baarmoeder vormde

kende Ik u,

en voordat gij geboren werd

heb Ik u geheiligd;

Ik heb u tot een profeet benoemd voor de naties.”

1:6 Vervolgens zei ik,

“Ach,

Maryah Aloha!

zie,

ik weet niet hoe te spreken,

omdat ik een jonge man ben.”

1:7 Maar Maryah zei tot mij,

“Zeg niet,

‘ik ben een jonge man,’

want Ik zend u overal,

gij zult gaan,

en alles wat Ik u gebied,

zult gij spreken.

1:8 “Wees niet bang voor hen,

want Ik ben met u om u te verlossen,”

verklaart Maryah.

1:9 Vervolgens strekte Maryah Zijn hand uit

en raakte mijn mond aan,

en Maryah zei tot mij,

“Zie,

Ik heb Mijn woorden in uw mond gelegd.

1:10 “Zie Ik heb u deze dag over de naties

en over de koninkrijken gesteld,

om uit te roeien en neer te halen,

om te vernietigen en omver te werpen,

om te bouwen

en om te planten.”

1:11 Het woord van Maryah kwam tot mij zeggende,

“Wat ziet gij,

Jeremiah?”

En ik zei,

“Ik zie een roede van een amandel-boom.”

1:12 Toen zei Maryah tot mij,

“Gij hebt goed gezien,

want ik waak over Mijn woord om het uit te voeren.”

1:13 Het woord van Maryah

kwam een tweede keer tot mij,

zeggende,

“Wat ziet gij?”

En ik zei,

“Ik zie een kokende pot,

wegkijkende van het noorden.”

1:14 Toen zei Maryah tot mij,

“Vanuit het noorden

zal het kwaad uitbreken

over al de inwoners van het land

1:15 “Want,

zie,

Ik roep al de families van de koninkrijken van het noorden,”

maakt Maryah bekend;

“en zij zullen komen

en zij zullen elkeen zijn troon

bij de toegang van de poorten van Jeruzalem zetten,

en tegen al haar muren rondom

en tegen al de steden van Judah.

1:16 “Ik zal Mijn oordelen over hen uitspreken

betreffende al hun goddeloosheid,

waardoor zij Mij hebben verlaten

en offers hebben geofferd aan andere goden

en de werken aanbaden van hun eigen handen.

1:17 “Nu,

Omgord uw lendenen en sta op,

en spreek tot hen alles wat Ik u gebied.

Wees niet verbijsterd in hun bijzijn,

of Ik zal u in hun bijzijn verbijsteren.

1:18 “Zie nu,

Ik heb u vandaag als een versterkte stad

en als een pilaar van ijzer

en als muren van brons gemaakt

tegen het ganse land,

tegen de koningen van Judah,

tegen haar vorsten,

tegen haar priesters,

en tot het volk van het land.

1:19 “Zij zullen tegen u strijden,

maar zij zullen u niet overwinnen,

want Ik ben met u om u te verlossen,”

verklaart Maryah.

Jeremiah 2.

2:1 Nu,

het woord van Maryah kwam tot mij,

zeggende,

2:2 “Ga en verkondigd in de oren van Jeruzalem,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah,

“Ik gedenk betreffende u de de toewijding van uw jeugd,

de liefde van uw verlovingen,

uw volgen -Mij achterna- in de woestijn,

door een niet gezaaid land.

2:3 “Israël was heilig voor Maryah,

de eerste van Zijn oogst.

Ieder die ervan at werd schuldig;

kwaad kwam over hen,”

verklaart Maryah.'”

2:4 Hoort het woord van Maryah,

O huis van Jacob,

en al de families van het huis van Israël.

2:5 Zo zegt Maryah,

“Welk onrecht hebben uw vaders in Mij gevonden,

dat zij verre van mij weg gingen

en leegte achterna wandelden

en leeg werden?

2:6 “Ze zeiden niet,

‘waar is Maryah die ons uit het land van Egypte bracht,

die ons leidde door de woestijn,

door een land van woestijnen en van putten,

door een land van droogte en van diepe duisternis,

door een land dat niet één doorkruiste en waar geen mens woonde?’

2:7 “Ik bracht u in het vruchtbare land

om haar vrucht

en haar goede dingen te eten.

Maar gij zijt gekomen en verontreinigde Mijn land,

en gij maakte Mijn erfenis tot een gruwel.

2:8 “De priesters zeiden niet,

‘Waar is Maryah?’

En degenen die de wet hanteerden kenden Mij niet;

de heersers overtraden ook tegen Mij,

en de profeten profeteerden door Baal

en wandelden achter dingen aan die geen winst maken.

2:9 “Daarom zal Ik nog met u twisten,”

maakt Maryah bekend,

“en met uw zoon’s zonen zal Ik twisten.

2:10 “Want steek over naar de kustlanden van Kittim en zie,

en zend naar Kedar en observeer aandachtig

en zie of er zoiets als dit is geweest!

2:11 “Heeft een natie zijn goden veranderd

  toen zij geen goden waren?

Maar Mijn volk heeft zijn heerlijkheid veranderd

voor datgene die geen winst maakt.

2:12 “Wees ontsteld,

O hemelen,

over dit,

en huiver,

wees zeer verbaasd,”

verklaart Maryah.

2:13 “Want Mijn volk heeft twee kwaden begaan:

ze hebben Mij verlaten,

de bron van levende wateren,

om voor zichzelf waterbakken te houwen,

gebroken waterbakken

die geen water kunnen bevatten.

2:14 “is Israël een slaaf?

of is hij een inlandse dienaar?

Waarom is hij een prooi geworden?

2:15 “De jonge leeuwen hebben naar hem gebruld,

ze hebben luid gebruld.

En ze hebben zijn land tot een verwoesting gemaakt;

zijn steden zijn vernietigd geworden,

zonder één inwoner.

2:16 “De mannen van Memphis en Tahpanhes

hebben ook de kruin van uw hoofd geschoren.

2:17 “Hebt gij dit uzelf niet aan gedaan,

door uw verlating van Maryah uw Aloha

toen Hij u op de weg leidde?

2:18 “Maar wat doet gij nu op de weg naar Egypte,

om de wateren van de Nijl te drinken?

Of wat doet gij op de weg naar Assyria,

om de wateren van de Eufraat te drinken?

2:19 “Uw eigen goddeloosheid zal u corrigeren,

en uw afkerigheid zal u terechtwijzen; 

weet daarom en zie

dat het kwaad en bitter voor u is

om Maryah uw Aloha te verlaten,

en de vrees van Mij niet in u is,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.

2:20 “Want lang geleden verbrak Ik uw juk,

en verscheurde uw banden;

maar je zei,

‘Ik zal niet dienen!’

Want op elke hoge heuvel

en onder elke groene boom

hebt gij u neergelegd als een hoer.

2:21 “Toch plantte Ik u een uitverkoren wijnstok,

een compleet getrouw zaad.

Hoe zijt gij dan tot Mij veranderd

in de verbasterde scheuten van een vreemde wijnstok?

2:22 “Alhoewel gij uzelf met loog wast

en veel zeep gebruikt,

de smet van uw ongerechtigheid ligt voor Mij,”

maakt Maryah Aloha bekend.

2:23 “Hoe kunt gij zeggen,

‘Ik ben niet verontreinigd,

ik ben de Baals niet achterna gegaan’?

Kijk naar uw weg in de vallei!

Weet wat gij hebt gedaan!

Gij zijt een snelle jonge kameel

die haar wegen heeft verward,

2:24 een wilde ezel die aan de wildernis gewend is,

die de windt opsnuift in haar hartstocht.

In de tijd van haar hitte wie kan haar afwijzen?

Allen die haar zoeken zullen niet moe worden;

in haar maand zullen ze haar vinden.

2:25 “Weerhoud uw voet van het ongeschoeid zijn

en uw keel van dorst;

maar gij hebt gezegd,

‘Het is hopeloos!

nee!

want Ik heb van vreemden gehouden,

en hen zal ik nagaan.’

2:26 “Zoals de dief beschaamd wordt

wanneer hij wordt ontdekt,

zo wordt het huis van Israël beschaamd;

zij,

hun koningen,

hun prinsen,

en hun priesters

en hun profeten,

2:27 die tegen een boomstam zeggen,

‘gij zijt mijn vader,’

en tegen een steen,

‘gij hebt mij geboorte gegeven.’

Want zij hebben hun rug naar Mij gekeerd,

en niet hun gezicht;

maar in de tijd van hun ellende zullen zij zeggen,

‘sta op en red ons.’

2:28 “Maar waar zijn uw goden

die gij voor uzelf hebt gemaakt?

Laat hun opstaan,

indien zij u kunnen redden in de tijd van uw ellende;

want volgens het aantal van uw steden

zijn uw goden,

O Judah.

2:29 “Waarom wilt gij met Mij twisten?

gij hebt allen tegen Mij gezondigd,”

verklaart Maryah.

2:30 “Tevergeefs heb Ik uw zonen geslagen;

zij accepteerden geen kastijding.

Uw zwaard heeft uw profeten verteerd

gelijk een vernietigende leeuw.

2:31 “O generatie,

gehoorzaam het woord van Maryah.

Ben Ik een woestijn voor Israël geweest,

of een land van dikke duisternis?

Waarom zegt Mijn volk,

‘Wij zijn vrij om te dwalen;

we zullen niet langer naar U toe komen?

2:32 “Kan een maagd haar sieraden vergeten,

of een bruid haar tooi?

Toch is Mijn volk Mij vergeten

dagen zonder getal.

2:33 “Hoe goed bereidt gij uw weg

om liefde te zoeken!

Daarom hebt gij zelfs de goddeloze vrouwen

uw wegen geleerd.

2:34 “Ook is op uw rokken

het levensbloed van de onschuldige armen gevonden;

gij hebt hun niet inbrekende gevonden.

Maar ondanks al deze dingen,

2:35 hebt gij toch gezegd,

‘Ik ben onschuldig;

waarlijk Zijn toorn is van mij afgewend.’

Zie,

Ik zal met u in oordeel treden

omdat gij zegt,

‘Ik heb niet gezondigd.’

2:36 “Waarom gaat gij zo vaak rond

uw weg veranderende?

Ook,

zult gij voor schande worden gezet door Egypte

  gelijk gij voor schande werd gezet door Assyria.

2:37 “Vanaf deze plaats zult gij ook uitgaan

met uw handen op uw hoofd;

want Maryah heeft hen verworpen

in welken gij vertrouwd hebt,

en gij zult niet voorspoedig zijn samen met hen.”

Jeremiah 3.

3:1 Aloha zegt,

“Als een man van zijn vrouw scheidt

en zij gaat van hem weg

en behoort bij een andere man,

zal hij nog naar haar terugkeren?

Zal dat land niet volledig verontreinigd zijn?

Maar gij zijt een hoer met vele geliefden;

toch wendt gij u tot Mij,”

  maakt Maryah bekend.

3:2 “Hef uw ogen op naar de kale hoogten en zie;

waar zijt gij niet geschonden geweest?

Bij de wegen hebt gij voor hen gezeten

gelijk een arabier in de woestijn,

en gij hebt een land vervuild

met uw hoererij

en met uw goddeloosheid.

3:3 “Daarom zijn de stortregens ingehouden geweest,

en er is geen lenteregen geweest.

Toch had gij het voorhoofd van een hoer;

gij weigerde om beschaamd te worden.

3:4 “Hebt gij nu zojuist niet tot Mij geroepen,

‘Mijn Vader,

Gij zijt de vriend van mijn jeugd?

3:5 ‘Zal Hij toornig zijn voor eeuwig?

Zal Hij verontwaardigd zijn tot het einde?’

Zie!

gij hebt gesproken

en hebt die boze dingen gedaan,

en gij hebt uw weg gekozen.”

3:6 Vervolgens,

Maryah zei tot mij

in de dagen van Josiah de koning,

“Hebt gij gezien wat het trouweloze Israël deed?

zij ging omhoog op elke hoge heuvel

en onder elke groene boom,

en zij was daar een hoer.

3:7 “Ik dacht,

‘Nadat zij al deze dingen heeft gedaan

zal zij naar Mij terugkeren’;

maar zij keerde niet terug,

en haar trouweloze zus Judah zag het.

3:8 “En voor alle overspel van het trouweloos Israël dat Ik zag,

had Ik haar weggezonden

en gaf haar een geschrift van scheiding

toch vreesde haar trouweloze zus Judah niet;

maar zij ging en was ook een hoer.

3:9 “Vanwege de lichtheid van haar hoererij,

vervuilde zij het land

en pleegde overspel

met stenen en stronken.

3:10 “Toch is-

-ondanks dit alles-

haar trouweloze zus Judah

niet met heel haar hart naar Mij teruggekeerd,

maar eerder in bedrog,”

verklaart Maryah.

3:11 En Maryah zei tot mij,

“Ongelovig Israël

heeft zich rechtvaardiger bewezen

dan trouweloos Judah.

3:12 “Ga en verkondig deze woorden

aan het noorden en zeg,

‘Keer terug,

ongelovig Israël,’

maakt Maryah bekend;

‘Ik zal u niet in boosheid aanzien.

want Ik ben genadig,’

maakt Maryah bekend;

‘Ik zal niet toornig zijn voor eeuwig.

3:13 ‘Erken slechts uw ongerechtigheid,

dat gij overtreden hebt

tegen Maryah uw Aloha,

en gij uw gunsten verspreid hebt

tot de vreemden onder elke groene boom,

maar Mijn stem hebt gij niet gehoorzaamd,’

verklaart Maryah.

3:14 ‘Keer terug,

O trouweloze zonen,’

maakt Maryah bekend;

‘Want Ik ben voor u een Meester ,

en Ik zal u aannemen

één van een stad

en twee van een familie,

en Ik zal u naar Zion brengen.’

3:15 “Vervolgens zal Ik u herders geven naar Mijn eigen hart,

die u zullen voeden met kennis en begrip.

3:16 “Het zal in deze dagen zijn

wanneer gij vermenigvuldigd

  en verhoogd word in het land,”

maakt Maryah bekend,

“ze zullen niet langer meer zeggen,

‘De ark van het verbond van Maryah.’

En het zal niet in hen gedachten opkomen,

noch zullen ze het herinneren,

noch zullen ze het missen,

noch zal het opnieuw worden gemaakt.

3:17 “In die tijd

zullen zij Jeruzalem

‘De troon van Maryah’ noemen,

en al de naties zullen ertoe verzameld worden,

naar Jeruzalem,

voor de naam van Maryah;

Ook zullen zij niet meer wandelen

naar de koppigheid van hun slechte hart.

3:18 “In die dagen,

zal het huis van Judah

met het huis van Israël wandelen,

en zij zullen samenkomen

uit het land van het noorden

naar het land dat Ik uw vaders gaf

als een erfdeel.

3:19 “Vervolgens zei Ik,

‘Hoe zou Ik u onder Mijn zonen stellen

en u een aangenaam land geven,

het mooiste erfdeel van de naties!’

En Ik zei,

‘Gij zult Mij,

mijn vader noemen,

en u niet omkeren van het Mij volgen.’

3:20 “Waarlijk,

zoals een vrouw trouweloos vertrekt van haar geliefde,

zo hebt gij trouweloos met Mij gehandeld,

O huis van Israël,”

maakt Maryah bekend.

3:21 Luister,

een stem is te horen op de kale hoogten,

het huilen en de smekingen van de zonen van Israël;

daar zij hun weg hebben verdraaid,

zijn ze Maryah hun Aloha vergeten.

3:22 “Keer terug,

O trouweloze zonen,

Ik zal uw trouweloosheid genezen.”

“Zie!

wij komen tot U;

want Gij zijt Maryah onze Aloha.

3:23 “De heuvels zijn zeker een misleiding,

een beroering op de bergen.

In Maryah onze Aloha

is immers de redding van Israël.

3:24 “Maar het schandelijk ding

heeft de arbeid van onze vaders verteerd

sinds onze jeugd,

hun kuddes schapen en hun kuddes runderen,

hun zonen en hun dochters.

3:25 “Laat we gaan neerliggen in onze schaamte,

en laat onze vernedering ons bedekken;

want wij hebben gezondigd tegen Maryah onze Aloha,

wij en onze vaders,

vanaf onze jeugd

zelfs tot op deze dag.

En we hebben de stem van Maryah,

onze Aloha,

niet gehoorzaamd.”

Jeremiah 4.

4:1 “Als gij zult terugkeren,

O Israël,”

verklaart Maryah,

“Dan moet gij naar Mij terugkeren.

En als gij uw verfoeilijke dingen van Mijn aanwezigheid zult wegdoen,

en niet zult wankelen,

4:2 en gij zult zweren,

‘Zoals Maryah leeft,’

in waarheid,

in rechtvaardigheid en in gerechtigheid;

dan zullen de naties zich in Hem zegenen,

en in Hem zullen zij roemen.”

4:3 Want zo zegt Maryah

tot de mannen van Judah

en tot Jeruzalem,

“Breek uw braakliggende grond open,

en zaai niet tussen doornen.

4:4 “Besnijd uzelf voor Maryah

en verwijder de voorhuiden van uw hart,

mannen van Judah en inwoners van Jeruzalem,

of anders zal Mijn toorn uitgaan als vuur

en verbranden

met niet één om het te blussen,

vanwege het kwaad van uw daden.”

4:5 Maak bekend in Judah

en verkondig in Jeruzalem,

en zeg,

“Blaas de hoorn in het land;

roep luidop en zeg,

‘Verzamel uzelf,

en laat ons de versterkte steden ingaan.’

4:6 “Hef een vaandel op naar Zion toe!

zoek een schuilplaats,

blijf niet stil staan,

want Ik breng een kwaad uit het noorden,

en een grote vernietiging.

4:7 “Een leeuw is uit zijn struikgewas opgeklommen,

en een verwoester van naties is er op uitgetrokken;

hij is uit zijn plaats uitgegaan

om uw land tot een woestenij te maken.

Uw steden zullen ruïnes zijn

zonder één inwoner.

4:8 “Vanwege dit,

trek rouwgewaad aan,

weeklaag en jammer;

want de woeste toorn van Maryah

heeft zich niet van ons afgewend.”

4:9 “Het zal zowat komen in die dag,”

maakt Maryah bekend,

“Dat het hart van de koningen

en het hart van de prinsen zal falen;

en de priesters zullen ontzet zijn

en de profeten zullen verbaasd zijn.”

4:10 Vervolgens zei ik,

“Ah,

Maryah Aloha!

Waarlijk, U hebt dit volk en Jeruzalem geheel en al misleid,

zeggende,

‘Gij zult vrede hebben’;

terwijl daarentegen het zwaard de keel treft.”

4:11 In die tijd

zal er tegen dit volk

en tegen Jeruzalem worden gezegd,

“Een verzengende wind van de kale hoogten

in de woestijn

in de richting van de dochter van Mijn volk–

niet om te wannen en niet om te reinigen,

4:12 een wind te sterk voor dit —

zal komen op Mijn bevel;

nu zal Ik ook oordelen uitspreken tegen hun.

4:13 “Zie,

hij gaat op als wolken,

en zijn strijdwagens als de wervelwind;

zijn paarden zijn sneller dan arenden.

Wee aan ons,

want we worden verwoest!”

4:14 Wast uw hart van het kwaad,

O Jeruzalem,

opdat gij moogt gered worden.

Hoelang zullen uw verdorven gedachten

in u wonen?

4:15 Want een stem verkondigt vanuit Dan,

en roept goddeloosheid uit

vanaf Berg Ephraim.

4:16 “Bericht het aan de naties,

nu!

verkondigt het over Jeruzalem,

‘Belegeraars komen uit een ver land,

en verheffen hun stemmen tegen de steden van Judah.

4:17 ‘Gelijk wachters van een veld

  zijn zij zowat rondom tegen haar,

omdat zij tegen Mij in opstand is gekomen,’

maakt Maryah bekend.

4:18 “Uw wegen en uw daden

hebben deze dingen tot u gebracht.

Dit is uw kwaad.

Hoe bitter is het!

Hoe het uw hart heeft geraakt!”

4:19 Mijn ziel,

mijn ziel!

ik ben in angst!

Oh mijn hart!

mijn hart bonst in mij;

ik kan niet stil zijn,

omdat gij hebt gehoord,

O mijn ziel,

het geluid van de hoorn,

de alarmering van de strijd.

4:20 catastrofe op catastrofe wordt afgekondigd,

want het ganse land wordt verwoest;

plotseling zijn mijn tenten verwoest,

mijn gordijnen in een oogwenk.

4:21 Hoelang moet ik de vaandel zien

en het geluid van de bazuin horen?

4:22 “Want Mijn volk is dwaas,

ze kennen Mij niet;

het zijn dwaze kinderen

en ze hebben geen begrip.

Ze zijn sluw om kwaad te doen,

maar om het goede te doen

hebben zij de kennis niet.”

4:23 Ik keek naar de aarde,

en zie,

zij was vormloos en nietig;

en naar de hemelen,

en zij hadden geen licht.

4:24 Ik keek naar de bergen,

en zie,

zij trilden,

en al de heuvels bewogen heen en weer.

4:25 Ik keek,

en zie,

er was geen mens,

en al de vogels van de hemelen waren gevlucht.

4:26 Ik keek,

en zie,

het vruchtbare land was een woestijn,

en al haar steden werden neergehaald

in de tegenwoordigheid van Maryah,

vanwege Zijn felle toorn.

4:27 Want zo zegt Maryah,

‘Het hele land zal een verlatenheid zijn,

toch zal Ik geen complete vernietiging voltrekken.

4:28 “Hierom zal de aarde rouwen

en de hemelen daarboven zullen donker zijn,

omdat Ik het heb gesproken,

Ik heb het voorgenomen,

en Ik zal Mijn gedachten niet veranderen,

ook zal Ik er-niet-van-af-wijken.”

4:29 Op het geluid van de paardrijder

en de boogschutter

vlucht elke stad;

ze gaan het struikgewas in

en klimmen tussen de rotsen;

elke stad is verlaten,

en geen mens woont in hen.

4:30 En gij,

O verlatene,

wat wilt gij doen?

Hoewel gij u kleed in scharlaken,

hoewel gij uzelf versiert met versiersels van goud,

hoewel gij uw ogen vergroot met verf,

tevergeefs maakt gij uzelf mooi.

Uw minnaars verachten u;

zij zoeken uw leven.

4:31 Want ik hoorde een schreeuw als van een vrouw die in arbeid is,

  de benauwdheid als van een die haar eerste kind baart,

de schreeuw van de dochter van Zion die naar adem snakt,

haar handen uitstrekkende,

zeggende,

“Ach, mij is wee,  

  want ik bezwijm

voor het aangezicht van moordenaars.”

Jeremiah 5.

5:1 “Trek heen en weer door de straten van Jeruzalem,

en kijk nu en wees aandachtig.

En zoek in haar open pleinen,

indien ge een mens kunt vinden,

indien er één is die gerechtigheid doet,

die de waarheid zoekt,

dan zal ik haar gratie schenken.

5:2 “En hoewel ze zeggen,

‘Als Maryah leeft,’

toch zweren zij valselijk.”

5:3 O Maryah,

kijken uw ogen niet naar waarheid?

Gij hebt hen geslagen,

maar ze verzwakten niet;

Gij hebt hen verteerd,

maar ze weigerden om correctie aan te nemen.

Ze hebben hun gezichten harder gemaakt dan gesteente;

ze hebben geweigerd om tot inkeer te komen.

5:4 Vervolgens zei ik,

“Ze zijn slechts behoeftigen,

dwaas zijn ze;

want ze kennen beide niet,

de weg van Maryah

noch de verordening van hun Aloha.

5:5 “Ik zal naar de aanzienlijke (mannen) gaan

en zal tegen hen spreken,

want zij kennen de weg van Maryah

en de verordening van hun Aloha.”

Maar ook zij,

hebben eendrachtig,

het juk verbroken

en de banden verscheurd.

5:6 Daarom zal een leeuw uit het woud hen ombrengen,

een wolf uit de woestijnen zal hen vernietigen,

een luipaard bespied hun steden.

Iedereen die van hun uitgaat

zal in stukken worden gescheurd,

omdat hun overtredingen vele zijn,

hun afvalligheden zijn niet te tellen.

5:7 “Waarom zou Ik u gratie schenken?

uw zonen hebben Mij verlaten

en gezworen bij deze die geen goden zijn.

Toen Ik hen tenvolle had gevoed,

pleegden ze overspel

en troepten samen in het hoerenhuis.

5:8 “Het waren als goed-gevoede wellustige hengsten geworden,

elkeen van hen hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.

5:9 “Zal Ik deze mensen niet bestraffen,”

maakt Maryah bekend,

“En zal Ik Mijzelf niet wreken

op een natie zoals dit?

5:10 “Ga op door haar wijnstok-rijen en vernietigt,

maar voer geen complete vernietiging uit;

verwijdert haar scheuten,

want zij zijn niet van Maryah.

5:11 “Want het huis van Israël

en het huis van Judah

hebben zeer trouweloos tegen Mij gehandeld,”

maakt Maryah bekend.

5:12 Ze hebben gelogen over Maryah

en zeiden,

“Hij is niet;

tegenslag zal niet over ons komen,

en we zullen geen zwaard of hongersnood zien.

5:13 “De profeten zijn als wind,

en het woord is niet in hen.

Zo zal het aan hun worden gedaan!”

5:14 Daarom,

aldus zegt Maryah,

Aloha van de heirscharen,

“Omdat gij dit woord hebt gesproken,

Zie!

Ik maak Mijn woorden vuur in uw mond

en dit volk hout,

en het zal hen verteren.

5:15 “Zie,

Ik breng een natie tegen u van verre,

O huis van Israël,”

maakt Maryah bekend.

“Het is een blijvende natie,

het is een oude natie,

een natie wiens taal gij niet kent,

noch kunt gij begrijpen wat zij zeggen.

5:16 “Hun pijlkoker is als een open graf,

allen van hen zijn machtige mannen.

5:17 “Zij zullen uw oogst en uw voedsel verslinden;

zij zullen uw zonen en uw dochters verslinden;

zij zullen uw schaapskudden en uw runderkudden verslinden;

zij zullen uw wijnstokken en uw vijgenbomen verslinden;

zij zullen met het zwaard vernietigen

uw versterkte steden

waarop gij vertrouwen stelt.

5:18 “Nochthans,

zelfs in die dagen,”

maakt Maryah bekend,

“zal Ik u geen complete vernietiging maken.

5:19 “Het zal zowat komen wanneer ze zeggen,

‘waarom heeft Maryah onze Aloha al deze dingen aan ons gedaan?’

dan zult gij tegen hen zeggen,

‘Zoals gij Mij hebt verlaten

en vreemde goden in uw land hebt gediend,

zo zult gij vreemdelingen dienen in een land dat het uwe niet is.’

5:20 “Maak dit bekend in het huis van Jakob

en verkondig het in Judah,

zeggende,

5:21 ‘Hoor dit nu,

O dwaas en gevoelloos volk,

die ogen hebben maar niet zien,

die oren hebben maar niet horen.

5:22 ‘Vreest gij Mij niet?’

maakt Maryah bekend.

‘Beeft gij niet in Mijn aanwezigheid?

Want Ik heb het zand als een grens voor de zee geplaatst,

een eeuwig besluit,

zodat zij er niet overheen kan.

Hoewel haar golven elkaar opgooien,

toch kunnen ze niet zegevieren;

hoewel zij bulderen,

toch kunnen zij er niet overheen.

5:23 ‘Maar dit volk heeft een koppig en opstandig hart:

ze zijn in opstand gekomen

en verdwenen.

5:24 ‘Ze zeggen niet in hun hart,

“Laat ons nu Maryah onze Aloha vrezen,

die regen geeft in zijn seizoen,

zowel de herfstregen als de lenteregen,

die voor ons bewaart

de vastgestelde weken van de oogst.”

5:25 ‘Uw ongerechtigheden

hebben deze dingen afgewend,

en uw zonden

hebben het goede van u weerhouden.

5:26 ‘Want goddeloze mannen worden gevonden onder Mijn volk,

ze wachten als vogelaars die op de loer liggen;

ze zetten een val,

ze vangen mensen.

5:27 ‘Gelijk een kooi vol van vogels,

zo zijn hun huizen vol van bedrog;

daarom zijn ze groot en rijk geworden.

5:28 ‘Ze zijn dik;

ze zijn strak,

Ze blinken ook uit in daden van goddeloosheid;

ze bepleiten de zaak niet,

  de zaak van de wees,

opdat zij voorspoed mogen hebben;

en ze verdedigen de rechten van de armen niet.

5:29 ‘Zal Ik deze mensen niet bestraffen?’

maakt Maryah bekend,

‘Zal Ik Mijzelf niet wreken

over een volk als dit?’

5:30 “Een verschrikkelijk en afschuwelijk ding

is in het land gebeurd:

5:31 de profeten profeteren valselijk,

en de priesters heersen op hun eigen gezag;

en Mijn volk houd er zo van!

Maar wat wilt gij doen op het einde ervan?

Jeremiah 6.

6:1 “Vlucht voor veiligheid,

O zonen van Benjamin,

vanuit het midden van Jeruzalem!

Blaas nu een bazuin in Tekoa

en heft een signaal over Beth-haccerem;

want het kwade kijkt neder vanuit het noorden,

en een grote vernietiging.

6:2 “De bevallige en sierlijke,

de dochter van Zion,

zal Ik afsnijden.

6:3 “Herders en hun kuddes zullen tot haar komen,

ze zullen hun tenten opzetten

rondom haar,

ze zullen weiden

elk op hun plek.

6:4 “Maakt krijg tegen haar;

sta op,

en laat ons s’middags aanvallen.

Wee ons,

de dag neemt af,

want de schaduwen van de avond verlengen!

6:5 “Sta op,

en laat ons s’nachts aanvallen

en haar paleizen vernietigen!”

6:6 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Hak haar bomen neder

en werp een belegering op tegen Jeruzalem.

Dit is de stad om te worden gestraft,

in wiens midden er alleen verdrukking is.

6:7 “Zoals een bronput haar wateren fris houdt,

zo houdt zij haar goddeloosheid fris.

Geweld en vernietiging worden in haar gehoord;

ziekte en wonden zijn gedurig voor Mijn aangezicht.

6:8 “Wees gewaarschuwd,

O Jeruzalem,

of Ik zal vervreemd worden van u,

en u tot een verlatenheid maken,

een niet bewoond land.”

6:9 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

  “Ze zullen het overblijfsel van Israël

door en door nalezen als een wijnstok;

laat uw hand als een druivenoogster

nogmaals over haar scheuten gaan.”

6:10 O wie zal ik spreken en waarschuwen opdat zij mogen horen?

Zie!

hun oren zijn gesloten en zij kunnen niet luisteren.

Zie!

Het woord van Maryah is een verwijt aan hen geworden;

ze hebben er geen behagen in.

6:11 Maar ik ben vol van de toorn van Maryah;

ik ben vermoeid door het in te houden.

“Stort het uit over de kinderen in de straat

en op de vergadering van jonge mannen tezamen;

want zowel echtgenoot als echtgenote zullen worden genomen,

de oude en de zeer oude.

6:12 “Hun huizen zullen worden overgedragen aan anderen,

hun velden en hun vrouwen tezamen;

want Ik zal Mijn hand uitstrekken

tegen de inwoners van het land,”

maakt Maryah bekend.

6:13 “Want van de minste van hen

tot zelfs de belangrijkste van hen,

eenieder is hebzuchtig naar winst,

en van de profeet

tot zelfs de priester

handelt eenieder valselijk.

6:14 “De gebrokenheid van Mijn volk

hebben ze oppervlakkig genezen,

zeggende,

‘Vrede,

vrede,

maar er is geen vrede.

6:15 “Waren ze beschaamd

vanwege de gruwel die ze hebben begaan?

Ze waren zelfs helemaal niet beschaamd;

ze wisten zelfs niet eens hoe zich te schamen.

Daarom zullen ze onder diegenen vallen die vallen;

op het moment dat Ik hun straf,

zullen ze worden neergeworpen,”

zegt Maryah.

6:16 Zo zegt Maryah,

“Sta op de wegen

en zie en vraag naar de oude paden,

waar de goede weg is,

en wandel daarin;

en gij zult rust vinden voor uw zielen.

Maar ze zeiden,

‘We willen daarin niet wandelen.’

6:17 “En Ik stelde wachters over u,

zeggende,

‘Luister naar het geluid van de bazuin!’

maar ze zeiden,

‘We willen niet luisteren.’

6:18 “Hoort daarom,

O naties,

en weet,

O gemeenschap,

wat onder hen is.

6:19 “Hoort,

O aarde,

zie!

Ik breng onheil over dit volk,

de vrucht van hun plannen,

omdat ze niet hebben geluisterd naar Mijn woorden,

en wat betreft Mijn wet,

ook dit hebben zij verworpen.

6:20 “Met welk doel komt wierook van uit Sheba naar Mij toe

en de zoetstok vanuit een ver land?

Uw brandoffers zijn niet aanvaardbaar

en uw offers zijn Mij niet aangenaam.”

6:21 Daarom,

zo zegt Maryah,

“Zie,

Ik leg struikelblokken voor dit volk.

En zij zullen over hun struikelen,

vaders en zonen tezamen;

naaste en vriend zal vergaan.”

6:22 Zo zegt Maryah,

“Zie,

een volk komt vanuit het noorden land,

en een grote natie zal opgewekt worden

vanuit de verafgelegen delen van de aarde.

6:23 “Ze grijpen boog en speer;

ze zijn wreed en hebben geen genade;

hun stem brult als de zee,

en ze rijden op paarden,

uitgedost als een man voor de krijg

tegen u,

O dochter van Zion!”

6:24 We hebben het gerucht ervan gehoord;

onze handen zijn slap.

benauwdheid heeft ons gegrepen,

en pijn,

als van een barende vrouw.

6:25 Ga niet uit tot in het veld

en wandel ook niet op de weg,

want de vijand heeft een zwaard,

terreur is aan alle kanten.

6:26 O dochter van mijn volk,

trek rouwkledij aan

  en wentelt in de as;

  treur als om een enige zoon,

een hoogst bittere rouwklacht.

Want de plunderaar

zal plotseling over ons komen.

6:27 “Ik heb u tot een onderzoeker

en tot een keurder onder Mijn volk gemaakt,

opdat gij hun weg zoudt onderscheiden en beproeven.”

6:28 Allen van hen zijn hardnekkige opstandelingen.

In ’t rond gaande als een roddelaar.

Ze zijn brons en ijzer;

Zij,

allen van hen,

zijn verdorven.

6:29 De balg blaast fel,

het lood is door het vuur verteerd;

tevergeefs gaat het verfijnen verder,

doch zijn de goddelozen niet afgescheiden.

6:30 Ze noemen hen verworpen zilver,

omdat Maryah hen verworpen heeft.

Jeremiah 7.

7:1 Het woord dat van Maryah

tot Jeremiah kwam,

zeggende,

7:2 “Sta in de poort van Maryah’s huis

en verkondigt daar dit woord en zeg,

‘Hoor het woord van Maryah,

gij allen van Judah,

die door deze poorten ingaat

om Maryah te aanbidden!'”

7:3 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

de Aloha van Israël,

“verbeter uw wegen en uw daden,

en Ik zal u toestaan om in deze plaats te wonen.

7:4 “Vertrouw niet op misleidende woorden,

zeggende,

‘Dit is de tempel van Maryah,

de tempel van Maryah,

de tempel van Maryah.’

7:5 “Want indien gij uw wegen en uw daden echt verbetert,

indien gij echt gerechtigheid beoefent tussen een man en zijn naaste,

7:6 indien gij de vreemdeling niet verdrukt,

de wees,

of de weduwe,

en geen onschuldig bloed vergiet in deze plaats,

noch achter andere goden aanloopt tot uw eigen ondergang,

7:7 dan zal Ik u in deze plaats laten wonen,

in het land dat Ik aan uw vaders gaf

voor eeuwig en altijd.

7:8 “Zie,

gij vertrouwt tot niets in misleidende woorden.

7:9 “Zult gij stelen,

moorden,

en overspel plegen

en valselijk zweren,

en offers offeren aan Baal

en andere goden nalopen

die gij niet hebt gekend,

7:10 kom dan

en sta voor Mijn aangezicht,

in dit huis

die naar Mijn naam genoemd is,

en zeg,

‘We zijn verlost!’

dat gij al deze gruwelen doen zou?

7:11 “Is dit huis,

die naar Mijn naam genoemd is;

een hol van rovers in uw ogen geworden?

  Zie,

Ik,

zelfs Ik,

heb het gezien,”

maakt Maryah bekend.

7:12 “Maar ga nu naar Mijn plaats

die in Shiloh was,

waar Ik Mijn naam in het eerste deed wonen,

en zie wat Ik ermee deed

vanwege de zondigheid van Mijn volk Israël.

7:13 “En nu,

omdat gij al deze dingen hebt gedaan,”

maakt Maryah bekend,

“en Ik tegen u sprak,

vroeg opstaande en sprekende,

maar gij niet gehoord hebt,

en Ik riep u maar gij antwoordde niet,

7:14 daarom,

zal ik aan het huis die naar Mijn naam genoemd is,

waarop gij vertrouwt,

en aan de plaats

die Ik u en uw vaders gaf,

doen zoals Ik aan Shiloh deed.

7:15 “En Ik zal u van voor Mijn aanblik uitwerpen,

zoals Ik al uw broeders heb uitgeworpen,

het ganse zaad van Ephraim zelfs.

7:16 “Wat u betreft,

bid niet voor dit volk,

en hef geen geschrei of gebed voor hen op,

en bemiddel niet bij Mij;

want Ik hoor u niet!

7:17 “Ziet gij dan niet

wat zij in de steden van Judah

en op de straten van Jeruzalem doen?

7:18 “De kinderen verzamelen hout,

en de vaders ontsteken het vuur,

en de vrouwen kneden deeg

om koeken te maken voor de koningin van de hemel;

en zij gieten drankoffers uit aan andere goden

  om Mij te provoceren.

7:19 “Provoceren ze Mij?”

maakt Maryah bekend.

“Is het zichzelf niet dat ze provoceren,

tot beschaming van hun eigen aangezichten?”

7:20 Daarom zegt dus Maryah Aloha,

  “Zie,

Mijn woede en Mijn toorn

zal worden uitgestort over deze plaats,

over mens en over beest

en over de bomen van het veld

en over de vrucht van de grond;

en het zal branden en niet worden uitgedoofd.”

7:21 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Legt uw brand-offers bij uw slacht-offers

en eet uw vlees.

7:22 “Want Ik heb niet gesproken tot uw vaders,

noch hen geboden

op de dag dat Ik hen uit het land van Egypte bracht,

betreffende brand-offers en slacht-offers.

7:23 “Maar dit is wat Ik hen gebood,

zeggende,

‘Luistert naar Mijn stem,

en Ik zal uw Aloha zijn,

en gij zult Mijn volk zijn;

en gij zult wandelen in geheel de weg die Ik u gebied,

opdat het goed met u moge gaan.’

7:24 “Toch hebben ze niet geluisterd of hun oor geneigd,

maar ze wandelden in hun eigen raadslagen

en in de halsstarrigheid van hun kwade hart,

en ze gingen achterwaarts en niet voorwaarts.

7:25 “Sinds de dag

dat uw vaders vanuit het land van Egypte kwamen

tot op de dag van vandaag,

heb Ik u al Mijn dienstknechten

de profeten gezonden,

ze dagelijks en op tijd

en gedurig sturende.

7:26 “Toch luisterden ze niet naar Mij,

ook neigden zij hun oor niet,

  maar verstijfden hun nek;

zij deden meer kwaad dan hun vaders.

7:27 “Gij zult al deze woorden tegen hen spreken,

maar zij zullen niet naar u luisteren:

en gij zult tegen hen roepen,

maar zij zullen u niet antwoorden.

7:28 “Gij zult tegen hen zeggen,

‘Dit is het volk

die de stem van Maryah hun Aloha niet gehoorzaamt

noch correctie aanvaard;

waarheid is uitgeput

en is weggesneden

uit hun mond.

7:29 ‘Snijd uw haar af en gooi het weg,

en hef een klaaggezang aan op de kale hoogten;

want Maryah heeft verworpen en verlaten

de generatie van Zijn gramschap.’

7:30 “Want de zonen van Judah

  hebben datgene gedaan wat kwaad is in Mijn ogen,”

maakt Maryah bekend,

“Ze hebben hun verfoeilijke dingen gesteld

in het huis dat naar Mijn naam genoemd wordt,

om dat te verontreinigen.

7:31 “Ze hebben de hoge plaatsen van Topheth gebouwd,

die in de vallei van de zoon van Hinnom is,

om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden,

wat Ik niet had geboden

en het kwam niet in Mijn geest op.

7:32 “Daarom,

zie!

dagen komen eraan,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer het niet langer meer Topheth zal worden genoemd,

of de vallei van de zoon van Hinnom,

maar de vallei van de slachting;

want ze zullen in Topheth begraven

omdat er geen andere plaats is.

7:33 “De dode lichamen van dit volk

zullen tot voedsel zijn voor de vogels van de lucht

en voor de beesten van de aarde;

en niet één zal ze afschrikken.

7:34 “Vervolgens zal Ik uit de steden van Judah

en uit de straten van Jeruzalem

de stem van vreugde doen ophouden

en de stem van blijdschap,

de stem van de bruidegom

en de stem van de bruid;

want het land zal een puinhoop worden.

Jeremiah 8.

8:1 “In die tijd,”

maakt Maryah bekend,

“Zullen ze de botten van de koningen van Judah

en de botten van hun prinsen naar buiten brengen,

en de botten van de priesters

en de botten van de profeten,

en de botten van de inwoners van Jeruzalem

  uit hun graven.

8:2 “Ze zullen hen uitspreiden voor de zon,

de maan- en voor het hele heirleger des hemels,

die ze hebben liefgehad en die ze hebben gediend,

en die ze achterna gegaan zijn en die ze hebben gezocht,

en die ze hebben aanbeden.

Ze zullen niet verzameld of begraven worden;

ze zullen als mest op het aanschijn van de aarde zijn.

8:3 “En de dood zal eerder dan het leven worden gekozen

  door gans het overblijfsel dat overblijft uit deze kwaadaardige familie,

dat in alle plaatsen overblijft waarheen Ik hen heb gedreven,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.

8:4 “Gij zult tegen hen zeggen,

‘zo zegt Maryah,

“Zal men vallen en niet weder opstaan?

zal men zich afkeren en geen berouw hebben?

8:5 “Waarom heeft dit volk,

Jeruzalem,

zich dan in voortdurende afvalligheid omgedraaid?

ze houden vast aan bedrog,

ze weigeren terug te keren.

8:6 “Ik heb geluisterd en gehoord,

ze hebben gesproken wat niet juist is;

niemand bekeerde hem van zijn goddeloosheid,

zeggende,

‘Wat heb ik gedaan?’

iedereen keerde zich om naar zijn loop,

zoals een paard die ten strijde oprukt.

8:7 “Zelfs de ooievaar in de lucht kent haar seizoenen;

en de tortelduif en de torenzwaluw en de lijster

observeren het tijdstip van hun trek;

maar Mijn volk kent

de verordening van Maryah niet.

8:8 “Hoe kunt gij zeggen,

‘We zijn wijs,

en de wet van Maryah is met ons’?

Maar zie!

de leugenachtige pen van de schriftgeleerden

heeft het tot een leugen gemaakt.

8:9 “De wijze mannen worden te schande gezet,

ze zijn ontstelt en gevangen;

zie!

ze hebben het woord van Maryah verworpen,

en wat voor soort van wijsheid hebben ze?

8:10 “Daarom zal ik hun vrouwen aan anderen geven,

hun velden aan nieuwe eigenaars;

omdat van de minste zelfs tot de grootste

  iedereen hebzuchtig is voor winst;

van de profeet tot de priester

iedereen beoefent bedrog.

8:11 “De gebrokenheid van de dochter van Mijn volk

hebben ze oppervlakkig genezen,

zeggende,

‘Vrede, vrede,’

maar er is geen vrede.

8:12 “Waren ze beschaamd vanwege de gruwel die ze hadden begaan?

Ze waren zeker niet beschaamd,

en ze wisten niet hoe ze moesten blozen;

daarom zullen ze vallen onder degenen die vallen;

op het moment van hun straf zullen ze neerwaarts worden gebracht,”

zegt Maryah.

8:13 “Ik zal hun zeker wegrukken,”

maakt Maryah bekend;

er zullen geen druiven aan de wijnstok zijn

en geen vijgen aan de vijgenboom,

en het blad zal verdorren;

en datgene wat Ik ze heb gegeven zal voorbijgaan.”‘”

8:14 Waarom zitten we stil?

verzamelt uzelf,

en laten ons de versterkte steden ingaan

en laat ons daar vergaan,

omdat Maryah onze Aloha ons heeft gedoemd

en ons vergiftigd water heeft gegeven om te drinken,

want we hebben tegen Maryah gezondigd.

8:15 We hebben op vrede gewacht,

maar niets goeds kwam;

maar ziet,

in plaats van een tijd van herstel,

kwam er terreur!

8:16 Het gesnuif van zijn paarden wordt van Dan af gehoord;

op het geluid van het hinniken van zijn hengsten

  siddert het hele land;

want zij komen en verslinden het land en haar volheid,

de stad en haar inwoners.

8:17 “Want zie,

Ik zend serpenten onder u,

en adders,

voor dewelke geen bezwering is,

en zij zullen u bijten,”

maakt Maryah bekend.

8:18 Mijn verdriet gaat verder dan genezing,

mijn hart is zwak binnenin mij!

8:19 Zie,

luistert!

De kreet van de dochter van Mijn volk uit een ver land:

“is Maryah niet in Zion?

Is haar Koning niet in haar?”

“Waarom hebben ze Mij getergd

met hun gesneden beelden,

en met vreemde afgoden?”

8:20 “De oogst is voorbijgegaan,

de zomer loopt ten einde,

en we zijn niet gered.”

8:21 Voor de gebrokenheid van de dochter van mijn volk ben ik gebroken;

ik rouw,

wanhoop heeft mij aangegrepen.

8:22 Is er geen balsem in Gilead?

Is er daar geen arts?

Waarom is de gezondheid

van de dochter van mijn volk

dan niet beter geworden?

Jeremiah 9.

9:1 Oh dat mijn hoofd wateren waren

en mijn ogen een fontein van tranen,

opdat ik dag en nacht zou kunnen wenen

voor de verslagenen van de dochter van mijn volk!

9:2 Oh dat ik in de woestijn

een reizigers verblijfplaats had;

opdat ik mijn volk moge verlaten

en vertrekken van hen!

want allen van hen zijn overspelers,

een vergadering van trouweloze mannen.

9:3 “Ze krommen hun tong als hun boog;

leugens en onwaarheid zegevieren in het land;

want zij gaan van kwaad tot kwaad,

en zij kennen Mij niet,”

maakt Maryah bekend.

9:4 “Laat eenieder op zijn hoede zijn mzijn naaste,

en vertrouw geen broeder;

omdat elke broeder listig handelt,

en elke naaste gaat rond als een lasteraar.

9:5 “Eenieder bedriegt zijn naaste

  en spreekt de waarheid niet,

ze hebben hun tong geleerd om leugens te spreken;

ze vermoeien zichzelf om ongerechtigheid te plegen.

9:6 “Uw woning is in het midden van bedrog;

door bedrog weigeren zij Mij te kennen,”

maakt Maryah bekend.

9:7 Daarom dus zegt Maryah van de heirscharen,

“Ziet!

Ik zal ze zuiveren en ze testen,

want wat kan Ik anders doen,

vanwege de dochter van Mijn volk?

9:8 “Hun tong is een dodelijke pijl;

ze spreekt bedrog;

met zijn mond spreekt men vrede tegen zijn naaste,

maar innerlijk legt hij voor hem een hinderlaag.

9:9 “Zal Ik hun niet straffen voor deze dingen ?

maakt Maryah bekend.

“Op een volk zoals dit,

zal Ik Mijzelf niet wreken?

9:10 “Voor de bergen zal Ik een geween en weeklacht opheffen,

en voor de weilanden van de wildernis een klaaggezang,

omdat zij in vernieling gelegd zijn zodat niemand er doorheen komt,

en het geloei van het vee wordt niet gehoord;

zowel de vogels van de hemel en de beesten zijn gevlucht;

ze zijn weggegaan.

9:11 “Ik zal Jeruzalem tot een puinhoop maken,

een hol van Jakhalzen;

en Ik zal de steden van Judah tot een verlatenheid maken,

zonder één inwoner.”

9:12 Wie is de wijze man die dit kan begrijpen?

En wie is hij tot wie de mond van Maryah heeft gesproken,

dat hij het moge verklaren?

Waarom is het land verwoest,

in vernieling gelegd als een woestijn

zodat niet één er-door-heen gaat?

9:13 Maryah zei,

“Omdat zij Mijn wet die Ik hun voorlegde verlaten hebben,

en Mijn stem niet hebben gehoorzaamd

en er ook niet naar gewandeld hebben,

9:14 maar naar de koppigheid van hun hart hebben gewandeld,

  en naar de Ba’al,

zoals hun vaders hun leerden.”

9:15 Daarom dus zegt Maryah van de heirscharen,

de Aloha van Israël,

“Zie,

Ik zal hun voeden,

dit volk,

met alsem

en hun vergiftigd water te drinken geven.

9:16 “Ik zal hen onder de naties verstrooien,

die noch zij noch hun vaders hebben gekend;

en Ik zal het zwaard achter hun aan sturen

  totdat Ik hen heb verpletterd.”

9:17 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Overweegt en roep de rouwende vrouwen;

opdat zij mogen komen;

en zend om de jammerende vrouwen,

opdat zij mogen komen!

9:18 “Laat hen haast maken en een gejammer voor ons opheffen,

opdat onze ogen tranen mogen vergieten

en onze oogleden over-stromen van water.

9:19 “Want een stem van gejammer wordt uit Zion gehoord,

‘Hoe zijn we geruineerd!

We zijn tot grote schande gesteld,

want we hebben het land verlaten,

omdat zij onze woningen hebben neergeworpen.'”

9:20 Hoort nu het woord van Maryah,

O gij vrouwen,

en laat uw oor het woord van Zijn mond ontvangen;

leer uw dochters jammeren,

en elk haar naaste een klaaglied.

9:21 Want de dood is door onze ramen opgekomen;

het is onze paleizen binnengedrongen

om de kinderen af te snijden van de straten ,

de jonge mannen van de stadspleinen.

9:22 Spreekt,

“Zo zegt Maryah,

de kadavers van mensen

zullen nedervallen gelijk mest op het open veld,

en gelijk de schoof achter de maaier,

maar niet één zal ze verzamelen.'”

9:23 Zo zegt Maryah,

“Laat een wijs mens niet opscheppen

over zijn wijsheid,

en laat de machtige mens niet opscheppen

over zijn macht,

laat een rijke mens niet opscheppen

over zijn rijkdom;

9:24 maar laat hem die opschept hierover opscheppen,

dat hij Mij begrijpt en kent,

dat Ik Maryah ben die liefdevolle vriendelijkheid uitoefen,

recht en gerechtigheid op de aarde;

want Ik verheug Mij in deze dingen,”

maakt Maryah bekend.

9:25 “Ziet!

de dagen komen,”

maakt Maryah bekend,

“Dat Ik allen zal straffen die besneden zijn

en toch onbesneden zijn-

9:26 Egypte en Judah,

en Edom en de zonen van Ammon,

en Moab en allen die de woestijn bewonen

die het haar op hun slapen knippen;

want al de naties zijn onbesneden

  en heel het huis van Israël zijn onbesnedenen van hart.”

Jeremiah 10.

10:1 Hoor het woord dat Maryah tegen u spreekt,

O huis van Israël.

10:2 Zo zegt Maryah,

“leer de weg van de naties niet,

en wordt niet verschrikt door de tekenen van de hemelen

hoewel de naties door hen verschrikt zijn;

10:3 want de gebruiken van de volken zijn misleiding;

want het is een stuk hout uit het woud gehakt,

het werk van de handen van een ambachtsman met een scherpe beitel.

10:4 Men versiert het met zilver en met goud;

men bevestigd het met spijkers en met hamers

zodat het niet zal waggelen.

10:5 “Gelijk een vogelverschrikker in een komkommerveld zijn ze,

en ze kunnen niet spreken;

ze moeten worden gedragen,

omdat ze niet kunnen wandelen!

Vrees hen niet,

want zij kunnen geen kwaad doen,

maar ze kunnen ook geen goed doen.”

10:6 Er is niet één zoals U,

O Maryah;

groot zijt Gij,

en groot is Uw naam in macht.

10:7 Wie zou U niet vrezen,

O Koning van de naties?

inderdaad het is U recht!

Want onder al de wijze mannen van de naties

en in al hun koninkrijken,

is er niet één zoals U.

10:8 Maar ze zijn allemaal dom en dwaas

in hun discipline van waanideeën-

hun afgod is slechts een stuk hout!

10:9 Geslagen zilverplaten worden uit Tarshish gebracht,

en goud uit Uphaz,

het werk van de vakman

en van de handen van de goudsmid;

diepblauw en purper is hun kleding;

ze zijn allemaal het werk van bekwame vakmannen.

10:10 Maar Maryah is de ware Aloha;

Hij is de levende Aloha en de eeuwige Koning.

  bij Zijn toorn beeft de aarde,

en de naties kunnen Zijn verontwaardiging niet verdragen.

10:11 Zo zult gij tegen hen zeggen,

“de goden die de hemel en de aarde niet hebben gemaakt

zullen vergaan van de aarde

  en vanonder de hemel.”

10:12 Hij is het die de aarde maakte door Zijn kracht,

die de wereld vestigde door Zijn wijsheid;

en door Zijn begrip

heeft Hij de hemelen uitgespreid.

10:13 Wanneer Hij Zijn stem doet horen,

is er een geraas van wateren in de hemelen,

en Hij laat de wolken opstijgen van het einde der aarde;

Hij maakt de bliksem voor de regen,

en brengt de wind van-uit Zijn pakhuizen.

10:14 Elk mens is dwaas,

arm van kennis;

elke goudsmid wordt beschaamd door zijn afgoden;

want zijn gegoten beelden zijn bedrieglijk,

en er is geen ademtocht in hen.

10:15 Ze zijn waardeloos,

een werk van spotternij,

  in de tijd van hun bestraffing zullen ze vergaan.

10:16 Het deel van Jakob is niet zoals deze;

want de Schepper van alles is Hij,

en Israël is de stam van Zijn erfdeel;

Maryah van de heirscharen is Zijn naam.

10:17 Pak uw bundel op van de grond,

gij die onder belegering verblijft!

10:18 Want zo zegt Maryah,

“Zie!

Ik zal de inwoners van het land wegslingeren

op dit moment,

en zal hen verontrusten,

opdat zij mogen gevonden worden.”

10:19 Wee is mij,

vanwege mijn letsel!

Mijn wonde is ongeneeslijk.

Maar ik zei,

“dit is werkelijk een kwaal,

en ik moet het verdragen.”

10:20 Mijn tent is verwoest,

en al mijn lijnen zijn gebroken;

mijn zonen zijn van mij weggegaan

en zijn niet meer.

Er is niet één meer om mijn tent weer uit te spreiden

of om mijn voorhangsel op te richten.

10:21 Want de herders zijn onnozel geworden

en hebben Maryah niet gezocht;

daarom zijn zij niet welvarend geweest,

en zijn al hun kudden verstrooid.

10:22 Het geluid van een gerucht!

Zie,

het komt-

en een grote opschudding vanuit het land van het noorden-

om de steden van Judah te maken

tot een verlatenheid,

een hol van jakhalzen.

10:23 Ik weet,

O Maryah,

dat de mens zijn weg niet aan hemzelf is,

  evenmin is het aan de mens om zijn stappen te richten

terwijl hij wandelt.

10:24 Corrigeer mij,

  O Maryah,

maar met gerechtigheid;

niet door Uw toorn,

of Gij zult mij tot niets brengen.

10:25 Stort Uw toorn uit over de naties die U niet kennen

en over de families die Uw naam niet aanroepen;

want zij hebben Jakob verslonden;

ze hebben hem verslonden

en verteerden hem

en hebben zijn woning in puin gelegd.

Jeremiah 11.

11:1 Het woord dat tot Jeremiah inkwam van Maryah,

zeggende,

11:2 “Hoor de woorden van dit verbond,

en spreek tegen de mannen van Judah

en tegen de inwoners van Jeruzalem;

11:3 en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah,

de Aloha van Israël,

“Vervloekt is de man

die de woorden niet in acht neemt van dit verbond

11:4 welke Ik uw voorvaders gebood

op de dag dat Ik ze uit het land van Egypte bracht,

uit de ijzeren oven,

zeggende,

‘Luistert naar Mijn stem,

en doe deze volgens alles wat Ik u gebied;

zo zult gij Mijn volk zijn,

en Ik zal uw Aloha zijn,

11:5 opdat Ik de eed moge bevestigen

die ik aan uw voorvaders zwoer,

om hen een land te geven overvloeiende van melk en honing,

zoals het op deze dag is.”‘”

Toen zei ik,

“Amen,

O Maryah.”

11:6 En Maryah zei tegen mij,

“Maak al deze woorden bekend

in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem,

zeggende,

‘Hoort de woorden van dit verbond en doe hen.

11:7 ‘Want Ik heb uw vaders heel ernstig gewaarschuwd

op de dag dat Ik hen uit het land van Egypte opbracht,

zelfs tot op deze dag,

voortdurend gewaarschuwd,

zeggende,

“Luister naar Mijn stem.”

11:8 ‘Toch hebben ze niet gehoorzaamd

of hun oor niet geneigd,

maar ze wandelden,

eenieder,

naar de koppigheid van zijn kwade hart;

daarom heb Ik over hun al de woorden van dit verbond gebracht,

  welke Ik hun gebood te doen;

  maar dat deden ze niet.'”

11:9 Vervolgens,

Maryah zei tegen mij,

“Een samenspanning is beklonken

  onder de mannen van Judah

en onder de inwoners van Jeruzalem.

11:10 “Ze zijn teruggekeerd naar de ongerechtigheden van hun voorvaders

die weigerden om Mijn woorden te horen,

en ze zijn andere goden achterna gegaan

om hen te dienen;

het huis van Israël en het huis van Judah

hebben Mijn verbond verbroken

  die Ik met hun vaderen maakte.”

11:11 Daarom dus zegt Maryah,

“Zie ik breng rampspoed over hun

die zij niet zullen kunnen ontvluchten;

alhoewel zij tot Mij zullen schreeuwen,

toch zal Ik naar hen niet luisteren.

11:12 “Vervolgens,

de steden van Judah en de inwoners van Jeruzalem zullen gaan

en schreeuwen tot de goden aan wie zij wierook branden,

maar zij zullen hen zeker niet redden

in de tijd van hun rampspoed.

11:13 “Want uw goden zijn zoveel als uw steden,

O Judah;

en zo veel als de straten van Jeruzalem

zijn de altaren die gij hebt opgezet voor het schandelijke ding,

altaren om zelfs wierook te branden voor Baʿal.

11:14 “Daarom,

bid niet voor dit volk,

hef geen geschrei of gebed voor hen op;

want Ik zal niet luisteren wanneer zij Mij aanroepen

vanwege hun rampspoed.

11:15 “Welk recht heeft Mijn geliefde in Mijn huis

wanneer zij vele gemene daden heeft gedaan?

kan het offer-vlees uw rampspoed van u wegnemen,

zodat gij kunt verheugen?”

11:16 Maryah noemde uw naam,

“Een groene olijfboom,

schoon van vrucht en vorm”;

met het geluid van een groot tumult

heeft Hij vuur daarop doen ontvlammen,

en zijn takken zijn waardeloos.

11:17 Maryah van de heirscharen,

die u plantte,

heeft kwaad tegen u uitgesproken

vanwege het kwaad van het huis van Israël

en van het huis van Judah,

die zij hebben gedaan om Mij te provoceren

door offers op te offeren aan Baʿal.

11:18 Bovendien,

Maryah maakte het aan mij bekend en ik wist het;

Gij hebt mij toen hun daden getoond.

11:19 Maar ik was gelijk een kalm lam

geleid naar de slachting;

en ik wist niet dat zij complotten tegen mij hadden bedacht;

zeggende,

“Laat ons de boom met zijn vrucht vernietigen,

en laat ons hem afsnijden uit het land van de levenden,

dat zijn naam niet meer wordt herinnerd.”

11:20 Maar,

O Maryah van de heirscharen,

die rechtvaardig oordeelt,

die de gevoelens en het hart beproeft,

laat mij Uw wraak op hen zien,

want aan U heb ik mijn zaak toevertrouwd.

11:21 Dus, zo zegt Maryah

aangaande de mannen van Anathoth,

die uw leven zoeken,

zeggende,

“Profeteer niet in de naam van Maryah,

zodat gij niet door onze hand zult sterven”;

11:22 daarom,

zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Ziet,

Ik ben op het punt om ze te straffen!

de jonge mannen zullen sterven door het zwaard,

hun zonen en dochters zullen door hongersnood sterven;

11:23 en een overblijfsel zal niet aan hen worden overgelaten

want Ik zal rampspoed brengen over de mannen van Anathoth-

het jaar van hun bestraffing.”

Jeremiah 12.

12:1 Rechtvaardig zijt Gij,

  O Maryah,

dat ik mijn zaak bij U zou bepleiten;

inderdaad zou ik zaken van rechtvaardigheid met U bespreken:

waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig geweest?

waarom zijn al degenen die zeer trouweloos handelen op hun gemak?

12:2 Gij hebt ze geplant,

zij hebben ook wortel geschoten;

zij groeien,

zij hebben zelfs vrucht voortgebracht.

Gij zijt dicht bij hun lippen

maar verre van hun gedachten.

12:3 Maar Gij kent mij,

O Maryah;

Gij ziet mij;

en Gij onderzoekt de houding van mijn hart naar U toe.

sleep ze weg gelijk schapen naar de slacht

en zet ze afzonderlijk tot de dag der slachting!

12:4 Hoe lang is het land rouwende

en de vegetatie van het platteland verdorrende?

Vanwege de goddeloosheid van degenen die erin wonen,

zijn dieren en vogels weggerukt geweest,

omdat mensen hebben gezegd,

“Hij zal ons laatste einde niet zien.”

12:5 “Wanneer gij met het voetvolk hebt gerend

en zij u moe hebben gemaakt,

hoe kunt gij dan met paarden concurreren?

wanneer gij in een land van vrede nederdaalt,

hoe zult gij het dan doen in het struikgewas van de Jordaan?

12:6 “Want zelfs uw broeders en het huishouden van uw vader,

zelfs zij hebben trouweloos met u gehandeld,

zelfs zij hebben hebben u overluid achterna geroepen .

Geloof hen niet,

hoewel zij misschien aardige dingen tegen u zeggen.”

12:7 “Ik heb Mijn huis verlaten,

Ik heb Mijn erfenis opgegeven;

Ik heb de beminde van Mijn ziel

in de hand van haar vijanden gegeven.

12:8 “Mijn erfenis is tot Mij geworden

als een leeuw in het woud;

zij heeft tegen Mij gebruld;

daarom ben Ik gekomen om haar te haten.

12:9 “Is Mijn erfenis tot Mij als een gespikkelde roofvogel?

Zijn de roofvogels van alle kanten tegen haar?

Ga,

verzamel alle dieren van het veld,

breng hen om te verslinden!

12:10 “Vele herders hebben Mijn wijngaard verwoest,

ze hebben Mijn akker onder de voet vertrapt;

ze hebben Mijn aangename akker

  tot een verlaten wildernis gemaakt.

12:11 “Het is tot een verlatenheid gemaakt,

troosteloos,

rouwt het voor Mij;

het hele land is verlaten gemaakt,

want geen mens legt het ter harte.

12:12 “Op alle kale hoogten in de wildernis,

verwoesters zijn gekomen,

want een zwaard van Maryah verslindt

van het ene einde van het land

zelfs tot het andere;

er is geen vrede,

voor niemand.

12:13 “Zij hebben tarwe gezaaid en hebben doornen geoogst,

zij hebben zich tot geen profijt ingespannen.

Wees slechts beschaamd over uw oogst

vanwege de felle toorn van Maryah.”

12:14 Zo zegt Maryah,

betreffende al Mijn goddeloze geburen

die de erfenis aanslaan

waarmee Ik Mijn volk Israël heb begifted,

“Zie Ik sta op het punt om hen uit hun land te ontwortelen

en Ik zal het huis van Judah uit hun midden ontwortelen.

12:15 “En het zal komen

  dat zowat nadat Ik hen ontworteld heb,

Ik opnieuw medelijden over hen zal hebben;

en Ik zal ze terugbrengen,

elkeen naar zijn erfenis

en elkeen naar zijn land.

12:16 “Vervolgens,

Indien zij de wegen van Mijn volk werkelijk willen leren,

zwerende bij Mijn naam,

‘Zoals Maryah leeft,’

want gelijk zij Mijn volk leerden om te zweren bij Ba’al,

zo zullen zij vervolgens opgebouwd worden

in het midden van Mijn volk.

12:17 “Maar indien zij niet willen luisteren,

dan zal Ik die natie ontwortelen,

uitrukken en vernietigen,”

maakt Maryah bekend.

Jeremiah 13.

13:1 Zo zei Maryah tot mij,

“Ga en koop uzelf een linnen tailleband

en doe hem rondom uw middel,

maar breng hem niet in water.”

13:2 Dus kocht ik die tailleband

in overeenstemming met het woord van Maryah

en deed hem rondom mijn middel.

13:3 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam een tweede maal tot mij,

zeggende,

13:4 “Neem de tailleband die gij hebt gekocht,

welke rondom uw middel is,

en sta op,

ga naar Perath

en verstop hem daar in een spleet van de rots.”

13:5 Dus ging ik en verstopte hem bij Perath,

zoals Maryah mij had bevolen.

13:6 Na vele dagen zei Maryah tegen mij,

“Sta op,

ga naar Perath en neem de tailleband vandaar uit

dewelke Ik u heb bevolen om daar te verstoppen.”

13:7 Vervolgens,

ik ging naar Perath en groef,

en ik nam de tailleband uit de plaats waar ik hem had verstopt;

en kijk,

de tailleband was geruïneerd,

hij was totaal waardeloos.

13:8 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot mij,

zeggende,

13:9 “Zo zegt Maryah,

‘Precies zo zal Ik de hoogmoed van Judah vernietigen

  en die grote hoogmoed van Jeruzalem.

13:10 ‘Dit goddeloze volk,

dat weigert om naar Mijn woorden te luisteren,

dat wandelt naar de koppigheid van hun harten

en andere goden achterna is gegaan om hen te dienen

en om neder te buigen voor hen,

laat het precies als deze tailleband worden

die totaal waardeloos is.

13:11 ‘Want zoals de tailleband om het middel van een man vast-hecht,

zo heb Ik het hele huisgezin van Israël

en het hele huisgezin van Judah

aan Mij doen vast-hechten,’

maakt Maryah bekend,

‘opdat zij een volk voor Mij mogen zijn,

tot aanzien,

tot lof en heerlijkheid;

maar zij hebben niet geluisterd.’

13:12 “Daarom,

gij moet dit woord tegen hun spreken,

‘Zo zegt Maryah,

de Aloha van Israël,

“Elke kruik zal met wijn worden gevuld.”‘

En wanneer zij tegen u zeggen,

“Weten wij niet heel goed

dat elke kruik met wijn zal worden gevuld?’

13:13 Zeg dan tegen hun,

‘Zo zegt Maryah,

“Zie Ik sta op punt om al de inwoners van dit land-

de koningen die op David zijn troon zitten,

de priesters,

de profeten en al de inwoners van Jeruzalem-

te vullen met dronkenschap!

13:14 “Ik zal ze tegen elkaar slaan,

de vaders en de zonen,

beide,

tezamen,”

maakt Maryah bekend.

“Ik zal geen medelijden betonen

en ook niet rouwig zijn-

evenmin mededogen hebben-

om ze aldus niet te vernietigen.”‘”

13:15 Luistert en neemt in acht,

wees niet hoogmoedig,

want Maryah heeft gesproken.

13:16 Geef heerlijkheid aan Maryah uw Aloha,

voordat Hij duisternis brengt

en voordat uw voeten struikelen

  op de schemerige bergen,

En terwijl gij op licht hoopt

maakt Hij het tot diepe duisternis,

en verandert het in donkerheid.

13:17 Maar indien gij er nog niet wil naar luisteren,

zal mijn ziel in het geheim snikken om zulke hoogmoed;

en mijn ogen zullen bitterlijk huilen

  en tranen naar beneden stromen ,

omdat de kudde van Maryah

in gevangenschap is genomen.

13:18 Zeg tegen de koning en de koningin-moeder,

“Neem een nederige zetel,

want uw fraaie kroon

  is van uw hoofd naar beneden gekomen.”

13:19 De steden van de Negev zijn opgesloten geworden,

en er is niet één om ze te openen;

heel Judah is in ballingschap weggevoerd geweest,

geheel in ballingschap weggevoerd.

13:20 “Hef uw ogen op en zie

degenen die vanuit het noorden komen.

Waar is de kudde die u gegeven werdt,

uw fraaie schapen?

13:21 “Wat zult gij zeggen

wanneer Hij voormalige kameraden over u benoemt

-en gij zelf hebt ze opgeleid tegen u-

om het hoofd boven u te zijn?

zullen pijnscheuten u niet vastgrijpen

gelijk een vrouw in barensnood?

13:22 “Indien gij in uw hart zegt,

‘Waarom zijn deze dingen gebeurd aan mij?’

Vanwege de omvang van uw ongerechtigheid

zijn uw zomen weggehaald geweest

en uw hielen zijn tentoongesteld geweest.

13:23 “Kan de Ethiopiër zijn huid verkleuren?

Of de luipaard zijn vlekken?

Dan kunt gij ook goed doen

die gewend zijt om kwaad te doen?

13:24 “Daarom zal Ik hun verstrooien

gelijk afdrijvend stro

  door de woestijnwind.

13:25 “Dit is uw lot,

het deel dat tot u van Mij is afgemeten,”

maakt Maryah bekend,

“Omdat gij Mij vergeten hebt

en hebt vertrouwt op leugens.

13:26 “Zo heb Ik zelf

  ook uw zomen ontbloot

  boven uw aangezicht

  opdat uw schaamte moge gezien worden.

13:27 “Wat betreft uw overspelen en uw wellustig hinniken,

de ontuchtigheid van uw hoererij

  op de heuvels in de akker,

Ik heb uw schanddaden gezien.

Wee aan u,

O Jeruzalem!

hoelang zult gij nog onrein blijven?”

Jeremiah 14.

14:1 Datgene wat tot Jeremiah kwam

als het woord van Maryah

met betrekking tot de droogte:

14:2 “Judah rouwt

en haar poorten verzwakken;

ze zitten op de grond in de rouw,

en de roep van Jeruzalem is opgestegen.

14:3 “Hun edelen hebben hun knechten om water gezonden;

ze zijn tot de waterbakken gekomen en hebben geen water gevonden.

ze zijn teruggekeerd met hun vaten leeg;

ze zijn tot schande gemaakt en vernederd,

en ze bedekken hun hoofden.

14:4 “Omdat de grond is gebarsten,

want er is geen regen geweest op het land;

zijn de boeren te schande gemaakt,

ze hebben hun hoofden bedekt.

14:5 “Want zelfs de hinde in het veld heeft gekalfd

  om haar jong alleen te laten,

want er is geen gras.

14:6 “De wilde ezels staan op de kale hoogten;

ze hijgen naar lucht zoals jakhalzen,

hun ogen zakken in

want er is geen gewas.

14:7 “Alhoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen,

O Maryah,

handel omwille van Uw naam!

onze afvalligheden zijn werkelijk vele geweest,

wij hebben tegen U gezondigd.

14:8 “O Gij hoop van Israël,

haar Zaligmaker in tijden van nood,

waarom zijt Gij als een vreemdeling in het land

of als een zwervende mens

  die zijn tent voor één nacht heeft opgezet?

14:9 “Waarom zijt Gij als een overwonnen man,

als een sterke man die niet redden kan?

Nochtans zijt Gij in ons midden,

O Maryah,

en wij zijn geroepen door Uw naam;

verlaat ons niet!”

14:10 Dus zegt Maryah tegen dit volk,

“Toch hebben zij ervan gehouden om rond te dwalen;

ze hebben hun voeten niet onder controle gehouden.

Daarom aanvaard Maryah hen niet;

nu zal Hij hun ongerechtigheid herinneren

en hun zonden ter verantwoording roepen.”

14:11 Zo zei Maryah tegen mij,

“bid niet voor het welzijn van dit volk.

14:12 “Wanneer zij vasten,

ga Ik niet luisteren naar hun geschrei;

en wanneer zij brandoffer en graanoffer offeren,

ga Ik ze niet accepteren.

Ik ga veeleer een einde aan hen maken door het zwaard,

en door de hongersnood en de pestziekte.”

14:13 Maar,

“Ah, Maryah Aloha!”

Zei ik,

“Kijk,

de profeten vertellen hen,

‘Gij zult het zwaard niet zien

noch zult gij hongersnood hebben,

maar ik zal u blijvende vrede geven in deze plaats.'”

14:14 Toen zei Maryah tegen mij,

“De profeten profeteren leugen in Mijn naam.

Ik heb ze niet gezonden

noch hen geboden

noch gesproken tegen hen;

zij profeteren aan u een leugenachtig visioen,

waarzeggerij,

een ding van niets,

en het bedrog van hun eigen geest.

14:15 “Daarom zo zegt Maryah

betreffende de profeten

die profeteren in Mijn naam,

hoewel Ik het niet was die ze zond-

blijven ze toch zeggen,

‘Er zal geen zwaard of hongersnood zijn in dit land’-

door zwaard en hongersnood

zullen die profeten hun einde ontmoeten!

14:16 “Ook het volk tot wie zij profeteren

zullen op de straten van Jeruzalem worden weggegooid

  vanwege de hongersnood en het zwaard;

en er zal niet één zijn om ze te begraven-

noch hen,

noch hun vrouwen,

noch hun zonen,

noch hun dochters-

want Ik zal hun eigen goddeloosheid over hun uitstorten.

14:17 “Gij zult dit woord tegen hen zeggen,

‘Laat mijn ogen met tranen afvloeien

dag en nacht,

en laat hen niet ophouden;

want de maagdelijke dochter van mijn volk

is verpletterd met een krachtige slag,

met een zwaar geïnfecteerde wonde.

14:18 ‘Als ik uitga naar het land,

ziedaar,

diegenen gedood met het zwaard!

of als ik de stad inga,

ziedaar,

ziekten van de hongersnood!

Want profeten en priesters

beiden zijn gaan rondzwerven in het land

dat zij niet kennen.'”

14:19 Hebt Gij Judah compleet verworpen?

Of hebt Gij Zion gehaat?

Waarom hebt Gij ons geslagen zodat we genezing voorbij gaan?

We wachtten op vrede,

maar er kwam niets goeds;

en op een tijd van genezing,

maar zie daar,

verschrikking!

14:20 Wij erkennen onze goddeloosheid,

O Maryah,

de ongerechtigheid van onze vaders,

want wij hebben gezondigd tegen U.

14:21 Veracht ons niet,

ter wille van Uw eigen naam ;

onteer de troon van Uw heerlijkheid niet;

onthoud en verbreek Uw verbond met ons niet.

14:22 Zijn er onder de afgoden van de naties enige die regen geven?

Of kan de hemel plasregens toestaan?

Zijt Gij het niet,

O Maryah onze Aloha?

Daarom hopen wij op u.

Want Gij zijt de Enige die al deze dingen heeft gedaan.

Jeremiah 15.

15:1 Vervolgens,

Maryah zei tegen mij,

“Zelfs al waren Mozes en Samuel staande voor Mij,

Mijn hart zou niet met dit volk zijn;

stuur ze weg uit Mijn tegenwoordigheid

en laat ze uitgaan!

15:2 “En het zal zijn wanneer dat zij tegen u zeggen,

‘Waar moeten wij heengaan?’

dan moet gij hen vertellen,

‘zo zegt Maryah;

“Zij bestemd tot de dood,

tot de dood;

en zij bestemd tot het zwaard,

tot het zwaard;

en zij bestemd tot de hongersnood,

tot de hongersnood;

en zij bestemd tot gevangenschap,

tot gevangenschap.”‘

15:3 “Ik zal vier soorten onheil over hun uitroepen,”

maakt Maryah bekend:

“het zwaard om te doden,

de honden om weg te slepen,

en de vogels van de hemel

en de beesten van de aarde

om te verslinden en te vernietigen.

15:4 “Ik zal hen tot een voorwerp van verschrikking maken

onder al de koninkrijken van de aarde

vanwege Manasseh,

de zoon van Hezekiah,

de koning van Judah,

  voor wat hij deed in Jeruzalem.

15:5 “Inderdaad,

wie zal medelijden met u hebben,

O Jeruzalem,

of wie zal om u rouwen,

of wie zal zich terzijde wenden om te vragen naar uw welzijn?

15:6 “Gij die Mij verlaten hebt,”

maakt Maryah bekend,

“Gij blijft achteruit gaan.

Zo zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u vernietigen;

Ik ben moe van te zwichten!

15:7 “Ik zal hen ziften met een wannende-vork-

aan de poorten van het land;

Ik zal hen van kinderen beroven,

Ik zal Mijn volk vernietigen;

omdat zij zich niet berouwden over hun wegen.

15:8 “Hun weduwen zullen talrijker vóór Mij zijn

dan het zand van de zee;

Ik zal over hen,

tegen de moeder van een jonge man,

een plunderaar op het middaguur brengen;

Ik zal op haar plotseling angst en wanhoop doen neerdalen.

15:9 “Zij die zeven zonen baarde kwijnde weg;

haar ademhaling is moeizaam.

Haar zon is ondergegaan terwijl het nog dag was;

zij is beschaamd geweest en vernederd.

Zo zal Ik hun overlevenden aan het zwaard overgeven

Vóór hun vijanden,”

maakt Maryah bekend.

15:10 Wee mij,

mijn moeder,

dat gij mij hebt gebaard

als een man van twist

  en een man van krakeel aan het ganse land!

Ik heb niet uitgeleend,

noch hebben mensen aan mij geld uitgeleend,

nochtans vervloekt iedereen mij.

15:11 Maryah zei,

“Waarlijk,

Ik zal u voor doeleinden van het goede vrijlaten;

waarlijk,

Ik zal de vijand aan u smeekbede doen maken

in een tijd van rampspoed

en een tijd van benauwdheid.

15:12 “kan iemand ijzer verbrijzelen,

ijzer uit het noorden,

of brons?

15:13 “Uw rijkdom en uw schatten

zal Ik zonder kosten tot roof geven,

voor al uw zonden zelfs

en in al uw grenzen.

15:14 “Vervolgens

zal ik uw vijanden ertoe brengen

om het in een land te brengen dat gij niet kent;

want een vuur is ontstoken in Mijn toorn,

het zal op u branden.”

15:15 Gij die weet,

O Maryah,

gedenk mij,

sla acht op mij,

en neem wraak voor mij op mijn vervolgers.

  Neemt mij niet weg,

met het oog op Uw geduld;

weet dat ik omwille van U smaad verdraag.

15:16 Uw woorden werden gevonden en ik at ze op,

en Uw woorden werden voor mij een vreugde

en de verrukking van mijn hart;

want ik ben geroepen geweest door Uw naam,

O Maryah Aloha van de heirscharen.

15:17 Ik zat niet in de kring van de pretmakers,

ik heb ook niet gejuicht.

Vanwege Uw hand op mij zat ik alleen,

want Gij vulde mij met verontwaardiging.

15:18 Waarom is mijn pijn blijvend geweest

  en mijn wonde ongeneeslijk,

weigerend om genezen te worden?

Zult Gij mij werkelijk als een bedrieglijke stroom zijn-

met water dat onbetrouwbaar is-?

15:19 Daarom,

zo zegt Maryah,

“Indien gij terugkeert,

dan zal Ik u herstellen-

voor Mij zult gij staan;

en indien gij het kostbare van het waardeloze uittrekt,

zult gij Mijn spreekbuis worden.

Zij van hun kant mogen zich tot u wenden,

maar wat u betreft,

gij moet u niet tot hun wenden.

15:20 “Dan zal Ik u maken

een versterkte muur van brons

tegen dit volk

en hoewel zij tegen u strijden,

zullen zij u niet overheersen;

want Ik ben met u om u te behouden

en u te verlossen,”

maakt Maryah bekend.

15:21 “Zo zal Ik u bevrijden uit de hand van de goddelozen,

en Ik zal u verlossen uit de greep van de geweldenaars.”

Jeremiah 16.

16:1 Het woord van Maryah kwam ook tot mij zeggende,

16:2 “gij zult geen vrouw tot uzelf nemen

noch zonen of dochters hebben in deze plaats.”

16:3 Want zo zegt Maryah

betreffende de zonen en dochters geboren in deze plaats,

en betreffende hun moeders die hen baren,

en hun vaders die hen in dit land verwekken:

16:4 “zij zullen sterven aan dodelijke ziekten

zij zullen niet beklaagd of begraven worden,

zij zullen als mest zijn op het oppervlak van de aarde

en eindigen door zwaard en hongersnood,

en hun karkassen zullen voedsel worden

voor de vogels van de hemel

en voor de beesten van de aarde.”

16:5 Want zo zegt Maryah,

“Ga het huis van rouw niet binnen,

ga niet om te weeklagen of om hun te vertroosten;

want Ik heb Mijn vrede teruggetrokken van dit volk,”

maakt Maryah bekend,

“Mijn liefdevolle vriendelijkheid en mededogen.

16:6 “Grote en kleine mannen,

beide,

zullen sterven in dit land,

zij zullen niet worden begraven,

zij zullen niet worden beklaagd,

evenmin zal iemand zichzelf snijden

of zijn hoofd scheren vanwege hen.

16:7 “Mensen zullen geen brood breken in rouw vanwege hen,

om iemand te troosten vanwege de doden,

noch hun een beker vertroosting geven om te drinken

vanwege iemands vader of moeder.

16:8 “Bovendien zult gij het huis van het feestmaal niet ingaan

om bij hen te zitten

om te eten en te drinken.”

16:9 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël:

“Zie!

Ik ga van deze plaats wegnemen,

voor uw ogen en in uw tijd,

de stem van vreugde,

en de stem van blijdschap,

de stem van de bruidegom,

en de stem van de bruid.

16:10 “Wanneer gij nu dit volk al deze woorden vertelt,

zullen zij tegen u zeggen,

‘Om welke reden heeft Maryah

al deze grote rampspoed tegen ons verklaard?

En wat is onze ongerechtigheid,

of wat is onze zonde

die wij tegen Maryah onze Aloha hebben begaan?

16:11 “Dan moet gij tegen hun zeggen,

‘het is omdat uw voorvaders Mij hebben verlaten,’

maakt Maryah bekend,

‘en andere goden hebben gevolgd

en hun hebben gediend,

en voor hun neergebogen hebben,

maar Mij hebben ze verlaten-

en hebben Mijn wet niet gehouden.

16:12 ‘Ook gij hebt kwaad gedaan,

zelfs meer dan uw voorvaders;

want ziet!

Gij-een-ieder van u-

wandelt naar de koppigheid van zijn eigen kwade hart,

zonder naar Mij te luisteren.

16:13 ‘Dus zal Ik u vanuit dit land gooien

naar het land die gij niet hebt gekend,

noch gij noch uw vaders;

en daar zult gij andere goden dienen

  dag en nacht,

want Ik zal u geen gunst schenken.’

16:14 “Dus ziet!

de dagen komen,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer het niet langer gezegd zal worden,

‘Zoals Maryah leeft,

die de zonen van Israël vanuit het land Egypte heeft opgebracht,

16:15 maar,

‘zoals Maryah leeft,

die de zonen van Israël opbracht

uit het land van het noorden

en uit al de landen

alwaar Hij hun had verbannen.’

Want Ik zal hun terugbrengen naar hun eigen land

dat Ik aan hun vaders gaf.

16:16 “Ziet,

Ik ga vele vissers zenden,”

maakt Maryah bekend,

“en zij zullen naar hun vissen;

en daarna zal Ik vele jagers zenden,

en zij zullen hun van elke berg jagen

en van elke heuvel

en uit de spleten van de rotsen.

16:17 “Want Mijn ogen zijn op al hun wegen:

ze zijn niet verborgen voor Mijn aangezicht,

noch is hun ongerechtigheid verscholen voor Mijn ogen.

16:18 “Ik zal hun ongerechtigheid en hun zonde eerst dubbel vergelden,

omdat zij Mijn land hebben vervuild;

Mijn erfenis hebben zij gevuld

met de karkassen van hun verfoeilijke afgoden

en met hun gruwelen.”

16:19 O Maryah,

mijn sterkte en mijn burcht,

en mijn toevlucht in de dag van benauwdheid,

tot U zullen de naties komen

van de einden van de aarde

en zeggen,

“Onze vaders hebben niets anders dan leugens geërfd,

ijdelheid en dingen waarin geen winst is.”

16:20 Kan de mens goden voor hemzelf maken?

Toch zijn zij geen goden!

16:21 “Zie dus,

Ik ga hen doen kennen-

deze keer zal Ik hen Mijn sterkte en Mijn macht doen kennen;

en zij zullen weten dat Mijn naam Maryah is.”

Jeremiah 17.

17:1 De zonde van Judah is opgeschreven met een ijzeren griffel;

met een diamant punt is het gegraveerd op de tablet van hun hart

en op de hoornen van hun altaren,

17:2 Zoals zij hun telgen gedenken,

zo gedenken zij hun altaren en hun Asherim

nabij groene bomen op de hoge heuvels.

17:3 O berg van Mij in het open veld,

ik zal uw welstand

en al uw schatten ten roof overgeven,

uw hoge plaatsen vanwege de zonde in al uw grenzen.

17:4 En gij zult,

zelfs van uzelf,

uw erfenis die Ik u gaf loslaten;

en Ik zal u uw vijanden doen dienen

in het land welke gij niet kent;

want gij hebt een vuur ontstoken in Mijn toorn

die voor altijd zal branden.

17:5 Zo zegt Maryah,

“Vervloekt is de mens die op de mensheid vertrouwt

en het vlees tot zijn sterkte maakt,

  en wiens hart zich afkeert van Maryah.

17:6 “Want hij zal als een struik in de woestijn zijn

en zal niet zien wanneer voorspoed komt,

maar zal leven in steenachtige woestenij in de wildernis,

een land van zout zonder inwoner.

17:7 “Gezegend is de mens die op Maryah vertrouwt-

  en wiens vertrouwen Maryah is.

17:8 “Want hij zal als een boom zijn geplant bij het water,

die zijn wortels uitstrekt naar een stroom

en zal niet vrezen wanneer de hitte komt;

maar zijn bladeren zullen groen zijn,

en hij zal niet angstig zijn in een jaar van droogte

en nooit ophouden met vruchten af te werpen.

17:9 “Het hart is bedrieglijker dan alle andere dingen-

en is wanhopig ziekelijk-

wie kan het begrijpen?

17:10 “Ik,

Maryah,

doorzoek het hart,

Ik beproef de gedachten,

zelfs om te geven-

aan elke mens naar zijn wegen,

naar de resultaten van zijn daden.

17:11 “Zoals een patrijs die eieren uitbroedt-

welke zij niet heeft gelegd,

zo is hij die een fortuin maakt,

maar onrechtvaardig;

in het midden van zijn dagen zal het hem verlaten,

en op het einde zal hij een dwaas zijn.”

17:12 Een glorieuze troon

verheven vanaf het begin

is plaats van ons heilige der heiligen.

17:13 O Maryah,

de hoop van Israël,

allen die U verlaten zullen tot schande worden gemaakt.

Zij die zich van U afkeren-

in de aarde zullen ze worden neergeschreven,

omdat zij Maryah-

de fontein van levend water zelfs hebben verlaten.

17:14 Genees mij,

O Maryah,

en ik zal genezen worden;

red mij en ik zal behouden worden,

want Gij zijt mijn lof.

17:15 Kijk,

ze blijven tegen mij zeggen,

“waar is het woord van Maryah?

laat het nu komen!”

17:16 Maar wat mij betreft,

ik heb toch geen haast gemaakt

  om meer dan een schaap-herder achter U te zijn,

ook heb ik niet verlangd naar de jammerlijke dag;

Gij weet het zelf dat de uiting van mijn lippen

  in Uw tegenwoordigheid was.

17:17 Wees geen verschrikking voor mij;

Gij zit mijn schuilplaats op de dag van onheil.

17:18 Laat degenen die mij vervolgen tot schande worden gemaakt,

maar wat mij betreft,

laat mij niet tot schande worden gemaakt;

laat hen verschrikt worden,

maar laat mij niet verschrikt worden.

Breng over hun een dag van rampspoed,

en verpletter hen met tweevoudige vernietiging!

17:19 Zo zei Maryah tegen mij,

“Ga en sta in de volks-poort,

doorheen welke de koningen van Judah inkomen en uitgaan,

evenals in alle poorten van Jeruzalem;

17:20 en zeg tegen hun,

‘Luistert naar het woord van Maryah,

koningen van Judah,

en geheel Judah en alle inwoners van Jeruzalem

die door deze poorten inkomen:

17:21 ‘zo zegt Maryah,

“wacht u voor uzelf,

en draagt geen last op de sabbath dag

breng het ook niet binnen door de poorten van Jeruzalem.

17:22 “Gij zult geen last vanuit uw huizen brengen

op de sabbath dag

noch enig werk doen,

maar de sabbath dag heilig houden,

zoals ik uw voorvaders gebood.

17:23 “Toch luisterden zij niet

neigden hun oren niet,

maar verstijfden hun nekken

  om niet te luisteren

of correctie aan te nemen.

17:24 “Maar het zal zowat gebeuren,

wanneer gij aandachtig luistert naar Mij,”

maakt Maryah bekend,

“Om geen last binnen te brengen

door de poorten van deze stad

op de sabbath dag,

maar om de sabbath dag heilig te houden

door geen werk daarop te doen,

17:25 dan zullen er koningen inkomen

door de poorten van deze stad

en prinsen zittend op de troon van David,

rijdend in strijdwagens en op paarden,

zij en hun prinsen,

de mannen van Judah en de inwoners van Jeruzalem,

en deze stad zal voor eeuwig bewoond worden.

17:26 “Zij zullen inkomen

vanuit de steden van Judah

en vanuit de omgeving van Jeruzalem,

vanuit het land van Benjamin,

vanuit het laagland,

vanuit het heuvelland

en vanuit de Negev,

brengende brandoffers,

offers,

graanoffers,

en wierook,

en brengende offers van dankzegging

naar het huis van Maryah.

17:27 “Maar wanneer gij niet naar Mij luistert

om de sabbath dag heilig te houden

door geen last te dragen

en in te komen door de poorten van Jeruzalem

op de sabbath dag,

dan zal Ik een vuur ontsteken in haar poorten

en het zal de paleizen van Jeruzalem verteren

en het zal niet worden uitgeblust.”‘”

Jeremiah 18.

18:1 Het woord dat van Maryah tot Jeremiah kwam,

zeggende,

18:2 “Sta op en ga naar beneden naar het pottenbakkershuis,

en daar zal Ik Mijn woorden aan u bekendmaken.”

18:3 Vervolgens ging ik naar beneden naar het pottenbakkershuis,

en daar was hij,

een zeker ding aan het vormen op de pottenbakkersschijf.

18:4 Maar telkens wanneer het vat dat hij vormde van de klei

verspild werd in de hand van de pottenbakker;

zo vormde hij het opnieuw tot een ander vat,

zoals het de pottenbakker goed leek om het te vormen.

18:5 Toen kwam het woord van Maryah tot mij,

zeggende:

18:6 “Kan Ik niet,

O huis van Israël,

met u omgaan zoals deze pottenbakker?”

Maakt Maryah bekend.

“Ziet!

zoals de klei in de pottenbakkershand,

zo zijt gij in Mijn hand,

O huis van Israël.

18:7 “Op een ogenblik

zou ik kunnen spreken

betreffende een natie

of betreffende een koninkrijk om het te ontwortelen,

om het naar beneden te trekken,

of om het te vernietigen;

18:8 “Indien die natie

waartegen Ik heb gesproken

zich van haar kwaad afkeert,

zal Ik zwichten betreffende de rampspoed

die Ik van plan was om erover te brengen.

18:9 “Op een ander ogenblik

zou Ik kunnen spreken over een natie

of over een koninkrijk

om het op te bouwen

of te planten;

18:10 “indien het kwaad doet in Mijn ogen

door Mijn stem niet te gehoorzamen;

dan zal Ik Mij beter bedenken

over het goede

waarmee Ik had beloofd om het te zegenen.

18:11 “Dus nu dan,

spreek tegen de mannen van Judah

en tegen de inwoners van Jeruzalem,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah,

“Ziet!

Ik vorm rampspoed tegen u

  en bedenk een plan tegen u.

Oh keer om,

ieder van u van zijn kwade weg,

en hervormt uw wegen en uw daden.”‘

18:12 “Maar zij zullen zeggen,

‘Het is hopeloos!

Want we gaan onze eigen plannen volgen,

en elk van ons zal handelen

volgens de koppigheid van zijn kwaadaardige hart.’

18:13 “Daarom dus zegt Maryah,

‘Vraagt nu onder de naties,

wie heeft ooit zoiets dergelijks gehoord?

De maagd van Israël

heeft een zeer verschrikkelijk ding gedaan.

18:14 ‘Doet de sneeuw van Libanon het gesteente van het open veld verdwijnen?

of wordt het koude stromende water

ooit weggerukt vanuit een vreemd land?

18:15 ‘Want Mijn volk is Mij vergeten,

ze branden wierook aan waardeloze goden

en ze zijn op hun wegen gestruikeld,

op de oude paden,

om te wandelen in zijpaden,

en niet op een hoge weg,

18:16 om hun land tot een verlatenheid te maken,

en een mikpunt van eeuwigdurend gesis;

iedereen die daar voorbijgaat zal verbaasd zijn

en zijn hoofd schudden.

18:17 ‘Ik zal hun verstrooien als met een oostenwind

voor de vijand;

Ik zal op hun achterkant zien

en niet hun voorkant

op de dag van hun rampspoed.'”

18:18 Vervolgens zeiden zij,

“Kom en laat ons plannen bedenken tegen Jeremiah.

De wet zal zeker niet verloren gaan van de priester,

noch de raad van de wijze,

noch het goddelijke woord van de profeet!

Kom op en laat ons hem slaan met onze tong,

en laat ons geen acht slaan op enige van zijn woorden.”

18:19 Heb aandacht voor mij,

O Maryah,

en luister naar wat mijn tegenstanders zeggen!

18:20 Moet goed worden terugbetaald met kwaad?

Want zij hebben een kuil voor mij gegraven.

Gedenk hoe ik voor U stond

om goed namens hun te spreken;

om zo Uw toorn van hen af te wenden.

18:21 Daarom,

geef hun kinderen over aan hongersnood

en lever hun over aan de kracht van het zwaard;

en laat hun vrouwen kinderloos en tot weduwe gemaakt worden.

Laat hun mannen ook worden geslagen tot de dood,

hun jonge mannen neergeslagen door het zwaard in de strijd?

18:22 Moge een uitroep worden gehoord uit hun huizen,

wanneer Gij plotseling plunderaars over hun brengt;

want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen

en ze verborgen strikken voor mijn voeten.

18:23 Doch Gij,

O Maryah,

weet,

al hun dodelijke ontwerpen tegen mij;

vergeef hun ongerechtigheid niet

wis ook hun zonde niet uit voor Uw aangezicht.

Maar mogen zij omvergeworpen worden voor U;

handelt Gij met hen in de tijd van Uw toorn!

Jeremiah 19.

19:1 Zo zegt Maryah,

“Ga en koop een aardewerken kruik van de pottenbakker,

en neem enige van de oudsten van het volk

en enige van de senior priesters mee.

19:2 “Ga dan uit naar de vallei van Ben-hinnom,

die bij de ingang van de potscherf-poort is,

en verkondig daar de woorden die Ik u vertel,

19:3 en zeg,

‘Hoor het woord van Maryah,

O koningen van Judah en inwoners van Jeruzalem:

zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Ziet Ik sta op het punt om een rampspoed over deze plaats te brengen,

waarbij de oren van ieder die ervan hoort tuiten zullen.

19:4 “Omdat zij Mij hebben verlaten

en deze een vreemde plaats hebben gemaakt

en daarin offers hebben gebrand aan andere goden,

dat noch zij noch hun voorvaders

noch de koningen van Judah ooit hebben gekend,

en omdat zij deze plaats hebben gevuld

met het bloed van de onschuldigen

19:5 en de hoge plaatsen van Ba-al hebben gebouwd

om hun zonen in het vuur te verbranden

als brandoffers aan Ba-al,

een ding die Ik nooit bevolen of gesproken heb,

evenmin is het ooit in Mijn gedachten gekomen;

19:6 daarom,

ziet!

dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“Waarop deze plaats niet langer Topheth zal worden genoemd

of de vallei van Ben-hinnom,

maar eerder het dal der slachting.

19:7 “Ik zal de raad van Judah en Jeruzalem in deze plaats ongeldig maken,

en Ik zal hun door het zwaard doen vallen

voor hun vijanden

en door de hand van degenen die hun leven zoeken;

en Ik zal hun karkassen overgeven

als voeder voor de vogels van de hemel

en de beesten van de aarde.

19:8 “Ook zal Ik deze stad –

tot een verlatenheid-

en een mikpunt van gesis maken;

eenieder die haar passeert-

zal verbaasd zijn en sissen-

vanwege al haar rampspoed.

19:9 “Ik zal hen het vlees van hun zonen-

en het vlees van hun dochters doen eten,

en zij zullen elkaars vlees eten

in de belegering en in de kwelling

waarmee hun vijanden

en zij die hun leven zoeken

hen zullen kwellen.”‘

19:10 “Dan moet gij de kruik breken

voor de ogen van de mannen die u vergezellen-

19:11 en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Evenzo zal Ik dit volk en deze stad breken,

gelijk als men een pottenbakkerskruik breekt,

welke niet opnieuw kan worden hersteld;

en zij zullen (worden) begraven in Topheth

omdat er geen andere plaats van begrafenis is.

19:12 “Dit is hoe Ik deze plaats en haar inwoners zal behandelen,”

maakt Maryah bekend,

“om deze stad dus als Topheth te maken.

19:13 “De huizen van Jeruzalem

en de huizen van de koningen van Judah

zullen verontreinigd worden als de plaats Topheth,

vanwege al de huizen

  op wiens daken zij offers hebben gebrand

  aan heel het hemelse heir

  en drankoffers uitgoten hebben

aan andere goden.”‘”

19:14 Vervolgens,

Jeremiah kwam van Topheth,

waarheen Maryah hem had gezonden om te profeteren;

en hij stond in de voorhof van het huis van Maryah

en zei tot gans het volk:

19:15 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Zie!

Ik sta op het punt om over deze stad

en over al haar plaatsen

de hele rampspoed te brengen

welke Ik tegen haar bekend heb gemaakt,

omdat zij hun nekken hebben verstijfd

om niet naar Mijn woorden te luisteren.'”

Jeremiah 20.

20:1 Toen Pashhur de priester,

de zoon van Immer,

die hoofd officier was in het huis van Maryah,

Jeremiah hoorde profeteren

betreffende deze dingen,

20:2 liet Pashhur de profeet Jeremiah slaan

  en zette hem in de straf-blokken

welke aan de bovenste Benjamin Poort waren,

die bij het huis van Maryah was.

20:3 Op de volgende dag,

toen Pashhur Jeremiah uit de blokken bevrijdde,

zei Jeremiah tegen hem,

“Pashhur is niet de naam zoals Maryah u heeft genoemd,

maar eerder Magor-Missabib.

20:4 Want zo zegt Maryah,

‘ziet!

Ik ga u een verschrikking maken-

voor uzelf-

en voor al uw vrienden;

en terwijl uw ogen toekijken,

zullen zij vallen door het zwaard van hun vijanden.

Zo zal Ik heel Judah overgeven in de hand van de koning van Babel,

en hij zal ze wegvoeren als ballingen naar Babel

en zal hen met het zwaard doden.

20:5 ‘Ook zal Ik alle rijkdom van deze stad overgeven,

al haar opbrengsten en al haar kostbare dingen;

al de schatten zelfs van de koningen van Judah

zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden,

en zij zullen ze roven,

  ze wegnemen

en ze naar Babel brengen.

20:6 ‘En gij,

Pashhur,

en allen die in uw huis leven

zullen in gevangenschap gaan;

en gij zult Babel binnengaan,

en daar zult gij sterven

en daar zult gij begraven worden,

gij en al uw vrienden

aan wie gij valselijk geprofeteerd hebt.'”

20:7 O Maryah,

Gij hebt mij misleid en ik was misleid;

Gij hebt mij overwonnen en zegevierde.

Ik ben een mikpunt van spot geworden

de hele dag door;

eenieder bespot mij.

20:8 Want elke keer dat ik spreek,

roep ik hardop;

ik roep geweld en vernietiging uit,

omdat voor mij

het woord van Maryah

heeft geleid tot verwijten en bespotting,

de hele dag door.

20:9 Maar als ik zeg,

“Ik zal Hem niet gedenken

of niet meer spreken in Zijn naam,”

dan wordt het in mijn hart als een brandend vuur,

opgesloten in mijn gebeente;

en ik vermoeide mijzelf om het in te houden,

maar ik kan het niet uithouden.

20:10 Want ik heb het gefluister van velen gehoord,

  “verschrikking aan alle kanten!

Klaag hem aan:

ja,

laat we hem aanklagen!”

Al mijn vertrouwde vrienden,

kijken naar mijn val,

zeggende:

“Misschien zal hij misleid worden,

zodat wij tegen hem mogen overwinnen

en onze wraak op hem nemen.”

20:11 Maar Maryah is met mij

als een gevreesde kampioen;

daarom zullen mijn vervolgers struikelen en niet overwinnen.

Ze zullen zich geheel en al schamen,

omdat zij hebben gefaald,

met een eeuwigdurende schande

die niet vergeten zal worden.

20:12 Toch,

O Maryah van de heirscharen,

Gij die de rechtvaardigen beproeft,

die de gedachten en het hart ziet;

laat mij Uw wraak op hen zien;

want aan U heb ik mijn zaak uiteengezet.

20:13 Zingt voor Maryah,

prijst Maryah!

Want Hij heeft de ziel van de behoeftige verlost

uit de hand van de kwaaddoeners.

20:14 Vervloekt is de dag waarop ik geboren ben;

laat die dag-

niet gezegend zijn-

waarop mijn moeder mij heeft gebaard!

20:15 Vervloekt is de man

die het nieuws bracht

aan mijn vader,

  zeggende,

“Een mannelijk kindje is aan u geboren geworden!”

en hem zeer gelukkig maakte.

20:16 Maar laat die mens zijn als de steden

welke Maryah omver wierp zonder te zwichten,

en laat hem een verontwaardiging horen in de ochtend

en een alarmkreet op het middaguur;

20:17 omdat hij mij niet voor de geboorte doodde,

zo dat mijn moeder mijn graf zou zijn geweest,

en haar baarmoeder altijd zwanger ware.

20:18 Waarom ben ik ooit uit de baarmoeder voortgekomen

  om te zien op moeite en droefheid,

opdat mijn dagen in schaamte zijn besteed geweest?

Jeremiah 21.

21:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam van Maryah

toen koning Zedekiah tot hem Pashhur zond

de zoon van Malchijjah,

en Zephaniah de priester,

de zoon van Maaseiah,

zeggende,

21:2 “Vraag toch van Maryah namens ons,

want Nebuchadnezzar de koning van Babel

voert oorlog tegen ons;

wellicht zal Maryah met ons doen

naar al Zijn wonderlijke daden,

zodat de vijand zich van ons zal terugtrekken.”

21:3 Vervolgens,

Jeremiah zei tegen hen,

“gij zult tot Zedekiah zeggen als volgt:

21:4 ‘zo zegt Maryah

Aloha van Israël,

“zie,

Ik sta op het punt om de oorlogswapens terug te draaien

die in uw handen zijn,

waarmee gij strijdende zijt tegen de koning van Babel

en de Kaldāye die u belegeren buiten de muur;

en Ik zal ze verzamelen in het centrum van deze stad.

21:5 “Ik-zelf zal tegen u strijden

met een uitgestrekte hand

en een machtige arm,

zelfs in woede

en met toorn

en met grote verontwaardiging.

21:6 “Ik zal ook de inwoners van deze stad neerslaan,

mens en beest,

beiden,

zij zullen sterven aan een grote pestziekte.

21:7 “Daarna dan,”

maakt Maryah bekend,

“zal Ik Zedekiah koning van Judah

en zijn dienaren

en het volk,

zelfs degenen die in deze stad overleven van de pestziekte,

van het zwaard en van de hongersnood,

in de hand van Nebuchadnezzar koning van Babel overgeven,

en in de hand van hun vijand

en in de hand van degenen die hun leven zoeken;

en hij zal hun neerslaan

met de snede van het zwaard.

Hij zal hen niet sparen

noch medelijden

noch mededogen hebben.”‘

21:8 “Gij zult ook tegen dit volk zeggen,

‘zo zegt Maryah,

“Ziet,

de weg van het leven

  en de weg van de dood

stel Ik voor u.

21:9 “Hij die in deze stad verblijft

zal door het zwaard

en door hongersnood

en door pestziekte sterven;

maar hij die er uit vertrekt

  en uitvalt naar de Kaldāye

  die u belegeren

zal leven,

en zijn eigen leven zal hij als buit hebben.

21:10 “Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld

ten kwade en niet ten goede,”

maakt Maryah bekend.

“Zij zal in de hand van de koning van Babel over-gegeven- worden

en hij zal ze met vuur verbranden.”‘

21:11 “Zeg vervolgens tegen het huishouden van de koning van Judah,

‘hoor het woord van Maryah,

21:12 O huis van David,

zo zegt Maryah:

“Voer de gerechtigheid uit elke morgen;

en verlost de persoon die beroofd is

uit de macht van zijn onderdrukker,

opdat Mijn toorn niet moge uitgaan als vuur

en branden met niet één om het te doven,

vanwege het kwaad van hun daden.

21:13 “Zie,

Ik ben tegen u,

O valleibewoner,

O rotsachtige vlakte,”

maakt Maryah bekend,

“gij mannen die zegt,

‘wie zal tegen ons afwaarts komen?

of wie zal onze woningen betreden?’

21:14 “Maar Ik zal u straffen naar de resultaten van uw daden,”

maakt Maryah bekend,

“en Ik zal een vuur ontsteken in haar woud

opdat het heel haar omgeving moge verteren.”‘”

Jeremiah 22.

22:1 Zo zegt Maryah,

“daal af naar het huis van de koning van Judah,

en spreek daar dit woord

22:2 en zeg,

‘hoor het woord van Maryah

O koning van Judah,

die op David’s troon zit,

gij en uw dienaren

en uw volk

die deze poorten binnentreden.

22:3 ‘Zo zegt Maryah,

“doe rechtvaardigheid en gerechtigheid,

en verlos degene die beroofd is

uit de macht van zijn onderdrukker.

Mishandel ook niet of gebruik geen geweld tegen de vreemdeling,

de wees,

of de weduwe;

en vergiet ook geen onschuldig bloed in deze plaats.

22:4 “Want indien uw mannen dit ding inderdaad zullen uitvoeren,

dan zullen koningen de poorten van dit huis ingaan,

zittend in David’s positie op zijn troon,

rijdend op strijdwagens en op paarden,

zelfs de koning zelf

en zijn dienaren

en zijn volk.

22:5 “Maar indien gij deze woorden niet zult gehoorzamen,

Ik zweer bij mezelf,”

maakt Maryah bekend,

“dat dit huis een verlatenheid zal worden.”‘”

22:6 Want zo zegt Maryah over het huis van de koning van Judah:

“gij zijt als Gilead voor Mij,

zoals de top van de Libanon;

maar toch zal Ik u zeker als een wildernis maken,

zoals steden die niet bewoond zijn.

22:7 “Want Ik zal vernielers tegen u apart zetten,

elk met zijn wapens;

en zij zullen uw meest uitgelezen ceders afhakken

en ze in het vuur gooien.

22:8 “Veel naties zullen langs deze stad voorbijkomen;

en zij zullen tegen elkaar zeggen,

‘waarom heeft Maryah alzo aan deze grote stad gedaan?’

22:9 “Dan zullen zij antwoorden,

‘Omdat zij het verbond van Maryah hun Aloha verlieten

en voor andere goden neerbogen

en hen dienden.'”

22:10 Weent niet om de dode

of rouwt niet om hem,

maar weent veel om degene die weggaat;

want hij zal nooit terugkeren

of zijn geboorteland zien.

22:11 Want zo zegt Maryah

met betrekking tot Sallum

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

die koning werd in de plaats van Josiah zijn vader,

die uit deze plaats uitging,

“Hij zal daar nooit terugkeren;

22:12 maar in de plaats waarheen zij hem gevangen voerden,

daar zal hij sterven

en dit land niet weer zien.

22:13 “Wee hem die zijn huis bouwt zonder gerechtigheid

en zijn bovenkamers zonder recht,

die de diensten van zijn naaste zonder te betalen gebruikt

en hem zijn loon niet geeft,

22:14 die zegt,

‘ik zal mijzelf een ruim huis bouwen

met royale bovenkamers,

en haar vensters er uithouwen,

het bedekken met ceder

en het felrood schilderen.’

22:15 “Wordt gij een koning omdat gij concurreert in ceder?

Heeft uw vader niet gegeten en gedronken

en recht en gerechtigheid gedaan?

Toen was het goed met hem.

22:16 “Hij verdedigde de zaak van de ellendigen en behoeftigen;

toen was het goed.

Is dat niet wat het betekent om Mij te kennen?”

Maakt Maryah bekend.

22:17 “Maar uw ogen en uw hart

zijn slechts gericht op uw eigen oneerlijke winst,

en op het vergieten van onschuldig bloed

en op het beoefenen van verdrukking en afzetterij.’

22:18 Daarom dus zegt Maryah

met betrekking tot Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

“ze zullen niet weeklagen om hem:

‘O wee,

mijn broeder!’

Of,

‘O wee,

zuster!’

Ze zullen niet weeklagen om hem:

‘O wee om de meester!’

Of,

‘O wee om zijn pracht!’

22:19 “Hij zal begraven worden met een ezels-begrafenis,

weggesleurd en uitgeworpen

  ver voorbij de poorten van Jeruzalem.

22:20 “Ga op naar Libanon en schreeuw het uit,

en verhef uw stem in Bashan;

schreeuw het ook uit van Abarim,

want al uw geliefden zijn verpletterd geworden.

22:21 “Ik sprak tegen u in uw welvaart;

maar gij hebt gezegd,

‘ik wil niet luisteren!’

Dit is uw gewoonte geweest vanaf uw jeugd,

dat gij niet naar Mijn stem hebt geluisterd.

22:22 “De wind zal al uw herders wegvegen,

en uw geliefden zullen in gevangenschap gaan;

dan zul gij zeker beschaamd zijn en vernederd

vanwege al uw slechtheid.

22:23 “Gij die woont in Libanon,

genesteld in de ceders,

hoe zult gij kermen wanneer de pijnscheuten over u komen,

pijn als een vrouw bij de bevalling!

22:24 “Zoals Ik leef,”

maakte Maryah bekend,

“hoewel Coniah

de zoon van Jehoiakim

koning van Judah

een zegel op Mijn rechterhand was,

toch zou Ik u er afrukken;

22:25 en Ik zal u overgeven

in de hand van degenen die uw leven zoeken,

ja,

in de hand van degenen die gij vreest,

zelfs in de hand van Nebuchadnezzar

koning van Babel

en in de hand van de Kaldāye.

22:26 “Ik zal u uitwerpen,

en uw moeder die u gebaard heeft,

in een ander land,

  waar gij niet geboren zijt,

en daar zult gij sterven.

22:27 “Maar wat betreft het land waarnaar zij verlangen weder-te-keren,

  zij zullen er niet naar wederkeren.

22:28 “Is deze man Coniah een verachte,

verbrijzelde kruik?

Of is hij een ongewenst vat?

Waarom zijn hij en zijn nazaten uitgeworpen geweest

en geworpen in een land dat zij niet hebben gekend?

22:29 “O land,

land,

land,

hoort het woord van Maryah!

22:30 “Zo zegt Maryah,

schrijft gij deze man kinderloos neer,

een man die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen;

want geen man van zijn nazaten

zittend op de troon van David

zal voorspoedig zijn,

noch opnieuw heersen in Judah.'”

Jeremiah 23.

23:1 “Wee aan de herders

die de schapen van Mijn weide

aan het vernietigen en verstrooien zijn!”

Maakt Maryah bekend.

23:2 Daarom dus zegt Maryah Aloha van Israël:

“betreffende de herders die Mijn volk hoeden:

gij hebt Mijn kudde verstrooid en ze weggedreven,

en gij hebt niet voor hun gezorgd;

zie!

Ik sta op punt om u te bezoeken

vanwege het kwaad van uw daden,”

maakt Maryah bekend.

23:3 “Vervolgens,

Ik zal zelf het overblijfsel van Mijn kudde bijeenbrengen

vanuit al de landen waarheen Ik ze verdreven heb

en ze terugbrengen naar hun weide,

en zij zullen vruchtbaar zijn

en zich vermenigvuldigen.

23:4 “Ik zal ook herders over hen stellen

en zij zullen hen hoeden;

en ze zullen niet langer bevreesd zijn,

noch verschrikt worden,

noch zal één worden vermist,”

maakt Maryah bekend.

23:5 “Zie!

de dagen komen eraan,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer Ik voor David een rechtvaardige Scheut zal verwekken;

en Hij zal als een koning regeren

en wijselijk handelen

en recht en gerechtigheid doen in het land.

23:6 “In Zijn dagen zal Judah worden gered,

en Israël zal veilig wonen;

en dit is Zijn naam

bij welke Hij zal worden genoemd,

‘MARYAH ONZE GERECHTIGHEID.’

23:7 “Daarom ziet,

de dagen komen eraan,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer zij niet meer zullen zeggen,

‘Zoals Maryah leeft,

die de zonen van Israël uit het land van Egypte opbracht,’

23:8 maar,

‘Zoals Maryah leeft,

die de nakomelingen van het huishouden van Israël heeft opgebracht

en heeft teruggeleid vanuit het noorden land

en vanuit al de landen waarheen Ik hen verdreven had.’

Dan zullen zij op hun eigen grond leven.”

23:9 Wat de profeten betreft:

mijn hart is in mij gebroken,

al mijn botten trillen;

ik ben als een dronken man geworden,

zelfs als een man door wijn overwonnen,

vanwege Maryah

en vanwege Zijn heilige woorden.

23:10 Want het land is vol van overspelers;

want het land treurt vanwege de vloek.

De weilanden van de woestijn zijn opgedroogd.

Hun loop is slecht en ook hun macht is niet recht.

23:11 “Want zowel profeet als priester zijn verontreinigd;

zelfs in Mijn huis heb Ik hun zondigheid gevonden,”

maakt Marayh bekend.

23:12 “Daarom zal hun weg als glibberige paden aan hen zijn,

ze zullen weggedreven worden in de schemering

en erin neervallen;

want Ik zal rampspoed over hun brengen,

het jaar van hun bestraffing,”

maakt Maryah bekend.

23:13 “Bovendien,

onder de profeten van Samaria zag Ik een aanstootgevend iets:

zij profeteerden door Baʿal

en leidden mijn volk Israël op een dwaalspoor.

23:14 “Ook heb Ik een afschuwelijk iets gezien

onder de profeten van Jeruzalem:

het plegen van ontucht

en wandelen in leugens;

en ze versterken de handen van boosdoeners,

zodat niet één van zijn zondigheid is teruggekeerd .

Allen van hen zijn Mij als Sodom geworden

  en haar inwoners zoals Gomorrah.

23:15 “Daarom zegt Maryah van de heirscharen dus

betreffende de profeten,

‘Zie!

Ik ga hen alsem voeden

en hen giftig water laten drinken,

want er is verontreiniging uitgegaan

  van de profeten van Jeruzalem

tot in het hele land.'”

23:16 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Luistert niet naar die woorden

van de profeten die aan u profeteren.

Zij leiden u in ijdelheid;

ze spreken een visioen van hun eigen verbeelding,

niet uit de mond van Maryah.

23:17 “Ze blijven zeggen tegen degene die Mij verachten,

‘Maryah heeft het gezegd,

“gij zult vrede hebben”‘;

en ook tegen eenieder die in de koppigheid van zijn eigen hart wandelt,

zeggen zij,

‘ rampspoed zal over u niet komen.’

23:18 “Maar wie heeft in de raad van Maryah gestaan,

opdat hij Zijn woord zou zien en horen?

Wie heeft gehoor gegeven aan Zijn woord en luisterde?

23:19 “Zie,

de storm van Maryah is in toorn uitgegaan,

een wervel-storm zelfs;

het zal naar beneden wervelen

op het hoofd van de goddelozen.

23:20 “De toorn van Maryah zal niet terugkeren

totdat Hij heeft gedaan

en de doelen van Zijn hart heeft uitgevoerd;

in de laatste dagen zult gij het duidelijk begrijpen.

23:21 “Ik zond deze profeten niet,

maar ze renden,

Ik sprak tegen hun niet,

maar ze profeteerden.

23:22 “Maar indien ze in Mijn raad hadden gestaan,

dan zouden ze Mijn woorden aan Mijn volk hebben verkondigd,

en zouden hen van hun kwade weg hebben afgewend

  en van het kwaad van hun daden.

23:23 “Ben Ik Aloha dichtbij,”

maakt Maryah bekend,

“en niet Aloha van verre?

23:24 “Kan een mens zich verbergen in schuilplaatsen

zodat Ik hem niet zie?”

Maakt Maryah bekend.

Vervul Ik de hemel en de aarde niet?

Maakt Maryah bekend.

23:25 “Ik heb gehoord wat de profeten hebben voornoemd

die in Mijn naam valselijk profeteren,

zeggende,

‘ik had een droom,

ik had een droom!’

23:26 “Hoe lang?

is er iets in de harten van de profeten die onwaarheid profeteren,

zelfs deze profeten van het bedrog van hun eigen hart,

23:27 die van plan zijn om Mijn volk Mijn naam te doen vergeten

door hun dromen die zij aan een andere verhalen,

net zoals hun vaders Mijn naam vergaten

  vanwege Ba’al?

23:28 “De profeet die een droom heeft mag zijn droom verhalen,

maar laat hem die Mijn woord heeft-

Mijn woord in waarheid spreken.

Wat heeft stro gemeenschappelijk met graan?”

maakt Maryah bekend.

23:29 “Is Mijn woord niet als vuur?”

maakt Maryah bekend,

“en als een hamer die de rots verbrijzelt?

23:30 “Daarom zie!

Ik ben tegen de profeten,”

maakt Maryah bekend,

“die Mijn woorden van elkaar stelen.

23:31 “Zie!

Ik ben tegen de profeten,”

maakt Maryah bekend,

“die hun tongen gebruiken en bekendmaken,

‘Maryah maakt bekend.’

23:32 “Zie!

Ik ben tegen degenen die valse dromen hebben geprofeteerd,”

maakt Maryah bekend,

“en hen hebben verhaald

en Mijn volk op een dwaalspoor hebben geleid

door hun leugens en roekeloze opschepperij;

toch heb Ik hun niet gezonden of hun geboden,

zij verschaffen dit volk niet het minste voordeel,”

maakt Maryah bekend.

23:33 “Wanneer nu dit volk of de profeet of een priester u zeggende vraagt,

‘wat is de Godsspraak van Maryah?’

Dan zult gij tegen hen zeggen,

‘welke Godsspraak?’

Maryah maakt bekend,

‘Ik zal u verlaten.’

23:34 “Vervolgens,

wat betreft de profeet of de priester of het volk die zegt,

‘de Godsspraak van Maryah,’

Ik zal straf brengen over die mens en zijn huishouden.

23:35 “Zo zal eenieder van u tegen zijn naaste en tegen zijn broeder zeggen,

‘wat heeft Maryah geantwoord?’

of,

  ‘wat heeft Maryah gesproken?’

23:36 “Want gij zult de Godsspraak van Maryah niet langer herinneren,

omdat ieders eigen woord de godsspraak zal worden,

en gij hebt de woorden van de levende Aloha verdraaid,

  Maryah van de heirscharen,

onze Aloha.

23:37 “Zo zult gij tegen die profeet zeggen,

‘wat heeft Maryah u geantwoord?’

en,

‘wat heeft Maryah gesproken?’

23:38 “Want zo gij zegt,

‘De Godsspraak van Maryah!’

zo zegt Maryah beslist,

‘omdat gij dit woord hebt gezegd,

“De Godsspraak van Maryah!”

heb Ik ook tot u gezonden.,

zeggende,

“Gij zult niet zeggen,

‘De Godsspraak van Maryah!'”‘

23:39 “Daarom zie!

Ik zal u zekerlijk vergeten

en u uitwerpen vanuit Mijn tegenwoordigheid,

samen met de stad

die Ik u en uw vaders gaf.

23:40 ‘Ik zal een eeuwigdurende smaad op u werpen-

en een eeuwigdurende vernedering-

die niet zal worden vergeten.”

Jeremiah 24.

24:1 Nadat Nebuchadnezzar

koning van Babel-

Jeconiah de zoon van Jehioakim-

de koning van Judah

gevankelijk had weggevoerd,

en de ambtenaren van Judah

met de ambachtslieden

en de smeden van Jeruzalem

en hen naar Babel had gebracht,

toonde Maryah mij:

zie!

twee korven met vijgen

vóór de tempel van Maryah geplaats!

24:2 Een korf had zeer goede vijgen

zoals de eerste-rijpe vijgen,

en de andere korf had zeer slechte vijgen

die niet konden gegeten worden-

vanwege verrotting.

24:3 Vervolgens zei Maryah tegen mij,

“wat ziet gij,

Jeremiah?”

En ik zei,

“vijgen,

die goede vijgen,

zeer goed;

en die slechte vijgen,

zeer slecht,

welke niet kunnen gegeten worden vanwege verrotting.”

24:4 Vervolgens kwam het woord van Maryah tot mij,

zeggende,

24:5 ‘Zo zegt Maryah Aloha van Israël,

‘gelijk deze goede vijgen,

zo zal Ik de gevangenen van Judah als goed beschouwen,

die Ik vanuit deze plaats

heb gezonden

in het land van de Chaldeeërs.

24:6 “Want Ik zal Mijn ogen op hen richten ten goede,

en Ik zal hen naar dit land terugbrengen;

en Ik zal hen opbouwen

en hen niet omverwerpen,

en Ik zal hen planten

en hen niet aftrekken.

24:7 ‘Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen,

want Ik ben Maryah;

en zij zullen Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn,

want zij zullen met hun hele hart

naar Mij terugkeren.

24:8 ‘Maar zoals de slechte vijgen

die niet kunnen gegeten worden vanwege verrotting

-voorwaar,

zo zegt Maryah-

zo zal Ik Zedekiah koning van Judah verlaten,

en zijn ambtenaren,

en het overblijfsel van Jeruzalem die in dit land achterbleef

en degenen die in het land van Egypte wonen.

24:9 ‘Ik zal hen zelfs tot een verschrikking en een kwaad maken

tot al de koninkrijken van de aarde,

als een schande en een spreekwoord,

een bespotting en een vervloeking

in alle plaatsen waarheen Ik hen zal verdrijven.

24:10 ‘Ik zal het zwaard zenden,

de hongersnood en de pestziekte onder hun

totdat ze worden ontworteld

uit het land dat Ik hun en hun voorouders heb gegeven.'”

Jeremiah 25.

25:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam

betreffende heel het volk van Judah,

in het vierde jaar van Jehoiakim de zoon van Josiah,

koning van Judah

-dat was het eerste jaar van Nebuchadnezzar koning van Babel-,

25:2 dat Jeremiah de profeet

tegen het hele volk van Judah sprak

en tegen al de inwoners van Jeruzalem,

zeggende,

25:3 “vanaf het dertiende jaar van Josiah

de zoon van Amon,

koning van Judah,

zelfs tot op deze dag,

deze drie-en-twintig jaar

is het woord van Maryah tot mij gekomen,

en ik tegen u opnieuw en opnieuw gesproken heb,

maar gij hebt niet geluisterd.

25:4 “En Maryah heeft aan u allen

Zijn dienaren de profeten gezonden

  opnieuw en opnieuw,

maar gij hebt niet geluisterd

noch uw oor geneigd om te aanhoren,

25:5 zeggende,

‘Dat eenieder nu van zijn kwade weg afwend

en van het kwaad van uw daden,

en woont in het land

dat Maryah aan u heeft gegeven

en aan uw voorouders

voor altijd en eeuwig;

25:6 en ga niet achter andere goden aan

om hen te dienen

en om hen te aanbidden,

en terg Mij niet tot toorn

  met het werk van uw handen,

en Ik zal u geen kwaad doen.’

25:7 “Toch hebt gij niet naar Mij geluisterd,”

maakt Maryah bekend,

“opdat gij Mij zou kunnen tergen tot toorn

met het werk van uw handen

tot uw eigen schade.

25:8 “Daarom dus

zegt Maryah van de heirscharen,

‘omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoorzaamd,

25:9 zie!

Ik zal zenden

en al de families van het noorden nemen,’

  maakt Maryah bekend,

‘en Ik zal tot Nebuchadnezzar zenden

koning van Babel,

Mijn dienaar,

en Ik zal hen tegen dit land brengen

en tegen haar inwoners

  en tegen al deze volken rondom;

en Ik zal hen volkomen vernietigen

en hen tot een gruwel

en tot een aanfluiting maken,

en tot een eeuwigdurende verlatenheid.

25:10 ‘Bovendien,

zal Ik de stem van vreugde van hen afnemen

en de stem van blijdschap,

de stem van de bruidegom

en de stem van de bruid,

het geluid van de molenstenen

en het licht van de lamp.

25:11 ‘Dit hele land

zal een verlatenheid en een verschrikking zijn,

en deze volken

zullen de koning van Babel zeventig jaren dienen.

25:12 ‘Het zal zijn

wanneer de zeventig jaren voltooid zijn

dat Ik die koning van Babel zal straffen- en die natie,’

maakt Maryah bekend,

‘om hun ongerechtigheid,

en het land van de Chaldeeërs;

en Ik zal het tot een eeuwigdurende verlatenheid maken.

25:13 ‘Ik zal al Mijn woorden

over dit land brengen

welke Ik ertegen heb uitgesproken,

alles wat in dit boek is geschreven

hetgeen Jeremiah heeft geprofeteerd

tegen al die volken.

25:14 ‘Want vele naties

en grote koningen

zullen slaven van hen maken,

ja van hen!

en Ik zal hun vergelden

naar hun daden

en naar het werk van hun handen.'”

25:15 Want alzo zegt Maryah,

Aloha van Israël,

tegen mij,

“Neemt deze beker van de wijn des gramschap in Mijn hand

en geef al de volken aan wie Ik u zend het te drinken.

25:16 “Ze zullen drinken

en heen en weer zwieren

en als gekken zijn

vanwege het zwaard

dat Ik onder hun zal zenden.”

25:17 Vervolgens nam ik de beker

uit de hand van Maryah

en gaf al de volken

naar wie Maryah mij heeft gezonden het te drinken:

25:18 Jeruzalem

en de steden van Judah

en haar koningen

en haar prinsen,

om hen tot een verwoesting te maken,

tot een verschrikking,

tot een aanfluiting

en tot een vloek,

zoals het is deze dag;

25:19 Farao koning van Egypte,

zijn dienaren,

zijn prinsen

en al zijn volk;

25:20 en al het vreemde volk,

al de koningen van het land van Uz,

al de koningen van het land van de Filistijnen

zelfs Ashkelon,

Gaza,

Ekron en het overblijfsel van Ashdod;

25:21 Edom,

Moab en de zonen van Ammon;

25:22 en al de koningen van Tyre,

al de koningen van Sidon

en de koningen van de kustlanden

welke aan de andere zijde van de zee zijn;

25:23 en Dedan,

Tema,

Buz en allen die de hoeken van hun haar hebben geknipt;

25:24 en al de koningen van Arabia

en al de koningen van het vreemde volk

die in de woestijn wonen;

25:25 en al de koningen van Zimri,

al de koningen van Elam

en al de koningen van Media;

25:26 en al de koningen van het noorden,

dichtbij en veraf,

de een met de andere;

en al de koninkrijken der wereld

die op het oppervlak van de aarde zijn,

en de koning van Sheshach zal na hen drinken.

25:27 “Gij zult tegen hen zeggen,

‘zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Drinkt,

wordt dronken,

braakt,

valt neer en sta niet meer op

vanwege het zwaard

dat Ik onder u zal zenden.”‘

25:28 “En het zal zijn,

zo zij weigeren om de beker

uit uw hand te nemen om te drinken,

dan zult gij tegen hen zeggen,

‘zo zegt Maryah van de heirscharen:

“gij zult voorzeker drinken!

25:29 “Want zie!

Ik begin rampspoed te bewerken in deze stad

welke naar Mijn naam wordt genoemd,

en gij zoudt volledig vrij van straf zijn?

Gij zult niet vrij van straf zijn;

want Ik laat een zwaard komen

over al de inwoners der aarde,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.’

25:30 “Daarom zult gij al deze woorden tegen hun profeteren,

en gij zult zeggen tegen hun,

‘Maryah zal brullen vanop de hoogte

en Zijn stem uiten vanuit Zijn heilige woning;

Hij zal krachtig brullen tegen Zijn kudde.

Hij zal schreeuwen als degenen die de druiven treden,

tegen al de bewoners der aarde.

25:31 ‘Een geschreeuw is tot het einde van de aarde gekomen,

  omdat Maryah een geschil heeft met de volken.

Hij treedt in het gericht met alle vlees;

wat de goddelozen betreft,

Hij heeft hen aan het zwaard overgegeven,’

maakt Maryah bekend.”

25:32 Alzo zegt Maryah van de heirscharen,

“Zie,

het kwaad gaat uit

van volk naar volk,

en een grote storm wordt opgewekt

  vanuit de meest afgelegen streken van de aarde.

25:33 “Diegenen,

(die) op die dag door Maryah (zijn) gedood,

zullen van het het ene einde van de aarde tot het andere zijn.

  Ze zullen niet beklaagd,

verzameld of begraven worden;

als mest op het oppervlakte der aarde

zullen zij zijn.

25:34 “Jammer,

gij herders,

en huil;

en wentelt (u) in asse,

gij meesters van de kudde;

want de dagen van uw slachting

en uw verstrooiingen zijn gekomen,

en gij zult vallen als een eerste keuze vat.

25:35 “De herders zullen geen weg hebben om te vluchten,

noch de meesters van de kudde om te ontsnappen.

25:36 “Hoort het geluid van de kreet van de herders,

en het gejammer van de meesters van de kudde!

Want Maryah vernietigt hun weiland.

25:37 “En de vredige -(velden)- vouwen zijn tot stilte gebracht

vanwege de felle toorn van Maryah.

25:38 “Hij heeft Zijn schuilplaats verlaten gelijk de leeuw;

want hun land is tot een verschrikking geworden

vanwege de woestheid van het verdrukkende zwaard

en vanwege Zijn woeste toorn.”

Jeremiah 26.

26:1 In het begin van de heerschappij van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

kwam dit woord van Maryah,

zeggende,

26:2 “Zo zegt Maryah,

‘Sta in de voorhof van Maryah Zijn huis,

en spreek tegen al de steden van Judah,

welke gekomen zijn om te aanbidden in het huis van Maryah,

om tot hen al de woorden

welke Ik u geboden heb te spreken.

En laat niet één woord achterwege!

26:3 ‘Misschien willen ze luisteren

en zal iedereen zich van zijn kwade weg afkeren,

opdat Ik berouw moge hebben over de rampspoed

  die Ik van plan ben om aan hen te doen

vanwege het kwaad van hun daden.’

26:4 “En gij zult tegen hun zeggen,

‘Zo zegt Maryah,

“Indien gij niet wilt luisteren naar Mij,

om te wandelen in Mijn wet

  die Ik voor u heb ingesteld,

26:5 om te luisteren naar de woorden van Mijn dienaren de profeten,

die Ik tot u heb gezonden

opnieuw en opnieuw,

maar gij hebt niet geluisterd;

26:6 vervolgens,

zal Ik dit huis als Shiloh maken,

en deze stad zal Ik een vloek maken

voor al de volken van de aarde.”‘”

26:7 De priesters

  en de profeten

en al het volk

hoorden Jeremiah deze woorden spreken

in het huis van Maryah.

26:8 Toen Jeremiah geëindigd was met spreken,

met alles wat Maryah hem geboden had te spreken,

tegen al het volk,

de priesters en de profeten en al het volk grepen hem,

zeggende,

“Gij moet sterven!

26:9 “Waarom hebt gij in de naam van Maryah geprofeteerd,

zeggende,

‘dit huis zal als Shiloh zijn

en deze stad zal verlaten zijn,

zonder inwoner’?”

En al het volk verzamelde zich rondom Jeremiah

in het huis van Maryah.

26:10 Wanneer de ambtenaren van Judah deze dingen hoorden,

kwamen zij op vanuit het Koningshuis

naar het huis van Maryah

en zaten bij de ingang

van de Nieuwe Poort van het huis van Maryah.

26:11 Vervolgens,

de priesters en de profeten spraken tegen de ambtenaren

en tegen al het volk,

zeggende,

“Een doodvonnis voor deze man!

Want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad

gelijk gij gehoord hebt in uw gehoor.”

26:12 Vervolgens,

Jeremiah sprak tegen al de ambtenaren

en tegen al het volk,

zeggende,

“Maryah zond mij om te profeteren

tegen dit huis

en tegen deze stad

al de woorden die gij hebt gehoord.

26:13 “Verander daarom nu uw wegen

en uw daden

en gehoorzaamt de stem van Maryah

uw Aloha;

en Maryah zal Zijn mening veranderen

betreffende de ellende

die Hij tegen u heeft uitgesproken.

26:14 “Maar wat mij betreft,

zie,

ik ben in uw handen;

doe met mij zoals goed is en recht in uw ogen.

26:15 “Weet alleen voorzeker dat als gij mij ter dood brengt,

gij onschuldig bloed over uzelf brengt,

en over deze stad

en over haar inwoners;

want waarlijk Maryah heeft mij naar u gezonden

om al deze woorden in uw gehoor te spreken.”

26:16 Vervolgens,

de ambtenaren

en al het volk

zeiden tegen de priesters

en tegen de profeten,

“geen doodvonnis voor deze man!

want hij heeft tegen ons gesproken

in de naam van Maryah onze Aloha.”

26:17 Toen stonden sommigen van de oudsten van het land op

en spraken tot de gehele vergadering van het volk,

zeggende:

26:18 “Micah van Moresheth

profeteerde in de dagen van Hezekiah

koning van Judah;

en hij sprak tegen al het volk van Judah,

zeggende,

‘Zo heeft Maryah van de heirscharen gezegd,

“Zion zal worden geploegd als een akker,

en Jeruzalem zal een puinhoop worden,

en de berg van het huis

als de hoge plaatsen van een woud.”‘

26:19 “Heeft Hezekiah koning van Judah

en heel Judah hem ter dood gebracht?

Vreesde hij niet Maryah

  en smeekte hij de gunst van Maryah,

en Maryah veranderde Zijn mening betreffende de ellende

dat Hij tegen hen uitgesproken had?

Maar wij begaan een groot kwaad tegen onszelf.”

26:20 Inderdaad,

er was ook een man

die profeteerde in de naam van Maryah,

Uriah de zoon van Shemaiah

van Kiriath-jearim;

  en hij profeteerde tegen deze stad

en tegen dit land

woorden vergelijkbaar met al die van Jeremiah.

26:21 Wanneer koning Jehoiakim

en al zijn machtige mannen

en alle ambtenaren zijn woorden hoorden,

toen trachtte de koning hem ter dood te brengen;

maar Uriah hoorde het,

en hij werd bevreesd en vluchtte

en ging naar Egypte.

26:22 Vervolgens,

koning Jehoiakim zond mannen naar Egypte:

Elnathan de zoon van Achbor

en sommige mannen met hem

gingen naar Egypte.

26:23 En zij brachten Uriah uit Egypte

en leidden hem naar koning Jehoiakim,

die hem met een zwaard doodde

en zijn dood lichaam

in de begraafplaats van het gewone volk wierp.

26:24 Niettemin was de hand van Ahikam

de zoon van Shaphan

met Jeremiah,

opdat zij hem niet in de hand van het volk zouden geven

om hem ter dood te brengen.

Jeremiah 27.

27:1 In het begin van de heerschappij van Zedekiah

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

kwam dit woord tot Jeremiah

van Maryah,

zeggende

27:2 -zo zegt Maryah tegen mij-

“Maak voor uzelf banden

en jukken

en leg ze op uw nek,

27:3 en zend bericht aan de koning van Edom,

aan de koning van Moab;

  aan de koning van de zonen van Ammon,

aan de koning van Tyre

en aan de koning van Sidon

door de boodschappers

die tot Jeruzalem komen

tot Zedekiah

de koning van Judah.

27:4 “Gebied hen om naar hun meesters te gaan,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

zo zult gij tegen uw meesters zeggen,

27:5 “Ik heb de aarde gemaakt,

de mens en de dieren

die op het aangezicht van de aarde zijn

  door Mijn grote kracht

en door Mijn uitgestrekte arm,

  en Ik zal het geven aan diegene

die in Mijn ogen welgevallig is.

27:6 “Nu heb Ik al deze landen gegeven

in de hand van Nebuchadnezzar

koning van Babel,

Mijn dienaar,

en de wilde dieren van het veld

heb Ik ook aan hem gegeven,

om hem te dienen.

27:7 “Al de volken zullen hem

en zijn zoon

en zijn kleinzoon dienen

todat de tijd van zijn eigen land komt;

dan zullen vele volken

en grote koningen

hem tot hun dienaar maken.

27:8 “Het zal zijn,

dat het volk of het koninkrijk,

dat hem,

Nebuchadnezzar koning van Babel,

niet wil dienen,

en dat zijn nek niet onder het juk van de koning van Babel wil leggen,

dat volk zal Ik straffen met het zwaard,

met hongersnood,

en met pestziekte,”

maakt Maryah bekend,

“Totdat Ik het heb vernietigd

door zijn hand.

27:9 “Maar wat u betreft,

luistert niet naar uw profeten,

uw voorspellers,

uw dromers,

uw waarzeggers

of uw tovenaars

die tot u spreken,

zeggende,

‘gij zult de koning van Babel niet dienen.’

27:10 “Want zij profeteren een leugen aan u

om u verre van uw land te verwijderen;

en Ik u zal uitdrijven

en gij zult omkomen.

27:11 “Maar het volk,

dat zijn nek onder het juk van de koning van Babel zal brengen,

en hem (zal) dienen,

dat zal Ik in zijn land laten blijven,”

maakt Maryah bekend,

“en zij zullen het bewerken en erin wonen.”‘”

27:12 Ik sprak

-overeenkomstig al deze woorden-

tot Zedekiah

koning van Judah,

zeggende,

“Breng uw nekken onder het juk van de koning van Babel

en dien hem

en zijn volk,

en leef!

27:13 “Waarom wilt gij sterven,

gij en uw volk,

door het zwaard,

hongersnood en pestziekte,

gelijk Maryah heeft gesproken-

tot dat volk die de koning van Babel niet dienen wil?

27:14 “Luister dus niet naar de woorden van de profeten

die tegen u spreken,

zeggende,

‘gij zult de koning van Babel niet dienen,’

want zij profeteren een leugen aan u;

27:15 want Ik heb hen niet gezonden,”

maakt Maryah bekend,

“maar zij profeteren valselijk in Mijn naam,

opdat ik u zou uitdrijven

  en dat gij zou omkomen,

gij en de profeten die tot u profeteren.”

27:16 Vervolgens sprak ik tot de priesters,

en tot al dit volk,

zeggende,

“zo zegt Maryah:

luister niet naar de woorden van uw profeten

die aan u profeteren,

zeggende,

‘ziet,

de vaten van het huis van Maryah

zullen nu spoedig vanuit Babel worden teruggebracht’;

want zij profeteren een leugen aan u.

27:17 “Luister niet naar hen;

dien de koning van Babel,

en leef!

waarom zou deze stad een puinhoop worden?

27:18 “Maar indien zij profeten zijn

en indien het woord van Maryah met hen is,

laat hen thans Maryah van de heirscharen smeken

dat de vaten die in het huis van Maryah zijn achtergelaten,

in het huis van de koning van Judah

en in Jeruzalem

niet naar Babel zullen gaan.

27:19 “Want zo zegt Maryah van de heirscharen

betreffende de pilaren,

betreffende de zee,

betreffende de stellingen

en betreffende de rest van de vaten

die in deze stad zijn achtergelaten,

27:20 die Nebuchadnezzar koning van Babel niet nam

wanneer hij Jeconiah de zoon van Jehoiakim

  koning van Judah,

in ballingschap voerde,

  van Jeruzalem naar Babel,

en al de edelen van Judah en Jeruzalem.

27:21 “Ja,

zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

betreffende de vaten

  die in het huis van Maryah

en in het huis van de koning van Judah

en te Jeruzalem

achtergelaten zijn ,

27:22 ‘zij zullen naar Babel worden gedragen

en ze zullen daar zijn tot de dag dat Ik ze bezoek,’

maakt Maryah bekend.

‘Vervolgens zal ik hen opvoeren

en hen terugbrengen naar deze plaats.'”

Jeremiah 28.

28:1 In hetzelfde jaar nu,

in het begin van de heerschappij van Zedekiah koning van Judah,

in het vierde jaar,

in de vijfde maand,

Hananiah de zoon van Azzur,

de profeet,

die van Gibeon was,

sprak tegen mij in het huis van Maryah

in aanwezigheid van de priesters

en al het volk,

zeggende,

28:2 “zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Ik heb het juk van de koning van Babel verbroken.

28:3 ‘Binnen twee jaar

ga Ik al de vaten van het huis van Maryah

naar deze plaats terugbrengen,

die Nebuchadnezzar koning van Babel

uit deze plaats wegnam

en naar Babel voerde.

28:4 ‘Ik zal ook Jeconiah

de zoon van Jehoiakim,

koning van Judah,

naar deze plaats terugbrengen,

en al de ballingen van Judah die naar Babel zijn gegaan,’

maakt Maryah bekend,

‘want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken.'”

28:5 Vervolgens,

de profeet Jeremiah sprak tegen de profeet Hananiah

in het bijzijn van de priesters

en in het bijzijn van al het volk

die in het huis van Maryah stonden,

28:6 en de profeet Jeremiah zei,

“Amen!

Moge Maryah zo doen;

moge Maryah uw woorden bevestigen

die gij geprofeteerd hebt

om de vaten van het huis van Maryah

en al de ballingen terug te brengen,

vanuit Babel naar deze plaats.

28:7 Hoort nu toch dit woord

die ik ga spreken in uw gehoor

en in het gehoor van al het volk!

28:8 “De profeten die voor mij en voor u

uit de oude tijden waren

profeteerden tegen vele landen

en tegen grote koninkrijken,

van oorlog

en van rampspoed

en van pestziekte.

28:9 “De profeet die van de vrede profeteerde,

wanneer het woord van die profeet komt te geschieden,

dan zal die profeet gekend zijn

als één die Maryah waarlijk gezonden heeft.”

28:10 Vervolgens,

nam Hananiah de profeet

het juk van de nek van Jeremiah de profeet

en verbrak het.

28:11 Hananiah sprak in de aanwezigheid van al het volk,

zeggende,

“Zo zegt Maryah,

  ‘Evenzo zal ik het juk van Nebuchadnezzar-

de koning van Babel-

binnen de twee volle jaren-

van de nek van alle volken verbreken.'”

Toen ging de profeet Jeremiah zijn weg.

28:12 Het woord van Maryah kwam tot Jeremiah

nadat Hananiah de profeet

het juk had verbroken

uit de nek van Jeremiah de profeet,

zeggende,

28:13 “ga en spreek tegen Hananiah,

zeggende,

‘zo zegt Maryah,

“de jukken van hout

hebt gij verbroken,

maar in plaats van die

hebt gij jukken van ijzer gemaakt.”

28:14 ‘Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Ik heb een juk van ijzer

in de nek van al deze volken gelegd,

opdat zij Nebuchadnezzar koning van Babel mogen dienen;

en zij zullen hem dienen.

En Ik heb hem ook de beesten van het veld gegeven.”‘”

28:15 Vervolgens,

Jeremiah de profeet

zei tegen Hananiah de profeet,

“Luistert nu,

Hananiah,

Maryah heeft u niet gezonden,

en gij hebt dit volk doen vertrouwen op een leugen.

28:16 “Daarom dus zegt Maryah,

‘zie,

Ik sta op het punt om u van de aardbodem te verwijderen.

Dit jaar zult gij sterven,

omdat gij rebellie hebt geadviseerd

tegen Maryah.'”

28:17 Zo stierf Hananiah de profeet

in hetzelfde jaar

in de zevende maand.

Jeremiah 29.

29:1 Dit zijn nu de woorden van de brief

welke Jeremiah de profeet

vanuit Jeruzalem

naar het overblijfsel

van de oudsten van de ballingschap zond,

naar de priesters,

naar de profeten

en naar al het volk

die Nebuchadnezzar in ballingschap had weggevoerd

van Jeruzalem naar Babel.

29:2 (Dit was nadat koning Jeconiah

en de koningin-moeder,

de hof ambtenaren,

de prinsen van Judah en Jeruzalem,

de ambachtslieden

en de smeden

uit Jeruzalem waren vertrokken.)

29:3 De brief werd verzonden door de hand van Elasah

de zoon van Shaphan,

en Gemariah

de zoon van Hilkiah,

die Zedekiah

koning van Judah

naar Babel zond

aan Nebuchadnezzar

koning van Babel,

zeggende,

29:4 “zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

aan alle ballingen

die Ik in ballingschap heb gestuurd

vanuit Jeruzalem naar Babel,

29:5 “bouwt huizen

en leeft daarin;

en plant tuinen

en eet hun opbrengst.

29:6 ‘Neemt vrouwen

en word de vaders van zonen en dochters,

en neemt vrouwen voor uw zonen

en geef uw dochters aan mannen,

opdat zij zonen en dochters mogen baren;

en vermenigvuldigt u daar

en neemt niet af.

29:7 ‘Zoekt het welzijn van die stad

waarheen Ik u in ballingschap heb gestuurd,

en bid tot Maryah namens haar;

want in haar welzijn

zult gij welzijn hebben.’

29:8 “Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘laat uw profeten die in uw midden zijn

en uw geestelijken u niet bedriegen,

  en luister niet naar de dromen die ze dromen.

29:9 ‘Want zij profeteren valselijk tegen u in Mijn naam;

Ik heb hen niet gezonden,’

maakt Maryah bekend.

29:10 “Want zo zegt Maryah,

‘wanneer er zeventig jaren voltooid zijn geweest voor Babel,

zal Ik u bezoeken en Mijn goed woord aan u vervullen,

om u terug te brengen naar deze plaats.

29:11 ‘Want Ik weet de plannen die Ik voor u heb,’

maakt Maryah bekend,

‘plannen voor welzijn

en niet voor rampspoed

om u een toekomst en een verwachting te geven.

29:12 ‘Dan zult gij Mij aanroepen,

en naderen

en tot Mij bidden,

en Ik zal naar u luisteren.

29:13 ‘Gij zult Mij zoeken

en Mij vinden

wanneer gij naar Mij zoekt

met heel uw hart.

29:14 ‘Ik zal door u gevonden worden,’

maakt Maryah bekend,

‘en Ik zal uw fortuinen herstellen

en zal u verzamelen vanuit alle volken

en vanuit al de plaatsen

waarheen Ik u gedreven heb,’

maakt Maryah bekend,

‘en Ik zal u wederbrengen

naar die plaats van waaruit ik u wegzond

in ballingschap.’

29:15 “Omdat gij hebt gezegd,

‘Maryah heeft profeten voor ons opgericht in Babel’

29:16 –want zo zegt Maryah over de koning

die op de troon van David zit,

en over al het volk

dat in deze stad woont,

uw broeders

die met u niet zijn meegegaan in ballingschap —

29:17 zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Zie,

Ik zend het zwaard over hun,

hongersnood en pestziekte,

en Ik zal hen als opengespleten vijgen maken

welke niet gegeten kunnen worden vanwege verrotting.

29:18 ‘Ik zal hen vervolgen met het zwaard,

met hongersnood en pestziekte;

en Ik zal hen tot een verschrikking maken

voor alle koninkrijken van de aarde,

om een vloek te zijn

  en een gruwel

en een uitfluiting,

en een smaad onder al de volken

waarheen Ik hun gedreven heb,

29:19 omdat zij niet naar Mijn woorden hebben geluisterd,’

maakt Maryah bekend,

‘die Ik naar hun zond

opnieuw en opnieuw

door Mijn dienaren de profeten;

maar gij hebt niet geluisterd,’

maakt Maryah bekend.

29:20 “Gij,

daarom,

hoort het woord van Maryah,

al gij ballingen,

die Ik weggezonden heb

vanuit Jeruzalem naar babel.

29:21 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

betreffende Ahab de zoon van Kolaiah

en betreffende Zedekiah

de zoon van Maaseiah,

die in Mijn naam valselijk tegen u profeteren,

‘zie,

Ik zal hen overleveren in de hand van Nebuchadnezzar

koning van Babel,

en hij zal hen doden voor uw ogen.

29:22 ‘Vanwege hun

zal een vloek worden gebruikt

door al de ballingen van Judah

die in Babel zijn,

zeggende,

“moge Maryah u als Zedekiah doen

en als Ahab,

die de koning van Babel in het vuur heeft geroosterd,

29:23 omdat zij dwaas gehandeld hebben in Israël,

  en overspel hebben gepleegd met de vrouwen van hun naasten

en valselijk woorden hebben gesproken in Mijn naam,

wat Ik hen niet geboden heb;

en IK BEN

Hij die (het) weet

en (IK) ben een getuige,”

maakt Maryah bekend.'”

29:24 Tegen Shemaiah de Nehelamite

zult gij spreken,

zeggende,

29:25 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Omdat gij brieven hebt gestuurd in uw eigen naam

aan al het volk dat in Jeruzalem is,

en aan Zephaniah de zoon van Maaseiah,

de priester,

en aan alle priesters,

zeggende,

29:26 “Maryah heeft u tot priester gemaakt

inplaats van Jehoiada de priester,

om de opziener te zijn in het huis van Maryah

over elke gek die profeteert,

om hem in de schandblokken te steken

en in de ijzeren kraag,

29:27 nu dan,

waarom hebt gij Jeremiah van Anathoth niet berispt

die aan u profeteerde?

29:28 “Want hij heeft tot ons in Babel gezonden,

zeggende,

‘de ballingschap zal lang zijn;

bouwt huizen

en leeft daarin

en plant tuinen

en eet hun opbrengst. ‘”‘”

29:29 Zephaniah de priester

las deze brief

aan Jeremiah de profeet.

29:30 Vervolgens,

het woord van Maryah

kwam tot Jeremiah,

zeggende,

29:31 “Zend naar al de ballingen,

zeggende,

‘zo zegt Maryah

over Shemaiah de Nehelamite,

“Omdat Shemaiah aan u heeft geprofeteerd,

hoewel Ik hem niet heb gezonden,

en hij heeft u op een leugen doen vertrouwen,”

29:32 Daarom dus zegt Maryah,

“ziet,

Ik sta op punt om Shemaiah de Nehelamite

en zijn nakomelingen te straffen;

hij zal niet iemand hebben die onder dit volk leeft,

en hij zal het goede niet zien

  dat Ik van plan ben aan Mijn volk te doen,”

maakt Maryah bekend,

“omdat hij opstandigheid tegen Maryah heeft gepredikt.”‘”

Jeremiah 30.

30:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam

van Maryah,

zeggende,

30:2 “zo zegt Maryah,

Aloha van Israël,

‘schrijf al de woorden die Ik tot u heb gesproken in een boek.

30:3 ‘Want zie,

dagen zijn komende,’

maakt Maryah bekend,

‘wanneer Ik het lot

van Mijn volk Israël en Judah

zal herstellen.’

Maryah zegt,

‘Ik zal hen ook terugbrengen naar het land

dat Ik aan hun voorvaders gaf

en zij zullen het bezitten.'”

30:4 Dit zijn nu de woorden

die Maryah sprak

over Israël

en over Judah:

30:5 “want zo zegt Maryah,

‘Ik heb een geluid van verschrikking gehoord,

van vrees,

en er is geen vrede.

30:6 ‘Vraagt nu,

en ziet als een man geboorte kan geven.

Waarom zie ik dan elke man

met zijn handen op zijn lendenen,

als een vrouw in bevalling?

En waarom worden alle gezichten tot bleekheid verdraaid?

30:7 ‘Helaas!

want die dag is groot,

er is niet één gelijk hij;

en het is de tijd van Jacob’s benauwdheid,

maar hij zal ervan gered worden.

30:8 ‘Het zal zowat komen op die dag,’

maakt Maryah van de heirscharen bekend,

‘dat Ik zijn juk vanuit hun nek zal verbreken

  en hun banden zal verscheuren;

en vreemden zullen hen niet langer tot hun slaven maken.

30:9 ‘Maar zij zullen

Maryah hun Aloha dienen

en David hun koning,

die Ik voor hen zal verwekken.

30:10 ‘Vreest niet,

O Jacob Mijn dienaar,’

maakt Maryah bekend,

‘en wees niet ontzet,

O Israël;

  want ziet!

Ik zal u van verre redden

en uw zaad uit het land van hun gevangenschap.

En Jacob zal wederkeren

en zal stil zijn

en in rust,

en niet één zal hem bang maken.

30:11 ‘Want Ik ben met u,’

maakt Maryah bekend,

‘om u te redden;

want Ik zal al de naties totaal vernietigen

waarheen Ik u verstrooid heb,

maar u zal Ik niet totaal vernietigen.

  Maar Ik zal u rechtvaardig tuchtigen

en zal u in geen geval ongestraft laten.’

30:12 “Want zo zegt Maryah,

‘uw wond is ongeneeslijk

en uw letsel is ernstig.

30:13 ‘Er is niet één om uw zaak te bepleiten;

geen genezing voor uw pijnlijke plek,

geen herstel voor u.

30:14 ‘Al uw geliefden zijn u vergeten,

ze zoeken u niet;

want Ik heb u verwond met de wonde van een vijand,

met de bestraffing van een wrede,

omdat uw ongerechtigheid groot is

en uw zonden zijn talrijk.

30:15 ‘Waarom schreeuwt gij het uit over uw letsel?

Uw pijn is ongeneeslijk.

  Omdat uw ongerechtigheid groot is

en uw zonden talrijk zijn,

heb Ik deze dingen aan u gedaan.

30:16 ‘Daarom,

allen die u verslinden

  zullen verslonden worden;

en al uw tegenstanders,

elk van hen,

zal in gevangenschap gaan;

en zij die u plunderen

zullen tot plundering zijn,

en allen die op u azen

zal Ik tot prooi overgeven.

30:17 ‘Want Ik zal u de gezondheid herstellen

en ik zal u genezen van uw wonden,’

maakt Maryah bekend,

‘omdat zij u een verschoppeling hebben genoemd,

zeggende:

“Het is Zion;

niemand bekommerd zich om haar.”‘

30:18 “Zo zegt Maryah,

‘Zie,

Ik zal het lot van de tenten van Jacob herstellen

en medelijden hebben met zijn woonplaats;

en de stad zal op haar puinhoop worden herbouwd,

en het paleis zal op zijn rechtmatige plaats staan.

30:19 ‘Van hen zal dankzegging uitgaan

en de stem van degenen die vieren;

en Ik zal hen vermenigvuldigen

en ze zullen niet verminderd worden;

Ik zal hen ook eren

en ze zullen niet onbetekenend zijn.

30:20 ‘Hun kinderen zullen ook als eertijds zijn,

en hun vergadering zal voor Mij gevestigd worden;

en Ik zal al hun onderdrukkers bestraffen.

30:21 ‘Hun leider zal één van hen zijn,

en hun heerser zal uit hun midden voortkomen;

  en Ik zal hem nabij brengen

en hij zal tot Mij naderen:

want wie durft zijn leven te riskeren om Mij te benaderen?’

maakt Maryah bekend.

30:22 ‘Gij zult Mijn volk zijn,

en Ik zal uw Aloha zijn.'”

30:23 Zie,

de orkaan van Maryah!

Toorn is uitgegaan,

  een vegende orkaan;

zij zal over het hoofd van de goddelozen losbarsten.

30:24 De woeste toorn van Maryah zal niet terugkeren

totdat Hij heeft volbracht

en totdat Hij heeft bereikt

de voornemens van Zijn hart;

in de laatste dagen zult gij dit begrijpen.

Jeremiah 31.

31:1 “In die tijd,”

maakt Maryah bekend,

“zal Ik Aloha van al de families van Israël zijn,

en zij zullen Mijn volk zijn.”

31:2 Zo zegt Maryah,

“Het volk die het zwaard overleefde

vond genade in de woestijn-

Israël,

toen hij ging om zijn rust te vinden.”

31:3 Maryah verscheen aan hem van verre,

zeggende,

“Ik heb u liefgehad met een eeuwigdurende liefde;

daarom heb Ik u getrokken met liefdevolle vriendelijkheid.

31:4 “Nogmaals zal Ik u bouwen

  en gij zult herbouwd worden,

O maagd van Israël!

Nogmaals zult gij uw tamboerijnen opnemen,

en uitgaan naar de dansen van de pleziermakers.

31:5 “Nogmaals zult gij wijngaarden planten

op de heuvels van Samaria;

de planters zullen planten

  en zullen ervan genieten.

31:6 “Want er zal een dag zijn waarop de wachters

op de heuvels van Ephraim uitroepen,

‘sta op,

en laat ons opgaan naar Zion,

naar Maryah onze Aloha.'”

31:7 Want zo zegt Maryah,

“Zingt luid met blijdschap voor Jacob,

en juicht over het hoofd van de naties;

verkondigt,

geeft lof en zeg,

‘O Maryah,

  red Uw volk,

het overblijfsel van Israël.’

31:8 “Zie,

Ik breng ze uit het noordelijke land,

en Ik zal ze verzamelen uit de afgelegen delen van de aarde,

onder hen de blinden en de lammen,

de vrouw met het kind

en zij die door het kind in barensweeén is,

samen;

een groot gezelschap,

ze zullen hier terugkeren.

31:9 “Met tranen zullen ze komen,

en door smeking zal Ik hen leiden;

Ik zal hen doen wandelen door stromen van wateren,

op een recht pad waarin zij niet zullen struikelen;

want Ik ben een vader voor Israël,

en Ephraim is MIjn eerstgeborene.”

31:10 Hoor het woord van Maryah,

O naties,

en verkondigt in de kustlanden in de verte,

en zegt,

“Hij die Israël heeft verstrooid zal hem verzamelen

en hem bewaren zoals een herder zijn kudde bewaart.”

31:11 Want Maryah heeft Jacob vrijgekocht

en verloste hem uit de hand van hem

die sterker was dan hij.

31:12 “Ze zullen komen en juichen van vreugde op de hoogte van Zion,

en ze zullen stralend zijn over de gave van Maryah-

over het graan en de nieuwe wijn en de olie,

en over de jongen van de schaapskudde en de veestapel;

en hun leven zal zijn als een verwaterde tuin,

en ze zullen nooit meer wegkwijnen.

31:13 “Vervolgens,

de maagd zal zich verheugen in de dans,

en de jonge mannen en de oude,

samen,

want Ik zal hun rouw omzetten in vreugde

en zal hun troosten

en hen vreugde geven in plaats van hun verdriet.

31:14 “Ik zal de ziel van de priesters met overvloed vullen,

en Mijn volk zal met Mijn goedheid worden voldaan,”

maakt Maryah bekend.

31:15 Zo zegt Maryah,

“Een stem is gehoord in Ramah,

rouwklacht en bitter geween.

Rachel weent om haar kinderen;

ze weigert getroost te worden om haar kinderen,

omdat ze niet meer zijn.”

31:16 Zo zegt Maryah,

“Bedwing uw stem van het geween

en uw ogen van de tranen;

want uw werk zal worden beloond,”

maakt Maryah bekend,

en zij zullen terugkeren vanuit het land van de vijand.

31:17 “Er is hoop voor uw toekomst,”

maakt Maryah bekend,

“en uw kinderen zullen terugkeren naar hun eigen grondgebied.

31:18 “Ik heb Ephraim wel horen bejammeren,

‘Gij hebt mij getuchtigd,

en ik werd getuchtigd,

als een ongedrild kalf;

breng mij terug opdat ik moge terug-gebracht-worden,

want Gij zijt Maryah

mijn Aloha.

31:19 ‘Want nadat ik terugkeerde,

had ik berouw;

en nadat ik was geïnstrueerd,

sloeg ik op mijn dij;

ik was beschaamd

en ook vernederd

omdat ik de smaad van mijn jeugd droeg.’

31:20 “Is Ephraim Mijn dierbare zoon?

is hij een verrukkelijk kind?

inderdaad,

zo vaak als Ik tegen hem heb gesproken,

herinner Ik mij hem nog steeds;

daarom verlangt Mijn hart naar hem;

Ik zal zeker genade met hem hebben,”

maakt Maryah bekend.

31:21 “Richt voor uzelf wegmarkeringen op,

plaats voor uzelf wegwijzers;

richt uw geest op de verharde weg,

op de weg waarop gij zijt gegaan.

Keer terug,

O maagd van Israël,

keer terug naar deze

uw steden.

31:22 “Hoelang wilt gij gaan

hierheen en daarheen,

O trouweloze dochter?

Want Maryah heeft een nieuw ding op de aarde geschapen-

een vrouw zal een man verschalken.”

31:23 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Opnieuw zullen zij dit woord spreken in het land van Judah

en in haar steden wanneer Ik hun lot herstel,

‘Maryah zegene u,

O verblijfplaats van gerechtigheid,

O heilige heuvel!’

31:24 “Judah en al haar steden

zullen daarin samen-wonen,

de boer en zij die rondgaan met kuddes.

31:25 “Want Ik heb de vermoeiden verzadigd

en allen die smachten verkwikt.”

31:26 Hierop werd ik wakker en keek,

en mijn slaap was aangenaam aan mij.

31:27 “Zie,

dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“wanneer Ik het huis van Israël

en het huis van Judah zal bezaaien

met het zaad van de mens

en met het zaad van het beest.

31:28 “Zoals Ik over hen heb gewaakt

  om uit te rukken,

om af te breken,

om neer te vellen,

om te vernietigen

en om rampspoed te brengen,

alzo zal Ik over hun waken

om te bouwen en om te planten,”

maakt Maryah bekend.

31:29 “In die dagen zullen ze niet opnieuw zeggen,

‘De vaders hebben zure druiven gegeten,

en de kinderen hun tanden zijn geïrriteerd.’

31:30 “Maar eenieder zal sterven om zijn ongerechtigheid;

elke mens die de zure druiven eet,

zijn tanden zullen geïrriteerd worden.

31:31 “Zie,

dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

‘Wanneer Ik een nieuw verbond zal maken

met het huis van Israël

en met het huis van Judah,

31:32 niet gelijk het verbond dat Ik met hun vaders maakte

op de dag dat Ik ze bij de hand nam

om hen vanuit het land van Egypte te brengen,

Mijn verbond dat ze braken,

alhoewel Ik een echtgenoot voor hen was,”

maakt Maryah bekend.

31:33 “Maar dit is het verbond

dat Ik zal maken

met het huis van Israël

na die dagen,”

maakt Maryah bekend,

“Ik zal Mijn wet in hun leggen

en in hun hart zal Ik die schrijven;

en Ik zal hun Aloha zijn,

en zij zullen Mijn volk zijn.

31:34 “Ze zullen niet opnieuw onderwijzen,

elke man zijn naaste

en elke man zijn broeder,

zeggende,

‘kent Maryah,’

want zij zullen Mij allen kennen,

van de minste van hen

tot de grootste van hen,”

maakt Maryah bekend,

“want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven,

en hun zonde zal Ik niet meer gedenken.”

31:35 Zo zegt Maryah,

Die de zon geeft voor het licht overdag,

en de vaste orde van de maan

en de sterren voor het licht snacht’s,

Die de zee aanwakkert zodat haar golven razen;

Maryah van de heirscharen is Zijn naam:

31:36 “Indien deze vaste orde

van voor Mij afwijkt,”

maakt Maryah bekend,

“dan zal ook het zaad van Israël ophouden

  om een volk voor Mij te zijn-

voor altijd.”

31:37 Zo zegt Maryah,

“Als de hemel hierboven gemeten kan worden

  en de grondvesting van de aarde hieronder doorzocht wordt,

dan zal Ik ook alle zaad van Israël verwerpen

  vanwege alles wat zij gedaan hebben,”

maakt Maryah bekend.

31:38 “Zie,

dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“Waarop de stad voor Maryah zal worden herbouwd

van de Toren-van-Hananel

  tot de Hoek-Poort.

31:39 “De meetlijn zal verder uitgaan

recht vooruit naar de heuvel Gareb;

dan zal het naar Goah omdraaien.

31:40 En de gehele vallei

van de dode lichamen

en van de asse

  en al de velden zo ver als de beek Kidron,

tot aan de hoek van de Paarden-Poort naar het oosten,

zal heilig zijn voor Maryah;

het zal niet meer uitgerukt

  of voor eeuwig neergeworpen.

Jeremiah 32.

32:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam van Maryah

in het tiende jaar van Zedekiah koning van Judah,

dat was het achttiende jaar van Nebuchadnezzar.

32:2 Nu,

in die tijd,

de legermacht van de koning van Babel belegerde Jeruzalem,

en Jeremiah de profeet

was in de tuin van de wacht opgesloten,

dat in het huis van de koning van Judah was,

32:3 omdat Zedekiah koning van Judah hem opgesloten had,

zeggende,

“Waarom profeteert gij,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah,

“Ziet,

Ik sta op punt om deze stad

in de hand te geven

van de koning van Babel,

en hij zal het aannemen;

32:4 en Zedekiah koning van Judah

zal niet ontsnappen uit de hand van de Kaldani,

maar in de hand van de koning van Babel

zal hij ongetwijfeld worden gegeven,

en hij zal met hem

van aangezicht tot aangezicht spreken

en hem

van oog tot oog zien;

32:5 en hij zal Zedekiah naar Babel meenemen,

en hij zal daar zijn totdat Ik hem bezoek,”

maakt Maryah bekend.

“zo gij tegen de Kaldani strijdt,

wilt gij geen succes hebben”‘?”

32:6 En Jeremiah zei,

“Het woord van Maryah kwam tot mij,

zeggende,

32:7 ‘Zie,

Hanamel

de zoon van Shallum uw oom

komt naar u toe,

zeggende,

“koop mijn veld voor uzelf

dat bij Anathoth is,

want gij hebt het terug-koop-recht

om het aan te kopen.”‘

32:8 “Vervolgens,

Hanamel mijn oom’s zoon

kwam naar mij toe in de tuin van de wacht

volgens het woord van Maryah

en zei tegen mij,

‘Koop mijn veld,

alsjeblieft,

dat bij Anathoth is,

dat in het land van Benjamin is;

want gij hebt het recht op bezit

en het terug-koop-recht is het uwe;

koop het voor uzelf.’

Toen wist ik dat dit het woord was van Maryah.

32:9 “Ik kocht het veld dat bij Anathoth was

van Hanamel mijn oom’s zoon,

en ik woog het zilver voor hem uit,

zeventien sjekels van zilver.

32:10 “Ik ondertekende en verzegelde de akte,

en riep getuigen op,

en woog het zilver uit op de weegschalen.

32:11 “Toen nam ik de akten van aankoop,

zowel het verzegeld exemplaar

bevattende de bepalingen en voorwaarden-

  en het open exemplaar;

32:12 en ik gaf de akte van aankoop aan Baruch

de zoon van Neriah,

de zoon van Mahseiah,

voor de ogen van Hanamel mijn oom’s zoon

en voor de ogen van de getuigen

die de akte van aankoop ondertekenden,

vóór al de Joden

die in de tuin van de wacht zaten.

32:13 “En ik beval Baruch in hun bijzijn,

zeggende,

32:14 ‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

  Aloha van Israël,

“neem deze akten,

deze verzegelde akte van aankoop

en deze open akte,

en doe ze in een aardenwerken pot,

opdat zij een lange tijd mogen bestaan.”

32:15 ‘Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Huizen

en velden

en wijngaarden

zullen in dit land wederom worden gekocht.”‘

32:16 “Nadat ik nu de akte van aankoop aan Baruch

de zoon van Neriah had gegeven,

toen bad ik tot Maryah,

zeggende,

32:17 ‘Ach Maryah Aloha!

Ziedaar,

de hemelen en de aarde hebt Gij gemaakt

door Uw grote kracht

en door Uw uitgestrekte arm!

Niets is te moeilijk voor U,

32:18 die liefdevolle vriendelijkheid betoont aan duizenden,

maar de ongerechtigheid van de vaders vergeldt

in de schoot van hun kinderen na hen,

O grote en almachtige Aloha.

Maryah van de heirscharen is Zijn naam;

32:19 groot in raad en machtig in daad,

wiens ogen geopend zijn voor al de wegen van de zonen der mensen,

aan eenieder gevend naar zijn wegen

en naar de vrucht van zijn daden;

32:20 die tekenen en wonderen hebt gesteld in het land van Egypte,

en zelfs tot op deze dag

zowel in Israël als onder de mensheid;

en Gij hebt voor U-zelf een naam gemaakt,

als op deze dag.

32:21 ‘Gij bracht Uw volk Israël uit het land van Egypte

met tekenen en met wonderen,

en met een sterke hand

en met een uitgestrekte arm

en met grote verschrikking;

32:22 en hun dit land gaf,

dat Gij hun voorvaders hebt gezworen

om hen te geven,

een land vloeiende van melk en honing.

32:23 ‘Zij kwamen in en namen het in bezit,

maar ze gehoorzaamden Uw stem niet

en wandelden niet in Uw wet;

van alles wat Gij hun opgedragen hebt om te doen

hebben zij helemaal niets gedaan ;

daarom hebt Gij al deze rampspoed over hen doen komen.

32:24 ‘Zie!

de belegerings-hellingen hebben de stad bereikt om haar in te nemen;

en de stad is in de hand van de Kaldean gegeven die ertegen strijden,

vanwege het zwaard,

de hongersnood en de pestziekte;

en wat Gij hebt gesproken is gebeurd;

en zie,

Gij ziet het.

32:25 ‘Gij hebt tegen mij gezegd,

O Maryah Aloha,

“Koopt voor uzelf het veld met geld en roep getuigen op”

  -hoewel de stad in de hand van de Kaldean is gegeven.'”

32:26 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah,

zeggende,

32:27 “Zie,

IK BEN MARYAH,

Aloha van alle vlees;

is enig ding te moeilijk voor MIj?”

32:28 Daarom dus zegt Maryah,

“Zie!

Ik sta op het punt om deze stad in de hand van de Kaldean te geven

en in de hand van Nebuchadnezzar koning van Babel,

en hij zal ze innemen.

32:29 “De Kaldean die strijden tegen deze stad zullen ingaan

  en deze stad in vuur en vlam zetten

en haar verbranden,

samen met de huizen

waar mensen wierook hebben aangeboden aan Ba-al

op hun daken

  en drankoffers uitgoten voor andere goden

om Mij tot toorn aan te zetten.

32:30 “Werkelijk,

de zonen van Israël

en de zonen van Judah

hebben vanaf hun jeugd alleen maar kwaad gedaan in Mijn ogen;

want de zonen van Israël

  hebben Mij alleen maar tot toorn aangezet

  door het werk van hun handen,”

  maakt Maryah bekend.

32:31 “Werkelijk,

deze stad is voor Mij een terging geweest

van Mijn boosheid en Mijn toorn

vanaf de dag dat zij haar bouwden,

zelfs tot op deze dag,

zodat het van voor Mijn aangezicht

weggedaan moet worden,

32:32 vanwege al het kwaad van de zonen van Israël

en de zonen van Judah

die zij hebben gedaan om Mij te tergen tot toorn-

zij,

hun koningen,

hun leiders,

hun priesters,

hun profeten,

de mannen van Judah

en de inwoners van Jeruzalem.

32:33 “Ze hebben hun rug naar Mij toegekeerd

en niet hun aangezicht;

hoewel Ik hun leerde,

keer op keer onderwees,

wilden zij niet luisteren,

noch instructie ontvangen.

32:34 “Maar zij stelden hun verfoeilijke dingen in het huis

dat volgens Mijn naam is genoemd,

om dat te verontreinigen.

32:35 “Zij bouwden de hoge plaatsen van Ba-al

die in de vallei van Ben-hinnom zijn

om hun zonen

en hun dochters

door het vuur naar Molech te laten gaan,

dat Ik hen niet had geboden

noch was het in Mijn gedachten opgekomen

dat zij deze gruwel zouden doen,

om Judah te doen zondigen.

32:36 “Nu daarom dus zegt Maryah

Aloha van Israël

betreffende deze stad van welke gij zegt,

‘door het zwaard

is zij in de hand van de koning van Babel gegeven,

door de hongersnood

en door de pestziekte.’

32:37 “Zie!

Ik zal ze verzamelen vanuit al de landen

waarheen Ik ze heb gedreven in Mijn boosheid,

in Mijn toorn en in grote verontwaardiging;

en Ik zal ze terugbrengen naar deze plaats

en ze in veiligheid doen wonen.

32:38 “Zij zullen Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn;

32:39 en Ik zal ze één hart en één weg geven,

opdat ze Mij altijd mogen vrezen,

voor hun eigen goed

en voor het goed van hun kinderen na hen.

32:40 “Ik zal een eeuwigdurend verbond met hen maken

dat Ik Mij niet van hen zal afkeren,

om hen goed te doen;

en Ik zal de vrees van Mij in hun hart leggen

  opdat zij zich niet van Mij zullen afkeren.

32:41 “Ik zal Mij over hen verheugen om ze goed te doen

  en zal hen getrouw in dit land planten

met heel Mijn hart

en met heel Mijn ziel.

32:42 “Want zo zegt Maryah,

‘net zoals Ik al deze grote rampspoed over dit volk bracht,

zo ga Ik over hen al het goede brengen dat Ik hen beloofd heb.

32:43 ‘Velden zullen worden gekocht in dit land

van welke gij zegt,

“het is een verlatenheid,

zonder mens of beest,

het is gegeven in de hand van de Kaldean.”

32:44 ‘Mannen zullen velden kopen voor geld,

akten ondertekenen en verzegelen,

en getuigen oproepen in het land van Bejamin,

in de omgeving van Jeruzalem,

in de steden van Judah,

in de steden van het heuvelland,

in de steden van het laagland

en in de steden van de Negev;

want Ik zal hun lot herstellen,’

maakt Maryah bekend.”

Jeremiah 33.

33:1 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam voor de tweede keer tot Jeremiah,

terwijl hij nog steeds was opgesloten in de tuin van de wacht,

zeggende,

33:2 “Zo zegt Maryah die de aarde heeft gemaakt,

Maryah die het formeerde om het te vestigen,

Maryah is Zijn naam,

33:3 ‘roep tot Mij en Ik zal u antwoorden,

en Ik zal u grote en machtige dingen vertellen,

welke gij niet kent.’

33:4 “Want zo zegt Maryah Aloha van Israël

betreffende de huizen van deze stad,

en betreffende de huizen van de koningen van Judah

  die afgebroken zijn

om een verdediging tegen de belegeringshellingen

en tegen het zwaard te maken,

33:5 ‘terwijl ze er aan komen om met de Kaldean te strijden

en om ze te vullen met de lijken van mensen

die Ik in Mijn boosheid en in Mijn toorn heb gedood,

en Ik heb Mijn aangezicht verborgen voor deze stad

vanwege al hun zondigheid:

33:6 ‘Zie,

Ik zal er welzijn en genezing naar toe brengen,

en Ik zal hen helen;

en Ik zal hen een overvloed

van vrede en waarheid openbaren.

33:7 ‘Ik zal het lot van Judah

en het lot van Israël herstellen

en zal hen weder-op-bouwen zoals zij aanvankelijk waren.

33:8 ‘Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid

door welke zij tegen Mij hebben gezondigd,

en Ik zal al hun ongerechtigheden vergeven

  door welke zij tegen Mij hebben gezondigd

  en door welke zij tegen Mij hebben overtreden.

33:9 ‘Dat zal Mij tot een naam van vreugde zijn,

lof en glorie voor al de naties van de aarde

  die zullen horen van al het goede dat Ik voor hun doe,

en zij zullen vrezen en beven

vanwege al het goede

en al de vrede die Ik ervoor maak.

33:10 “Zo zegt Maryah,

‘Nochtans zal er terug worden gehoord in deze plaats,

  van welke gij zegt,

“het is een verspilling,

zonder mens en zonder beest,”

  dat is,

in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem

die verlaten zijn,

zonder mens en zonder inwoner en zonder beest,

33:11 de stem van vreugde en de stem van blijdschap,

de stem van de bruidegom en de stem van de bruid,

de stem van degenen die zeggen,

“geef dankzegging aan Maryah van de heirscharen,

want Maryah is goed,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend”;

en zelfs van degenen die dankoffers brengen in het huis van Maryah.

Want Ik zal het lot van het land herstellen

  zoals het eerst was,’

zegt Maryah.

33:12 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘in deze plaats

die woest is,

zonder mens of beest,

en in al haar steden,

zal er weer een bewoning zijn van herders

die hun kuddes laten rusten.

33:13 ‘In de steden van het heuvelland,

in de steden van het laagland,

in de steden van de Negev,

in het land van Bejamin,

in de omgevingen van Jeruzalem

en in de steden van Judah,

de kuddes zullen wederom onder de handen passeren

van degene die hun nummert,’

zegt Maryah.

33:14 ‘Zie,

dagen zijn komende,’

maakt Maryah bekend,

‘waarop Ik dat goede woord zal vervullen

dat Ik heb gesproken

betreffende het huis van Israël

en het huis van Judah.

33:15 ‘In die dagen en op dat moment

zal Ik een rechtvaardige Scheut van David doen ontspringen;

en Hij zal gerechtigheid uitvoeren

en rechtvaardigheid op de aarde.

33:16 ‘In die dagen zal Judah worden gered

en Jeruzalem zal in veiligheid wonen;

en dit is de naam bij welke zij zal worden geroepen:

Maryah is onze gerechtigheid.’

33:17 “Want zo zegt Maryah,

‘David zal nooit gebrek hebben aan een man

om op de troon van het huis van Israël te zitten;

33:18 en de Levitische priesters

zal het nooit ontbreken aan een man voor Mij

om brandoffers aan te bieden,

om graanoffers te branden

en om voortdurend offers te bereiden.'”

33:19 Het woord van Maryah kwam tot Jeremiah,

zeggende,

33:20 “Zo zegt Maryah,

‘indien gij Mijn verbond voor de dag

en Mijn verbond voor de nacht kunt verbreken,

zodat die dag en nacht niet op hun bestemde tijd zullen zijn,

33:21 dan moge Mijn verbond

ook verbroken worden met David Mijn dienaar

zodat hij geen zoon zal hebben om op zijn troon te regeren,

en met de Levitische priesters,

Mijn dienaren.

33:22 ‘Zoals het heir van de hemel niet kan worden geteld

en het zand van de zee niet kan worden gemeten,

zo zal Ik het zaad van David Mijn dienaar vermenigvuldigen

  en de Levieten die aan Mij dienen.'”

33:23 En het woord van Maryah kwam tot Jeremiah,

zeggende,

33:24 “hebt gij niet waargenomen wat dit volk heeft gesproken,

zeggende,

‘de twee families welke Maryah verkoos,

heeft Hij ze verworpen’?

Zo verachten zij Mijn volk,

zij zijn niet langer als een volk in hun ogen.

33:25 “Zo zegt Maryah,

‘Indien Mijn verbond voor dag en nacht niet standhoudt,

en Ik de vaste patronen van hemel en aarde niet heb vastgesteld,

33:26 dan zou Ik het zaad van Jakob verwerpen

en van David Mijn dienaar,

van zijn zaad geen heersers nemen over het zaad van Abraham,

Isaac en Jakob.

Maar Ik zal hun lot herstellen en zal genade over hun hebben.'”

Jeremiah 34. 

34:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam van Maryah,

toen Nebuchadnezzar koning van Babel en zijn gehele leger,

met al de koninkrijken van de aarde die onder zijn heerschappij waren

en al de volken,

strijd voerden tegen Jeruzalem

en tegen al haar steden,

zeggende,

34:2 “zo zegt Maryah Aloha van Israël,

‘ga en spreek tot Zedekiah

koning van Judah

en zeg tot hem:

“Zo zegt Maryah,

‘zie!

Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel,

en hij zal die verbranden met vuur.

34:3 “Gij zult niet uit zijn hand ontsnappen,

want gij zult zeker gevangen worden

  en in zijn hand overgeleverd worden;

en gij zult de koning van Babel van oog tot oog zien,

en hij zal met u van aangezicht tot aangezicht spreken,

en gij zult naar Babel gaan.'”‘

34:4 “Hoort toch het woord van Maryah,

O Zedekiah koning van Judah!

Zo zegt Maryah betreffende u,

‘gij zult niet sterven door het zwaard.

34:5 ‘Gij zult in vrede sterven;

en zoals specerijen werden verbrand voor uw vaders,

de voormalige koningen die vóór u waren,

zo zullen zij specerijen voor u verbranden;

en zij zullen over u weeklagen,

“ach, Maryah!”‘

Want ik heb het woord gesproken,”

Maakt Maryah bekend.

34:6 Vervolgens,

Jeremiah de profeet

sprak al deze woorden tot Zedekiah

koning van Judah

in Jeruzalem-

34:7 toen het leger van de koning van Babel

tegen Jeruzalem vocht

en tegen al de overgebleven steden van Judah,

welke zijn,

Lachish en Azekah,

want zij alleen bleven over

als versterkte steden

onder de steden van Judah.

34:8 Het woord

dat tot Jeremiah kwam

van Maryah

nadat koning Zedekiah een verbond had gemaakt

met al het volk

dat in Jeruzalem was

om vrijlating aan hen te verkondigen:

34:9 dat elk mens zijn mannelijke knecht

en elk mens zijn vrouwelijke knecht vrij zou laten,

een Hebreeuwse man of een Hebreeuwse vrouw (zijnde);

opdat niet één hen zou moeten houden,

een Jood zijn broeder,

in slavernij.

34:10 En al de ambtenaren en al het volk

die het verbond waren ingegaan

gehoorzaamden,

dat elk mens zijn mannelijke knecht

en elk mens zijn vrouwelijke knecht

  zou moeten vrijlaten,

opdat niet één hen nog langer in slavernij zou houden;

ze gehoorzaamden,

en lieten hen vrij.

34:11 Maar daarna draaiden ze om

  en namen de mannelijke knechten

en de vrouwelijke knechten terug

  die ze vrij hadden gelaten,

en ze brachten hen tot onderwerping

als mannelijke knechten

en als vrouwelijke knechten.

34:12 Vervolgens,

het woord van Maryah

kwam van Maryah tot Jeremiah,

zeggende,

34:13 “zo zegt Maryah

Aloha van Israël,

‘Ik maakte een verbond met uw voorvaders

op de dag dat Ik hen uit het land van Egypte bracht,

uit het huis van slavernij,

zeggende,

34:14 “Aan het einde van zeven jaar

zal elk van u zijn Hebreeuwse broeder

die aan u is verkocht

en u zes jaar heeft gediend vrijlaten,

gij zult hem vrij van u wegzenden;

maar uw voorvaders hebben Mij niet gehoorzaamd

  of neigden hun oor niet naar Mij.

34:15 “Hoewel gij onlangs hebt omgedraaid

en hebt gedaan wat juist is in Mijn ogen,

elke mens vrijlating verkondigende tot zijn naaste ,

en gij hebt een verbond voor Mij gemaakt

in het huis dat bij Mijn naam wordt genoemd.

34:16 “Toch draaide gij u om en ontheiligde Mijn naam,

en elke mens nam zijn mannelijke knecht

  en elke mens zijn vrouwelijke knecht terug

die gij had vrijgelaten volgens hun wens,

en gij hebt hen ondergeschikt gemaakt

  om uw mannelijke knechten

en uw vrouwelijke knechten te zijn.”‘

34:17 “Daarom dus zegt Maryah,

‘gij hebt Mij niet gehoorzaamd

in verkondiging van vrijlating

elke mens aan zijn broer

en elke mens aan zijn naaste.

Zie!

Ik roep een vrijlating tegen u uit’

maakt Maryah bekend,

‘door het zwaard,

door de pestziekte

en door de hongersnood;

en Ik zal u tot een verschrikking maken

voor al de koninkrijken der aarde.

34:18 ‘Ik zal de mannen geven die Mijn verbond hebben overtreden,

die de woorden van het verbond niet hebben uitgevoerd

die zij voor Mij maakten,

toen zij het kalf in tweeën sneden

en tussen de delen ervan passeerden-

34:19 de ambtenaren van Judah

en de ambtenaren van Jeruzalem,

de hof officieren en de priesters

en al het volk van het land

die tussen de delen van het kalf zijn gepasseerd–

34:20 Ik zal hen in de hand van hun vijanden geven

  en in de hand van diegenen die hun leven zoeken.

En hun dode lichamen zullen voedsel zijn

voor de vogels van de hemel

en de beesten van de aarde.

34:21 ‘Zedekiah koning van Judah

en zijn ambtenaren

zal Ik in de hand van hun vijanden geven

en in de hand van diegenen die hun leven zoeken,

en in de hand van het leger van de koning van Babel

die -van u- weg zijn gegaan.

34:22 ‘Ziet,

Ik ga bevelen,’

  maakt Maryah bekend,

‘en Ik zal hen terug brengen naar deze stad;

en ze zullen ertegen strijden

en die nemen en die verbranden met vuur;

en Ik zal de steden van Judah

tot een verlatenheid maken

zonder inwoner.'”

Jeremiah 35.

35:1 Het woord van Maryah

dat tot Jeremiah kwam

in de dagen van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

zeggende,

35:2 “ga naar het huis van de Rekabieten

en spreek tegen hen,

en breng hen in het huis van Maryah,

in één van de kamers,

en geef ze wijn te drinken.”

35:3 Toen nam ik Jaazaniah

de zoon van Jeremiah,

zoon van Habazziniah,

en zijn broers

en al zijn zonen

en het hele huis van de Rekabieten,

35:4 en ik bracht hen in het huis van Maryah,

in de kamer van de zonen van Hanan de zoon van Igdaliah,

de man van Aloha,

die nabij de kamer was van de ambtenaren,

die boven de kamer was van Maaseiah de zoon van Shallum,

de deur-bewaarder.

35:5 Toen stelde ik kruiken vol van wijn

en bekers

voor de mannen van het huis van de Rekabieten;

en ik zei tegen hen,

“drink wijn!”

35:6 Maar ze zeiden,

“We zullen geen wijn drinken,

want Jonadab de zoon van Rechab,

onze vader,

beval ons,

zeggende,

‘wijn zult gij niet drinken,

gij of uw zonen,

voor altijd.

35:7 ‘Gij zult geen huis bouwen,

en gij zult geen zaad zaaien

en gij zult geen wijngaard planten of bezitten;

maar in tenten zult gij wonen al uw dagen,

opdat gij vele dagen moogt leven

in het land waarin gij verblijft.’

35:8 “De stem van Jonadab hebben wij gehoorzaamd

de zoon van Rechab,

onze vader,

  in alles dat hij ons opdroeg,

om geen wijn te drinken al onze dagen,

wij,

onze vrouwen,

onze zonen noch onze dochters,

35:9 noch om onszelf huizen te bouwen om in te wonen;

en we hebben geen wijngaard of veld of zaad.

35:10 “We hebben enkel in tenten verbleven,

en hebben gehoorzaamd

en hebben gedaan

overeenstemmende alles wat Jonadab onze vader ons heeft bevolen.

35:11 “Maar toen Nebuchadnezzar

koning van Babel

opkwam tegen het land,

zeiden we,

‘kom en laat ons naar Jeruzalem gaan

uit vrees voor het leger van de Kaldeans

en uit vreees voor het leger van de Aramáyé.’

Zo hebben we in Jeruzalem verbleven.”

35:12 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah,

zeggende,

35:13 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘ga en zeg tegen de mannen van Judah

en de inwoners van Jeruzalem,

“Wilt gij geen instructie ontvangen

door naar Mijn woorden te luisteren?”

  maakt Maryah bekend.

35:14 “De woorden van Jonadab

de zoon van Rechab,

die hij zijn zonen beval geen wijn te drinken,

worden waargenomen.

Zo drinken zij tot nu toe geen wijn,

want zij hebben het gebod van hun vader gehoorzaamd.

Maar Ik heb tot u gesproken

opnieuw en opnieuw;

toch hebt gij naar Mij niet geluisterd.

35:15 “Ook heb Ik al Mijn dienaars de profeten tot u gezonden,

hen opnieuw en opnieuw zendende,

zeggende:

‘keert nu af-

elk mens van zijn boze weg-

en wijzigt uw daden,

en ga niet achter andere goden aan om ze te aanbidden.

Dan zult gij in het land wonen

dat Ik aan u en aan uw voorvaders heb gegeven;

maar gij hebt uw oor niet geneigd

en naar Mij niet geluisterd.

35:16 ‘Inderdaad,

de zonen van Jonadab de zoon van Rechab

hebben het bevel van hun vader nagekomen,

  dat hij hun bevolen heeft,

maar dit volk heeft naar Mij niet geluisterd.'”‘

35:17 “Daarom dus zegt Maryah,

Aloha van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Zie!

Ik breng op Judah en op al de inwoners van Jeruzalem

al de rampspoed dat Ik tegen hen heb uitgesproken;

omdat Ik tegen hen sprak maar zij luisterden niet,

en Ik heb hen geroepen maar ze antwoordden niet.'”

35:18 Vervolgens,

Jeremiah zei tot het huis van de Rekabieten,

“zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘omdat gij het bevel van Jonadab uw vader hebt gehoorzaamd,

en al zijn bevelen hebt gehouden

en gedaan overeenkomstig alles wat hij u heeft bevolen;

35:19 daarom dus zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Jonadab de zoon van Rechab

zal geen gebrek hebben aan een man

om altijd voor Mij te staan.”‘”

Jeremiah 36.

36:1 In het vierde jaar van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

dit woord kwam tot Jeremiah van Maryah,

zeggende,

36:2 “neem een rol

en schrijf er al de woorden op die Ik tot u heb gesproken

betreffende Israël

en betreffende Judah,

en betreffende al de volken,

vanaf de dag dat Ik voor het eerst tot u sprak,

vanaf de dagen van Josiah,

zelfs tot op deze dag.

36:3 “Misschien zal het huis van Judah al de rampspoed horen

dat Ik (van) plan (ben) om over hen te brengen,

opdat elke mens zich van zijn kwade weg zal omdraaien;

dan zal Ik hun ongerechtigheid en hun zonden vergeven.”

36:4 Vervolgens,

Jeremiah riep Baruch

de zoon van Neriah,

en Baruch schreef

  bij het dicteren van Jeremiah

al de woorden van Maryah

welke Hij aan hem had gesproken

op een rol.

36:5 Jeremiah beval Baruch,

zeggende,

“ik ben gebonden;

ik kan het huis van Maryah niet binnengaan.

36:6 “Dus ga jij en lees voor uit de rol

welke gij geschreven hebt bij mijn dicteren

de woorden van Maryah

aan het volk in het huis van Maryah op een vastendag.

En gij zult ze ook voorlezen aan al het volk van Judah

die uit hun steden komen.

36:7 “Misschien zal hun smeking voor Maryah komen,

en eenieder zal zich van zijn kwade weg afwenden,

  want groot is de gramschap en de toorn

die Maryah heeft uitgesproken tegen dit volk.”

36:8 Baruch de zoon van Neriah

deed overeenkomende alles wat Jeremiah de profeet hem bevolen had,

voorlezende uit het boek de woorden van Maryah

in het huis van Maryah.

36:9 Nu gebeurde het,

In het vijfde jaar van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

in de negende maand,

dat al het volk in Jeruzalem

en al het volk die uit de steden van Judah naar Jeruzalem kwam

een vasten uitriep voor Maryah.

36:10 Toen las Baruch uit het boek de woorden voor van Jeremiah,

in het huis van Maryah

in de kamer van Gemariah

de zoon van Shaphan de schrijver,

in de bovenste voorhof,

bij de ingang van de Nieuwe Poort van het huis van Maryah,

aan al het volk.

36:11 Wanneer nu Micaiah

de zoon van Gemariah,

de zoon van Shaphan,

al de woorden van Maryah uit dat boek had gehoord,

36:12 ging hij naar beneden naar het huis van de koning,

in de kamer van de schrijver.

en zie!

Al de ambtsdragers zaten daar-

Elishama de schrijver,

en Delaiah de zoon van Shemaiah,

en Elnathan de zoon van Achbor,

en Gemariah de zoon van Shaphan,

en Zedekiah de zoon van Hananiah,

en al de andere ambtsdragers.

36:13 Micaiah maakte aan hen al de woorden bekend

die hij gehoord had

toen Baruch aan het volk uit dat boek voorlas.

36:14 Vervolgens,

zonden al de ambtsdragers Jehudi

de zoon van Nethaniah,

de zoon van Shelemiah,

de zoon van Cushi,

naar Baruch,

zeggende,

“Neem de rol in uw hand

uit welke gij het volk hebt voorgelezen

en kom.”

Zo nam Baruch

de zoon van Neriah

de rol in zijn hand en ging naar hen toe.

36:15 Ze zeiden tegen hem,

“Zit neer,

alsjeblieft,

en lees het aan ons voor.”

Dus las Baruch het aan hen voor.

36:16 Wanneer zij al de woorden hadden gehoord,

keerden zij zich angstig om

de één naar de ander

en zeiden tegen Baruch,

“Wij zullen al deze woorden zeker aan de koning melden.”

36:17 En zij vroegen Baruch,

zeggende,

“Vertel ons,

alsblieft,

hoe heb je al deze woorden geschreven?

Was het door zijn dicteren?”

36:18 Toen zei Baruch tegen hen,

” hij dicteerde al deze woorden aan mij;

en ik schreef ze met inkt in het boek.”

36:19 Vervolgens zeiden de ambtsdragers tegen Baruch,

“Ga,

verberg uzelf,

gij en Jeremiah,

en laat niemand weten waar ge zijt.”

36:20 Zo gingen zij naar de koning in de voorhof,

maar de rol

hadden zij neergelegd in de kamer van Elishama de schrijver,

en zij rapporteerden al de woorden aan de koning.

36:21 Vervolgens,

de koning zond Jehudi om de rol te verkrijgen,

en hij nam ze uit de kamer van Elishama de schrijver.

En jehudi las ze voor aan de koning

evenals aan al de ambtsdragers

  die naast de koning stonden.

36:22 Nu was de koning zittend in het winterhuis

in de negende maand,

met een vuur voor hem in de vuurpot aangestoken.

36:23 Toen Jehudi drie of vier kolommen had gelezen,

sneed de koning het met een schrijvers-mes in stukken

  en wierp het in het vuur dat in de vuurpot was,

totdat gans de rol was verteerd door het vuur

dat in de vuurpot was.

36:24 Toch waren de koning en al zijn dienaars

die al deze woorden hoorden

niet bevreesd,

evenmin scheurden zij hun gewaden.

36:25 Hoewel zelfs Elnathan

en Delaiah

en Gemariah

  bij de koning smeekten om de rol niet te verbranden,

hij zou niet naar hun luisteren.

36:26 En de koning gebood Jerahmeel de

de koningszoon,

Seraiah de zoon van Azriel,

en Shelemiah de zoon van Abdeel

om Baruch de schrijver

en Jeremiah de profeet te grijpen,

maar Maryah verborg hen.

36:27 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah

nadat de koning de rol

en de woorden die Baruch geschreven had

op het dicteren van Jeremiah

had verbrand,

zeggende,

36:28 “neem opnieuw een andere rol

en schrijf daarop al de eerdere woorden

die op de eerste rol waren

welke Jehoiakim de koning van Judah verbrandde.

36:29 “En betreffende Jehoiakim koning van Judah zult gij zeggen,

‘zo zegt Maryah,

gij hebt deze rol verbrand

  zeggende,

‘waarom hebt gij daarop geschreven

dat de koning van Babel zeker zal komen

en dit land vernietigen,

en mens en beest vandaar zal doen verdwijnen?'”

36:30 ‘Daarom dus zegt Maryah

betreffende Jehoiakim

koning van Judah,

“hij zal niet één hebben om op de troon van David te zitten,

en zijn dood lichaam zal worden uitgeworpen

in de hitte van de dag

  en in de koelte van de nacht.

36:31 “Ik zal hem

en zijn nazaten

en ook zijn dienaren straffen

voor hun ongerechtigheid,

en Ik zal op hun

en de inwoners van Jeruzalem

en de mannen van Judah

al de rampspoed brengen die Ik aan hen bekend heb gemaakt-

maar luisteren deden zij niet.”‘”

36:32 Vervolgens,

Jeremiah nam een andere rol

en gaf ze aan Baruch

de zoon van Neriah,

de schrijver,

en hij schreef daarop bij het dicteren van Jeremiah

al de woorden van het boek

welke Jehoiakim koning van Judah

in het vuur had verbrandt;

en vele gelijkaardige woorden werden eraan toegevoegd.

Jeremiah 37.

37:1 Nu,

Zedekiah

de zoon van Josiah–

die Nebuchadnezzar

koning van Babel

koning had gemaakt in het land van Judah–

regeerde als koning

inplaats van Coniah

de zoon van Jehoiakim.

37:2 Maar noch hij

noch zijn dienaren

noch het volk van het land

  geen van allen

luisterden naar de woorden van Maryah

welke Hij sprak door Jeremiah de profeet.

37:3 Toch zond koning Zedekiah Jehucal

de zoon van Shelemiah,

en Zephaniah

de zoon van Maaseiah,

de priester,

naar Jeremiah de profeet,

zeggende,

“alsjeblieft bid tot Maryah onze Aloha in onze naam.”

37:4 Nu was Jeremiah nog steeds inkomende en uitgaande onder het volk,

want ze hadden hem nog niet in de gevangenis gezet.

37:5 Ondertussen,

Farao’s leger was vanuit Egypte vertrokken;

en wanneer de Kaldeans

  die Jeruzalem hadden belegerd

  dat gerucht over hun hoorden,

toen hebben zij de belegering van Jeruzalem opgeheven.

37:6 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah de profeet,

zeggende,

37:7 “zo zegt Maryah

Aloha van Israël,

‘zo moet gij zeggen tegen de koning van Judah,

  die u tot Mij zond om te vragen van Mij:

“Zie,

Farao’s leger dat uitgekomen is tot uw hulp

zal naar zijn eigen land van Egypte terugkeren.

37:8 “De kaldeans zullen ook terugkeren

en strijden tegen deze stad,

en zij zullen die veroveren

en die met vuur verbranden .”‘

37:9 “Zo zegt Maryah,

‘bedrieg jezelf niet,

zeggende,

“De Kaldean zullen zeker van ons weggaan,”

  want ze zullen niet gaan.

37:10 ‘Want zelfs al had gij het gehele leger van de Kaldeans verslagen,

die tegen u strijdende waren,

en er waren alleen maar gewonde mannen onder hen overgebleven,

  elke man in zijn tent,

ze zouden opstaan

en deze stad met vuur verbranden.'”

37:11 Nu gebeurde het

wanneer het leger van de Kaldeans

  de belegering van Jeruzalem had opgeheven

vanwege het leger van Farao,

37:12 dat Jeremiah van Jeruzalem uitging

  om naar het land van Bejamin te gaan

om daar bezit te nemen van enig bezit

temidden van het volk.

37:13 Terwijl hij bij de Poort van Benjamin was,

was daar een kapitein van de wacht wiens naam Irijah was,

de zoon van Shelemiah

de zoon van Hananiah;

en hij arresteerde Jeremiah de profeet,

zeggende,

“gij loopt over naar de Kaldeans!”

37:14 Maar Jeremiah zei,

“een leugen!

ik loop niet over naar de Kaldeans”;

toch wilde hij niet naar hem luisteren.

Dus arresteerde Irijah Jeremiah

en bracht hem naar de ambtenaren.

37:15 Toen waren de ambtenaren boos op Jeremiah

en sloegen hem,

en ze stopten hem in de gevangenis

in het huis van Jonathan

de schrijver,

die ze tot gevangenis hadden gemaakt.

37:16 Daar was Jeremiah in de kerker gekomen,

dat is,

de gewelfde cel;

en Jeremiah bleef daar vele dagen.

37:17 Nu zond koning Zedekiah uit en liet hem meenemen;

en in zijn paleis vroeg de koning hem heimelijk en zei,

“is er een woord van Maryah?”

En Jeremiah zei,

“Er is!”

Toen zei hij,

“Gij zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden!”

37:18 Verder zei Jeremiah tegen koning Zedekiah,

“Op welke wijze heb ik tegen u gezondigd,

of tegen uw dienaars,

of tegen dit volk,

dat gij mij gevangen hebt gezet?

37:19 “Waar zijn dan uw profeten

die tegen u profeteerden,

zeggende,

‘De koning van Babel zal niet tegen u

of tegen dit land komen’?

37:20 “Maar nu,

alsjeblief luister,

O mijn Heer de koning;

alsjeblieft laat mijn verzoek voor u komen

en doe mij niet terugkeren

naar het huis van Jonathan de schrijver,

opdat ik daar niet moge sterven.”

37:21 Vervolgens,

koning Zedekiah gaf bevel,

en zij gaven Jeremiah over aan de voorhof van het wachthuis

en gaven hem een snede van brood

  dagelijks uit de Bakkersstraat,

  totdat al het brood in de stad op was.

Zo bleef Jeremiah in de voorhof van het wachthuis.

Jeremiah 38. 

38:1 Nu,

Shephatiah de zoon van Mattan,

en Gedaliah de zoon van Pashhur,

en Jucal de zoon van Shelemiah,

en Pashhur de zoon van Malchijah

hoorden de woorden die Jeremiah sprak tot al het volk,

zeggende,

38:2 “zo zegt Maryah,

‘hij die in deze stad blijft zal sterven door het zwaard

en door hongersnood

en door pestziekte,

maar hij die uitgaat naar de Kaldeans zal leven

en zijn eigen leven als buit hebben

en in leven blijven.

38:3 “Zo zegt Maryah,

‘Ongetwijfeld zal deze stad

in de hand van het leger

van de koning van Babel

worden gegeven

en hij zal die innemen.'”

38:4 Vervolgens,

de ambtenaren zeiden tegen de koning,

“Laat deze man nu ter dood worden gebracht,

aangezien hij de krijgslieden ontmoedigt

die in deze stad zijn achtergelaten en ook al het volk,

door zulke woorden tot hun te spreken;

want deze man zoekt het welzijn niet van dit volk

maar eerder hun schade.”

38:5 Dus zei koning Zedekiah,

“ziehier!

hij is in uw handen;

want de koning kan geen ding tegen u doen.”

38:6 Vervolgens,

ze namen Jeremiah

en wierpen hem in de put van Malchijah

de zoon van de koning,

welke in de voorhof van het wachthuis was;

en ze lieten Jeremiah met touwen zakken.

Nu was er in die put geen water

maar alleen modder,

en Jeremiah zakte (weg) in die modder.

38:7 Maar Ebed-Melech de Ethiopiër,

een eunuch,

terwijl hij in het paleis van de koning was,

hoorde dat ze Jeremiah in de put hadden geworpen.

De koning zat echter toen in de Poort van Benjamin;

38:8 en Ebed-Melech ging uit van het paleis van de koning

en sprak tot de koning,

zeggende,

38:9 “Mijn heer de koning,

deze mannen hebben goddeloos gehandeld

in alles wat zij hebben gedaan aan Jeremiah de profeet

die zij in de put hebben geworpen;

en juist daar waar hij is zal hij sterven

vanwege de hongersnood,

want er is geen brood meer in de stad.”

38:10 Vervolgens,

de koning gebood Ebed-Melech de Ethiopiër,

zeggende,

“Neemt dertig mannen van hier onder uw gezag

en haal Jeremiah de profeet op uit de put

voordat hij sterft.”

38:11 Dus nam Ebed-Melech de mannen onder zijn gezag

en ging in het paleis van de koning

naar een plaats onder de voorraadkamer

en nam van daar afgedragen kleren

en versleten vodden mee,

en liet ze met touwen (naar beneden) zakken

– in de put

bij Jeremiah-.

38:12 Vervolgens,

Ebed-Melech de Ethiopiër zei tegen Jeremiah,

“Steek nu die afgedragen kleren

en die versleten vodden

  onder uw oksels

en onder die touwen”;

en Jeremiah deed dat.

38:13 Zo trokken zij Jeremiah omhoog met de touwen

en tilden hem uit de put,

en Jeremiah bleef in de voorhof van het wachthuis.

38:14 Toen zond koning Zedekiah

en liet Jeremiah de profeet tot hem brengen

bij de derde ingang

welke in het huis van Maryah is;

en de koning zei tegen Jeremiah,

“Ik ga u iets vragen;

verberg niets voor mij.”

38:15 Daarop zei Jeremiah tegen Zedekiah,

“Als ik het u zeg,

zult gij mij dan niet ter dood brengen?

Trouwens,

als ik u advies geef,

  zult gij naar mij niet luisteren.”

38:16 Maar koning Zedekiah zwoer in het geheim tot Jeremiah

zeggende,

“Zoals Maryah leeft,

die voor ons dit leven maakte,

ik zal u zeker niet ter dood brengen

evenmin zal ik u overgeven

in de hand van deze mannen

die uw leven zoeken.”

38:17 Daarop zei Jeremiah tegen Zedekiah,

“Zo zegt Maryah Aloha van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Indien gij inderdaad wilt uitgaan

naar de ambtenaren van de koning van Babel,

dan zult gij leven,

deze stad zal niet worden verbrand met vuur,

en gij en uw huishouden zult overleven.

38:18 ‘Maar indien gij niet wilt uitgaan

naar de ambtenaren van de koning van Babel,

dan zal deze stad overgeven worden in de hand van de Kaldeans;

en zij zullen die verbranden met vuur,

en gij,

gij zelf zult niet ontsnappen vanuit hun hand.'”

38:19 Toen zei koning Zedekiah tegen Jeremiah,

“Ik vrees de Joden die overgegaan zijn naar de Kaldeans,

omdat zij mij misschien overgeven in hun hand

en ze zullen mij beschimpen.”

38:20 Maar Jeremiah zei,

“Ze zullen u niet overgeven.

Alsjeblieft gehoorzaam Maryah in wat ik tot u zeg,

opdat het goed met u moge gaan

en gij moogt leven.

38:21 Maar zo gij blijft weigeren om uit te gaan,

dit is het woord dat Maryah mij heeft getoond:

38:22 ‘zie dan,

  allen van de vrouwen die achtergebleven zijn

in het paleis van de koning van Judah

zullen worden uitgebracht naar de ambtenaren van de koning van Babel;

en die vrouwen zullen zeggen,

“Uw vertrouwde vrienden hebben u misleid en overmeesterd;

terwijl uw voeten in het slijk waren gezonken,

zijn zij achterwaarts omgekeerd.”

38:23 ‘Zij zullen ook al uw vrouwen

en uw zonen uitbrengen naar de Kaldeans,

en gij,

gijzelf zult niet ontsnappen vanuit hun hand,

  maar zult worden gegrepen door de hand van de koning van Babel,

en deze stad zal worden verbrand met vuur.'”

38:24 Toen zei Zedekiah tegen Jeremiah,

“Laat geen mens iets over deze woorden weten en gij zult niet sterven.

38:25 “Maar indien de ambtenaren horen dat ik met u gesproken heb

en tot u komen

en tegen u zeggen,

‘Zeg ons nu wat gij tegen de koning hebt gezegd

en wat de koning tegen u heeft gezegd;

verberg het niet voor ons

en we zullen u niet ter dood brengen,’

38:26 dan moet gij tegen hen zeggen,

‘Ik presenteerde mijn verzoek voor de koning,

om mij niet terug te laten keren naar het huis van Jonathan

om daar te sterven.'”

38:27 Vervolgens,

al de ambtenaren kwamen tot Jeremiah en ondervroegen hem.

Dus rapporteerde hij aan hen

  in overeenstemming met al deze woorden

welke de koning bevolen had;

en ze hielden op om met hem te spreken,

  aangezien zij dat gesprek niet hadden gehoord.

38:28 Dus bleef Jeremiah in de voorhof van het wachthuis

tot de dag dat Jeruzalem werd veroverd.

Jeremiah 39. 

39:1 Terwijl nu Jeruzalem veroverd was,

in het negende jaar van Zedekiah

koning van Judah,

in de tiende maand,

kwam Nebuchadnezzar koning van Babel

en zijn gehele leger naar Jeruzalem

en belegerde het;

39:2 in het elfde jaar van Zedekiah,

in de vierde maand,

op de negende dag van de maand,

was de stadsmuur doorbroken.

39:3 Toen kwamen al de ambtenaren van de koning van Babel binnen

en zaten neer bij de Midden Poort:

Nergal-sar-ezer,

Samgar-nebu,

Sar-sekim de Rab-saris,

Nergal-sar-ezer de Rab-mag,

en al de rest van de ambtenaren van de koning van Babel.

39:4 Toen Zedekiah de koning van Judah

en al de krijgslieden hen zagen,

vluchtten zij en gingen ’s nachts de stad uit

via de tuin van de koning

door de poort tussen de twee muren;

en hij ging naar buiten naar de Arabah toe.

39:5 Maar het leger van de Kaldean achtervolgde hen

en achterhaalde Zedekiah in de vlakten van Jericho;

en zij grepen hem

en brachten hem opwaarts naar Nebuchadnezzar

koning van Babel

naar Riblah in het land van Hamath,

en hij voltrok vonnis over hem.

39:6 Vervolgens,

de koning van Babel

doodde de zonen van Zedekiah

voor zijn ogen bij Riblah;

de koning van Babel

doodde ook al de edelen van Judah.

39:7 Daarna verblindde hij Zedekiah zijn ogen

  en bond hem in boeien van brons

om hem naar Babel te brengen.

39:8 De Kaldean verbrandden ook het paleis van de koning

en de huizen van het volk met vuur,

en ze braken de muren van Jeruzalem af.

39:9 Wat betreft de rest van het volk

die in de stad was achtergebleven,

de afvalligen die naar hem waren overgegaan

en de rest van het volk die achterbleef,

Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht

voerde hen in ballingschap naar Babel.

39:10 Maar van de armste mensen die niets hadden,

liet Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht

er sommige achter in het land van Judah,

en gaf hen op dat moment wijngaarden en akkers.

39:11 Nebuchadnezzar

koning van Babel

had nu orders gegeven betreffende Jeremiah

  aan Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht,

zeggende,

39:12 “Neem hem en zorg voor hem,

en doe niets schadelijks aan hem

  maar handel eerder met hem

precies zoals hij u zegt.”

39:13 Dus stuurde Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht een bevel,

samen met Nebushazban de Rab-saris,

en Nergal-sar-ezer de Rab-mag,

en al de leidende officieren van de koning van Babel;

39:14 en zij zonden heen

en namen Jeremiah vanuit de voorhof van het wachthuis

en vertrouwden hem zelfs toe aan Gedaliah,

de zoon van Ahikam,

de zoon van Shaphan,

om hem naar huis te brengen.

Zo verbleef hij te midden van het volk.

39:15 Nu was het woord van Maryah tot Jeremiah gekomen

terwijl hij was opgesloten in de voorhof van het wachthuis,

zeggende,

39:16 “Ga en spreek met Ebed-melech de Ethiopiër,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“zie,

Ik sta op het punt om Mijn woorden over deze stad te brengen

tot onheil

en niet tot voorspoed;

en zij zullen op die dag voor u (uw aangezicht) plaatsvinden.

39:17 “Maar Ik zal u verlossen op die dag,”

maakt Maryah bekend,

“en gij zult niet in de hand worden gegeven

  van die mannen die gij vreest.

39:18 “Want Ik zal u zeker redden,

en gij zult niet vallen door het zwaard;

maar gij zult uw eigen leven als buit hebben,

omdat gij op MIj hebt vertrouwd,”

maakt Maryah bekend.'”

Jeremiah 40.

40:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam van Maryah

nadat Nebuzaradan kapitein van de lijfwacht

hem had laten gaan uit Ramah,

toen hij hem in kettingen gevangen had genomen

  onder al de ballingen van Jeruzalem

en Judah die werden verbannen naar Babel.

40:2 Nu had de kapitein van de lijfwacht Jeremiah genomen

en zei tegen hem,

“Maryah uw Aloha beloofde deze rampspoed tegen deze plaats;

40:3 en Maryah heeft het voortgebracht

en gedaan zoals Hij het beloofde.

Want gij lieden hebt gezondigd tegen Maryah

en hebt niet geluisterd naar Zijn stem,

daarom is dit ding over u gekomen.

40:4 “Maar nu,

zie,

ik bevrijd u vandaag van de ketenen die aan uw handen zijn.

Indien gij de voorkeur zou geven

om met mij naar Babel te komen,

  kom dan mee,

en ik zal voor u zorgen;

maar indien gij niet de voorkeur zou geven

om met mij naar Babel te komen,

laat het maar.

  Zie,

het hele land is voor uw aangezicht;

ga waarheen het u goed en recht lijkt om te gaan.”

40:5 Toen Jeremiah nog steeds niet was terug gegaan,

zei hij,

“Ga dan terug naar Gedalliah de zoon van Ahikam,

de zoon van Saphan,

die de koning van Babel over de steden van Judah heeft aangesteld,

en verblijf bij hem onder het volk;

of ga ergens anders heen waar het u goed lijkt om te gaan.”

Zo gaf de kapitein van de lijfwacht hem een vergoeding

en een geschenk

en liet hem gaan.

40:6 Vervolgens,

Jeremiah ging naar Mizpah toe,

naar Gedaliah de zoon van Ahikam

en verbleef bij hem

te midden van het volk

die in het land waren achtergelaten.

40:7 Al de bevelhebbers van de strijdkrachten die nu in het veld waren,

zij en hun mannen,

hoorden dat de koning van Babel

Gedaliah – de zoon van Ahikam

over het land had aangesteld

  en dat hij aan hem de leiding had gegeven

over de mannen,

de vrouwen en de kinderen,

die van de armsten van het land

die niet naar Babel verbannen waren geweest.

40:8 Zo kwamen zij bij Gedaliah te Mizpah,

samen met Ishmael de zoon van Nethaniah,

en Johanan en Jonathan de zonen van Kareah,

en Seraiah de zoon van Tanhumeth,

en de zonen van Ephai de Netophathite,

en Jezaniah de zoon van de Maacathite,

zowel zij als hun mannen.

40:9 Vervolgens,

Gedaliah de zoon van Ahikam,

de zoon van Shaphan,

zwoer aan hun en aan hun mannen,

zeggende,

“Wees niet bevreesd om de Kaldean te dienen;

verblijf in het land

en dien de koning van Babel,

opdat het u goed moge gaan.

40:10 “Wat mij nu betreft,

ziet,

ik verblijf in Mizpah

  om voor u voor de Kaldean te staan die naar ons toekomen;

maar wat u betreft,

brengt wijn en zomer-vrucht en olie binnen

  en doe ze in uw opslagvaten,

en leef in uw steden die gij hebt ingenomen.”

40:11 Precies zo hoorden ook al de Joden die in Moab waren,

en onder de zonen van Ammon

en in Edom

en die in al die andere landen waren,

dat de koning van Babel

een overblijfsel voor Judah had achter gelaten,

en dat hij over hen Gedaliah had aangesteld

de zoon van Ahikam,

de zoon van Saphan.

40:12 Daarop keerden al de Joden terug

vanuit al de plaatsen

naar welke zij gedreven waren

en kwamen naar het land van Judah,

naar Gedaliah te Mizpah,

en brachten wijn en zomer-vrucht binnen in grote overvloed.

40:13 Nu kwamen Johanan de zoon van Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten

  die in het veld waren

naar Gedaliah te Mizpah-

40:14 en zeiden tegen hem,

“Zijt gij u ervan bewust

dat Baalis de koning van de zonen van Ammon

Ishmael de zoon van Nethaniah heeft gezonden

om uw leven te nemen?”

Maar Gedaliah de zoon van Ahikam geloofde hen niet.

40:15 Vervolgens,

johanan

de zoon van Kareah

sprak heimelijk tegen Gedaliah te Mizpah,

zeggende,

“Laat mij heengaan en Ishmael de zoon van Nethaniah doden,

en niet één man zal het weten!

Waarom zou hij uw leven nemen,

zodat al de Joden die tot u vergadert zijn

  zouden verstrooid worden

en het overblijfsel van Judah zou vergaan?”

40:16 Maar Gedaliah

de zoon van Ahikam

zei tegen Johanan

de zoon van Kareah,

“Doe dit ding niet,

want gij vertelt een leugen over Ishmael.”

Jeremiah 41. 

41:1 In de zevende maand,

Ishmael de zoon van Nethaniah,

de zoon van Elishama,

van de koninklijke familie

en één van de hoofd-officieren van de koning,

samen met tien mannen,

kwam te Mizpah naar Gedaliah

de zoon van Ahikam.

  Terwijl zij daar samen brood aan het eten waren te Mizpah,

41:2 Ishmael de zoon van Nethaniah

en die tien mannen die bij hem waren stonden op,

en sloegen Gedaliah

de zoon van Ahikam

de zoon van Shaphan

met het zwaard,

  en brachten degene die de koning van Babel

over het land had aangesteld ter dood.

41:3 Ishmael sloeg ook al de Joden neer

die bij hem waren;

die bij Gedaliah waren te Mizpah,

en de Kaldean die daar werden gevonden,

de mannen van oorlog.

41:4 Nu gebeurde het op de eerstvolgende dag

na het doden van Gedaliah,

toen niet één ervan wist,

41:5 dat er tachtig mannen van Schehem,

van Shiloh,

en van Samaria kwamen

met hun baarden afgeschoren

en hun kleren gescheurd

en hun lichamen gegeseld,

met graanoffers en wierrook in hun handen

om ze naar het huis van Maryah te brengen.

41:6 Toen Ishmael de zoon van Nethaniah van Mizpah uitging

om hen te ontmoeten,

weende (hij) toen gij ging;

en toen hij hen ontmoette,

zei hij tegen hen,

“Kom naar Gedaliah de zoon van Ahikam!”

41:7 Toch bleek het

dat zo snel als zij de stad binnen kwamen,

dat Ishmael de zoon van Nethaniah

en de mannen die bij hem waren

hun afslachtte en hun in de waterput gooiden.

41:8 Maar tien mannen die onder hun werden gevonden zeiden tegen Ishmael,

“breng ons niet ter dood;

want we hebben opslag van tarwe,

gerst,

olie en honing verborgen in het veld.”

Dus hield hij zich in,

en heeft hun niet ter dood gebracht

samen met hun metgezellen.

41:9 Wat nu de waterput betreft

  waarin Ishmael al de lijken van de mannen had gegooid

  die hij neergeslagen had vanwege Gedaliah,

dat was degene die koning Asa had gemaakt vanwege Baasha,

koning van Israël;

Ishmael de zoon van Nethaniah vulde die met de verslagenen.

41:10 Toen nam Ishmael

al het overblijfsel van het volk gevangen

dat te Mizpah was,

de dochters van de koning

en al het volk die in Mizpah was overgebleven,

die Nebuzaradab

de kapitein van de lijfwacht

onder de hoede van Gedaliah

de zoon van Ahikam had gesteld;

zo nam Ismael de zoon van Nethaniah

hen gevangen

  en ging verder om over te steken naar de zonen van Ammon.

41:11 Maar Johanan

de zoon van Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten

die bij hem waren

  hoorden van al het kwaad

  dat Ishmael de zoon van Nethaniah had gedaan.

41:12 Dus namen zij al de mannen

en gingen heen om te strijden tegen Ishmael

de zoon van Nethaniah

en zij vonden hem bij de grote poel

die in Gibeon is.

41:13 Zo gauw nu al het volk

  dat bij Ishmael was

  Johanan zag

  de zoon van Kareah

  en de bevelhebbers van de strijdkrachten

die bij hem waren,

waren ze blij.

41:14 Dus al het volk

dat Ishmael had gevangen genomen uit Mizpah

draaide zich om

  en kwam terug

en ging naar Johanan

de zoon van Kareah.

41:15 Maar Ishmael

  de zoon van Nethaniah

ontkwam van Johanan

met acht mannen

en ging naar de zonen van Ammon.

41:16 Vervolgens,

Johanan de zoon van Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten

die bij hem waren

namen uit Mizpah al het overblijfsel van het volk

  die hij had herkregen van Ishmael

de zoon van Nethaniah,

nadat hij Gedaliah had neergeslagen

de zoon van Ahikam,

dat wil zeggen,

de mannen die soldaten waren,

de vrouwen,

de kinderen,

en de eunuchen,

die hij had teruggebracht van Gibeon.

41:17 En zij gingen

en verbleven in Geruth Chimham,

dat naast Beth-lechem ligt,

om verder te gaan naar Egypte-

41:18 vanwege de Kaldean;

want zij waren bevreesd voor hen,

aangezien Ishmael

de zoon van Nethaniah-

Gedaliah de zoon van Akiham-

had neergeslagen,

die de koning van Babel over het land had benoemd.

Jeremiah 42.

42:1 Vervolgens,

al de bevelhebbers van de strijdkrachten,

Johanan de zoon van Kareah,

Jezaniah de zoon van Hoshaiah,

en al het volk

beide klein en groot naderden

42:2 en zeiden tegen Jeremiah de profeet,

“Alsjeblieft laat onze smeekbede voor u komen,

en bid voor ons tot Maryah uw Aloha,

dat voor al dit overblijfsel is;

omdat wij maar met weinig van de velen zijn overgebleven,

gelijk uw eigen ogen ons nu zien,

42:3 opdat Maryah uw Aloha

ons de weg moge vertellen

in welke we moeten wandelen

en het ding dat wij moeten doen.”

42:4 Toen zei Jeremiah de profeet tegen hen,

“Ik heb u gehoord.

zie!

Ik ga bidden tot Maryah uw Aloha

in overeenstemming met uw woorden;

en ik zal u de hele boodschap vertellen

welke Maryah u zal antwoorden.

Ik zal geen woord voor u achterhouden.”

42:5 Vervolgens,

zij zeiden tegen Jeremiah,

“Moge Maryah een waarachtig en getrouw getuige zijn tegen ons

  als we niet handelen in overeenstemming met de gehele boodschap

waarmee Maryah uw Aloha u naar ons zal zenden.

42:6 “Of het nu aangenaam of onaangenaan is,

we zullen luisteren naar de stem van Maryah onze Aloha

tot wie wij u zenden,

opdat het goed met ons moge gaan

wanneer we luisteren naar de stem van Maryah onze Aloha.”

42:7 Aan het einde nu van tien dagen

  kwam het woord van Maryah tot Jeremiah.

42:8 Toen riep hij om Johanan de zoon van Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten die bij hem waren,

en om al het volk

zowel klein en groot,

42:9 en zei tegen hen,

“Zo zegt Maryah

Aloha van Israël,

tot wie gij mij hebt gezonden

om uw smeekbede voor Hem te presenteren:

42:10 ‘Indien gij inderdaad in dit land zult verblijven,

dan zal Ik u opbouwen en u niet afbreken,

en Ik zal u planten en u niet ontwortelen;

want Ik zal afzien betreffende de rampspoed

die Ik u heb toegebracht.

42:11 ‘Wees niet bevreesd voor de koning van Babel,

die gij nu vreest;

wees niet bevreesd voor hem,’

maakt Maryah bekend,

‘want Ik ben met u om u te redden

en u te verlossen uit zijn hand.

42:12 ‘Ik zal u ook mededogen betonen,

zodat hij mededogen over u zal hebben

en u weder naar uw eigen grond brengt.

42:13 ‘Maar in geval gij gaat zeggen,

“we willen niet in dit land verblijven,”

aldus om niet naar de stem van Maryah uw Aloha te luisteren,

42:14 zeggende,

“Nee,

maar we willen naar het land van Egypte gaan,

alwaar we geen oorlog zullen zien

of het geluid van een bazuin horen

of hongeren naar brood,

en we zullen daar verblijven”;

42:15 luister dan in dat geval naar het woord van Maryah,

O overblijfsel van Judah.

Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Indien gij werkelijk uw gedachten zet om Egypte in te gaan

en in gaat om daar te verblijven,

42:16 het zwaard dan,

waar gij bevreesd voor zijt,

zal u daar in het land van Egypte inhalen;

en de hongersnood,

waarvoor gij angstig zijt,

zal u daar in Egypte nauwgezet achtervolgen,

en gij zult daar sterven.

42:17 “Dus al de mannen

die hun zinnen zetten om naar Egypte te gaan om daar te verblijven

  zullen sterven door het zwaard,

door hongersnood

  en door pestziekte,

en ze zullen geen overlevenden hebben

of vluchtelingen van de rampspoed

die Ik over hun ga brengen.”‘”

42:18 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Zoals Mijn boosheid en toorn zijn uitgestort

over de inwoners van Jeruzalem,

  zo zal Mijn toorn over u uitgestort worden

wanneer gij Egypte binnengaat.

  En gij zult een vloek worden,

een voorwerp van afschuw,

een vervloeking en een verwijt;

en gij zult deze plaats niet meer zien.”

42:19 Maryah heeft tot u gesproken,

O overblijfsel van Judah,

“Ga niet naar Egypte!”

Gij moet duidelijk begrijpen

dat ik heden ten dage tegen u heb getuigd.

42:20 Want gij hebt alleen maar uzelf misleid;

want gij zijt het die mij naar Maryah uw Aloha hebt gezonden,

zeggende,

“bid voor ons tot Maryah onze Aloha;

en al wat Maryah onze Aloha zegt,

  vertel het ons ook,

en wij zullen het doen.”

42:21 Dus heb ik het u vandaag verteld,

  maar gij hebt Maryah uw Aloha niet gehoorzaamd,

zelfs niet in één ding waarvoor Hij mij zond

om het u te vertellen.

42:22 Daarom moet gij nu duidelijk begrijpen

  dat gij zult sterven door het zwaard,

door de hongersnood en door de pestziekte,

in de plaats waarheen gij naar toe wilt gaan

om daar te verblijven.

Jeremiah 43.

43:1 Maar zodra Jeremiah,

-die Maryah- hun Aloha- tot hun had gezonden-,

klaar was om aan al het volk te vertellen

  al de woorden van Maryah hun Aloha

dat wil zeggen,

al deze woorden-

43:2 zeiden Azariah de zoon van Hoshaiah,

en Johanan ben- Kareah,

en al de arrogante mannen tegen Jeremiah,

“Gij vertelt een leugen!

Maryah onze Aloha heeft u niet gezonden om te zeggen,

‘Gij moogt Egypte niet binnengaan om daar te verblijven’;

43:3 maar Baruch

de zoon van Neriah

zet u tegen ons op

om ons over te geven in de hand van de Kaldean,

zodat zij ons ter dood zullen brengen

of ons naar Babel zullen verbannen.”

43:4 Dus Johanan

ben-Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten,

en al het volk,

gehoorzaamden de stem van Maryah niet

om in het land van Judah te verblijven.

43:5 Maar Johanan

ben-Kareah

  en al de bevelhebbers van de strijdkrachten

namen het hele overblijfsel van Judah

die waren teruggekeerd vanuit al de naties

waarnaar zij waren uitgedreven geweest,

  om te verblijven in het land van Judah-

43:6 de mannen,

de vrouwen,

de kinderen,

de dochters van de koning

en elke persoon

  die Nebuzaradan

  de kapitein van de lijfwacht

bij Gedaliah had gelaten

de zoon van Ahikam

en kleinzoon van Shaphan,

samen met Jeremiah de profeet

en Baruch de zoon van Neriah-

43:7 en zij gingen het land van Egypte in

want zij gehoorzaamden de stem van Maryah niet

en gingen in zover als Tahpanhes.

43:8 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah in Tahpanhes,

zeggende,

43:9 “Neem wat grote stenen in uw handen

en verberg ze in de mortel

bij het gemetselde terras

dat bij de ingang van het paleis van de farao in Tahpanhes is,

voor de ogen van sommige van de Joden;

43:10 en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Zie,

Ik ga heen zenden

en Nebuchadnezzar de koning van Babel grijpen,

Mijn dienaar,

en Ik ga zijn troon zetten

  recht boven die stenen die ik verborgen heb;

en hij zal zijn baldakijn over hen ontplooien.

43:11 “Hij zal ook komen om het land van Egypte te treffen;

degenen die tot de dood bestemd zijn

zullen aan de dood worden overgegeven,

en degenen tot gevangenschap

aan gevangenschap,

en degenen tot het zwaard

aan het zwaard.

43:12 “En Ik zal in de tempels van de goden van Egypte een vuur aansteken,

en hij zal hen verbranden en hen gevangen nemen.

Zo zal hij zichzelf omhullen met het land van Egypte

zoals een herder zichzelf omhult met zijn kleed,

en hij zal van daar heengaan in shlama.

43:13 “Hij zal ook de obelisken van Heliopolis verbrijzelen,

wat in het land van Egypte is;

en hij zal de tempels van de goden van Egypte verbranden met vuur.”

Jeremiah 44.

44:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam

voor al de Joden die in het land van Egypte leefden,

degenen die in Migdol leefden,

Tahpanhes,

Memphis,

en het land van Pathros,

zeggende,

44:2 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Gij hebt zelf al de rampspoed gezien

die Ik over Jeruzalem en al de steden van Judah heb gebracht;

en zie,

deze dag liggen ze in puin

en geen mens leeft daarin,

44:3 vanwege hun goddeloosheid

die zij hebben begaan om Mij tot woede te provoceren

door offers te blijven branden

en om andere goden te dienen

die zij niet hadden gekend,

noch zij,

  gij,

noch uw vaders.

44:4 ‘Toch zond Ik u al Mijn dienaars de profeten,

  opnieuw en opnieuw,

zeggende,

“Oh,

doe dit afschuwelijke ding niet die Ik verafschuw.”

44:5 ‘Maar zij luisterden

of neigden hun oren niet

om van hun goddeloosheid af te keren,

om geen offers aan andere goden te verbranden.

44:6 ‘Daarom,

Mijn toorn en Mijn woede werden uitgestort

en brandde in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem,

zo zijn ze een ruïne geworden

en een verlatenheid

  zoals het deze dag is.

44:7 ‘Nu dan – zo zegt Maryah

Aloha van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Waarom doet gij uzelf grote schade aan,

gelijk als – om van u – af te snijden,

man en vrouw – kind en zuigeling,

uit het midden van Judah,

uzelf zonder overblijfsel latende,

44:8 Mij tergende tot woede

met de werken van uw handen,

offers brandende aan andere goden in het land van Egypte,

waar gij binnengekomen zijt om te verblijven,

opdat gij moogt worden afgesneden –

en een vloek-

en een smaad wordt-

onder al de naties van de aarde?

44:9 “Hebt gij de goddeloze werken van uw vaders vergeten,

  de goddeloze werken van de koningen van Judah,

en de goddeloze werken van hun vrouwen,

uw eigen goddeloze werken,

en de goddeloze werken van uw vrouwen,

die zij deden in het land van Judah

en in de straten van Jeruzalem?

44:10 “Maar ze zijn zelfs tot op deze dag niet berouwvol geworden,

  evenmin hebben ze gevreesd

evenmin in Mijn wet of Mijn inzettingen gewandeld,

die Ik heb ingesteld

voor u en voor uw vaders.”‘

44:11 “Daarom,

zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘zie,

Ik ga Mijn aangezicht tegen u stellen tot rampspoed,

en om zelfs heel Judah af te snijden.

44:12 En Ik zal het overblijfsel van Judah wegnemen

die hun gedachten hebben gezet

op het binnengaan van het land van Egypte

om daar te verblijven,

  en zij zullen allen hun einde ontmoeten in het land van Egypte;

zij zullen vallen door het zwaard

en hun einde ontmoeten door hongersnood.

Beide,

klein en groot zal sterven door het zwaard en hongersnood;

en zij zullen een vloek worden,

een voorwerp van verschrikking,

een verwensing en een smaad.

44::13 ‘En Ik zal diegenen straffen

die in het land van Egypte leven,

zoals Ik Jeruzalem gestraft heb,

met het zwaard,

met hongersnood,

en met pestziekte.

44:14 ‘zo dat er geen zullen zijn die ontkomen

of overleven voor het overblijfsel van Judah-

welke het land van Egypte zijn binnengegaan

om daar te verblijven-

en dan terug te keren naar het land van Judah,

waarnaar zij verlangen terug te keren en te leven;

want niet één zal terugkeren

behalve wat vluchtelingen.'”

44:15 Vervolgens,

al de mannen die zich ervan bewust waren

dat hun vrouwen offers brandden aan andere goden,

samen met de vrouwen die erbij stonden,

als een grote vergadering,

met inbegrip van al het volk die in Pathros woonde

in het land van Egypte,

reageerden op Jeremiah,

zeggende,

44:16 “Wat betreft de boodschap

die gij tegen ons hebt gesproken

in de naam van Maryah,

we gaan niet naar u luisteren!

44:17 “Maar eerder zullen wij zeker elk woord uitvoeren

dat uit onze mond is uitgegaan,

door offers aan de koningin van de hemel te verbranden

  en drankoffers aan haar uitgieten,

net zoals wijzelf,

onze voorvaders,

onze koningen en onze prinsen deden

  in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem;

want toen hadden we genoeg te eten

en we waren goed af

en we zagen geen tegenslag.

44:18 Maar sinds we stopten met het branden van offers

aan de koningin van de hemel

  en het uitgieten van drankoffers aan haar,

  ontbrak het ons aan alles

  en hebben ons einde ontmoet

door het zwaard en door hongersnood.”

44:19 “En,”

zeiden de vrouwen,

“Toen wij aan de koninging van de hemel

offers aan het branden waren

en drankoffers aan haar aan het uitgieten waren,

  was het zonder onze echtgenoten-

  dat we voor haar offerkoekjes maakten-

naar haar beeld

en aan haar drankoffers uitgoten?”

44:20 Toen zei Jeremiah tegen al het volk,

tegen de mannen en vrouwen-

zelfs tegen al het volk

die hem zo’n antwoord had gegeven-

zeggende,

44:21 “Wat betreft de rokende offers die gij brandde

in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem,

gij en uw voorvaders,

uw koningen en uw prinsen,

en het volk van het land,

heeft Maryah ze niet herinnert

en is dit alles niet in Zijn geest opgekomen?

44:22 “Zo kon Maryah het niet langer verdragen,

vanwege het kwaad van uw daden,

vanwege de gruwelen die gij hebt begaan;

dus is uw land een puinhoop geworden,

een voorwerp van verschrikking

en een vloek,

zonder één inwoner,

zoals het deze dag is.

44:23 “Omdat gij offers hebt gebrand

en hebt gezondigd tegen Maryah

en de stem van Maryah niet gehoorzaamde-

noch in Zijn wet-

Zijn verordening-

en Zijn getuigenissen wandelde,

daarom is deze rampspoed u overkomen,

zoals het op deze dag is.”

44:24 Vervolgens,

Jeremiah zei tegen al het volk,

inclusief al de vrouwen,

“Hoor het woord van Maryah,

geheel Judah

die in het land van Egypte is,

44:25 zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

als volgt:

‘wat u en uw vrouwen betreft,

gij hebt met uw mond gesproken

  en het vervuld met uw handen,

zeggende,

“We zullen zeker onze geloften nakomen die wij hebben gezworen,

om offers te branden aan de koningin van de hemel

  en drankoffers aan haar schenken.”

Doe maar – en bevestig uw geloften,

en doe zeker uw geloften!’

44:26 “Niettemin,

hoor het woord van Maryah,

geheel Judah die levende zijt in het land van Egypte,

‘Zie,

Ik heb gezworen bij Mijn grote naam,’

zegt Maryah,

‘nooit zal Mijn naam opnieuw worden aangeroepen

  door de mond van een man van Judah

  in heel het land van Egypte,

zeggende,

“Zoals Maryah Aloha leeft.”

44:27 ‘Zie,

Ik waak over hen tot het kwade en niet tot het goede,

en al de mannen van Judah

die in het land van Egypte zijn

zullen hun einde ontmoeten

door het zwaard en door hongersnood

totdat zij helemaal verdwenen zijn.

44:28 ‘Degenen die aan het zwaard ontsnappen

zullen vanuit het land van Egypte

naar het land van Judah terugkeren

weinig in aantal.

Vervolgens,

heel het overblijfsel van Judah

dat naar het land van Egypte is gegaan om daar te verblijven

zal weten wiens woord zal bestaan,

het Mijne of het hunne.

44:29 ‘Dit zal het teken voor u zijn,’

maakt Maryah bekend,

‘Dat Ik u zal straffen in deze plaats,

opdat gij moogt weten

dat Mijn woorden zeker tegen u zullen bestaan ten kwade.’

44:30 “Zo zegt Maryah,

‘Zie,

Ik ga farao Hopra

koning van Egypte

overgeven in de hand van zijn vijanden,

in de hand van degenen die zijn leven zoeken,

net zoals Ik Zedekiah

koning van Judah

in de hand van Nebuchadnezzar gaf

de koning van Babel,

die zijn vijand was en zijn leven zocht.'”

Jeremiah 45.

45:1 Dit is de boodschap

die Jeremiah de profeet sprak

tegen Baruch

de zoon van Neriah,

terwijl hij die woorden

in een boek neerschreef

op Jeremiah zijn aanwijzing,

in het vierde jaar van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

zeggende,

45:2 “Zo zegt Maryah

Aloha van Israël tegen u,

O Baruch:

45:3 ‘Gij zegt,

“Ach,

wee mij!

want Maryah heeft aan mijn smart droefheid toegevoegd;

ik ben afgemat door mijn gekreun

en heb geen rust gevonden.”‘

45:4 “Dus moet gij tegen hem zeggen,

‘zo zegt Maryah,

“Zie,

wat Ik gebouwd heb sta ik op het punt om af te breken,

en wat Ik geplant heb sta ik op het punt om te ontwortelen,

dat is,

het hele land.”

45:5 ‘Maar gij,

zoekt gij grote dingen voor uzelf?

Zoek ze niet,

want zie,

Ik ga rampspoed over alle vlees brengen,’

maakt Maryah bekend,

‘Maar Ik zal u uw leven als buit geven

in al de plaatsen waar gij heen moogt gaan. ‘”

Jeremiah 46.

46:1 Dat wat als het woord van Maryah kwam

tot Jeremiah de profeet

betreffende de naties.

46:2 Aan Egypte,

betreffende het leger van farao Neco

koning van Egypte,

dat bij de de Eufraat Rivier was te Carchemish,

die Nebuchadnezzar

koning van Babel versloeg

in het vierde jaar van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah:

46:3 “Hef beukelaar en schild (sparaka) op,

en trek nabij voor de strijd!

46:4 “Tuig de paarden op,

en bestijg de strijdrossen,

en neem uw plaats in met helmen op!

  Poets de speren op,

  doe de schaalbepantsering aan!

46:5 “Waarom heb Ik het gezien?

Ze zijn doodsbang,

Ze trekken zich terug,

En hun machtige mannen zijn verslagen

En hebben toevlucht gezocht in de vlucht,

Zonder om te kijken;

Verschrikking is aan alle kanten!”

Maakt Maryah bekend.

46:6 Laat de snelle man niet ontvluchten,

Noch de machtige man ontsnappen;

In het noorden naast de rivier Eufraat

Zijn ze gestruikeld en gevallen.

46:7 Wie is deze die opstijgt als de Nijl,

  als de rivieren wiens wateren op en neer deinen?

46:8 Egypte stijgt op als de Nijl;

Zelfs als de rivieren waarvan de wateren op en neer deinen;

  En Hij heeft gezegd,

“Ik zal opstaan en dat land bedekken;

  Ik zal de stad en haar inwoners zeker vernietigen.”

46:9 Steiger,

gij paarden,

en rijd waanzinnig,

gij strijdwagens,

Dat de sterke mannen mogen vooruit marcheren:

Cush en Put,

die het schild hanteren,

En de Ludim,

die de boog hanteren en krommen.

46:10 Want die dag behoort toe aan Maryah Aloha van de heirscharen,

Een dag van wraak,

om Zichzelf te wreken op Zijn vijanden;

En het zwaard zal verslinden en verzadigd worden

en zijn vulling drinken van hun bloed;

Want er zal een slachting zijn voor Maryah Aloha van de heirscharen,

in het land van het noorden bij de rivier Eufraat.

46:11 Ga op naar Gilead en verkrijg balsem,

O maagdelijke dochter van Egypte!

Tevergeefs vermeerdert gij geneesmiddelen ;

Er is geen genezing voor u.

46:12 De naties hebben gehoord van uw schaamte,

En de aarde is vol van uw noodkreet;

Want de ene krijger is over de andere gestruikeld,

En beide van hen zijn tegelijkertijd nedergevallen.

46:13 Dit is de boodschap

die Maryah sprak

tegen Jeremiah de profeet

betreffende de komst van Nebuchadnezzar

koning van Babel

om het land van Egypte te slaan:

46:14 “Maak bekend in Egypte

en verkondigt in Migdol,

Verkondig ook in Memphis

en Tahpanhes;

zeg,

‘Neem uw plaats

en maak uzelf klaar,

Want het zwaard heeft degenen om u heen verslonden.’

46:15 “Waarom zijn uw machtigen ter aarde geworpen?

  Zij staan niet

omdat Maryah hen heeft neergestoten.

46:16 “Ze zijn herhaaldelijk gestruikeld;

Inderdaad,

ze zijn gevallen de één tegen de ander.

Vervolgens zeiden zij,

‘Sta op!

En laat ons teruggaan

Naar ons eigen volk en ons geboorteland

Weg van het zwaard van de onderdrukker.’

46:17 “Daar riepen zij,

Farao koning van Egypte is maar een groot lawaai;

De bestemde tijd heeft hij laten voorbij gaan!’

46:18 “Zoals Ik leef,”

maakt de Koning bekend

Wiens naam is Maryah van de heirscharen,

“Er zal zeker één komen

  die als Tabor opdoemt

tussen de bergen,

Of als de Carmel bij de zee.

46:19 “Maak uw bagage klaar voor verbanning,

O dochter verblijvende in Egypte,

Want Memphis zal een verlatenheid worden;

Het zal zelfs afgebrand

en beroofd worden van inwoners.

46:20 “Egypte is een mooie vaars,

Maar een paardevlieg uit het noorden is komende-

het is komende!

46:21 “Ook haar huurlingen in haar midden

Zijn als gemeste kalveren,

Want ook zij zijn zelfs teruggekeerd en zijn samen weggevlucht;

Ze stonden niet op hun grond.

Want de dag van hun rampspoed is over hen gekomen,

De tijd van hun bestraffing.

46:22 “Het geluid beweegt zich voort als een serpent;

Want als een leger trekken zij verder

En komen naar haar toe als houthakkers met bijlen.

46:23 “Ze hebben haar woud omgehakt,”

maakt Maryah bekend;

“Het zal ongetwijfeld niet meer worden gevonden,

Alhoewel ze nu talrijker dan sprinkhanen zijn

  En ze zonder getal zijn.

46:24 “De dochter van Egypte is te schande gemaakt,

Overgegeven aan de macht van het volk van het noorden.”

46:25 Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

zegt,

“Zie,

Ik ga Amon van Thebes straffen,

en farao,

en Egypte samen met haar goden

en haar koningen,

zelfs farao en degenen die op hem vertrouwen.

46:26 “Ik zal hen overleveren

aan de macht van degenen die hun levens zoeken,

zelfs in de hand van Nebuchadnezzar

  koning van Babel,

en in de hand van zijn ambtenaren.

Daarna,

echter,

zal het worden bewoond zoals in de dagen vanouds,”

maakt Maryah bekend.

46:27 “Maar wat u betreft,

O Jakob Mijn dienaar,

vreest niet,

Zijt evenmin ontzet,

O Israël!

Want,

zie,

Ik ga u redden van verre,

En uw nakomelingen uit het land van hun gevangenschap;

En Jakob zal terugkeren en ongestoord zijn

En veilig,

met niet één die hem doet beven.

46:28 “O Jakob Mijn dienaar,

vrees niet,”

maakt Maryah bekend,

“Want Ik ben met u.

Want Ik zal een volledig einde maken aan al de naties

waarheen Ik u gedreven heb,

Toch zal Ik geen volledig einde maken aan u;

Maar Ik zal u correct terechtwijzen

  En u in geen geval ongestraft laten.”

Jeremiah 47.

47:1 Datgene wat kwam als het woord van Maryah

tot Jeremiah de profeet

betreffende de Filistijnen,

voordat Farao Gaza veroverde.

47:2 Zo zegt Maryah:

“Zie,

wateren zullen opstijgen vanuit het noorden

En een overvloeiende stortvloed worden,

En het land en al haar volheid overvloeien ,

De stad en degenen die daarin leven;

En de mensen zullen het uitschreeuwen,

En elke inwoner van het land zal jammeren.

47:3 “Vanwege het lawaai van de gelopperende hoeven van zijn hengsten,

Het tumult van zijn strijdwagens,

en het gerommel van zijn wielen;

De vaders zijn niet teruggekeerd voor hun kinderen,

Vanwege de slapheid van hun handen,

47:4 Vanwege de dag die komende is

Om al de Filistijnen te vernietigen,

Om af te snijden van Tyre en Sidon

Elke bondgenoot die overblijft;

Want Maryah gaat de Filistijnen vernietigen,

Het overblijfsel van het kustland van Caphtor.

47:5 “Kaalheid is over Gaza gekomen;

Ashkelon is ten val gebracht.

O overblijfsel van hun vallei,

Hoelang zul gij uzelf snijden?

47:6 “Ah,

zwaard van Maryah,

Hoelang zal het nog duren voordat gij stil zijt?

Trek terug in uw schede;

Wees in rust en blijf stil.

47:7 “Hoe kan het stil zijn,

Wanneer Maryah het een bevel heeft gegeven?

Tegen Ashkelon en tegen de zeekust-

daartoe heeft Hij het bestemd.”

Jeremiah 48.

48:1 Betreffende Moab.

  Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Wee aan Nebo,

want het is vernietigd geweest;

Kiriathaim is ten schande gesteld

  het is veroverd geweest;

Het verheven bolwerk is ten schande gesteld

en verbrijzeld.

48:2 “Er is niet langer lof voor Moab,

In Heshbon hebben ze rampspoed tegen haar bedacht:

  ‘Kom en laat ons haar afsnijden van een volk te zijn!’

Ook gij

Madmen,

Zult tot zwijgen worden gebracht;

Het zwaard zal u achtervolgen.

48:3 Het klinken van een verontwaardiging van Horonaim,

‘Verwoesting en grote vernieling!’

48:4 Moab is gebroken,

Haar kleintjes hebben een kreet-van-nood geslagen.

48:5 Want bij de beklimming van Luhith

zullen ze opklimmen met aanhoudend geween;

Want bij de afdaling van Horonaim

hebben ze de gekwelde kreet van vernietiging gehoord.

48:6 “Vlucht,

red uw levens,

dat gij zoals een tamarisk moogt zijn in de woestijn.

48:7 “Want vanwege uw vertrouwen in uw eigen prestaties en schatten,

Zult gijzelf zelfs gevangen genomen worden;

En Chemosh zal in ballingschap gaan

Tezamen met zijn priesters en zijn prinsen.

48:8 “Een verwoester zal komen naar elke stad,

Zodat geen stad zal ontsnappen;

Het dal zal ook worden verwoest

En de winderige vlakte zal worden vernietigd,

Zoals Maryah heeft gezegd.

48:9 “Geef vleugels aan Moab,

Want zij zal wegvluchten;

  En haar steden zullen een troosteloosheid worden,

Zonder één om daarin te wonen.

48:10 “Vervloekt zij degene die het werk van Maryah achteloos doet,

En vervloekt zij degene die zijn zwaard van het bloed weerhoudt.

48:11 “Moab is gerust geweest sinds zijn jeugd;

Hij is ook ongestoord geweest,

Zoals wijn op zijn droesem,

En hij is niet geleegd geweest van vat tot vat,

Noch is hij in ballingschap gegaan.

Daarom behoudt hij zijn smaak,

En zijn geur is niet veranderd.

48:12 “Daarom zie,

de dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“wanneer Ik degenen tot hem zal zenden die vaten om-kantelen,

  en zij zullen hem om-kantelen,

  en zij zullen zijn vaten ledigen

en zijn kruiken verbrijzelen.

48:13 “En Moab zal zich schamen over Chemosh,

zoals het huis van Israël zich schaamde over Beth-el,

hun vertrouwen.

48:14 “Hoe kunt gij zeggen,

‘We zijn machtige krijgsmannen,

En moedig tot de strijd’?

48:15 “Moab is verwoest geworden

en mannen zijn opgegaan naar zijn steden;

Zijn beste jonge mannen zijn ook afgedaald tot de slachting,”

Maakt de Koning bekend,

wiens naam is Maryah van de heirscharen.

48:16 “De ramp van Moab zal spoedig komen,

En zijn rampspoed heeft zich snel verhaast.

48:17 “Rouw over hem,

gij allen die rondom hem leeft,

Zelfs allen van u die zijn naam kent;

Zegt,

‘Hoe is de machtige scepter gebroken geworden,

Een staf van praal!’

48:18 “Kom van uw heerlijkheid af

En zit op de uitgedroogde grond,

O dochter die in Dibon woont,

Want de verwoester van Moab is tegen u opgekomen,

Hij heeft uw bolwerken verwoest.

48:19 “Sta bij de weg en houd de wacht,

O bewoonster van Aroer;

Vraagt hem die vlucht en haar die ontsnapt

En zeg,

‘Wat is er gebeurd?’

48:20 “Moab is te schande gemaakt,

want het is verbrijzeld.

Jammert en schreeuwt het uit;

Maak het bekend bij de Arnon

dat Moab verwoest is geworden.

48:21 “Het oordeel is ook over de vlakte gekomen,

over Holon,

en over Jahzah

en over Mephaath,

48:22 over Dibon,

Nebo en Beth-diblathaim,

48:23 over Kiriathaim,

Beth-gamul en Beth-meon

48:24 over Kerioth,

Bozrah en al de steden van het land van Moab,

verre en nabij.

48:25 “De hoorn van Moab is afgesneden

en zijn arm verbroken,”

maakt Maryah bekend.

48:26 “Maak hem dronken,

want hij is arrogant geworden jegens Maryah;

dus zal Moab zich wentelen in zijn braaksel,

en hij zal ook een mikpunt van spot worden.

48:27 “Was Israël nu geen mikpunt van spot tot u?

Of was hij gevangen onder de dieven?

Want elke keer dat gij spreekt over hem

schudt gij uw hoofd in minachting.

48:28 “Verlaat de steden

en woon onder de rotsen,

O inwoners van Moab,

En wees zoals een duif die nestelt

in de mond van de rotsspleet.

48:29 “We hebben gehoord van de hoogmoed van Moab

-hij is zeer trots-

Van zijn hooghartigheid,

  zijn hoogmoed,

  zijn arrogantie

en zijn zelfverheffing.

48:30 “Ik ken zijn woede,”

maakt Maryah bekend,

“Maar het is zinloos;

Zijn ijdele opschepperij heeft niets bereikt.

48:31 “Daarom zal Ik om Moab jammeren,

Zelfs om heel Moab zal Ik het uitschreeuwen:

om de mannen van Kir-heres zal Ik zuchten.

48:32 “Meer dan het geween om Jazer

zal Ik om u wenen,

O wijnstok van Sibmah!

Uw ranken strekten zich uit over de zee,

Ze bereikten de zee van Jazer;

Op uw zomervruchten en uw druivenoogst

is de verwoester gevallen.

48:33 “Zo worden blijheid en vreugde weggenomen

Vanuit het vruchtbare veld,

zelfs vanuit het land van Moab.

En Ik heb de wijn doen ophouden vanuit de wijnpersen;

Niet één zal hen met geschreeuw treden,

Het geschreeuw zal geen geschreeuw van vreugde zijn.

48:34 “Vanwege het geschreeuw te Heshbon

zelfs tot aan Elealeh,

zelfs tot aan Jahaz

hebben zij hun stem verheven,

van Zoar zelfs tot aan Horonaim

en tot aan Eglath-shelishiyah;

want zelfs de wateren van Nimrim zullen verwoest worden.

48:35 “Ik zal een eind maken in Moab,”

maakt Maryah bekend,

“Aan degene die offers brengt op de hoge plaatsen

en aan degene die wierook brandt aan zijn goden.

48:36 “Daarom kermt Mijn hart voor Moab gelijk pijpen;

Mijn hart kermt ook gelijk pijpen voor de mannen van Kir-heres.

Daarom is de overvloed

welke het heeft gekregen

verloren gegaan.

48:37 “Want elke kop is kaal

en elke baard is kortgeknipt;

er zijn snijwonden op alle handen

en een rouwgewaad op de lendenen.

48:38 “Op alle daken van Moab

en in haar straten

is er overal geweeklaag;

want Ik heb Moab verbroken

als een ongewenst vat,”

maakt Maryah bekend.

48:39 “Hoe verbrijzeld is het!

Hoe hebben ze gehuild!

Hoe heeft Moab de rug afgekeerd

  -het schaamt zich!-

Zo zal Moab een mikpunt van spot worden

en een voorwerp van verschrikking

aan allen om haar heen.”

48:40 Want zo zegt Maryah:

“Zie,

men zal snel vliegen als een adelaar

en zijn vleugels uitspreiden tegen Moab.

48:41 “Kerioth is gevangen genomen

En de bolwerken zijn in beslag genomen,

Zo zullen de harten zijn

van de machtige mannen van Moab

-op die dag-

zoals het hart van een vrouw in barensweeën.

48:42 “Moab zal worden te-niet-gedaan

  als een volk zijnde

Omdat hij arrogant is geworden tegenover Maryah.

48:43 “Verschrikking,

kuil en strik komen over u,

O inwoner van Moab,”

maakt Maryah bekend.

48:44 “Degene die vlucht voor de verschrikking

Zal in de kuil vallen,

  En degene die omhoog klimt uit de kuil

  Zal in de strik worden gevangen;

Want Ik zal over haar brengen,

zelfs over Moab,

Het jaar van hun straf,”

maakt Maryah bekend.

48:45 ‘In de schaduw van Heshbon

De vluchtelingen staan zonder kracht;

  Want een vuur is uitgegaan van Heshbon

  En een vlam vanuit het midden van Sihon,

En het heeft het voorhoofd van Moab verteerd

En de hoofdhuid van de losbandige feestgangers.

48:46 “Wee aan u,

Moab!

Het volk van Chemosh is omgekomen;

Want uw zonen zijn gevangen weggenomen

  En uw dochters tot gevangenschap.

48:47 “Toch zal Ik het lot van Moab herstellen

In de laatste dagen,”

maakt Maryah bekend.

Tot zover het oordeel over Moab.

Jeremiah 49.

49:1 Betreffende de zonen van Ammon.

Zo zegt Maryah:

“Heeft Israël geen zonen?

Of heeft hij geen erfgenamen?

Waarom dan heeft Malcam bezit genomen van Gad

En vestigde zijn volk zich in de steden daarvan?

49:2 “Daarom zie,

de dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“Dat Ik een trompetgeschal van oorlog zal laten horen

Tegen Rabbah van de zonen van Ammon;

En het zal een troosteloze hoop worden,

En haar steden zullen in brand worden gezet.

Dan zal Israël bezit nemen van zijn bezitters,”

zegt Maryah.

49:3 “Jammert,

O Heshbon,

want Ai is verwoest geworden!

Schreeuwt het uit,

O dochters van Rabbah,

Omgord uzelf met rouwgewaad en weeklaagt,

En ren heen en weer binnen de muren;

Want Malcam zal in ballingschap gaan

Samen met zijn priesters en zijn prinsen.

49:4 “Hoe opschepperig zijt gij over de valleien!

Uw vallei stroomt weg,

O afvallige dochter

Die vertrouwt op haar schatten,

zeggende,

‘Wie zal tegen mij komen?’

49:5 “Zie,

Ik ga verschrikking over u brengen,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend,

“Vanuit alle richtingen om u heen;

En elk van u zal halsoverkop verdreven worden,

Met niet één om de vluchtelingen bij elkaar te brengen.

49:6 “Maar daarna zal Ik herstellen

  Het lot van de zonen van Ammon,”

  maakt Maryah bekend.

49:7 Betreffende Edom.

Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Is er niet langer enige wijsheid in Teman?

Is goede raad van de verstandige verloren gegaan?

Is hun wijsheid vergaan?

49:8 “Vlucht weg,

keert terug,

woont in de diepten,

O inwoners van Dedan,

Want Ik zal de rampspoed van Esau over hem brengen

  Terwijl ik hem bestraf.

49:9 “Wanneer er druivenplukkers naar u toe kwamen,

Zouden zij dan niet wat na-pluk achterlaten?

Wanneer er dieven ’s nachts kwamen,

ze zouden slechts vernietigen

totdat ze genoeg hadden.

49:10 “Maar Ik heb Esau ontbloot,

Ik heb zijn schuilplaatsen blootgelegd

Zodat hij niet in staat zal zijn om zich te verbergen;

Zijn nakomelingen zijn samen met zijn familie vernietigd

en zijn geburen,

en hij is niet meer.”

49:11 “Laat uw vaderloze kinderen achter,

Ik zal ze in leven houden,

en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.”

49:12 Want zo zegt Maryah,

“Zie!

degenen die niet zijn veroordeeld tot het drinken van de beker

zullen die zeker drinken,

en zijt gij degene die volledig zult worden vrijgesproken?

gij zult niet worden vrijgesproken,

maar gij zult die zeker drinken.

49:13 “Want Ik heb gezworen bij Mijzelf,”

maakt Maryah bekend,

“Dat Bozrah een voorwerp van afschuw zal worden,

een schande,

  een puinhoop en een vloek;

en al haar steden zullen eeuwigdurende puinhopen worden.”

49:14 Ik heb een boodschap gehoord van Maryah,

En een afgezant wordt onder de naties gezonden,

zeggende,

“Verzamelt uzelf

en komt tegen haar tezamen,

En sta op voor de strijd!”

49:15 “Want zie,

Ik heb u onder de naties klein gemaakt ,

Onder mensen veracht.

49:16 “Wat de verschrikking van u betreft,

De arrogantie van uw hart heeft u bedrogen,

O gij die woont in de kloven van de rots,

Die de hoogte van de heuvel bezet.

Hoewel gij uw nest zo hoog als een adelaar maakt,

  Zal Ik u vandaar naar beneden halen,”

maakt Maryah bekend.

49:17 “Edom zal een voorwerp van afschuw worden;

iedereen die er langs loopt

  zal met afschuw vervuld worden

  en zal fluiten over al haar wonden.

49:18 “Gelijk de omverwerping van Sodom en Gommorah met haar buren,”

zegt Maryah,

“Zal daarin niet één wonen,

noch zal een zoon van mensen daarin verblijven.

49:19 “Zie,

één zal opkomen zoals een leeuw uit de bosjes van de Jordaan

tegen een eeuwig bewaterde weide;

want in een oogwenk zal Ik hem ervan doen wegrennen,

en wie ook uitverkoren is zal Ik erover benoemen.

  Want wie is als MIj,

en wie zal Mij voor de rechter dagen?

En wie is dan die herder die tegen Mij kan opstaan?”

49:20 Daarom,

hoort het plan van Maryah

die Hij heeft gepland tegen Edom,

en Zijn voornemens

die Hij heeft voorgenomen tegen de inwoners van Teman:

ze zullen ze zeker wegslepen,

zelfs de geringsten van de kudde;

Hij zal hun weide zeker verlaten maken vanwege hun.

49:21 De aarde beefde bij het geluid van hun ondergang.

Daar is een geschreeuw!

Het geluid ervan is gehoord geweest aan de Rode Zee.

49:22 Zie,

Hij zal opklimmen

  en naar beneden duiken als een adelaar

  en Zijn vleugels uitspreiden tegen Bozrah;

en de harten van de machtige mannen van Edom

zullen op die dag zijn als het hart van een vrouw in barensweeën.

49:23 Betreffende Damascus.

“Hamath en Arpad zijn tot schande gemaakt,

Want ze hebben slecht nieuws gehoord;

Ze zijn ontmoedigd.

Er is benauwdheid bij de zee;

Het kan niet gekalmeerd worden.

49:24 “Damascus is hulpeloos geworden;

Zij heeft zich afgewend om te vluchten,

En paniek heeft haar gegrepen;

Nood en benauwdheid hebben haar in de greep gehouden

  Als een vrouw in de bevalling.

49:25 “Hoe is de stad van lof niet verlaten geweest,

  De stad van Mijn vreugde!

49:26 “Daarom,

haar jonge mannen zullen in haar straten vallen,

En alle krijgslieden zullen op die dag tot zwijgen worden gebracht,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.

49:27 “Ik zal aan de muur van Damascus een vuur aansteken,

En dit zal de versterkte torens van Ben-Hadad verteren.”

49:28 Betreffende Kedar en de koninkrijken van Hazor,

welke Nebuchadnezzar koning van Babel versloeg.

Zo zegt Maryah,

“Sta op,

ga op naar Kedar

En verwoest de mannen van het oosten.

49:29 “Zij zullen hun tenten en hun kudden wegnemen;

Zij zullen wegdragen voor henzelf

Hun tentgordijnen,

al hun goederen

en hun kamelen,

En zij zullen elkaar toeroepen

‘Verschrikking aan alle kanten!’

49:30 “Ren weg,

vlucht!

Woont in de diepten,

O inwoners van Hazor,”

maakt Maryah bekend:

“Want Nebuchadnezzar

koning van Babel

heeft een plan tegen u gemaakt

En bedacht een voornemen tegen u.

49:31 “Sta op,

ga op tegen een volk die op zijn gemak is,

  Die veilig leeft,”

  maakt Maryah bekend.

Het heeft geen poorten of grendels;

Ze wonen alleen.

49:32 “Hun kamelen zullen geroofd worden,

En hun vele vee zal tot buit zijn,

  En Ik zal degenen die de hoeken van hun haar knippen verstrooien

naar al de winden;

En Ik zal hun van alle kanten rampspoed brengen ,”

maakt Maryah bekend.

49:33 “Hazor zal een hol van jakhalzen worden,

Een verlatenheid voor altijd;

Niet één zal daar wonen,

Noch zal er een zoon van mensen in wonen.”

49:34 Hetgeen die kwam als het woord van Maryah

tot Jeremiah de profeet

betreffende Elam,

aan het begin van de heerschappij van Zedekiah

koning van Judah,

zeggende:

49:35 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Zie,

Ik ga de boog van Elam breken,

De beste van hun (strijd) macht.

49:36 ‘Ik zal over Elam de vier winden brengen

Vanuit de vier uiteinden van de hemel,

En Ik zal hen verstrooien naar al deze winden;

En er zal geen volk zijn

  waarnaar de verstrooiden van Elam niet zullen gaan.

49:37 ‘Zo zal Ik Elam verbrijzelen voor hun vijanden

En voor degenen die hun leven zoeken;

En Ik zal rampspoed over hen brengen,

Zelfs Mijn felle toorn,’

maakt Maryah bekend,

‘En Ik zal het zwaard achter hun uitzenden

Totdat Ik hen verteerd heb.

49:38 ‘Vervolgens,

Ik zal Mijn troon in Elam plaatsen

En koning en prinsen van daar vernietigen,’

maakt Maryah bekend.

49:39 ‘Maar het zal komen

zowat in de laatste dagen

Dat Ik het lot van Elam zal herstellen,'”

maakt Maryah bekend.

Jeremiah 50.

50:1 Het woord dat Maryah sprak betreffende Babel,

het land van de Kaldean,

door Jeremiah de profeet:

50:2 “Maak bekend en verkondigt onder de naties.

Verkondig het en hef een vaandel op.

Verberg het niet maar zeg,

‘Babel is gevangen genomen,

Bel is te schande gemaakt,

Marduk is verbrijzeld geworden;

Haar beelden zijn te schande gemaakt,

haar afgoden zijn verbrijzeld geworden.’

50:3 “Want een volk is tegen haar opgekomen vanuit het noorden;

het zal haar land een voorwerp van afschuw maken,

en er zal geen inwoner daarin zijn.

Beide,

mens en beest zwerven (vandaar) uit,

ze zijn weggegaan!

50:4 “In die dagen en op dat moment,”

maakt Maryah bekend,

“De zonen van Israël zullen komen,

zowel – zij – als – ook de zonen van Judah;

zij zullen tezamen- huilend – gaan – wanneer ze gaan,

en het zal Maryah zijn

hun Aloha

die zij zullen zoeken.

50:5 “Ze zullen om de weg naar Zion vragen,

hun aangezichten in haar richting draaien;

ze zullen komen

op dat ze zich mogen aansluiten bij Maryah

in een eeuwigdurend verbond

dat niet vergeten zal worden.

50:6 “Mijn volk is als verloren schapen geworden;

  Hun herders hebben hun op een dwaalspoor gebracht.

  Ze hebben hen op de bergen doen afwijken;

Ze zijn van berg tot heuvel verder gegaan,

En hebben hun rustplaats vergeten.

50:7 “Allen die bij hun zijn gekomen hebben hun verslonden;

  En hun tegenstanders hebben gezegd,

‘We zijn niet schuldig,

daar zij gezondigd hebben tegen Maryah

  die de woning van gerechtigheid is,

Zelfs Maryah,

de hoop van hun vaders.’

50:8 “Trek weg uit het midden van Babel

En ga voort uit het land van de Kaldean;

Wees ook als mannelijke geiten aan het hoofd van de kudde.

50:9 “Want zie,

Een horde van grote volken

uit het land van het noorden

ga Ik opwekken

en opbrengen tegen Babel,

En zij zullen hun gevechtslinies tegen haar optrekken;

Van daaruit zal zij gevangengenomen worden.

Hun pijlen zullen zijn als van een bedreven krijger-

Niet één zal tevergeefs terugkeren.

50:10 “Chaldea zal een plundering worden;

Allen die haar plunderen zullen genoeg hebben,”

maakt Maryah bekend.

50:11 “Omdat gij blij zijt,

Omdat gij jubelend zijt,

O gij die Mijn erfenis plundert,

  Omdat gij in ’t rond springt

gelijk een vaars in het weiland

En gelijk snuivende hengsten,

50:12 Uw moeder zal zeer beschaamd zijn,

Zij die u geboorte gaf zal vernederd worden.

Zie,

zij zal de geringste van de naties worden,

Een wildernis,

een verdord land

en een woestijn.

50:13 “Vanwege de verontwaardiging van Maryah

zal zij niet bewoond worden,

Maar zij zal compleet verlaten zijn;

Iedereen die Babel voorbij trekt zal geschokt zijn

en zal haar uitfluiten vanwege alle kwetsuren.

50:14 “Trek van alle kanten uw gevechtslinies op tegen Babel;

  Gij allen die de boog spant;

Shiet naar haar,

Wees niet spaarzaam met uw pijlen,

Want zij heeft gezondigd tegen Maryah.

50:15 “Verhef van alle kanten uw strijdkreet tegen haar!

Zij heeft zichzelf overgegeven,

haar steunpilaren zijn gevallen,

Haar muren zijn afgebroken.

Want dit is de wraak van Maryah:

Neemt wraak op haar;

Gelijk zij aan anderen heeft gedaan,

doe zo aan haar.

50:16 “Snijd de zaaier af van Babel

En degene die de sikkel hanteert ten tijde van de oogst;

Vanwege het zwaard van de onderdrukker

Zullen ze terugkeren

ieder naar zijn eigen volk

  En zullen ze vluchten

ieder naar zijn eigen land.

50:17 “Israël is een verstrooide kudde,

de leeuwen hebben hen verdreven.

  De eerste die hem verslond

  was de koning van Assyria,

  en deze die zijn botten heeft gebroken

als laatste

is Nebuchadnezzar

koning van Babel.

50:18 “Daarom dus zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël:

‘Zie,

Ik ga de koning van Babel en zijn land straffen,

gelijk als Ik de koning van Assyria heb gestraft.

50:19 ‘En Ik zal Israël terugbrengen naar zijn weide

en hij zal laten grazen op Carmel en Bashan,

en zijn verlangen zal bevredigd worden

in het heuvelland van Ephraim en Gilead.

50:20 ‘In die dagen en op dat moment,’

maakt Maryah bekend,

‘Er zal onderzoek worden gemaakt

naar de ongerechtigheid van Israël,

maar er zal er geen zijn;

  en naar de zonden van Judah,

  maar ze zullen niet worden gevonden;

  want Ik zal degenen die Ik als overblijfsel overlaat vergiffenis schenken.’

50:21 “Trek op tegen het land van Merathaim,

zelfs tegen haar,

en tegen de inwoners van Pekod.

Dood en vernietig ze volkomen,’

maakt Maryah bekend,

“En doe volgens alles wat Ik u geboden heb.

50:22 “Het geluid van de strijd is in het land,

En grote vernietiging.

50:23 “Hoe is de hamer van de hele aarde

Afgesneden en verbroken geweest!

Hoe is Babel geworden

Tot een voorwerp van afschuw onder de naties!

50:24 “Ik legde een strik voor u

en gij werd ook gevangen,

O Babel,

Terwijl gij zelf niet bewust waart;

Gij zijt gevonden geworden en ook gegrepen

  Omdat gij in een conflict verwikkeld zijt met Maryah.”

50:25 Maryah heeft Zijn wapenkamer geopend

En heeft de wapens van Zijn verbolgenheid voortgebracht,

Want het is een werk van Maryah Aloha van de heirscharen

  in het land van de Kaldean.

50:26 Kom naar haar toe van de verste grens;

Open haar schuren,

Stapel haar op als hopen

En vernietig haar geheel en al,

Laat niets aan haar worden overgelaten.

50:27 Steek al haar jonge stieren aan het zwaard;

  Laat hen ter slachting afgaan!

  Wee is over hen,

Want hun dag is gekomen,

De tijd van hun bestraffing.

50:28 Er is een geluid van gevluchten en ontsnapten

uit het land van Babel,

Om in Zion de wraak van Maryah onze Aloha te verkondigen,

Wraakneming om Zijn tempel.

50:29 “Roep velen op tegen Babel,

Al degenen die de boog krommen;

Kampeer tegen haar aan alle kanten,

Laat er geen ontsnapping zijn.

Compenseer haar volgens haar werk:

Volgens alles wat ze heeft gedaan,

doe zo aan haar;

  Want zij is arrogant geworden tegen Maryah,

  Tegen de heilige van Israël.

50:30 “Dat is (de reden) waarom-

haar jonge mannen zullen vallen

in haar straten,

En al haar mannen van de oorlog

zullen op die dag het zwijgen worden opgelegd,

  maakt Maryah bekend.

50:31 “Zie,

Ik ben tegen u,

O gij meest arrogante,”

maakt Maryah Aloha van de heirscharen bekend,

“Want uw dag is gekomen,

Het moment waarop Ik u zal straffen.

50:32 “De meest arrogante zal struikelen en vallen

Met niet één om hem te doen opstaan;

En Ik zal vuur ontsteken in zijn steden

En het zal heel zijn omgeving verteren.”

50:33 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“De zonen van Israël zijn verdrukt,

En ook de zonen van Judah;

En allen die hen gevangen namen hielden hen vast,

Ze hebben geweigerd om hen te laten gaan.

50:34 “Hun Verlosser is sterk,

Maryah van de heirscharen is Zijn naam;

Hij zal hun zaak krachtig bepleiten-

  Opdat Hij rust moge brengen op de aarde,

Maar onrust aan de inwoners van Babel.

50:35 “Een zwaard tegen de kaldean,”

maakt Maryah bekend,

“En tegen de inwoners van Babel

En tegen haar ambtenaren en haar wijze mannen!

50:36 “Een zwaard tegen de orakel priesters,

en zij zullen dwazen worden!

Een zwaard tegen haar machtige mannen,

en zij zullen vermorzeld worden!

50:37 “Een zwaard tegen hun paarden

en tegen hun strijdwagens

En tegen al de buitenlanders

die in het midden van haar zijn,

En zij zullen vrouwen worden!

Een zwaard tegen haar schatten,

en ze zullen geplunderd worden!

50:38 “Een droogte op haar wateren,

en zij zullen verdord worden!

Want het is een land van afgoden,

En ze zijn gek op angstaanjagende afgoden.

50:39 “Daarom zullen de woestijnwezens-

daar samen met de jakhalzen leven;

Ook de struisvogels zullen er in leven,

En het zal niet meer bewoond worden-

  Of bewoond van geslacht tot geslacht.

50:40 “Gelijk Aloha Sodom ten val bracht-

En Gomorrah met haar naburige steden,”

maakt Maryah bekend,

“Zo zal geen mens daar leven,

Noch zal een zoon van mensen erin verblijven.

50:41 “Ziet,

een volk komt vanuit het noorden,

En een grote natie –

en vele koningen –

zullen worden gewekt

vanuit de verst afgelegen delen van de aarde.

50:42 “Ze grijpen hun boog en werpspeer;

Ze zijn wreed en hebben geen genade.

Hun stem brult als de zee;

En ze rijden op paarden,

Als één man opgesteld tot de strijd

  Tegen u,

O dochter van Babel.

50:43 “De koning van Babel heeft het gerucht over hun gehoord;

En zijn handen hangen slap;

Angst heeft hem aangegrepen,

Ondraaglijke pijn als van een barende vrouw.

50:44 “Ziet,

één zal opkomen als een leeuw

uit het struikgewas van de Jordaan

naar een meerjarig bewaterd weiland;

want in een oogwenk zal Ik hen ervan doen wegrennen,

en wie ook is gekozen zal Ik erover aanstellen.

Want wie is gelijk Mij,

en wie zal Mij voor de rechtbank dagen?

En wie dan is de herder die voor Mij kan staan?”

50:45 Daarom,

hoort het plan van Maryah

die Hij tegen Babel heeft gepland

  en Zijn bedoelingen

die Hij tegen het land van de Kaldean heeft voorgenomen:

  ze zullen hen ongetwijfeld wegslepen,

zelfs de kleintjes van de kudde;

  Hij zal hun weiland ongetwijfeld verlaten maken vanwege hen.

50:46 Bij de schreeuw,

“Babel wordt in bezit genomen!”

de aarde wordt geschud

en een geschreeuw wordt gehoord onder de volken.

  Jeremiah 51. 

51:1 Zo zegt Maryah:

“Ziet,

Ik ga opwekken tegen Babel

En tegen de inwoners van Leb-kamai-

  De geest van een verwoester.

51:2 “Ik zal vreemdelingen naar Babel sturen

opdat zij haar mogen wannen

  En haar land mogen verwoesten;

Want van alle kanten zullen zij zich tegen haar verzetten

op de dag van haar rampspoed.

51:3 “Laat hij die zijn boog spant

hem niet spannen,

Laat hem evenmin opstaan in zijn schubben-bepantsering;

Dus spaar haar jonge mannen niet;

Geef haar hele leger over aan vernietiging.

51:4 “Ze zullen neervallen gedood in het land van de Kaldean,

  En doorstoken op hun straten.”

51:5 Want noch Israël noch Judah is verlaten geworden

Door zijn Aloha,

Maryah van de heirscharen,

Hoewel hun land vol van schuld is

Vóór de Heilige Ene van Israël.

51:6 Vlucht uit het midden van Babel,

En ieder van u red zijn leven!

Wordt niet vernietigd in haar bestraffing,

Want het is Maryah’s tijd van wraakneming;

Hij gaat aan haar vergelding geven.

51:7 Babel is een gouden beker in de hand van Maryah geweest,

  Die de hele aarde bedwelmde.

De volken hebben van haar wijn gedronken;

Daarom zijn de volken waanzinnig geworden.

51:8 Babel is plotseling gevallen en verwoest geworden;

Jammert om haar!

Brengt balsem voor haar pijn;

Misschien kan ze genezen worden.

51:9 We brachten genezing naar Babel,

maar ze werd niet genezen;

Verlaat haar en laat ons elk naar zijn eigen land gaan,

Want haar oordeel heeft de hemel bereikt

En torent hoog op naar de hemel.

51:10 Maryah heeft onze rechtvaardiging teweeggebracht;

Kom en laat ons in Zion verhalen

Het werk van Maryah onze Aloha!

51:11 Punt de pijlen aan,

vult de pijlkokers!

Maryah heeft de geest van de koningen der Meden opgewekt,

  Omdat Zijn voornemen tegen Babel is om het te vernietigen;

  Want het is de wraakneming van Maryah,

de wraakneming voor Zijn tempel.

51:12 Verhef een signaal tegen de muren van Babel;

Plaats een sterke bewaker,

Stationeer schildwachten,

zet mannen in een hinderlaag!

Want Maryah heeft zowel voorgenomen als uitgevoerd

Wat Hij gesproken heeft betreffende de bewoners van Babel.

51:13 O gij die woont bij vele wateren,

Overvloedig in schatten,

Uw einde is gekomen,

De maat van uw begeerte.

51:14 Maryah van de heirscharen heeft bij Zichzelf gezworen:

“Ik zal u zeker vullen met een bevolking gelijk sprinkhanen,

En zij zullen het uit schreeuwen met kreten van overwinning over u heen.”

51:15 Het is Hij die de aarde maakte door Zijn kracht,

Die de wereld vestigde door Zijn wijsheid,

En door Zijn begrip

Strekte Hij de hemelen uit.

51:16 Wanneer Hij zijn stem doet horen,

is er een tumult van wateren aan de hemelen,

En Hij doet de nevels opstijgen van het einde van de aarde;

Hij maakt bliksem ten tijde van de regen

En brengt de wind voort uit Zijn pakhuizen.

51:17 De hele mensheid is onnozel,

verstoken van kennis;

Elke goudsmid wordt ten schande gesteld door zijn afgoden,

Want zijn gesmolten beelden zijn bedrieglijk,

En er is geen adem in hen.

51:18 Ze zijn waardeloos,

een werk van spotternij;

Ten tijde van hun bestraffing zullen zij vergaan.

51:19 Het deel van Jacob is niet zoals deze;

Want de Vormer van alles is Hij,

En (Israël) is de stam van Zijn erfdeel;

Maryah van de heirscharen is Zijn naam.

51:20 Hij zegt,

“Gij zijt Mijn strijd-knots,

Mijn strijd-wapen;

En met u verbrijzel Ik volken,

En met u vernietig Ik koninkrijken.

51:21 “Met u verbrijzel Ik het paard en zijn berijder,

En met u verbrijzel Ik de strijdwagen en zijn berijder,

51:22 En met u verbrijzel ik man en vrouw,

En met u verbrijzel Ik de oude man en de jeugdige,

En met u verbrijzel Ik de jongeling en de maagd,

51:23 En met u verbrijzel Ik de herder en zijn kudde,

En met u verbrijzel Ik de landman en zijn span,

En met u verbrijzel Ik landvoogden en prefecten.

51:24 “Maar Ik zal Babel

en al de inwoners van Chaldea

vergoeden voor al hun kwaad

dat ze in Zion

voor uw ogen hebben gedaan,”

maakt Maryah bekend.

51:25 “Zie,

Ik ben tegen u,

O vernietigende berg,

Die de hele aarde vernietigt,”

maakt Maryah bekend,

“En Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken,

En u van de steile rotsen naar beneden rollen,

En Ik zal u tot een afgebrande berg maken.

51:26 “Ze zullen uit u zelfs geen steen voor een hoek wegnemen

evenmin een steen voor fundamenten,

Maar gij zult voor eeuwig troosteloos zijn,”

maakt Maryah bekend.

51:27 Zet een teken op in het land,

Blaast een bazuin onder de naties!

Heiligt de naties tegen haar,

Roep de koninkrijken van Ararat tegen haar bijeen,

Minni en Ashkenaz;

Stel een maarschalk aan tegen haar,

Breng de paarden opwaarts gelijk borstelige sprinkhanen.

51:28 Heiligt de naties tegen haar,

De koningen van de Meden,

Hun landvoogden en al hun prefecten,

En elk land van hun heerschappij.

51:29 Zo siddert en kronkelt zich het land,

Want de voornemens van Maryah

staan vast tegen Babel,

Om het land van Babel te maken

  Tot een verlatenheid zonder inwoners.

51:30 De machtige mannen van Babel hebben het vechten gestaakt,

Ze blijven in hun bolwerken;

Hun kracht is uitgeput,

Ze zijn als vrouwen geworden;

Hun woonplaatsen worden in vuur en vlam gezet,

De tralies van haar poorten zijn verbroken.

51:31 Een koerier rent om een andere te ontmoeten,

En een boodschapper om een andere te ontmoeten,

Om de koning van Babel te vertellen

Dat zijn stad van punt tot punt veroverd is geweest;

51:32 De doorwaadbare plaatsen zijn ook in bezit genomen,

En ze hebben de draslanden met vuur verbrand,

En de krijgslieden zijn doodsbang.

51:33 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël:

“De dochter van Babel is als een dorsvloer

Op het moment dat zij stevig vertreden wordt,

Toch zal over een korte tijd de oogsttijd voor haar komen.”

51:34 “Nebuchadnezzar

koning van Babel

heeft mij verslonden

en mij verpletterd,

Hij heeft mij neergezet als een leeg vat;

Hij heeft mij doorgeslikt als een monster,

Hij heeft zijn muil gevuld met mijn delicatessen;

Hij heeft mij weggespoeld.

51:35 “Moge het geweld

(dat) aan mij en aan mijn vlees (is) aangedaan

  op Babel zijn,”

Zal de inwoner van Zion zeggen;

En,

“Moge mijn bloed op de inwoners van Chaldea zijn,”

Zal Jeruzalem zeggen.

51:36 Daarom dus zegt Maryah,

“Zie,

Ik ga uw zaak pleiten

  En volledige wraak voor u eisen;

  En Ik zal haar zee opdrogen

En haar springbron droog maken.

51:37 “Babel zal een hoop ruïnes worden,

een hol van jakhalzen,

Een voorwerp van afschuw en uitfluiting,

zonder inwoners.

51:38 “Ze zullen brullen als jonge leeuwen bij elkaar,

Ze zullen grommen als leeuwen welpjes.

51:39 “Wanneer ze verhit worden,

Zal Ik hen hun feestmaal serveren

En hun dronken maken,

opdat zij uitbundig blij mogen worden

En een eeuwigdurende slaap mogen slapen

En niet wakker worden,”

maakt Maryah bekend.

51:40 “Ik zal ze afvoeren als lammetjes naar de slachtbank,

Gelijk rammen tegelijk met mannelijke geiten.

51:41 “Hoe is Sheshak ingenomen geweest,

En de lof van de hele aarde gegrepen geweest!

Hoe is Babel tot een voorwerp van afschuw onder de naties geworden!

51:42 “De zee is opgekomen over Babel;

  Ze is overspoeld geweest door haar onstuimige golven.

51:43 “Haar steden zijn tot een voorwerp van afschuw geworden,

Een verdord land en een woestijn,

Een land waarin geen mens leeft

En waardoor geen mensenzoon passeert.

51:44 “Ik zal Bel bestraffen in Babel,

En Ik zal van zijn mond doen uitkomen wat hij heeft verzwolgen;

En de naties zullen niet meer naar hem toestromen.

Zelfs de muur van Babel is neergevallen!

51:45 Komt uit haar midden naar buiten,

Mijn volk,

  En ieder van u redt uzelf

Vanwege de felle toorn van Maryah.

51:46 “Zodat uw hart thans niet verzwakt wordt,

En gij niet bang wordt voor het gerucht dat in het land zal gehoord worden

-Want het gerucht zal (in) één jaar komen,

En daarna een ander gerucht in een ander jaar,

  En geweld zal in het land zijn

Met heerser tegen heerser-

51:47 Daarom, zie,

dagen zijn komende

wanneer Ik de afgoden van Babel zal bestraffen;

En haar hele land zal zal tot schande worden gezet

En al haar verslagenen zullen in haar midden vallen.

51:48 “Vervolgens,

Hemel en aarde en alles wat daarin is

Zal schreeuwen van vreugde over Babel,

Want de verwoesters zullen naar haar toekomen vanuit het noorden,”

maakt Maryah bekend.

51:49 Gelijk Babel

de verslagenen van Israël heeft doen vallen,

Zo zullen de verslagenen van de gehele aarde

te Babel vallen.

51:50 Gij die (aan) het zwaard zijt ontsnapt,

  Vertrek!

Blijft niet!

Gedenkt Maryah van verre,

En laat Jeruzalem in uw gedachten opkomen.

51:51 We zijn beschaamd omdat wij smaad hebben gehoord;

Schande heeft onze gezichten bedekt,

Want buitenlanders hebben betreden-

De heilige plaatsen van het huis van Maryah.

51:52 “Daarom zie,

de dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer Ik haar afgoden zal bestraffen,

En de dodelijk verwonde zal kreunen doorheen heel haar land.

51:53 “Al zou Babel naar de hemel opklimmen,

En al zou zij haar torenhoge vesting versterken,

Verwoesters van Mij zullen naar haar toe komen,”

maakt Maryah bekend.

51:54 Hoort!

Het geluid van een geschreeuw uit Babel,

En van grote vernietiging uit het land van de Kaldean!

51:55 Want Maryah gaat Babel vernietigen,

En Hij zal haar harde lawaai van haar doen verdwijnen.

En hun golven zullen brullen als vele wateren;

Het tumult van hun stemmen klinkt voort.

51:56 Want de verwoester is tegen haar komende,

  tegen Babel,

En haar machtige mannen zullen worden gevangen,

Hun bogen zijn verbrijzeld;

Want Maryah is een Aloha van vergelding,

Hij zal ten volle vergelden.

51:57 “Ik zal haar prinsen en haar wijze mannen dronken maken,

Haar landvoogden,

  haar prefecten en haar machtige mannen,

  Opdat zij een eeuwigdurende slaap mogen slapen

  en niet wakker worden,”

Maakt de Koning bekend,

Wiens naam is

Maryah van de heirscharen.

51:58 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“De brede muur van Babel zal compleet worden gesloopt

En haar hoge poorten zullen in vuur en vlam worden gezet;

Dus zullen de volken om niets zwoegen,

En de naties raken enkel uitgeput om vuur .”

51:59 De boodschap die Jeremiah de profeet beval aan Seraiah

de zoon van Neriah,

  de kleinzoon van Mahseiah,

Toen hij met Zedekiah

  de koning van Judah

naar Babel ging

in het vierde jaar van zijn regering.

Nu was Seraiah kwartiermeester.

51:60 Dus schreef Jeremiah in één enkele rol

  al de rampspoed dat over Babel zou komen,

dat wil zeggen,

Al deze woorden

die geschreven zijn geweest

betreffende Babel.

51:61 Vervolgens,

Jeremiah zei tegen Seraiah,

“Zodra gij te Babel komt,

  zie toch dat gij al deze woorden leest,

hardop,

51:62 en zegt,

‘U,

O Maryah,

hebt betreffende deze plaats beloofd om haar af te snijden,

zodat niets daarin zal blijven wonen,

hetzij mens of beest,

maar het een eeuwigdurende verwoesting zal zijn.’

51:63 En zodra gij klaar zijt met het lezen van deze rol,

  zult gij er een steen aan vastbinden

en het in het midden van de Eufraat gooien,

51:64 en zeggen,

‘Even- zo zal Babel ondergaan en niet meer opstaan

  vanwege de rampspoed dat Ik over haar ga brengen;

en zij zullen uitgeput raken. ‘”

Tot zo verre de woorden van Jeremiah.

Jeremiah 52.

52:1 Zedekiah was één-en-twintig jaren oud toen hij koning werd,

en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem;

en zijn moeders naam was Hamutal

de dochter van Jeremiah van Libnah.

52:2 Hij deed het kwade in de ogen van Maryah

alles gelijk dat Jehoiakim gedaan had.

52:3 Want door de toorn van Maryah

  kwam dit overal in Jeruzalem en Judah

  totdat Hij hen uit Zijn tegenwoordigheid heeft uitgeworpen.

En Zedekiah kwam tegen de koning van Babel in opstand.

52:4 Nu kwam het zowat in het negende jaar van zijn regering,

  op de tiende dag van de tiende maand,

  dat Nebuchadnezzar koning van Babel kwam,

  hij en heel zijn leger,

tegen Jeruzalem,

belegerden ertegen

en bouwden een belegeringsmuur helemaal om haar heen.

52:5 Zo was de stad onder belegering

tot het elfde jaar van koning Zedekiah.

52:6 Op de negende dag van de vierde maand

was de hongersnood in de stad zo zwaar

dat er geen voedsel voor het volk van het land was.

52:7 Vervolgens,

werd in de stad ingebroken,

en al de krijgslieden vluchtten

en vertrokken s’nachts uit de stad

langs de weg van de poort

tussen de twee muren

welke bij de Konings Tuin waren,

alhoewel de Kaldean overal in de stad waren.

En zij gingen langs de weg van de Arabah.

52:8 Maar het leger van de kaldean achtervolgde de koning

en haalde Zedekiah in

in de vlaktes van Jericho,

en gans zijn legermacht

werd uiteengedreven

van (bij) hem (vandaan).

52:9 Vervolgens,

zij namen de koning gevangen

en brachten hem opwaarts

naar de koning van Babel te Riblah

in het land van Hamath,

en hij velde oordeel over hem.

52:10 De koning van Babel

slachtte de zonen van Zedekiah af voor zijn ogen,

en hij slachtte ook al de prinsen van Judah af te Riblah.

52:11 Vervolgens,

hij verblindde de ogen van Zedekiah;

en de koning van Babel bond hem met bronzen boeien

en bracht hem naar Babel

en zette hem in de gevangenis

tot de dag van zijn dood.

52:12 Thans op de tiende dag

van de vijfde maand,

dat het negentiende jaar van koning Nebuchadnezzar was,

Koning van Babel,

Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht,

die in de dienst van de koning van Babel was,

  kwam naar Jeruzalem.

52:13 Hij verbrandde het huis van Maryah,

het huis van de koning

  en al de huizen van Jeruzalem;

zelfs elk omvangrijk huis verbrandde hij met vuur.

52:14 Zo heeft het ganse leger van de Kaldean

die bij de kapitein van de wacht waren

al de muren rondom Jeruzalem verwoest.

52:15 Vervolgens,

Nebuzaradan de kapitein van de wacht

  voerde enkele van de armsten van het volk

in ballingschap weg,

de rest van het volk die in de stad was achtergelaten,

de deserteurs die hadden gedeserteerd tot de koning van Babel

en de rest van de ambachtslieden.

52:16 Maar Nebuzaradan de kapitein van de wacht

liet (daar) enkele van de armsten van het land

  om wijngaardeniers en ploegers te zijn.

52:17 Nu,

de Kaldean sloegen de bronzen pilaren in stukken

welke toebehoorden aan het huis van Maryah

en de stellingen en de bronzen zee

welke in het huis van Maryah waren;

en al hun brons droegen ze naar Babel.

52:18 Ze namen ook de potten weg,

de schoppen,

de gaffels,

de bekkens,

de schalen en al de bronzen vaten

welke bij de tempeldienst werden gebruikt.

52:19 De kapitein van de wacht

nam ook de schalen weg,

de vuurpannen,

de bekkens,

de potten,

de kandelaars,

de pannen en de drank-offer-kommen,

al wat zuiver goud was

en al wat zuiver zilver was.

52:20 De twee pilaren,

de ene zee,

en de twaalf bronzen stieren

die onder de zee waren,

en de stellingen,

welke koning Solomon had gemaakt voor het huis van Maryah

– het brons van al die vaten was boven gewicht.

52:21 Wat de pilaren betrof,

de hoogte van elke pilaar was achttien elleboogslengtes,

en een snoer van twaalf elleboogslengtes omgorde het

en de dikte ervan was vier vingers ,

het was hol.

52:22 Nu een kroonstuk van brons was erop;

en de hoogte van elk kroonstuk was vijf elleboogslengtes,

met een netwerk en granaatappels

rondom op het kroonstuk,

allemaal van brons.

En de tweede pilaar was als deze,

  inclusief de granaatappels.

52:23 Er waren negentig-en-zes onthulde granaatappels;

al de granaatappels telden

één honderd

over het netwerk rondom.

52:24 Vervolgens,

de kapitein van de wacht nam Seraiah de hoofdpriester

en Zephaniah de tweede priester,

met de drie officieren van de tempel.

52:25 Hij nam ook uit de stad één ambtenaar

die opziener was van de krijgslieden,

en zeven raadsmannen van de koning

die in de stad werden gevonden,

            en de schrijver van de bevelhebber van het leger

die het volk van het land bijeenbracht,

en zestig mannen van het volk van het land

die werden gevonden in het midden van de stad.

52:26 Nebuzaradan de kapitein van de wacht

nam ze en bracht ze naar de koning van Babel te Riblah.

52:27 Vervolgens,

de koning van Babel sloeg hun neer

en bracht hun ter dood te Riblah

in het land van Hamath.

Zo werd Judah uit zijn eigen land in ballingschap weggevoerd.

52:28 Dit zijn de mensen

die Nebuchadnezzar in ballingschap wegvoerde:

in het zevende jaar 3.023 Joden;

52:29 in het achttiende jaar van Nebuchadnezzar

832 lieden uit Jeruzalem;

52:30 in het twintigste-en-derde jaar van Nebuchadnezzar,

Nebuzaradan de kapitein van de wacht

  voerde 745 Joodse mensen in ballingschap;

  er waren in totaal 4600 lieden.

52:31 Het kwam nu zowat in het dertigste-en-zeven jaar

van de ballingschap van Jehoiachin koning van Judah,

in de twaalfde maand,

op de twintigste-en-vijf van de maand,

dat Evil-merodach koning van Babel,

in het eerste jaar van zijn regering,

gunst toonde aan Jehoiachin koning van Judah

en hem vanuit de gevangenis uitbracht.

52:32 Vervolgens,

sprak hij vriendschappelijk tot hem

en zette zijn troon boven de tronen van de koningen

die bij hem te Babel waren.

52:33 Dus veranderde Jehoiachin zijn gevangenis kleren,

en had zijn maaltijden regelmatig in de aanwezigheid van de koning,

al de dagen van zijn leven.

52:34 Wat betreft zijn tegemoetkoming,

een regelmatige tegemoetkoming werd hem gegeven

door de koning van Babel,

een dagelijkse deel

al de dagen van zijn leven

  tot op de dag van zijn dood.

You cannot copy content of this page