2 Samuel

Aramaic Tanakh*

Ketava Trayana d’Shemuel

Tweede boek van Samuël.

1:1 Nu gebeurde het na de dood van Sha’ul,

  toen David was teruggekeerd van de slachting van de ‘Amaleki,

dat David twee dagen te Ziklag bleef.

1:2 Op de derde dag,

ziedaar!

Een man kwam vanuit het kamp van Sha’ul,

met zijn kleren gescheurd en stof op zijn hoofd.

En het gebeurde toen hij bij David kwam

dat hij op de grond viel en zich voorover wierp.

1:3 Toen zei David tegen hem,

“Waar komt gij vandaan?”

En hij zei tegen hem,

“Ik ben ontsnapt uit het kamp van Isra’el.”

1:4 David zei tegen hem,

“Hoe zijn de dingen gegaan?

Alsjeblieft vertel het mij.”

En hij zei,

“Het volk is uit de strijd gevlucht,

  en ook velen van het volk zijn gevallen en zijn gestorven;

  en Sha’ul en zijn zoon Y’honatan zijn ook dood.”

1:5 Dus zei David tegen de jonge man die (het) hem vertelde,

“Hoe weet gij dat Sha’ul en zijn zoon Y’honatan dood zijn?”

1:6 De jonge man die (het) hem vertelde zei,

“Bij toeval gebeurde het dat ik op Berg Gilboa was,

en zie,

Sha’ul leunde op zijn spies.

En zie,

de strijdwagens en de paardrijders achtervolgden hem op de voet.

1:7 “Toen hij achter hem keek,

zag hij mij en riep naar mij.

En ik zei,

‘Hier ben ik.’

1:8 Hij zei tegen mij,

‘Wie zijt gij?’

En ik antwoordde hem,

‘Ik ben een ‘Amaleki.’

1:9 “Toen zei hij tegen mij,

‘Alsjeblieft ga naast mij staan en dood mij,

want ondraaglijke pijn heeft mij aangegrepen

omdat mijn leven nog steeds in mij blijft hangen.’

1:10 “Dus stond ik naast hem en doodde hem,

omdat ik wist dat hij niet kon leven nadat hij gesneuveld was.

En ik nam de kroon die op zijn hoofd was

en de armband die aan zijn arm was,

en ik heb ze hier naar mijn heer gebracht.”

1:11 Toen greep David zijn kleren vast en scheurde ze,

en zo deden ook al de mannen die bij hem waren.

1:12 Ze rouwden en weenden

en vastten tot s’avonds voor Sha’ul en zijn zoon Y’honatan

en voor het volk van Maryah

en het huis van Isra’el,

omdat zij door het zwaard gevallen waren.

פ

1:13 David zei tegen de jonge man die (het) hem vertelde,

  “Van waar zijt gij?”

En hij antwoordde,

“Ik ben de zoon van een (inwonende) vreemdeling,

een ‘Amaleki.”

1:14 Daarop zei David tegen hem,

“Hoe was het dat gij niet bevreesd waart

om uw hand uit te strekken

om Maryah’s gezalfde af te maken?”

1:15 En David riep één van de jonge mannen en zei,

“Ga,

vel hem neer.”

Dus sloeg hij hem neer en hij stierf.

1:16 David zei tegen hem,

“Uw bloed is op uw (eigen) hoofd,

want uw mond heeft tegen u getuigd,

zeggende,

‘Ik heb Maryah’s gezalfde gedood.'”

פ

1:17 Vervolgens-

David zong met deze klaagzang-

over Sha’ul en zijn zoon Y’honatan,

1:18 en hij vertelde hen

om de zonen van Y’hudah het lied van de boog te onderwijzen;

zie,

het is opgeschreven in het boek van Yashar.

1:19 “Uw schoonheid,

O Isra’el,

is afgemaakt op uw hoge plaatsen!

Hoe zijn de machtigen gesneuveld!

1:20 “Vertel het niet in Gat,

Verkondigt het niet in de straten van Ashkelon,

Of de dochters van de P’lishtim zullen zich verheugen,

De dochters van de onbesnedenen zullen jubelen.

1:21 “O bergen van Gilboa,

Laat geen douw of regen op u zijn,

noch velden van offergaven;

Want daar was het schild van de machtige onteerd,

Het schild van Sha’ul,

niet gezalfd met olie.

1:22 “Van het bloed van de afgemaakten,

Van het vet van de machtigen,

De boog van Y’honatan trok (zich) niet achteruit,

En het zwaard van Sha’ul kwam niet ledig terug.

1:23 “Sha’ul en Y’honatan,

bemind en aangenaam in hun leven,

En in hun dood waren zij niet gescheiden;

Zij waren sneller dan adelaars,

Zij waren sterker dan leeuwen.

1:24 “O dochters van Isra’el,

  weent over Sha’ul,

  Die u weelderig kleedde in scharlaken,

  Die versiersels van goud op uw kleding legde.

1:25 “Hoe zijn de machtigen gesneuveld te midden van de strijd!

  Y’honatan is afgemaakt op uw hoge plaatsen.

1:26 “Ik ben bedroefd om u,

mijn broer Y’honatan;

  Gij zijt heel aangenaam voor mij geweest.

Uw liefde voor mij was wonderbaarlijker

Dan de liefde van vrouwen.

1:27 “Hoe zijn de machtigen gesneuveld,

En de wapens van de strijd vergaan!”

פ

2:1 Vervolgens-

het gebeurde daarna dat David van Maryah vroeg,

zeggende,

“Moet ik opgaan naar één van de steden van Y’hudah?”

En Maryah zei tegen hem,

“Ga op.”

Dus zei David,

“Waarheen moet ik opgaan?”

En Hij zei,

“Naar Hevron.”

2:2 Dus ging David daarheen,

en ook zijn twee vrouwen,

Achino’am van Yizre’el

en Avigayil de weduwe van Naval van Karmel.

2:3 En David bracht zijn mannen opwaarts

die bij hem waren,

elk met zijn huishouden;

en zij leefden in de steden van Hevron.

2:4 Toen kwamen de mannen van Y’hudah

en zalfden daar David (tot) koning over het huis van Y’hudah.

En zij vertelden David,

zeggende,

  “Het waren de mannen van Yavesh-Gil’ad die Sha’ul begroeven.”

ס

2:5 David zond bodes naar de mannen van Yavesh-Gil’ad,

en zei tegen hen,

“Moogt gij worden gezegend van Maryah

omdat gij deze goedheid aan Sha’ul uw heer hebt getoond,

en hem hebt begraven.

2:6 “Moge Maryah nu liefdevolle vriendelijkheid

en waarheid aan u betonen,

en ook ik zal aan u deze goedheid betonen,

omdat gij dit ding hebt gedaan.

2:7 “Nu dus,

laat uw handen sterk zijn en wees moedig;

want Sha’ul uw heer is dood,

en ook heeft het huis van Y’hudah

mij tot koning over hen gezalfd.”

פ

2:8 Maar Avner de zoon van Ner,

bevelhebber van Sha’ul’s leger,

had Ish-Boshet de zoon van Sha’ul genomen-

en bracht hem over naar Machanayim.

2:9 Hij maakte hem koning over Gil’ad,

over de Ashuri,

over Yizre’el,

over Efrayim,

en over Binyamin,

zelfs over heel Isra’el.

פ

2:10 Ish-Boshet,

Sha’ul’s zoon,

was veertig jaren oud toen hij koning over Isra’el werd,

  en hij was gedurende twee jaar koning.

Het huis van Y’hudah,

echter,

volgde David.

2:11 De periode dat David koning was in Hevron-

over het huis van Y’hudah-

was gedurende zeven jaren en zes maanden.

ס

2:12 Avner nu

de zoon van Ner,

ging uit van Machanayim naar Giv’on

met de knechten van Ish-Boshet

de zoon van Sha’ul.

2:13 En Yo’av de zoon van Tz’ruyah

en de knechten van David gingen uit

en ontmoette hen bij de poel van Giv’on;

en zij gingen neerzitten,

één aan de ene kant van de poel

en de andere aan de andere kant van de poel.

2:14 Toen zei Avner tegen Yo’av,

“Laat de jonge mannen nu opstaan

en een (gevecht) wedstrijd voor ons houden.”

En Yo’av zei,

“Laat ze opstaan.”

2:15 Dus stonden zij op en gingen over door telling.

twaalf voor Binyamin en Ish-Boshet

de zoon van Sha’ul,

  en twaalf van de knechten van David.

2:16 Elk één van hen greep zijn tegenstrever bij het hoofd

  en stak zijn zwaard in zijn tegenstrever’s zijde;

  zo vielen zij tezamen neder.

Daarom werd die plaats Helkat-Hatzurim genoemd-

(veld der lemmeten),

welke bij Giv’on is.

2:17 Die dag was de strijd erg hevig,

en Avner en de mannen van Isra’el werden verslagen-

door de knechten van David.

2:18 Nu waren de drie zonen van Tz’ruyah daar,

Yo’av en Avishai en ‘Asah’el;

en ‘Asah’el was even lichtvoetig

als één van de gazellen die in het open veld zijn.

2:19 Asah’el achtervolgde Avner-

en draaide zich niet naar rechts of naar links

om Avner te volgen.

2:20 Toen keek Avner achter hem en zei,

“Zijt gij dat,

‘Asah’el?”

En hij antwoordde,

“Ik ben het.”

2:21 Dus zei Avner tegen hem,

“Draai naar rechts of naar links,

en grijp één van de jonge mannen voor uzelf,

  en neem voor uzelf zijn buit.”

Maar Asah’el was niet gewillig om zich opzij te draaien-

van hem te volgen.

2:22 Avner herhaalde (het) opnieuw tegen Asah’el,

“Draai opzij van mij te volgen.

Waarom zou ik u tegen de grond slaan?

Hoe zou ik dan mijn aangezicht-

kunnen optillen naar uw broeder Yo’av?”

2:23 Echter,

weigerde hij zich opzij te draaien;

daarom sloeg Avner hem in de buik

  met het uiteinde van de spies,

zodat de spies van achter uit zijn rug kwam.

En hij viel daar en stierf ter plekke.

En het gebeurde-

dat allen die naar de plaats kwamen-

waar Asah’el neergevallen en gestorven was,

stilstonden.

2:24 Maar Yo’av en Avishai bleven Avner achtervolgen,

en toen de zon onderging,

  kwamen zij bij de heuvel van Amah,

die tegenover Giach is-

langs de weg van de woestijn van Giv’on.

2:25 De zonen van Binyamin verzamelden zich samen achter Avner

en (zij) werden één bende (een slagorde),

en zij stonden op de top van een bepaalde heuvel.

2:26 Toen riep Avner naar Yo’av en zei,

“Zal het zwaard voor eeuwig verslinden?

Weet gij niet dat het uiteindelijk bitter zal zijn?

Hoe lang zult gij u onthouden

van het volk te vertellen weder te keren

van hun broeders te volgen?”

2:27 Yo’av zei,

“Zo als Aloha leeft,

indien gij niet had gesproken,

dan zou het volk in de morgen toch zijn weggegaan,

  ieder van zijn broeder te volgen.”

2:28 Dus blies Yo’av de shofar;

en gans het volk hield halt

en achtervolgde Isra’el niet langer,

ook bleven zij niet meer verder strijden.

2:29 Avner en zijn mannen dan

gingen die hele nacht doorheen de ‘Aravah;

  zo staken zij de Yarden over,

stapten gans de ochtend,

en kwamen te Machanayim.

2:30 Toen keerde Yo’av terug van het volgen van Avner;

toen hij gans het volk tezamen had verzameld,

negentien van Davids knechten naast ‘Asah’el ontbraken.

2:31 Maar de knechten van David

hadden veel mannen van Binyamin en Avner neergeslagen,

zodat er drie-honderd-en-zestig mannen stierven.

2:32 En zij namen Asah’el op

en begroeven hem in zijn vaders graftombe

die in Beit-Lechem was.

Toen stapten Yo’av en zijn mannen de hele nacht-

totdat de dag aanbrak te Hevron.

3:1 Nu was er een lange strijd-

tussen het huis van Sha’ul-

en het huis van David;

en David werd gestaag sterker,

maar het huis van Sha’ul werd steeds zwakker.

ס

3:2 Zonen werden geboren aan David te Hevron:

(en) zijn eerstgeborene was Ammon,

bij Achino’am van Yizre’el;

3:3 en zijn tweede,

Kil’av,

bij Avigayil de weduwe van Naval van Karmel;

en de derde,

Avshalom de zoon van Ma’akhah,

de dochter van Talmai,

koning van G’shur;

3:4 en de vierde,

Adoniyah de zoon van Haggit;

en de vijfde,

Sh’fatyah de zoon van Avital;

3:5 en de zesde,

Yitre’am,

bij Davids vrouw ‘Eglah.

Deze werden geboren aan David te Hevron.

פ

3:6 Het gebeurde terwijl er strijd was

tussen het huis van Sha’ul en het huis van David

dat Avner zich sterk maakte

in het huis van Sha’ul.

3:7 Nu had Sha’ul een bijvrouw wiens naam Ritzpah was,

de dochter van Aiah;

en Ish-Boshet zei tegen Avner

  “Waarom zij gij ingegaan tot mijn vaders bijvrouw?”

3:8 Toen werd Avner zeer toornig over de woorden van Ish-Boshet en zei,

“Ben ik een hondenkop die aan Y’hudah behoort?

Heden toon ik vriendelijkheid aan het huis van Sha’ul uw vader,

aan zijn broeders en aan zijn vrienden,

en heb u niet overgeleverd in de handen van David;

en toch beschuldigt gij mij heden met een schuld betreffende de vrouw.

ס

3:9 “Moge Aloha zo doen aan Avner,

en meer ook,

gelijk Maryah aan David heeft gezworen,

als ik dit niet voor hem volbreng,

3:10 overdragende het koninkrijk

van het huis van Sha’ul-

en oprichtende de troon van David –

over Isra’el en over Y’hudah ,

van Dan zelfs tot Be’er-Sheva toe.

3:11 En hij (Ish-Boshet) kon Avner niet langer één woord antwoorden,

omdat hij bevreesd voor hem was.

ס

3:12 Vervolgens-

Avner zond bodes in zijn plaats naar David,

  zeggende,

“Wiens is het land?

Maak uw verbond met mij,

  en zie,

  mijn hand zal met u zijn

om gans Isra’el naar u over te brengen .”

3:13 Hij zei,

“Goed!

Ik zal een verbond met u maken,

maar ik eis één ding van u,

namelijk,

gij zult mijn aangezicht niet zien tenzij gij eerst Mikhal meebrengt,

Sha’ul’s dochter,

wanneer gij komt om mij te zien.”

ס

3:14 Dus zond David bodes naar Ish-Boshet,

Sha’ul’s zoon,

zeggende,

“Geef mij mijn vrouw Mikhal,

met wie ik mij verloofde-

voor één-honderd voorhuiden van de P’lishtim.”

3:15 Ish-Boshet zond (heen) en nam haar van haar man,

  van Palti’el de zoon van Layish.

3:16 Maar haar man ging met haar,

wenend terwijl hij ging,

en volgde haar tot aan Bachurim.

  Toen zei Avner tegen hem,

“Ga weg en keer terug.”

Dus keerde hij terug.

3:17 Nu had Avner overleg met de oudsten van Isra’el,

zeggende,

“In vroegere tijden-

zocht gij naar David-

om koning over u te zijn.

3:18 “Nu dan,

doe het!

Want Maryah heeft over David gesproken,

  zeggende,

‘Door de hand van Mijn knecht David

zal Ik Mijn volk Isra’el redden

vanuit de hand van de P’lishtim

  en vanuit de hand van al hun vijanden.'”

3:19 Avner sprak ook in het gehoor van Binyamin;

en daarnaast ging Avner heen-

om in het gehoor van David te Hevron te spreken-

alles wat goed leek voor Isra’el-

en voor het ganse huis van Binyamin.

3:20 Toen kwam Avner-

en twintig mannen met hem naar David te Hevron.

En David maakte een feestmaal-

voor Avner en de mannen die met hem waren.

3:21 Avner zei tegen David,

“Laat mij opstaan en heengaan

en heel Isra’el verzamelen tot mijn heer de koning,

zodat zij een verbond met u mogen maken,

en dat gij koning moogt zijn over alles wat uw ziel verlangt.”

Zo zond David Avner heen,

en hij ging in vrede.

3:22 En ziedaar!

de knechten van David en Yo’av kwamen van een inval

en brachten veel plundering met hen mee;

maar Avner was niet met David te Hevron,

want hij had hem weggezonden,

en hij was in vrede gegaan.

3:23 Toen Yo’av

en het ganse leger dat met hem was

gearriveerd was,

  vertelden zij Yo’av,

  zeggende,

“Avner de zoon van Ner kwam bij de koning,

en hij heeft hem weggezonden,

en hij is in vrede gegaan.”

3:24 Toen kwam Yo’av bij de koning en zei,

“Wat hebt gij gedaan?

Ziedaar!

Avner kwam naar u toe;

gij hebt hem weggezonden-

en nu is hij al lang weggegaan-

waarom toch?

3:25 “Gij kent Avner de zoon van Ner,

dat hij enkel kwam om u te misleiden

en om te vernemen van uw uitgaan en inkomen

  en om erachter te komen wat gij allemaal doet.”

3:26 Toen Yo’av van David naar buiten kwam ,

zond hij bodes achter Avner aan,

en zij brachten hem terug van de waterput van Sirah;

maar David wist het niet.

3:27 Dus toen Avner terugkeerde naar Hevron,

nam Yo’av hem apart

in het midden van de stadspoort

om in stilte met hem te spreken,

  en daar sloeg gij hem in de buik

zodat hij stierf

vanwege het bloed van zijn broer ‘Asah’el .

3:28 Daarna-

toen David ervan hoorde,

zei hij,

“Ik en mijn koninkrijk zijn voor Maryah-

voor altijd onschuldig-

van het bloed van Avner de zoon van Ner.

3:29 “Moge het op het hoofd van Yo’av vallen

en op geheel zijn vaders huis;

en moge er niet één ontbreken-

van het huis van Yo’av-

die een ontlading heeft,

  of die een melaats is,

of die een spinstok vastgrijpt,

of die door het zwaard valt,

of die brood ontbreekt.”

3:30 Dus Yo’av en zijn broeder Avishai doodden Avner,

omdat hij hun broeder Asah’el ter dood had gebracht

in de strijd te Giv’on.

ס

3:31 Vervolgens-

David zei tegen Yo’av

en tegen al het volk dat bij hem was,

“Scheurt uw kleren en trek jutten zakken aan en weeklaagt voor Avner.”

En koning David stapte achter de baar aan.

3:32 Zo begroeven zij Avner in Hevron;

en de koning verhief zijn stem

en weende bij het graf van Avner,

en al het volk weende.

ס

3:33 De koning zong een klaagzang over Avner en zei:

“Had Avner moeten sterven zoals een dwaas sterft?

3:34 “Uw handen waren niet gebonden,

noch (waren) uw voeten in boeien gezet;

  Gelijk men valt voor de goddelozen,

(zo) zijt gij gevallen.”

En al het volk weende weer over hem.

3:35 Toen kwam al het volk

om David te overtuigen

om brood te eten terwijl het nog dag was;

  maar David zwoer,

zeggende,

“Moge Aloha zo doen aan mij,

en meer ook,

indien ik brood of iets anders smaak-

voor de zon ondergaat.”

3:36 Nu merkte gans het volk het op,

en het behaagde hen,

net zoals alles wat de koning deed

gans het volk behaagde.

3:37 Dus het hele volk en heel Isra’el begrepen die dag

dat het niet de wil van de koning was geweest

om Avner de zoon van Ner ter dood te brengen.

ס

3:38 Vervolgens-

de koning zei tegen zijn knechten,

“Weet gij niet dat er deze dag-

een voornaam en een groot man-

in Isra’el is gevallen?

3:39 “Ik ben vandaag zwak,

hoewel tot koning gezalfd;

en deze mannen de zonen van Tz’ruyah zijn te zwaar voor mij.

Moge Maryah de boosdoener naar zijn kwaad vergelden.”

פ

4:1 Wanneer nu Ish-Boshet,

Sha’ul’s zoon,

hoorde dat Avner te Hevron was gestorven,

verloor hij de moed,

en gans Isra’el was verstoord.

4:2 Sha’ul’s zoon had twee mannen

die bevelhebbers waren van bendes:

de naam van de ene was Ba’anah

en de naam van de ander Rekhav,

zonen van Rimmon de Be’eroti,

van de zonen van Binyamin

(Want Be’erot wordt ook als deel van Binyamin aanzien,

4:3 en de Be’erotim vluchtten naar Gittayim

en zijn daar vreemdelingen geweest tot deze dag toe).

ס

4:4 Y’honatan nu,

Sha’ul’s zoon,

had een zoon kreupel in zijn voeten.

Hij was vijf jaren oud

toen het gerucht van Sha’ul en Y’honatan vanuit Yizre’el kwam,

en zijn voedster nam hem op en vluchtte.

En het gebeurde in haar haast om te vluchtten,

dat hij viel en kreupel werd.

En zijn naam was M’fivoshet.

4:5 Dus de zonen van Rimmon de Be’eroti,

Rekhav en Ba’anah,

vertrokken en kwamen naar het huis van Ish-Boshet

in de hitte van de dag

terwijl hij zijn middagrust nam.

4:6 Zij kwamen naar het midden van het huis alsof om tarwe te halen,

  en zij sloegen hem in de buik;

en Rekhav en zijn broer Ba’anah ontkwamen.

4:7 Nu-

toen zij het huis binnenkwamen,

terwijl hij in zijn slaapkamer op zijn bed lag,

hebben zij hem geslagen en hem gedood en hem onthoofd.

En zij namen zijn hoofd

en reisden langs de weg door de ‘Aravah

gans de nacht.

4:8 Toen brachten zij het hoofd van Ish-Boshet naar David te Hevron

en zeiden tegen de koning,

  “Ziehier!

Het hoofd van Ish-Boshet de zoon van Sha’ul,

uw vijand,

die uw leven zocht;

alzo heeft Maryah mijn heer de koning

deze dag wraak gegeven

  op Sha’ul en zijn nakomelingen.”

4:9 David beantwoordde Rekhav en zijn broer Ba’anah,

zonen van Rimmon de Be’eroti,

en zei tegen hen,

“Zo als Maryah leeft,

die mijn leven van alle benauwdheid heeft verlost,

4:10 toen één mij vertelde,

zeggende,

‘Sha’ul is gestorven,’

  en dacht dat hij goed nieuws bracht,

greep ik hem aan en doodde hem in Ziklag,

wat de vergelding was die ik hem gaf voor zijn tijding.

4:11 “Hoeveel temeer,

wanneer goddeloze mannen een rechtvaardig man

  in zijn eigen huis op zijn eigen bed hebben gedood,

zal ik nu zijn bloed niet van uw hand eisen

en u van de aarde verdelgen?”

4:12 Toen gebood David de jonge mannen,

en zij doodden hen en hakten hun handen en voeten af

en hingen ze op naast de poel te Hevron.

Maar het hoofd van Ish-Boshet namen ze mee-

  en begroeven het in het graf van Avner in Hevron.

פ

5:1 Vervolgens-

al de stammen van Isra’el kwamen naar David te Hevron en zeiden,

“Ziehier!

Wij zijn uw eigen vlees en beenderen.

5:2 “Tevoren,

toen Sha’ul koning over ons was,

waart gij degene die Isra’el uit en in leidde.

En Maryah zei tegen u,

‘Gij zult Mijn volk Isra’el weiden,

  en gij zult een heerser over Isra’el zijn.'”

5:3 Dus kwamen al de oudsten van Isra’el naar de koning te Hevron,

en koning David maakte een verbond met hen

voor Maryah te Hevron;

toen zalfden zij David tot koning over Isra’el.

ס

5:4 David was dertig jaren oud toen hij koning werd,

en hij regeerde veertig jaren.

5:5 Te Hevron regeerde hij over Y’hudah zeven jaren en zes maanden,

vervolgens regeerde hij te Yerushalayim drie-en-dertig jaren-

over gans Isra’el en Y’hudah.

5:6 Nu gingen de koning en zijn mannen naar Yerushalayim

  naar de Y’vusi toe,

de inwoners van het land,

en zij zeiden tegen David,

“Gij zult hier niet inkomen,

  maar de blinden en de kreupelen zullen u afwenden”;

denkende,

“David kan hier niet inkomen.”

5:7 Niettemin,

David veroverde het bolwerk van Tziyon,

ook (nu) bekend als de Stad van David.

5:8 David zei op die dag,

“Al wie de Y’vusi wil slaan,

laat hem de kreupelen en blinden bereiken,

  die door David’s ziel gehaat worden,

doorheen de watertunnel.”

Daarom zegt men,

“De blinde of de kreupele zal niet in het huis komen.”

5:9 David woonde dus in het bolwerk en noemde het de Stad van David.

  En David bouwde (de stad) er helemaal omheen

vanaf de Millo (aarden wal)

en binnenwaarts werkend.

5:10 David werd steeds groter en groter,

omdat Maryah Aloha van de heirscharen met hem was.

פ

5:11 Vervolgens-

Hiram koning van Tzor zond bodes naar David-

met cederen houtblokken-

en met hen timmerlieden en steen metselaars;

en zij bouwden een huis voor David.

5:12 En David begreep dat Maryah hem had gevestigd-

als koning over Isra’el,

en dat Hij zijn koninkrijk had verhoogd-

ter wille van Zijn volk Isra’el.

ס

5:13 Ondertussen-

David nam meer bijvrouwen en vrouwen vanuit Yerushalayim,

nadat hij vanuit Hevron was gekomen;

en meer zonen en dochters werden aan David geboren.

5:14 Dit zijn nu de namen

van degenen die hem te Yerushalayim zijn geboren:

Shamua, Shovav, Natan, Shlomo,

5:15 Yivchar, Elishua, Nefeg, Yafia,

5:16 Elishama, Elyada en Elifelet.

פ

5:17 Toen de P’lishtim hoorden

dat zij David tot koning over Isra’el hadden gezalfd,

gingen al de P’lishtim opwaarts om David op te zoeken.

en toen David ervan hoorde,

ging hij nederwaarts naar het bolwerk.

5:18 Nu kwamen de P’lishtim-

en verspreidden zich in de Vallei van Refa’im.

5:19 Toen vroeg David van Maryah,

zeggende,

“Zal ik opwaarts gaan tegen de P’lishtim?

Zult Gij hen in mijn hand geven?

פ

  En Maryah zei tegen David,

“Ga opwaarts,

want ik zal de P’lishtim stellig in uw hand geven.”

5:20 Dus kwam David naar Ba’al-P’ratzim

  en versloeg hen daar;

en hij zei,

“Maryah heeft mijn vijanden voor mij doorbroken

gelijk de doorbraak van wateren.”

Daarom noemde hij die plaats Ba’al-P’ratzim (Heer van doorbreken).

5:21 De P’lishtim lieten hun afgoden daar achter,

dus droegen David en zijn mannen ze weg.

פ

5:22 Nu kwamen de P’lishtim opnieuw opwaarts

en verspreidden zich in de Vallei van Refa’im.

5:23 Toen David van Maryah vroeg,

zei Hij,

“Gij zult niet rechtstreeks opgaan;

  om cirkel vanachter om hen heen-

en kom naar hen toe (tot) voor de balsembomen.

5:24 “Het zal gebeuren,

wanneer gij het geluid van marcheren hoort

in de toppen van de balsembomen,

dan zult gij onmiddellijk handelen;

want dan zal Maryah voor u uitgegaan zijn

om de legermacht van de P’lishtim te slaan.”

5:25 Daarop deed David dat,

precies zoals Maryah hem had geboden,

en sloeg de P’lishtim neer

vanaf Geva tot aan Gezer.

פ

6:1 Nu verzamelde David opnieuw al de uitverkoren mannen van Isra’el,

dertig-duizend.

6:2 En David stond op

en ging met al het volk dat bij hem was naar Ba’alei-Y’hudah

  om van daar de ark van Aloha opwaarts te brengen

  die naar de Naam is genoemd,

de hoogste naam van Maryah van de heirscharen

die daar boven de k’ruvim is getroond.

6:3 Ze plaatsen de ark van Aloha op een nieuwe kar-

opdat zij het uit het huis van Avinadav mochten brengen-

dat op de heuvel was;

en ‘Uzah en Achyo,

de zonen van Avinadav,

waren de nieuwe kar leidend.

6:4 Zo brachten zij het met de ark van Aloha uit het huis van Avinadav,

dat op de heuvel was;

en Achyo was wandelend voor de ark.

6:5 Ondertussen,

David en gans het huis van Isra’el

waren aan het feesten voor Maryah

met alle soorten van instrumenten gemaakt van sparrenhout,

en met lieren,

harpen,

tamboerijnen,

castagnetten en cimbalen.

6:6 Maar toen zij bij Nakhon’s dorsvloer kwamen,

strekte ‘Uzah zich uit naar de ark van Aloha en greep het vast,

want de ossen waren bijna uitgegleden.

6:7 En de toorn van Maryah ontbrandde tegen ‘Uzah,

en Aloha sloeg hem daar neer voor zijn oneerbiedigheid;

en hij stierf daar bij de ark van Aloha.

6:8 David werd kwaad vanwege Maryah’s uitbarsting tegen ‘Uzah,

en die plaats werd genoemd Peretz-‘Uzah (Uitbarsting over ‘Uzah)

tot op deze dag.

6:9 Dus was David bevreesd voor Maryah die dag;

en hij zei,

“Hoe kan de ark van Maryah naar mij toe komen?”

6:10 En David was niet bereid

om de ark van Maryah met hem naar de Stad van David te verplaatsen;

maar David nam het terzijde naar het huis van ‘Oved-Edom de Gitti.

6:11 Dus bleef de ark van Maryah

drie maanden in het huis van ‘Oved-Edom de Gitti,

en Maryah zegende ‘Oved-Edom en gans zijn huishouden.

6:12 Nu werd het koning David verteld,

zeggende,

“Maryah heeft het huis van ‘Oved-Edom gezegend-

en alles wat aan hem toebehoort,

vanwege de ark van Aloha.”

David ging heen-

en bracht de ark van Aloha opwaarts-

uit het huis van ‘Oved-Edom tot in de Stad van David

met blijdschap.

6:13 En zo gebeurde het,

dat toen de dragers van de ark van Maryah

slechts zes passen waren gegaan,

hij een os en een vetgemest schaap offerde.

6:14 En David-

danste voor Maryah met al zijn kracht,

en David-

had een linnen ephod aan.

6:15 David en het ganse huis van Isra’el-

brachten zo de ark Van Maryah opwaarts-

met geschreeuw-

en het geluid van de bazuin.

6:16 Toen gebeurde het

terwijl de ark van Maryah in de Stad van David kwam

dat Mikhal de dochter van Sha’ul uit het raam keek

en koning David zag springen en dansen voor Maryah;

en zij verachtte hem in haar hart.

6:17 Zo brachten zij de ark van Maryah in

en stelden ze in haar plaats in de tent

die David daarvoor had opgezet;

en David offerde brandoffers

en vredeoffers voor Maryah.

6:18 Toen David klaar was met het offeren van het brandoffer

en het vredeoffer,

zegende hij het volk in de naam van Maryah van de heirscharen.

6:19 Verder,

verdeelde hij aan al het volk,

aan gans de menigte van Isra’el,

zowel aan mannen als vrouwen,

een koek van brood en een van dadels

en een van rozijnen aan elkeen.

Toen vertrok gans het volk

elk naar zijn huis.

6:20 Toen keerde David terug om zijn huishouden te zegenen

ס

en Mikhal de dochter van Sha’ul-

kwam uit om David te ontmoeten en zei,

“Hoe de koning van Isra’el zich vandaag onderscheidde!

Hij ontblootte zich vandaag in de ogen van zijn’s knechten dienstmeisjes-

gelijk één van de idioten zich schaamteloos ontbloot!”

6:21 Dus zei David tegen Mikhal,

“Het was in de tegenwoordigheid van Maryah,

die mij boven uw vader verkoos

en boven gans zijn huis,

om mij tot heerser over het volk van Maryah te benoemen,

over Isra’el;

daarom zal ik vieren in de tegenwoordigheid van Maryah.

6:22 “Ik zal lichtvaardiger worden geacht dan dit-

en zal pretentieloos zijn in mijn eigen ogen,

maar met de dienstmeisjes van wie gij hebt gesproken-

met hen zal ik voornaam worden.”

6:23 Mikhal de dochter van Sha’ul-

bleef kinderloos tot de dag van haar sterven.

פ

7:1 Nu gebeurde het toen de koning in zijn huis woonde,

en Maryah hem rust gegeven had

van al zijn vijanden aan alle kanten,

7:2 dat de koning tegen Natan de profeet zei,

“Zie nu,

ik woon in een huis van cederhout,

maar de ark van Aloha verblijft binnen tent gordijnen.”

7:3 Natan zei tegen de koning,

“Ga heen,

doe alles wat in uw geest is,

  want Maryah is met u.”

ס

7:4 Maar in diezelfde nacht-

het woord van Maryah kwam tot Natan,

zeggende,

7:5 “Ga heen en zeg tegen Mijn knecht David,

‘Zo zegt Maryah,

“Zijt gij degene die Mij een huis zult bouwen om in te wonen?

7:6 “Want Ik heb niet in een huis gewoond

sinds de dag dat Ik de zonen van Isra’el vanuit Egypte opbracht,

zelfs tot op deze dag;

maar Ik ben rondom verplaatst geweest in een tent,

zelfs in een tabernakel.

7:7 “Overal waar Ik met al de zonen van Isra’el ben gegaan,

heb Ik een woord met één van de stammen van Isra’el gesproken,

welke Ik beval om Mijn volk Isra’el te weiden,

zeggende,

‘Waarom hebt gij Mij niet een huis van cederhout gebouwd?'”‘

7:8 “Nu dus,

zo zult gij tegen Mijn knecht David zeggen,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Ik nam u vanuit de weide,

van het volgen van de schapen,

om heerser te zijn over Mijn volk Isra’el.

7:9 “Ik ben met u geweest waar gij ook zijt gegaan

en heb al uw vijanden van voor u afgesneden;

en Ik zal u een grote naam maken,

zoals de namen van de grootste mannen die op de aarde zijn.

7:10 “Ik zal ook een plaats voor Mijn volk Isra’el bestemmen

en zal hen daar planten,

zodat zij op hun eigen plaats mogen wonen en niet meer verstoord worden,

en ook zullen de goddelozen hen niet meer kwellen zoals vroeger,

7:11 zelfs vanaf de dag dat Ik beval om richters te zijn over Mijn volk Isra’el;

en Ik zal u rust geven van al uw vijanden.

Maryah maakt ook aan u bekend-

  dat Maryah een huis voor u zal maken.

7:12 “Wanneer uw dagen zijn voltooid-

en gij gaat neder liggen met uw vaders,

zal Ik uw nakomeling na u doen opstaan,

die van u zal voortkomen,

en Ik zal zijn koninkrijk vestigen.

7:13 “Hij zal een huis voor Mijn naam bouwen,

en Ik zal de troon van zijn koninkrijk voor altijd vestigen.

7:14 “Ik zal een vader voor hem zijn en hij zal een zoon voor Mij zijn;

wanneer hij ongerechtigheid begaat,

zal Ik hem tuchtigen met de roede van mensen

en de slagen van de zonen van mensen,

7:15 maar Mijn liefdevolle vriendelijkheid zal van hem niet afwijken,

zoals ik het wegnam van Sha’ul,

die Ik van voor u weghaalde.

7:16 “Uw huis en uw koninkrijk zullen voor eeuwig voor Mij standhouden,

  uw troon zal voor altijd worden gevestigd.”‘”

7:17 In overeenstemming met al deze woorden en dit gehele visioen,

zo sprak Natan tegen David.

פ

7:18 Vervolgens-

David de koning ging in en zat voor Maryah,

en hij zei,

“Wie ben ik,

O Maryah Aloha,

en wat is mijn huis,

dat Gij mij zo ver hebt gebracht?

7:19 “En toch was dit onbeduidend in uw ogen,

O Maryah Aloha,

want Gij hebt ook gesproken over het huis van Uw knecht

betreffende de verre toekomst.

En dit is (naar) de gewoonte van de mens,

O Maryah Aloha.

7:20 “Wat kan David bovendien meer tegen U zeggen?

Want Gij kent Uw knecht goed,

O Maryah Aloha!

7:21 “Omwille van Uw woord,

en volgens Uw eigen hart,

hebt Gij al deze grootheid gedaan

om (het) Uw knecht te laten weten.

7:22 “Om deze reden zijt Gij groot,

O Maryah Aloha;

want er is niet één gelijk Gij,

  en er is geen Aloha behalve Gij,

overeenkomstig alles-

wat wij met onze oren hebben gehoord.

7:23 “En welke ene natie op de aarde is gelijk Uw volk Isra’el,

tot wie Aloha heenging om voor Zichzelf als een volk te verlossen

en om een naam voor Zichzelf te maken,

en om een groot ding te doen voor U

en ontzagwekkende dingen voor Uw land,

voor Uw volk dat Gij voor Uzelf uit Egypte hebt verlost,

en van naties en hun goden?

7:24 “Want Gij hebt voor uzelf Uw volk Isra’el gevestigd-

als Uw eigen volk voor eeuwig,

en Gij,

O Maryah,

zijt hun Aloha geworden.

ס

7:25 “Nu dus,

O Maryah Aloha,

het woord dat Gij hebt gesproken betreffende Uw knecht en zijn huis,

bekrachtig het voor eeuwig,

en doe zoals Gij gesproken hebt,

7:26 opdat Uw naam voor eeuwig moge vergroot worden,

door te zeggen,

‘Maryah van de heirscharen is Aloha over Isra’el’;

en moge het huis van Uw knecht David

voor U worden gevestigd.

7:27 “Want Gij,

O Maryah van de heirscharen,

Aloha van Isra’el,

hebt een openbaring gemaakt aan Uw knecht,

zeggende,

‘Ik zal u een huis bouwen’;

daarom heeft Uw knecht moed gevonden

om dit gebed tot U te bidden.

7:28 “Nu,

O Maryah Aloha,

Gij (alleen) zijt Aloha,

en Uw woorden zijn de waarheid,

en Gij hebt deze goede zaak aan uw knecht toegezegd.

7:29 “Nu dus,

moge het U behagen om het huis van Uw knecht te zegenen,

opdat het voor U voor eeuwig moge verdergaan.

Want Gij,

O Maryah Aloha,

hebt (het) gesproken;

en moge met Uw zegen-

het huis van Uw knecht-

voor eeuwig worden gezegend.”

פ

8:1 Nu gebeurde het daarna

dat David de P’lishtim versloeg en hen onderwierp;

en David nam-

de heerschappij over de hoofdstad- (Meteg-Amah)

vanuit de hand van de P’lishtim.

8:2 Hij versloeg Mo’av,

en mat ze met de lijn,

(door) hen te doen neerliggen op de grond;

en hij mat twee lijnen om ter dood te brengen

en één volle lijn om in leven te blijven.

En het volk van Mo’av-

werd dienaar van David,

en bracht eerbetoon.

8:3 Daarna versloeg David Hadad’ezer,

de zoon van Rechov koning van Tzovah,

terwijl hij ging-

om zijn heerschappij te herstellen

tot aan de Rivier.

8:4 David veroverde duizend en zevenhonderd paardrijders van hem-

en twintigduizend voetsoldaten;

en David maakte de strijdwagen paarden kreupel,

maar hield er genoeg van hen achter voor honderd strijdwagens.

8:5 Toen het volk van Aram van Dammesek,

Hadad’ezer (de) koning van Tzovah ter hulp kwam,

doodde David twee-en-twintig-duizend mannen van Aram.

8:6 Toen plaatste David garnizoenen onder het volk van Aram te Dammesek,

en Aram werd dienaar aan David,

en bracht eerbetoon.

En Maryah stond David bij waarheen hij ook ging.

8:7 David nam de schilden van goud

die gedragen werden door de knechten van Hadad’ezer

en bracht ze naar Yerushalayim.

8:8 Uit Betach en uit Berotai,

steden van Hadad’ezer,

  nam koning David een zeer grote hoeveelheid van brons.

ס

8:9 Wanneer nu To’i koning van Hamat hoorde-

dat David het hele leger van Hadad’ezer had verslagen,

8:10 zond To’i zijn zoon Yoram naar koning David

om hem te begroeten en te zegenen,

omdat hij had gestreden tegen Hadad’ezer en hem had verslagen;

want Hadad’ezer was in oorlog geweest met To’i.

En Yoram bracht voorwerpen van zilver met hem mee,

van goud en van brons.

8:11 Koning David wijdde deze ook aan Maryah,

samen met het zilver en goud-

dat hij gewijd had van al de naties-

die hij onderworpen had:

8:12 van Aram en Mo’av en de zonen van ‘Amon,

en de P’lishtim en ‘Amalek,

en van de roof van Hadad’ezer,

zoon van Rechov,

koning van Tzovah.

8:13 Zo maakte David een naam voor zichzelf-

toen hij terugkeerde-

door het doden van achttien-duizend mannen van Aram-

in de Vallei van Zout.

8:14 Hij plaatste garnizoenen in Edom.

In gans Edom plaatste hij garnizoenen,

en gans het volk van Edom werd dienaar aan David.

En Maryah ondersteunde David waarheen hij ook ging.

8:15 Zo regeerde David over gans Isra’el;

en David beheerde wet en recht-

voor gans zijn volk.

8:16 Yo’av de zoon van Tz’ruyah was over de legermacht,

en Y’hoshafat de zoon van Achilud was hoofd griffier.

8:17 Tzadok de zoon van Achituv-

en Achimelekh de zoon van Evyatar waren priesters,

en S’rayah was secretaris.

8:18 B’nayahu de zoon van Y’hoyada

ging over de K’reti en de P’leti

(dienstdoend als de lijfwachten van de koning);

en David’s zonen waren hoofddienaren.

ס

9:1 Vervolgens-

David zei,

“Is er nog één overgelaten van het huis van Sha’ul

dat ik hem goedheid moge bewijzen ter wille van Y’honatan?”

9:2 Nu was er een knecht van het huis van Sha’ul-

  wiens naam Tziva was,

en zij riepen hem bij David;

en de koning zei tegen hem,

“Zijt gij Tziva?”

En hij zei,

“Ik ben uw knecht.”

9:3 De koning zei,

“Is er nog niet één van het huis van Sha’ul

aan wie ik de goedheid van Aloha moge bewijzen?”

En Tziva zei tegen de koning,

“Er is nog een zoon van Y’honatan die aan beide voeten kreupel is.”

9:4 Dus zei de koning tegen hem,

“Waar is hij?”

En Tziva zei tegen de koning,

“Ziedaar!

Hij is in het huis van Makhir de zoon van ‘Ammi’el in Lo-D’var.”

9:5 Toen zond koning David

en haalde hem uit het huis van Makhir de zoon van ‘Ammi’el,

van Lo-D’var.

9:6 M’fivoshet,

de zoon van Y’honatan de zoon van Sha’ul,

kwam naar David en viel op zijn aangezicht en wierp zich ter aarde.

En David zei,

“M’fivoshet.”

En hij zei,

“Hier is uw knecht!”

9:7 David zei tegen hem,

“Vreest niet,

want ik zal zeker goedheid aan u bewijzen

ter wille van uw vader Y’honatan,

en zal aan u het gehele land van uw grootvader Sha’ul teruggeven;

en gij zult steeds aan mijn tafel eten.”

9:8 Opnieuw wierp hij zich ter aarde en zei,

“Wat is uw knecht,

dat gij een dode hond zoals ik zou bezien?”

9:9 Toen riep de koning Sha’ul’s knecht Tziva en zei tegen hem,

“Alles wat aan Sha’ul toebehoorde

en aan al zijn huis

heb ik aan uw meester’s kleinzoon gegeven.

9:10 “Gij en uw zonen en uw knechten

zullen het land voor hem bewerken,

en gij zult de opbrengst inbrengen

zodat uw meester’s kleinzoon voedsel moge hebben

(om zijn familie te voeden);

niettemin-

M’fivoshet uw meester’s kleinzoon

zal steeds aan mijn tafel eten.”

Nu had Tziva vijftien zonen en twintig knechten.

9:11 Toen zei Tziva tegen de koning,

“Overeenkomstig alles wat mijn heer de koning zijn knecht beveelt-

zo zal uw knecht ook doen.”

Zo at M’fivoshet aan David’s tafel als een van de Koning’s zonen.

9:12 M’fivoshet had een jonge zoon wiens naam Mikha was.

En iedereen die in het huis van Tziva woonde-

was knecht van M’fivoshet.

9:13 Zo woonde M’fivoshet in Yerushalayim,

want hij at steeds aan de koning’s tafel.

Nu was hij kreupel aan beide voeten.

פ

10:1 Nu gebeurde het later-

dat de koning van het volk van ‘Amon stierf,

en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats.

10:2 Toen zei David,

“Ik zal goedheid bewijzen aan Hanun de zoon van Nachash,

net zoals zijn vader goedheid aan mij bewees.”

  Dus zond David enkele van zijn knechten

om hem te troosten betreffende zijn vader.

Maar toen David’s knechten

bij het land van het volk van ‘Amon kwamen,

10:3 zeiden de voornaamsten van het volk van ‘Amon tegen hun heer Hanun,

“Denkt gij echt dat David uw vader eert

omdat hij troosters naar u heeft gezonden?

Heeft David zijn knechten niet naar u gezonden om de stad te doorzoeken,

om deze te verspieden en omver te werpen?”

10:4 Dus nam Hanun Davids knechten-

en scheerde de helft van hun baarden af,

en sneed hun kledingstukken halverwege af

tot aan hun heupen,

en stuurde ze (toen) weg.

10:5 Toen zij het aan David vertelden,

zond hij om hen te ontmoeten,

want de mannen waren zeer vernederd.

En de koning zei,

“Blijf te Yericho totdat uw baarden aangroeien,

  en kom dan terug.”

10:6 Toen nu de zonen van ‘Amon zagen

dat zij verfoeilijk voor David waren geworden,

zonden de zonen van ‘Amon

en huurden de Aram van Beit-Rechov

  en de Aram van Tzovah in,

twintigduizend voetsoldaten,

en de koning van Ma’akhah met duizend mannen,

en de mannen van Tov met twaalfduizend mannen.

10:7 Toen David ervan hoorde,

zond hij Yo’av en het hele leger,

de machtige mannen.

10:8 De zonen van ‘Amon kwamen uit

en trokken op in slagorde bij de ingang van de stad,

terwijl de mannen van Aram van Tzovah

  en van Rechov

en de mannen van Tov

en Ma’akhah

op zichzelf in het veld waren.

10:9 Toen Yo’av nu zag

dat de strijd tegen hem was ingesteld

vooraan en achteraan,

  koos hij uit al de uitverkoren mannen van Isra’el,

  en stelde hen op tegen Aram.

10:10 Maar het overblijfsel van het volk

plaatste hij in de hand van zijn broer Avishai,

en hij stelde hen op tegen de zonen van ‘Amon.

10:11 Hij zei,

“Indien Aram te sterk voor mij is,

dan zult gij mij helpen,

maar indien de zonen van ‘Amon te sterk voor u zijn,

dan zal ik u komen helpen.

10:12 “Wees sterk,

en laat ons onszelf moedig tonen

ter wille van ons volk

en voor de steden van onze Aloha;

en moge Maryah doen wat goed is in Zijn ogen.”

10:13 Dus trokken Yo’av en het volk dat bij hem was-

dichter bij de strijd tegen Aram,

en zij vluchtten voor hem.

10:14 Toen de zonen van ‘Amon zagen dat Aram vluchtte,

  vluchtten zij ook voor Avishai en kwamen de stad binnen.

Toen keerde Yo’av terug van het strijden tegen de zonen van ‘Amon

en kwam naar Yerushalayim.

10:15 Toen Aram zag dat zij door Isra’el verslagen waren,

verzamelden zij zich tezamen.

10:16 En Hadad’ezer zond en bracht het volk van Aram uit

dat over de Rivier was,

en zij kwamen te Heilam,

en Shovakh-

de bevelhebber van het leger van Hadad’ezer-

leidde hen.

ס

10:17 Toen het nu aan David verteld werd,

  verzamelde hij gans Isra’el tezamen

en stak de Yarden over,

en kwam te Heilam.

En Aram stelde zich op om David te ontmoeten-

en streed tegen hem.

10:18 Maar Aram vluchtte voor David,

en David doodde zevenhonderd wagenmenners van Aram-

en veertigduizend paardrijders-

en sloeg Shovakh neer-

de bevelhebber van hun leger,

en hij stierf daar.

10:19 Toen al de koningen,

ondergeschikten van Hadad’ezer,

zagen dat ze door Isra’el waren verslagen,

maakten zij vrede met Isra’el en dienden hen.

  Dus vreesde Aram de zonen van ‘Amon nog verder te helpen.

פ

11:1 Daarna-

het gebeurde in het voorjaar,

op het moment dat koningen uitgaan om te strijden,

dat David Yo’av uitzond en zijn knechten met hem en gans Isra’el,

en zij maakten de zonen van ‘Amon af en belegerden Rabbah.

Maar David bleef te Yerushalayim.

ס

11:2 Toen nu de avond kwam stond David op van zijn bed-

en wandelde rond op het dak van het koning’s huis,

en vanaf het dak zag hij een vrouw badend;

  en de vrouw was zeer knap van uiterlijk.

11:3 Dus zond David en informeerde over de vrouw.

  En één zei,

“Is dit niet Bat-Sheva,

de dochter van Eli’am,

de vrouw van Uriyah de Hitti?”

11:4 David zond bodes en nam haar mee,

  en toen ze naar hem toe kwam,

lag hij bij haar;

en toen ze zich had gezuiverd van haar onreinheid,

keerde ze naar haar huis terug.

11:5 De vrouw raakte zwanger;

en zij zond en vertelde David,

en zei,

“Ik ben zwanger.”

11:6 Toen zond David naar Yo’av,

zeggende,

“Zend mij Uriyah de Hitti.”

Dus zond Yo’av Uriyah naar David.

11:7 Toen Uriyah bij hem kwam,

vroeg David betreffende het welzijn van Yo’av

  en het volk

en de toestand van de strijd.

11:8 Toen zei David tegen Uriyah,

“Ga afwaarts naar uw huis,

en was uw voeten.”

En Uriyah ging uit van het koning’s huis,

en een geschenk van de koning

werd achter hem aan gezonden.

11:9 Maar Uriyah sliep bij de deur van het koning’s huis-

met al de knechten van zijn heer

en ging niet afwaarts naar zijn huis.

11:10 Toen zij David nu vertelden,

zeggende,

“Uriyah ging niet afwaarts naar zijn huis,”

zei David tegen Uriyah,

“Zijt gij niet (net) van een tocht aangekomen?

Waarom zijt gij niet afwaarts naar uw huis gegaan?”

11:11 Uriyah zei tegen David,

“De ark en Isra’el en Y’hudah verblijven in tijdelijke onderkomens,

en mijn heer Yo’av en de knechten van mijn heer

kamperen in het open veld.

  Zal ik dan naar mijn huis gaan

om te eten en om te drinken

en om met mijn vrouw te liggen?

  Op uw leven en het leven van uw ziel,

ik zal dit ding niet doen.”

11:12 Toen zei David tegen Uriyah,

“Blijf hier vandaag ook,

en morgen zal ik u laten gaan.”

Dus bleef Uriyah die dag en de volgende in Yerushalayim.

11:13 Nu riep David hem,

en hij at en dronk voor hem,

en hij maakte hem dronken;

en in de avond ging hij uit

om op zijn bed te liggen met de knechten van zijn heer,

maar hij ging niet afwaarts naar zijn huis.

11:14 Nu schreef David s’morgen een brief aan Yo’av

  en zond die door de hand van Uriyah.

11:15 Hij had in de brief geschreven,

zeggende,

“Plaats Uriyah in de frontlijn van de hevigste strijd

en trek (u) dan van hem terug,

zodat hij neergeslagen moge worden en sterft.”

ס

11:16 Dus gebeurde het toen Yo’av de wacht hield over de stad,

dat hij Uriyah op de plaats stelde

waarvan hij wist dat daar onverschrokken mannen waren.

11:17 De mannen van de stad gingen uit en streden tegen Yo’av,

en sommigen van het volk onder David’s knechten vielen;

en Uriyah de Hitti stierf ook.

11:18 Toen zond Yo’av-

en berichtte aan David al de gebeurtenissen van de strijd.

11:19 Hij beval de bode,

zeggende,

“Wanneer gij geëindigd zijt-

(met) al de gebeurtenissen van de strijd-

aan de koning te vertellen,

11:20 en indien het gebeurt-

dat de koning’s gramschap stijgt-

en hij tegen u zegt,

‘Waarom zijt gij zo dicht bij de stad gegaan om te strijden?

Wist gij niet dat zij van de muur zouden schieten?

11:21 ‘Wie sloeg Avimelekh de zoon van Yerubeshet neer?

Gooide niet een vrouw een bovenste molensteen op hem-

vanaf de muur

zodat hij te Tevetz stierf?

Waarom zijt gij zo dicht bij de muur gegaan?’–

dan zult gij zeggen

‘Uw knecht Uriyah de Hitti is ook dood.'”

11:22 Dus vertrok de bode-

en kwam-

en berichtte aan David-

alles waarom Yo’av hem had gezonden om te vertellen.

11:23 De bode zei tegen David,

“De mannen overheersten tegen ons

en kwamen uit tegen ons in het veld,

  maar wij drongen hen (terug) tot aan de ingang van de poort.

11:24 “Bovendien,

schoten de boogschutters op uw knechten vanaf de muur;

dus zijn sommige van de koning’s knechten dood,

en uw knecht Uriyah de Hitti is ook dood.”

ס

11:25 Vervolgens-

David zei tegen de bode,

“Zo zult gij tegen Yo’av zeggen,

  ‘Laat dit ding u niet mishagen,

want het zwaard verslindt zowel de één als de ander;

  maak uw strijd tegen de stad sterker en breng ze ten val’;

  en moedig hem zo aan.”

11:26 Wanneer nu de vrouw van Uriyah hoorde

dat haar man Uriyah dood was,

rouwde zij om haar man.

11:27 Toen de tijd van rouw voorbij was,

David zond-

en bracht haar naar zijn huis-

en zij werd zijn vrouw;

toen schonk zij hem een zoon.

Maar het ding dat David had gedaan-

was kwaad in het zicht van Maryah.

פ

12:1 Vervolgens-

Maryah zond Natan naar David.

En hij kwam naar hem toe en zei,

“Er waren twee mannen in één stad,

de ene rijk en de andere arm.

12:2 “De rijke man had een zeer grote schapenkudde en runderkudde,

12:3 “Maar de arme man had niets-

behalve één klein ooilam-

Die hij kocht en voedde;

En het groeide op samen met hem en zijn kinderen.

Het zou van zijn brood eten-

en van zijn beker drinken-

en in zijn schoot liggen,

En was als een dochter voor hem.

12:4 “Nu kwam een reiziger naar de rijke man,

En hij was onwillig om van zijn eigen schapenkudde-

of zijn eigen runderkudde te nemen,

Om voor de reizende man-

die naar hem toe gekomen was

iets te bereiden;

In plaats daarvan nam hij de arme man zijn ooilam

en bereidde het voor de man-

die naar hem toe gekomen was.”

12:5 Toen ontbrandde Davids toorn zeer tegen de man,

en hij zei tegen Natan,

“Zoals Maryah leeft,

de man die dit heeft gedaan-

verdient zeker om te sterven.

12:6 “Hij moet teruggave doen voor het lam-

viervoudig,

omdat hij dit ding deed

  en geen medelijden had.”

ס

12:7 Natan zei toen tegen David,

“Gij zijt de man!

ס

Zo zegt Maryah Aloha van Isra’el,

‘Ik ben het die u tot koning zalfde over Isra’el-

en Ik ben het die u redde uit de hand van Sha’ul.

12:8 ‘Ik gaf u ook uw meesters huis

en uw meesters vrouwen onder uw zorg,

en Ik gaf u het huis van Isra’el en Y’hudah;

en indien dat te weinig was geweest,

zou Ik aan u veel meer dingen zoals deze hebben toegevoegd!

12:9 ‘Waarom hebt gij het woord van Maryah veracht

door kwaad te doen in Zijn zicht?

Gij hebt Uriyah de Hitti met het zwaard neergeslagen,

hebt zijn vrouw genomen om uw vrouw te zijn,

en hebt hem doodgeslagen

met het zwaard van de zonen van ‘Amon.

12:10 ‘Nu dus,

het zwaard zal nooit van uw huis afwijken

  omdat gij Mij veracht hebt-

en de vrouw van Uriyah de Hitti genomen hebt-

om uw vrouw te zijn.’

ס

12:11 “Zo zegt Maryah,

‘Ziehier!

Ik zal kwaad vanuit uw eigen huishouden tegen u opwekken;

Ik zal zelfs uw vrouwen nemen voor uw ogen-

en ze aan uw metgezel geven,

  en hij zal met uw vrouwen liggen op klaarlichte dag.

12:12 ‘Inderdaad-

gij deed het heimelijk,

  maar Ik zal dit ding voor gans Isra’el doen,

en onder de zon.'”

ס

12:13 Vervolgens-

David zei tegen Natan,

“Ik heb gezondigd tegen Maryah.”

ס

En Natan zei tegen David,

“Maryah heeft ook uw zonde weggenomen;

gij zult niet sterven.

12:14 “Hoe dan ook,

omdat gij door deze daad

aan de vijanden van Maryah

gelegenheid hebt gegeven

  tot godslastering,

  moet ook het kind dat aan u geboren is immers sterven.”

12:15 Dus ging Natan naar zijn huis.

Toen trof Maryah het kind dat Uriyah’s weduwe voor David droeg.

  zodat hij erg ziek werd.

12:16 David vraagde daarom van Aloha voor het kind,

en David vastte-

en ging in-

en lag de hele nacht op de grond.

12:17 De oudsten van zijn huishouden stonden naast hem

  om hem van de grond op te tillen,

maar hij was onwillig

en wilde geen voedsel met hen eten

12:18 Toen gebeurde het op de zevende dag dat het kind stierf.

En de knechten van David waren bevreesd

om hem te vertellen dat het kind dood was,

want zij zeiden,

“Zie,

terwijl het kind nog leefde,

  spraken wij met hem en hij luisterde niet naar onze stem.

Hoe zullen wij hem dan vertellen dat het kind dood is,

aangezien hij zichzelf kwaad zou kunnen doen!”

12:19 Maar toen David zag dat zijn knechten tegen elkaar fluisterden,

vermoedde David dat het kind dood was;

dus zei David tegen zijn knechten,

“Is het kind dood?”

En zij zeiden,

“Hij is dood.”

12:20 Dus stond David op van de grond,

waste zich,

zalfde zich,

en veranderde zijn kleren;

  en hij kwam in het huis van Maryah en aanbad.

  Toen kwam hij naar zijn eigen huis,

en toen hij erom vroeg,

zetten zij hem voedsel voor en hij at.

12:21 Toen zeiden zijn knechten tegen hem,

“Wat is dit ding dat gij hebt gedaan?

Terwijl het kind levend was,

vastte en weende gij;

maar toen het kind stierf,

stond gij op en at voedsel.”

12:22 Hij zei,

“Terwijl het kind nog leefde,

vastte en weende ik;

want ik zei,

‘Wie weet,

Maryah zou aan mij genadig kunnen zijn,

zodat het kind moge leven.’

12:23 Maar nu hij gestorven is;

waarom zou ik vasten?

Kan ik hem weer terug brengen?

Ik zal naar hem toegaan,

maar hij zal naar mij niet terugkomen.”

12:24 Toen troostte David zijn vrouw Bat-Sheva,

en ging tot haar in en lag met haar;

en zij gaf geboorte aan een zoon,

en hij noemde hem Shlomo.

Nu had Maryah hem lief

12:25 en zond bericht door Natan de profeet,

om hem Y’didyah te noemen (geliefd bij Maryah)-

omwille van Maryah.

פ

12:26 Nu streed Yo’av tegen Rabbah van de zonen van ‘Amon-

  en nam de koninklijke stad in.

12:27 Yo’av zond bodes naar David en zei,

“Ik heb tegen Rabbah gestreden,

Ik heb zelfs de stad van wateren ingenomen.

12:28 “Nu dus,

verzamel de rest van het volk

en beleger tegen de stad en neem het in,

  of ik zal zelf de stad innemen

  en het zal naar mij worden genoemd.”

12:29 Dus verzamelde David al het volk

en ging naar Rabbah,

streed ertegen

en nam het in.

12:30 Toen nam hij de kroon van Malkam’s hoofd af;

en haar gewicht was één talent van goud,

en daarin was een kostbare steen;

en het werd op David’s hoofd geplaatst.

En hij bracht de roof van de stad naar buiten-

in grote aantallen.

12:31 Hij bracht ook het volk die daarin was naar buiten,

en legde ze onder zagen,

scherpe ijzeren werktuigen,

en ijzeren bijlen,

  en deed ze door de steenoven lopen.

  En zo deed hij aan al de steden van de zonen van ‘Amon.

  Toen keerde David en al het volk terug naar Yerushalayim.

פ

13:1 Nu gebeurde het hierna

dat Avshalom de zoon van David

een mooie zuster had

wiens naam Tamar was,

en Amnon de zoon van David had haar lief.

13:2 Amnon was zo gefrustreerd vanwege zijn zuster Tamar

dat hij zichzelf ziek maakte,

want zij was een maagd,

  en het leek moeilijk voor Amnon-

om haar iets aan te doen.

13:3 Maar Amnon had een vriend wiens naam Yonadav was,

de zoon van Shim’ah,

Davids broeder;

en Yonadav was een zeer gewiekste kerel.

13:4 Hij zei tegen hem,

“O zoon van de koning,

waarom zijt gij ochtend na ochtend zo moedeloos?

Wilt gij het mij niet vertellen?”

Toen zei Amnon tegen hem,

“Ik ben verliefd op Tamar,

de zuster van mijn broeder Avshalom.”

13:5 Yonadav zei toen tegen hem,

“Lig neder op uw bed en doe alsof gij ziek zijt;

wanneer uw vader komt om u te zien,

zeg tegen hem,

‘Alsjeblieft laat mijn zuster Tamar komen

en mij wat voedsel om te eten geven,

en laat haar het voedsel in mijn zicht bereidden,

zodat ik het zien kan en van haar hand eten.'”

13:6 Dus ging Amnon neder liggen en deed alsof hij ziek was;

toen de koning kwam om hem te zien,

zei Amnon tegen de koning,

“Alsjeblieft laat mijn zuster Tamar komen-

en mij een paar koeken maken in mijn zicht,

zodat ik van haar hand kan eten.”

13:7 Toen zond David naar het huis om Tamar,

zeggende,

“Ga nu naar uw broeder Amnon zijn huis,

en bereid voedsel voor hem.”

13:8 Dus ging Tamar naar haar broeder Amnon zijn huis,

en hij lag neder.

En zij nam deeg,

kneedde het,

maakte koeken in zijn zicht

en bakte de koeken.

13:9 Zij nam de pan en schepte ze voor hem uit,

  maar hij weigerde om te eten.

En Amnon zei,

“Laat iedereen van mij uitgaan.”

Dus ging iedereen van hem uit.

13:10 Toen zei Amnon tegen Tamar,

“Breng het voedsel in de slaapkamer,

opdat ik van uw hand moge eten.”

Dus nam Tamar de koeken die zij had gemaakt-

en bracht ze in de slaapkamer-

naar haar broer Amnon.

13:11 Toen zij ze naar hem bracht om te eten,

greep hij haar vast en zei tegen haar,

“Kom bij mij liggen, mijn zuster.”

13:12 Maar zij antwoordde hem,

“Neen,

mijn broer,

doe mij geen geweld aan,

want zulk een ding wordt in Isra’el niet gedaan;

doe dit schandelijke ding niet!

13:13 “Wat mij betreft,

waar zou ik mijn schande kwijtraken?

En wat u betreft,

gij zult als één van de dwazen in Isra’el zijn.

Nu dus,

alsjeblieft spreek met de koning,

want hij zal mij van u niet onthouden.”

13:14 Echter,

hij wilde naar haar niet luisteren;

vermits hij sterker was dan zij,

deed hij haar geweld aan en lag met haar.

13:15 Toen haatte Amnon haar met een zeer grote haat;

want de haat waarmee hij haar haatte

was groter dan de liefde waarmee hij haar had liefgehad.

En Amnon zei tegen haar,

“Sta op, ga weg!”

13:16 Maar zij zei tegen hem,

“Neen,

omdat dit grote kwaad-

door mij weg te sturen-

groter is dan het andere dat gij mij hebt aangedaan!”

Toch wilde hij niet naar haar luisteren.

13:17 Toen riep hij zijn jonge man die hem diende en zei,

“Gooi nu deze vrouw naar buiten vanuit mijn bijzijn,

en sluit de deur achter haar.”

13:18 Nu had zij een lange mouwen gewaad aan;

want de maagdelijke dochters van de koning

kleedden zich op deze wijze in gewaden.

Toen nam zijn bedienaar haar mee naar buiten

en hij sloot de deur achter haar.

13:19 Tamar legde as op haar hoofd

en scheurde haar lange mouwen gewaad dat op haar was;

  en zij legde haar hand op haar hoofd

en ging weg,

hardop huilend terwijl ze ging.

13:20 Toen zei Avshalom haar broer tegen haar,

“Is Amnon uw broer bij u geweest?

  Maar zwijg nu,

mijn zuster,

hij is uw broer;

neem deze zaak niet ter harte.”

Dus bleef Tamar-

en was troosteloos-

in haar broer Avshalom zijn huis.

13:21 Wanneer nu koning David over al deze dingen hoorde,

was hij zeer verbolgen.

13:22 Maar Avshalom sprak niet met Amnon-

  noch goed of kwaad;

want Avshalom haatte Amnon-

omdat hij zijn zuster Tamar geweld had aangedaan.

פ

13:23 Nu gebeurde het na twee volle jaren-

dat Avshalom schaapscheerders in Ba’al-Hatzor had,

dat vlakbij Efrayim is,

en Avshalom nodigde al de koning’s zonen uit.

13:24 Avshalom kwam naar de koning en zei,

  “Zie nu hier,

uw knecht heeft schaapscheerders;

alsjeblieft laat de koning en zijn knechten met uw knecht meegaan.”

13:25 Maar de koning zei tegen Avshalom,

“Neen,

mijn zoon,

we moeten niet allen gaan,

want wij zullen belastend voor u zijn.”

Hoewel hij hem dringend verzocht,

wilde hij niet gaan,

maar zegende hem.

13:26 Toen zei Avshalom,

“Indien (gij) niet (wilt meegaan),

alsjeblieft laat mijn broeder Amnon met ons meegaan.”

En de koning zei tegen hem,

“Waarom zou hij met u meegaan?”

13:27 Maar toen Avshalom hem dringend verzocht,

liet hij Amnon en al de koning’s zonen met hem meegaan.

ס

13:28 Avshalom gebood zijn knechten,

zeggende,

“Zie nu,

wanneer Amnon’s hart vrolijk is van wijn,

en wanneer ik tegen u zeg,

‘Slaat Amnon,’

breng hem dan ter dood.

Vreest niet;

heb ik u zelf niet bevolen?

Zijt moedig en wees dapper.”

13:29 De knechten van Avshalom deden aan Amnon

precies zoals Avshalom had geboden.

Toen stonden al de koningszonen op

en elk van hen besteeg zijn ezel en vluchtte.

13:30 Nu gebeurde het terwijl ze onderweg waren

  dat het gerucht naar David kwam,

zeggende,

“Avshalom heeft al de koningszonen neergeslagen,

en niet één van hen is in leven gelaten.”

פ

13:31 Vervolgens-

de koning stond op,

scheurde zijn kleren en ging op de grond liggen;

en al zijn knechten stonden er (ook) bij met gescheurde kleren.

ס

13:32 Yonadav,

de zoon van Shim’ah,

Davids broer,

reageerde,

“Laat mijn heer niet veronderstellen

dat zij al de jonge mannen ter dood hebben gebracht,

de koningszonen,

want alleen Amnon is dood;

want door de bedoeling van Avshalom is dit bepaald geweest-

sinds de dag dat hij zijn zuster Tamar geweld heeft aangedaan.

13:33 Nu dus,

laat mijn heer de koning het gerucht niet ter harte nemen,

namelijk dit,

‘al de koningszonen zijn dood,’

want alleen Amnon is dood.”

פ

13:34 Nu was Avshalom gevlucht.

En de jonge man die de wachter was hief zijn ogen op en keek uit,

en ziedaar,

veel volk was komende langs de weg achter hem-

over de helling van de berg.

13:35 Yonadav zei tegen de koning,

“Ziedaar!

De koningszonen zijn komend;

overeenkomstig uw knecht zijn woord,

zo is het gebeurd.”

13:36 Zodra hij was uitgesproken,

ziedaar!

de koningszonen kwamen en hieven hun stemmen op en weenden;

en ook de koning en al zijn knechten weenden zeer bitter.

13:37 Nu vluchtte Avshalom en ging naar Talmai de zoon van ‘Ammihud,

de koning van G’shur.

En David rouwde elke dag om zijn zoon.

13:38 Zo was Avshalom gevlucht en naar G’shur gegaan,

en was daar gedurende drie jaren.

13:39 Het hart van koning David verlangde uit te gaan naar Avshalom;

want hij was getroost aangaande Amnon,

sinds hij dood was.

ס

14:1 Nu merkte Yo’av de zoon van Tz’ruyah

dat het koning’s hart naar Avshalom neigde.

14:2 Dus zond Yo’av naar T’koa-

en bracht vandaar een wijze vrouw mee

en zei tegen haar,

“Alsjeblieft doe alsof ge een rouwende zijt,

en trek nu rouwkleding aan,

en zalf u zelf niet met olie,

maar wees als een vrouw

die al vele dagen om de doden heeft gerouwd;

14:3 ga dan naar de koning toe

en spreek op deze wijze tegen hem.”

Dus legde Yo’av de woorden in haar mond.

14:4 Terwijl nu de vrouw van T’koa tegen de koning sprak,

viel ze op haar aangezicht op de grond

en verootmoedigde zich

en zei,

“Help,

O koning.”

ס

14:5 De koning zei tegen haar,

“Wat is uw probleem?”

En zij antwoordde,

“Ik ben waarlijk een weduwe,

want mijn man is gestorven.

14:6 “Uw dienstmeid had twee zonen,

maar de twee (van hen) worstelden samen in het veld,

en er was niet één om ze te scheiden,

dus sloeg de een de ander en doodde hem.

14:7 “Zie nu,

de hele familie is tegen uw dienstmeid opgestaan,

en zij zeggen,

‘Overhandig degene die zijn broer sloeg,

opdat wij hem ter dood kunnen brengen

voor het leven van zijn broer die hij doodde,

  en zo ook de erfgenaam verdelgen.’

Zo zullen zij mijn enige kool die overgebleven is uitdoven,

alleen dus om mijn man-

geen naam noch overblijfsel te laten-

op het aangezicht van de aarde.”

פ

14:8 Vervolgens-

de koning zei tegen de vrouw,

“Ga naar uw huis,

en ik zal betreffende u bevelen geven.”

14:9 De vrouw van T’koa zei tegen de koning,

“O mijn heer,

de koning,

de ongerechtigheid is op mij en op mijn vaders huis,

maar de koning en zijn troon zijn schuldloos.”

ס

14:10 Dus zei de koning,

“Wie er ook tegen u spreekt,

breng hem naar mij toe,

en hij zal u niet meer aanraken.”

14:11 Toen zei zij,

“Alsjeblieft laat de koning Maryah uw Aloha gedenken,

zodat de wreker van bloed niet zal blijven vernietigen,

anders zullen zij mijn zoon vernietigen.”

En hij zei,

  “Zo Maryah leeft,

zal (er) niet één haar van uw zoon op de grond vallen.”

14:12 Toen zei de vrouw,

“Alsjeblieft-

laat uw dienstmeid nog één woord spreken-

tegen mijn heer de koning.”

En hij zei,

“Spreek verder.”

ס

14:13 De vrouw zei,

“Waarom hebt gij dan zulk een ding tegen het volk van Aloha gepland?

  Want door dit woord te spreken is de koning als één die schuldig is,

  omdat de koning de zoon die hij verbannen heeft-

niet meer weder thuisbrengt.

14:14 “Want wij zullen immers sterven

en zijn als water dat op de grond gemorst

niet meer kan worden verzameld.

Maar Aloha neemt het leven niet weg,

maar hij (de koning) plant wegen

zodat de verbannen zoon

van hem niet zal worden uitgeworpen.

14:15 “Nu-

de reden dat ik gekomen ben

om dit woord tegen mijn heer de koning te spreken is

omdat het volk mij bevreesd heeft gemaakt;

dus zei uw dienstmeid,

‘Laat mij nu tegen de koning spreken,

misschien zal de koning het verzoek van zijn dienstmeid uitvoeren.

14::16 ‘Want de koning zal luisteren-

en zijn dienstmeid redden-

van de hand van de man-

  die zowel mij en mijn zoon-

van het erfdeel van Aloha wil tenietdoen.’

14:17 “Toen zei uw dienstmeid,

‘Alsjeblieft laat het woord van mijn heer de koning troostend zijn,

want als de engel van Aloha,

zo is mijn heer de koning om goed van kwaad te onderscheiden.

En moge Maryah uw Aloha met u zijn.'”

פ

14:18 Vervolgens-

de koning antwoordde en zei tegen de vrouw,

“Alsjeblieft verberg niets voor mij-

dat ik van plan ben om u te vragen.”

En de vrouw zei,

“Laat mijn heer de koning alsjeblieft spreken.”

14:19 Dus zei de koning,

“Is de hand van Yo’av met u in dit alles?”

En de vrouw beantwoordde,

“Zo uw ziel leeft,

mijn heer de koning,

niet één kan naar de rechterhand of naar de linkerhand afwenden

van alles wat mijn heer de koning gesproken heeft.

Inderdaad,

het was uw knecht Yo’av die mij gebood,

en het was hij die al deze woorden in de mond van uw dienstmeid legde;

14:20 om het uiterlijk der dingen te veranderen

heeft uw knecht Yo’av dit ding gedaan.

Maar mijn heer is wijs,

hij heeft de wijsheid van de engel van Aloha,

om alles te begrijpen wat er op de aarde is.”

ס

14:21 Vervolgens-

de koning zei tegen Yo’av,

“Zie nu hier,

ik zal dit ding zeker doen;

ga dus,

(en) breng de jonge man Avshalom terug.”

14:22 Yo’av viel op zijn aangezicht op de grond,

verootmoedigde zich en zegende de koning;

toen zei Yo’av,

“Vandaag weet uw knecht dat ik gunst gevonden heb in uw zicht,

O mijn heer,

de koning,

opdat de koning het verzoek van zijn knecht heeft uitgevoerd.”

14:23 Dus stond Yo’av op

en ging naar G’shur

en bracht Avshalom naar Yerushalayim toe.

ס

14:24 Echter,

de koning zei,

“Laat hem naar zijn eigen huis terugkeren,

en laat hem mijn aangezicht niet zien.”

Dus keerde Avshalom terug naar zijn eigen huis-

en (hij) zag de koning zijn aangezicht niet.

ס

14:25 Nu was er in heel Isra’el niet één zo schoon als Avshalom,

zo zeer geprezen;

vanaf de zool van zijn voet tot de kruin van zijn hoofd toe

was er geen gebrek aan hem.

14:26 Toen hij het haar van zijn hoofd afknipte

(En het was aan het einde van elk jaar dat hij het afknipte,

want het was zwaar op hem dus knipte hij het af),

woog hij het haar van zijn hoofd op tweehonderd shekels-

(met behulp van het koninklijke gewicht).

14:27 Aan Avshalom werden er drie zonen geboren,

en één dochter-

wiens naam Tamar was;

ze was een vrouw schoon van uiterlijk.

פ

14:28 Nu verbleef Avshalom twee volle jaren in Yerushalayim,

en (hij) zag het aangezicht van de koning niet.

14:29 Toen zond Avshalom naar Yo’av,

om hem naar de koning te zenden,

maar hij wilde niet naar hem toe komen.

Dus zond hij bovendien een tweede keer,

maar hij wilde (nog altijd) niet komen.

14:30 Daarom zei hij tegen zijn knechten,

“Zie,

Yo’av’s akker is naast de mijne,

en hij heeft daar gerst;

ga heen en steek het in brand.”

Dus staken de knechten van Avshalom de akker in brand.

פ

14:31 Vervolgens-

Yo’av stond op,

kwam naar Avshalom in zijn huis en zei tegen hem,

“Waarom hebben uw knechten mijn akker in brand gestoken?”

14:32 Avshalom antwoordde Yo’av,

“Ziehier,

ik zond naar u,

zeggende,

‘Kom hierheen,

dat ik u naar de koning moge zenden,

om te zeggen,

“Waarom ben ik van G’shur gekomen?

het zou beter voor mij zijn om daar nog te zijn.”‘

Nu dus,

laat mij de koning zijn aangezicht zien,

en indien er ongerechtigheid in mij is,

laat hem mij ter dood brengen.”

14:33 Dus toen Yo’av naar de koning kwam en het hem vertelde,

riep hij om Avshalom.

Dus kwam hij naar de koning-

en wierp zich voorover-

op zijn aangezicht naar de grond-

voor de koning,

en de koning kuste Avshalom.

ס

15:1 Nu gebeurde het daarna-

dat Avshalom voor zichzelf een strijdwagen en paarden voorzag-

  en vijftig mannen als hardlopers voor hem.

15:2 Avshalom was gewoon om vroeg op te staan

en stond naast de weg naar de poort;

en wanneer enig man een rechtsgeding had

om naar de koning te komen voor vonnis,

zou Avshalom tot hem roepen en zeggen,

“Uit welke stad zijt gij?”

En hij zou zeggen,

“Uw knecht is uit één van de stammen van Isra’el.”

15:3 Dan zou Avshalom tegen hem zeggen,

“Zie,

uw eisen zijn goed en recht,

maar van de kant van de koning-

aanhoort geen mens u.”

15:4 Bovendien,

Avshalom zou zeggen,

“Oh dat één mij tot rechter in het land zou benoemen,

  dan zou elke man die een rechtsgeding of zaak heeft-

naar mij toe kunnen komen-

en ik zou hem recht schenken.”

15:5 En als een man naderbij kwam

om zich voor hem ter aarde te werpen,

zou hij zijn hand uitsteken

en hem vastgrijpen

en hem kussen.

15:6 Op deze wijze handelde Avshalom met (ieder in) gans Isra’el-

die tot de koning kwam voor vonnis;

  en zo stal Avshalom de harten van de mannen van Isra’el weg.

פ

15:7 Nu gebeurde het aan het einde van veertig jaren

dat Avshalom tegen de koning zei,

“Alsjeblieft laat mij gaan-

en mijn gelofte voldoen-

die ik aan Maryah gezworen heb,

in Hevron.

15:8 Want uw knecht legde een gelofte af-

terwijl ik te G’shur in Aram leefde,

zeggende,

‘Indien Maryah mij inderdaad naar Yerushalayim zal terugbrengen,

dan zal ik Maryah dienen.'”

15:9 De koning zei tegen hem,

“Ga in vrede.”

Dus stond hij op en ging naar Hevron.

פ

15:10 Maar Avshalom zond spionnen doorheen al de stammen van Isra’el,

zeggende,

“Zodra gij het geluid van de sjofar hoort,

dan zult gij zeggen,

‘Avshalom is koning in Hevron.'”

15:11 Toen gingen er tweehonderd mannen

met Avshalom vanuit Yerushalayim,

die genodigd waren en onschuldig gingen,

en zij wisten van geen ding.

15:12 En Avshalom zond om Achitofel de Giloni,

Davids raadgever,

uit zijn stad Giloh,

terwijl hij de offers aanbood.

En de samenzwering werd sterk,

want het volk nam voortdurend toe met Avshalom.

15:13 Toen kwam er een boodschapper naar David,

zeggende,

“De harten van de mannen van Isra’el zijn met Avshalom.”

15:14 David zei tegen al zijn knechten die met hem in Yerushalayim waren,

“Sta op en laat ons vluchten,

want anders zal geen van ons van Avshalom ontkomen.

Ga in haast,

of hij zal ons snel inhalen

en rampspoed over ons brengen

en de stad met de snede van het zwaard treffen.”

15:15 Toen zeiden de koningsknechten tegen de koning,

“Ziehier!

uw knechten zijn bereid om alles te doen

wat mijn heer de koning verkiest.”

15:16 Dus ging de koning uit en al zijn huishouden met hem.

Maar de koning liet tien bijvrouwen achter

om het huis te bewaren.

15:17 De koning ging uit en al het volk met hem,

en zij stopten bij het laatste huis.

15:18 Nu gingen al zijn knechten aan hem voorbij,

al de K’reti,

al de P’leti en al de Gittim,

zeshonderd mannen die met hem uit Gath waren gekomen,

passeerden (in parade) voor de koning.

ס

15:19 Vervolgens-

de koning zei tegen Ittai de Gitti,

“Waarom wilt gij ook met ons meegaan?

Keer terug en blijf bij uw koning,

want gij zijt een vreemdeling en ook een balling;

keer naar uw eigen plaats terug.

15:20 “Gij zijt pas gisteren aangekomen,

en zal ik u vandaag met ons doen rondtrekken,

terwijl ik ga waar ik wil?

  Keer terug en neem uw broeders terug mee,

  weldadigheid en waarachtigheid zij met u.”

15:21 Maar Ittai antwoordde de koning en zei,

“Zoals Maryah leeft,

en zoals mijn heer de koning leeft,

waar mijn heer de koning ook moge zijn,

hetzij tot de dood of tot het leven,

daar zal ook uw knecht zijn.”

15:22 Daarom zei David tegen Ittai,

“Ga en steek over.”

Dus stak Ittai de Gitti over

met al zijn mannen

en al de kleinen die met hem waren.

15:23 Terwijl het ganse land weende met een luidde stem,

  stak al het volk over.

De koning stak ook Vadi Kidron (Beek Kidron) over,

en al het volk stak over-

naar de weg van de woestijn toe.

15:24 Zie nu,

Tzadok kwam ook,

  en al de L’vi’im met hem

  dragende de ark van het verbond van Aloha.

  En zij zetten de ark van Aloha neer,

en Evyatar kwam opwaarts

totdat al het volk het verlaten van de stad geëindigd had.

ס

15:25 De koning zei tegen Tzadok,

“Breng de ark van Aloha terug naar de stad.

Indien ik gunst vind in het zicht van Maryah,

dan zal Hij mij weer terugbrengen

  en mij zowel deze

als Zijn woning

laten zien.

15:26 “Maar indien Hij zo zou zeggen,

‘Ik heb geen behagen in u,’

zie,

hier ben ik,

laat Hem aan mij doen

  zoals het Hem goed lijkt.”

ס

15:27 De koning zei ook tegen Tzadok de priester,

“Zijt gij niet een ziener?

Keer in vrede terug naar de stad

en uw twee zonen met u,

uw (eigen) zoon Achima’atz

en Y’honatan de zoon van Evyatar.

15:28 “Zie,

ik ga wachten bij de lage plaatsen van de woestijn

totdat er bericht van u komt om mij te informeren.”

15:29 Dus brachten Tzadok en Evyatar-

de ark van Aloha terug naar Yerushalayim en (zij) bleven daar.

15:30 En David ging op de helling van de Berg van Olijven,

en weende toen hij ging,

en zijn hoofd was bedekt en hij wandelde blootsvoets.

Daarop bedekte-

(van) al het volk dat met hem was-

ieder zijn hoofd-

en (zij) gingen wenende opwaarts-

terwijl zij gingen.

15:31 Nu vertelde een zeker iemand tegen David,

zeggende,

“Achitofel is onder de samenzweerders met Avshalom.”

En David zei,

“O Maryah,

ik bid,

maak de raad van Achitofel dwaasheid.”

15:32 Het gebeurde toen David naar de top kwam,

  waar Aloha werd aanbeden,

dat zie,

Hushai de Arki hem ontmoette met zijn tuniek gescheurd-

en stof op zijn hoofd.

15:33 David zei tegen hem,

“Indien gij met mij overgaat,

dan zult gij een last voor mij zijn.

15:34 “Maar indien gij terugkeert naar de stad,

en tegen Avshalom zegt,

‘Ik zal uw knecht zijn,

O koning;

  zoals ik in het verleden uw vaders knecht ben geweest,

zo zal ik nu uw knecht zijn,’

dan kunt gij voor mij de raad van Achitofel dwarsbomen.

15:35 “Zijn Tzadok en Evyatar de priesters daar niet met u?

  Het zal dus zo zijn-

dat wat gij ook hoort-

uit het huis van de koning,

gij aan Tzadok en Evyatar de priesters zult melden.

15:36 “Ziedaar!

hun twee zonen zijn daar met hen,

Achima’atz,

Tzadok’s zoon en Y’honatan,

Evyatar’s zoon,

en door hen zult gij mij alles zenden wat gij hoort.”

15:37 Dus Hushai,

Davids vriend,

kwam de stad binnen,

en Avshalom kwam te Yerushalayim.

ס

16:1 Toen David nu een beetje voorbij de top was gegaan,

ziedaar,

Tziva de knecht van M’fivoshet ontmoette hem

met een paar gezadelde ezels,

  en op hen waren tweehonderd broden

  en honderd trossen van rozijnen,

en honderd stuks zomervruchten,

en een kruik met wijn.

16:2 De koning zei tegen Tziva,

“Waarom hebt gij deze?”

En Tziva zei,

“De ezels zijn voor het huishouden van de koning om op te rijden,

en het brood en de zomervruchten voor de jonge mannen om te eten;

  en de wijn;

voor al wie verzwakt is in de woestijn-

om te drinken.”

16:3 Toen zei de koning,

“En waar is uw meester’s zoon?”

En Tziva zei tegen de koning,

“Ziedaar,

hij blijft in Yerushalayim,

want hij zei,

‘Vandaag zal het huis van Isra’el-

het koningschap van mijn vader aan mij teruggeven.'”

16:4 Dus zei de koning tegen Tziva,

“Ziehier,

alles wat aan M’fivoshet toebehoort is het uwe.”

En Tziva zei,

“Ik werp mezelf neer;

laat mij gunst vinden in uw zicht,

O mijn heer,

de koning!”

16:5 Toen koning David te Bachurim aankwam,

ziedaar!

Daar kwam een man vandaan

uit de familie van het huis van Sha’ul

wiens naam Shim’i was,

de zoon van Gera;

hij kwam voortdurend vloekend voorbij

terwijl hij kwam.

16:6 Hij gooide stenen naar David

en naar al de knechten van koning David;

  ofschoon zelfs al het volk

en al de machtige mannen

aan zijn rechter en aan zijn linkerhand waren.

16:7 Dus zei Shim’i toen hij vervloekte,

“Ga weg hier,

wegwezen hier,

gij man van bloedvergieten,

gij waardeloze kerel!

16:8 “Maryah heeft al het bloedvergieten

van het huis van Sha’ul

op u terug doen komen,

in wiens plaats gij hebt geregeerd,

  en Maryah heeft het koningschap

in de hand van uw zoon Avshalom gegeven.

En zie,

gij wordt door uw eigen kwaad meegenomen,

  want gij zijt een man van bloedvergieten!”

16:9 Toen zei Avishai de zoon van Tz’ruyah tegen de koning,

“Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vervloeken?

Laat mij nu overgaan

  en zijn kop afhakken.”

ס

16:10 Maar de koning zei,

“Wat heb ik met u te doen,

O zonen van Tz’ruyah?

zo hij vervloekt,

en als Maryah hem heeft verteld,

‘Vervloek David,’

wie zal dan zeggen,

‘Waarom hebt gij zo gedaan?'”

ס

16:11 Vervolgens-

David zei tegen Avishai en tegen al zijn knechten,

“Ziedaar,

mijn zoon die van mij uitkwam zoekt mijn leven;

hoeveel temeer nu deze Binyamini?

Laat hem met rust en laat hem vervloeken,

want Maryah heeft het hem verteld.

16:12 “Wellicht zal Maryah op mijn ellende zien

en goed aan mij terugkeren-

in plaats van zijn gevloek deze dag.”

16:13 Dus gingen David en zijn mannen op de weg;

ס

en Shim’i ging voort op de glooiing evenwijdig met hem

en terwijl hij ging vervloekte hij

en wierp stenen

en smeet stof naar hem.

פ

16:14 De koning en al het volk dat met hem was kwamen uitgeput aan-

en hij verfriste zich daar.

16:15 Avshalom en al het volk,

  de mannen van Isra’el,

gingen daarentegen Yerushalayim binnen,

en Achitofel met hem.

16:16 Nu gebeurde het wanneer Hushai de Arki,

David’s vriend,

naar Avshalom kwam,

dat Hushai tegen Avshalom zei,

“Lang leve de koning!

Lang leve de koning!”

16:17 Avshalom zei tegen Hushai,

“Is dit uw loyaliteit aan uw vriend?

Waarom zijt gij niet met uw vriend meegegaan?”

16:18 Toen zei Hushai tegen Avshalom,

“Neen!

Want wie Maryah,

dit volk,

en al de mannen van Isra’el ook hebben verkozen,

de zijne zal ik zijn,

en bij hem zal ik blijven.

16:19 “Overigens,

wie moet ik dienen?

Moet ik niet dienen in bijzijn van zijn zoon?

Precies zoals ik in uw vader’s bijzijn heb gediend ,

zo zal ik in uw bijzijn zijn.

פ

16:20 Vervolgens-

Avshalom zei tegen Achitofel,

“Geef uw advies.

Wat moeten wij doen?”

16:21 Achitofel zei tegen Avshalom,

“Ga in tot uw vader’s bijvrouwen,

die hij heeft achtergelaten om het huis te bewaren;

dan zal gans Isra’el horen

dat gij uzelf verachtelijk hebt gemaakt voor uw vader.

De handen van allen die met u zijn-

zullen ook worden versterkt.”

16:22 Dus sloegen zij een tent op-

voor Avshalom-

op het dak,

en Avshalom ging in tot de bijvrouwen van zijn vader-

in het zicht van gans Isra’el.

16:23 Het advies van Achitofel,

die hij in die dagen gaf,

was alsof men naar het woord van Aloha vroeg;

dus was al het advies van Achitofel-

als hoog aangeschreven-

zowel bij David als Avshalom.

ס

17:1 En ook,

zei Achitofel tegen Avshalom,

“Alsjeblieft laat mij twaalfduizend mannen uitkiezen-

dat ik moge opstaan-

en David deze nacht najagen.

17:2 “Ik zal onverwacht op hem afkomen

terwijl hij vermoeid en uitgeput is

en hem schrik aanjagen,

zo dat al het volk dat met hem is zal vluchten.

Dan zal ik alleen de koning neerstoten,

17:3 en ik zal al het volk naar u terugbrengen.

De terugkeer van iedereen

is afhankelijk van de man die gij zoekt;

dan zal al het volk in vrede zijn.”

17:4 Dus het plan verheugde Avshalom

en al de oudsten van Isra’el.

ס

17:5 Vervolgens-

Avshalom zei,

“Roep nu ook Hushai de Arki,

en laat ons horen wat hij te zeggen heeft.”

17:6 Toen Hushai naar Avshalom was gekomen,

zei Avshalom tegen hem,

“Achitofel heeft zo gesproken.

Zullen wij zijn plan uitvoeren?

  zo niet,

spreekt gij.”

ס

17:7 Dus zei Hushai tegen Avshalom,

“Deze keer is het advies dat Achitofel heeft gegeven niet goed.”

17:8 Bovendien,

zei Hushai,

“Gij kent uw vader en zijn mannen,

dat zij machtige mannen zijn

en ze zijn fel,

gelijk een beer (die) in het veld van haar jongen (is) beroofd.

  En uw vader is een expert in oorlogsvoering,

en zal de nacht niet doorbrengen met het volk.

17:9 “Ziedaar!

Hij heeft zich nu verborgen-

in één van de grotten of in een andere plaats;

en het zal zijn wanneer hij bij de eerste aanval op hun valt,

dat wie het ooit hoort zal zeggen,

‘Er is een slachting geweest onder het volk dat Avshalom volgt.’

17:10 En zelfs die ene die dapper is,

wiens hart gelijk het hart van een leeuw is,

zal het hart volledig verliezen;

want heel Isra’el weet

dat uw vader een machtig man is

en (dat) zij die met hem zijn-

dappere mannen zijn.

17:11 “Maar ik raad u aan

dat heel Isra’el zeker tot u wordt verzameld,

  van Dan af zelfs tot Be’er-Sheva,

zoals de zandkorrels die in overvloed bij de zee-oever zijn.

  en dat gij persoonlijk in de strijd gaat.

17:12 “Zo zullen wij naar hem toe komen

  in één van de plaatsen waar hij te vinden is,

en wij zullen op hem vallen zoals de dauw op de grond valt;

en van hem en van al de mannen die met hem zijn,

zal (er) zelfs niet één worden overgelaten.

17:13 Indien hij (zich) terugtrekt in een stad,

dan zal heel Isra’el koorden naar die stad brengen,

en wij zullen ze de vallei in slepen-

totdat daar niet eens één kiezelsteentje gevonden wordt.”

פ

17:14 Vervolgens-

Avshalom en al de mannen van Isra’el zeiden,

“De raad van Hushai de Arki is beter dan de raad van Achitofel.”

ס

Want Maryah had verordend

om de goede raad van Achitofel te dwarsbomen,

zo dat Maryah rampspoed over Avshalom brengen zou.”

ס

17:15 Toen zei Hushai tegen Tzadok en tegen Evyatar de priesters,

“Dit is wat Achitofel Avshalom adviseerde

en de oudsten van Isra’el,

en dit is wat ik heb geadviseerd.

17:16 “Nu dus,

zend snel en vertel David,

zeggende,

‘Breng de nacht niet door aan de lage plaatsen van de woestijn,

maar steek met alle middelen over,

of anders zal de koning

en al het volk dat bij hem is worden vernietigd.'”

17:17 Y’honatan en Achima’atz verbleven nu te ‘Ein-Rogel,

en een dienstmeid zou gaan en het hen vertellen,

en zij zouden gaan en het koning David vertellen,

  want zij mochten niet worden gezien-

(als zij) de stad ingingen.

17:18 Maar een knaap zag hen en vertelde het Avshalom;

dus vertrokken de twee van hen snel

en kwamen bij het huis van een man in Bachurim,

die een put in zijn binnenplaats had,

en zij gingen afwaarts daarin.

17:19 En zijn vrouw nam een bedekking

en spreidde het over de opening van de put uit-

en waaierde er graan over uit,

zodat er niets bekend werd.

17:20 Toen kwamen Avshalom’s knechten

naar de vrouw bij het huis

en zeiden,

“Waar zijn Achima’atz en Y’honatan?”

En de vrouw zei tegen hen,

“Zij zijn het beekje van water overgestoken.”

En toen zij zochten en hen niet vinden konden,

keerden zij terug naar Yerushalayim.

ס

17:21 Het gebeurde nadat zij waren vertrokken-

dat de twee vanuit de put opkwamen-

en weggingen en het koning David vertelden;

en zij zeiden tegen David,

“Sta op en steek het water snel over-

omdat Achitofel dus advies heeft gegeven tegen u.”

17:22 Toen stonden David en al het volk dat me hem was op

en staken de Yarden over;

en bij dageraad bleef er zelfs geen één achter

die de Yarden niet was overgestoken.

17:23 Toen Achitofel nu zag dat zijn raad niet werd opgevolgd,

zadelde hij zijn ezel en stond op en ging naar zijn huis,

naar zijn stad,

en bracht zijn huis op orde,

en wurgde zichzelf;

dus stierf hij en werd begraven in het graf van zijn vader.

ס

17:24 Vervolgens-

David kwam naar Machanayim.

En Avshalom stak de Yarden over,

hij en al de mannen van Isra’el met hem.

17:25 Avshalom stelde ‘Amasa over het leger in plaats van Yo’av.

  ‘Amasa nu was de zoon van een man wiens naam Yitra de Isra’eli was,

die inging tot Avigal de dochter van Nachash,

zuster van Tz’ruyah,

Yo’av’s moeder.

17:26 En Isra’el en Avshalom sloegen hun kamp op in het land van Gil’ad.

ס

17:27 Toen David nu naar Machanayim was gekomen,

  Shovi de zoon van Nachash,

van Rabbah van de zonen van ‘Amon,

(en) Machir de zoon van ‘Ammi’el van Lo-D’var

en Barzillai de Gil’adi van Roglim,

17:28 brachten bedden,

bekkens, aardewerk,tarwe,

gerst, bloem, gedroogde granen,

bonen, linzen, gedroogde zaden,

17:29 honing, wrongel, schapen, en kaas van de kudde,

voor David en voor het volk dat met hem was,

om te eten;

want zij zeiden,

“Het volk is hongerig en vermoeid en dorstig in de woestijn.”

ס

18:1 Vervolgens-

David telde het volk dat met hem was

en stelde over hen bevelhebbers van duizenden-

en bevelhebbers van honderden.

18:2 David zond het volk uit,

één derde onder bevel van Yo’av,

één derde onder bevel van Avishai de zoon van Tz’ruyah,

Yo’av’s broer,

en één derde onder bevel van Ittai de Gitti.

ס

En de koning zei tegen het volk,

“Ik zal ook zelf zeker met u uitgaan.”

18:3 Maar het volk zei,

“Gij moet niet uitgaan;

want als wij inderdaad vluchten,

zullen zij om ons niet geven;

zelfs als de helft van ons sterft,

zullen zij om ons niet geven.

Maar gij zijt tienduizend van ons waard;

daarom is het nu beter

dat gij klaar zijt om ons vanuit de stad bij te staan.”

ס

18:4 Vervolgens-

  de koning zei tegen hen,

“Wat aan u ook het beste lijkt zal ik doen.”

Dus stond de koning naast de poort,

en al het volk ging uit met honderden en duizenden.

18:5 De koning gelaste Yo’av en Avishai en Ittai,

zeggende,

“Handelt om mijnentwil zachtjes met de jonge man Avshalom.”

En al het volk hoorde het

toen de koning al de bevelhebbers gelaste betreffende Avshalom.

18:6 Daarop ging het volk uit-

het veld in tegen Isra’el,

  en de strijd gebeurde in het woud van Efrayim.

18:7 Het volk van Isra’el-

werd daar in het bijzijn van de knechten van David verslagen.

en die dag was de slachting daar-

twintigduizend mannen groot.

18:8 Want de strijd was daar verspreid over het hele platteland,

en het woud verslond die dag meer volk-

dan het zwaard verslond.

18:9 Nu kwam Avshalom toevallig de knechten van David tegen.

Daar Avshalom op zijn muildier reed,

en het muildier liep onder de dikke takken van een grote eik.

En zijn hoofd raakte al gouw gevangen in de eik,

dus bleef hij hangen tussen hemel en aarde,

terwijl het muildier die onder hem was door bleef gaan.

18:10 Toen een zeker man het zag,

vertelde hij het Yo’av en zei,

  “Ziedaar!

Ik zag Avshalom hangen in een eik.”

18:11 Toen zei Yo’av tegen de man die het hem had verteld,

  “Zie nu,

gij hebt hem gezien!

Waarom stootte je hem daar dan niet op de grond?

En ik zou u tien stukken van zilver en een gordel hebben gegeven.”

18:12 De man zei tegen Yo’av,

“Zelfs als ik duizend stukken van zilver in mijn hand zou ontvangen,

ik zou mijn hand niet uitsteken tegen de koning’s zoon;

want in ons gehoor gelaste de koning u en Avishai en Ittai,

zeggende,

‘Bescherm de jonge man Avshalom voor mij!’

18:13 “Anderszins,

indien ik trouweloos tegen zijn leven had gehandeld

(en er is niets verborgen voor de koning)

dan zoudt gij uzelf afzijdig hebben gehouden.”

18:14 Toen zei Yo’av,

“Ik zal hier geen tijd met u verspillen.”

Dus nam hij drie spiesen in zijn hand

en stootte ze door het hart van Avshalom

terwijl hij nog in leven was in het midden van de eik.

18:15 En tien jonge mannen die Yo’av’s wapenrusting droegen-

verzamelden rond Avshalom-

en sloegen en doodden hem.

18:16 Toen blies Yo’av de shofar,

en het volk keerde terug van Isra’el na te jagen,

want Yo’av hield het volk in toom.

18:17 Zij namen Avshalom en wierpen hem in een diepe put in het woud-

en stapelden een zeer grote hoop van stenen over hem heen.

En heel Isra’el vluchtte,

elkeen naar zijn tent.

18:18 Nu had Avshalom een pilaar genomen

en in zijn levenstijd voor zichzelf opgezet

  welke in de koningsvallei is,

want hij zei,

“Ik heb geen zoon om mijn naam te bewaren.”

Dus noemde hij de pilaar naar zijn eigen naam,

en dit wordt tot op vandaag Avshalom’s Monument genoemd.

ס

18:19 Vervolgens-

Achima’atz de zoon van Tzadok zei,

“Alsjeblieft laat mij rennen en de koning tijding brengen

dat Maryah hem heeft bevrijd uit de hand van zijn vijanden.”

18:20 Maar Yo’av zei tegen hem,

“Gij zijt niet de man om deze dag tijding te brengen,

maar gij zult op een andere dag tijding brengen;

hoe dan ook,

gij zult vandaag geen tijding brengen

omdat de koning’s zoon dood is.”

18:21 Toen zei Yo’av tegen de Kusiet,

“Ga,

vertel de koning wat gij gezien hebt.”

Dus boog de Kusiet voor Yo’av en rende weg.

18:22 Nu zei Achima’atz de zoon van Tzadok nogmaals tegen Yo’av,

“Maar wat er ook gebeurt,

alsjeblieft laat mij ook achter de Kusiet rennen.”

En Yo’av zei,

“Waarom zoudt gij rennen,

mijn zoon,

aangezien gij geen beloning zult krijgen om te gaan?”

18:23 “Maar wat er ook gebeurt,”

zei hij,

“Ik zal rennen.”

Dus zei hij tegen hem,

“Ren.”

Toen rende Achima’atz via de vlakte

en liet de Kusiet achter zich.

18:24 Nu zat David tussen de twee poorten;

en de wachter ging opwaarts naar het dak van de poort bij de muur,

en hief zijn ogen op en keek,

en ziedaar!

Een man die alleen rende.

18:25 De wachter riep en vertelde het de koning.

En de koning zei,

“Indien hij daar alleen is

is er goede tijding in zijn mond.”

En hij kwam steeds maar dichterbij.

18:26 Toen zag de wachter een andere man rennen;

en de wachter riep naar de poortwachter en zei,

“Ziedaar!

een andere man die alleen rent.”

En de koning zei,

“Deze brengt ook goede tijding.”

18:27 De wachter zei,

“Ik denk dat het rennen van de eerste

zoals het rennen van Achima’atz de zoon van Tzadok is.”

En de koning zei,

“Deze is een goede man en (hij) komt met goede tijding.”

18:28 Achima’atz riep en zei tegen de koning,

“Alles is wel.”

En hij wierp zich voor de koning neer met zijn aangezicht naar de grond.

ס

En hij zei,

“Gezegend is Maryah uw Aloha,

die de mannen heeft overgeleverd

die hun handen ophieven tegen mijn heer de koning.”

ס

18:29 De koning zei,

“Is het wel met de jonge man Avshalom?”

  En Achima’atz antwoordde,

  “Toen Yo’av de koning’s knecht zond,

en uw knecht,

zag ik een groot tumult,

maar ik wist niet wat het was.”

18:30 Toen zei de koning,

“Ga opzij en sta hier.”

Dus ging hij opzij en stond stil.

18:31 Ziedaar,

de Kusiet kwam aan,

en de Kusiet zei,

“Laat mijn heer de koning goede tijding ontvangen,

want Maryah heeft u deze dag bevrijd

uit de hand van al degenen die tegen u opstonden.”

ס

18:32 Toen zei de koning tegen de Kusiet,

“Is het wel met de jonge man Avshalom?”

En de Kusiet antwoordde,

“Laat de vijanden van mijn heer de koning,

en allen die tegen u opstaan om u te schaden,

zijn als die jonge man!”

ס

18:33 De koning was diep ontroerd

en ging op naar de kamer boven de poort

en weende.

En dus zei hij terwijl hij wandelde,

“O mijn zoon Avshalom,

mijn zoon,

mijn zoon Avshalom!

Ik zou in plaats van u gestorven zijn,

O Avshalom,

mijn zoon,

mijn zoon!”

19:1 Toen werd het Yo’av verteld,

“Ziedaar,

de koning weent en rouwt voor Avshalom.”

19:2 De overwinning die dag werd omgezet in rouw voor al het volk,

want het volk hoorde het die dag zeggen,

“De koning is bedroefd om zijn zoon.”

19:3 Dus het volk ging die dag door heimelijkheid de stad in,

gelijk vernederde mensen weg stelen

wanneer zij in de strijd vluchtten.

19:4 De koning bedekte zijn aangezicht

en schreeuwde het uit met een luide stem,

“O mijn zoon Avshalom,

O Avshalom,

mijn zoon,

mijn zoon!”

ס

19:5 Vervolgens-

Yo’av kwam het huis in tot de koning toe en zei,

“Vandaag hebt gij de aangezichten van al uw knechten

met schaamte bedekt,

die vandaag uw leven hebben gered

en de levens van uw zonen en dochters,

de levens van uw vrouwen,

en de levens van uw bijvrouwen,

19:6 door van degenen te houden die u haten,

en door degenen te haten die van u houden.

Want gij hebt vandaag laten zien

dat vorsten en knechten niets voor u zijn;

want ik weet deze dag dat ingeval Avshalom nog levend was-

en allen van ons vandaag dood waren,

dan zoudt gij verheugd zijn.

19:7 “Sta nu dus op,

ga uit en spreek vriendelijk tegen uw knechten,

ס

want ik zweer bij Maryah,

indien gij niet uitgaat,

dat er immers niet één man de nacht bij u zal doorbrengen,

en dit zal erger voor u zijn

dan al het kwaad dat over u is gekomen vanaf uw jeugd tot nu toe.”

ס

19:8 Dus stond de koning op en zat in de poort.

Toen men het al het volk vertelde,

zeggende,

“Ziedaar,

de koning zit in de poort,”

toen kwam al het volk voor de koning.

Nu was Isra’el (ondertussen) gevlucht,

elk naar zijn tent.

ס

19:9 Al het volk was twistende-

door al de stammen van Isra’el,

zeggende,

“De koning verloste ons uit de hand van onze vijanden

en redde ons uit de hand van de P’lishtim,

maar nu is hij weggevlucht van het land van Avshalom.

19:10 “Nochtans,

  Avshalom,

die wij over ons gezalfd hebben,

is in de strijd gestorven.

Nu dan,

waarom zijt gij stil betreffende het terugbrengen van de koning?”

ס

19:11 Vervolgens-

koning David zond naar Tzadok en Evyatar de priesters,

zeggende,

“Spreekt tegen de oudsten van Y’hudah,

zeggende,

‘Waarom zijt gij de laatste om de koning terug naar zijn huis te brengen,

vermits het woord van gans Isra’el naar de koning toe is gekomen,

zelfs naar zijn huis?

19:12 ‘Gij zijt mijn broeders;

gij zijt mijn been en mijn vlees.

Waarom zoudt gij dan de laatste zijn-

om de koning terug te brengen?’

19:13 “Zeg tegen ‘Amasa,

‘Zijt gij niet mijn been en vlees?

Moge Aloha zo doen aan mij,

en meer ook,

indien gij niet permanent-

bevelhebber van het leger voor mij zult zijn-

in plaats van Yo’av.'”

19:14 Zo boog hij de harten van alle mannen van Y’hudah om-

zoals één man,

zodat zij bericht naar de koning zonden,

zeggende,

“Keer terug,

gij en al uw knechten.”

19:15 De koning keerde toen terug en kwam aan bij de Yarden.

En Y’hudah kwam te Gilgal om de koning te ontmoeten,

(en) om de koning over de Yarden te brengen.

19:16 Vervolgens-

Shim’i de zoon van Gera,

de Binyamini die van Bachurim was,

haastte zich en kwam afwaarts met de mannen van Y’hudah

om koning David te ontmoeten.

19:17 Er waren één duizend mannen van Binyamini met hem,

met Tziva de knecht van het huis van Sha’ul,

en zijn vijftien zonen

en zijn twintig knechten met hem;

en zij snelden naar de Yarden toe voor de koning.

19:18 Toen bleven zij de oversteekplaats oversteken

om de koning zijn huishouden over te brengen,

en om te doen wat goed was in zijn zicht.

  En Shim’i de zoon van Gera viel voor de koning neer-

terwijl hij op het punt stond om de Yarden over te steken.

19:19 Dus zei hij tegen de koning,

“Laat mijn heer mij niet als schuldig beschouwen,

noch gedenken wat uw knecht verkeerd deed

op de dag toen mijn heer de koning van Yerushalayim uitkwam,

zo dat de koning het ter harte zou nemen.

19:20 “Want uw knecht weet dat ik gezondigd heb;

Zie daarom!

ik ben vandaag gekomen,

de eerste van het ganse het huis van Yosef

om afwaarts te gaan

om mijn heer de koning te ontmoeten.”

ס

19:21 Maar Avishai de zoon van Tz’ruyah zei,

“Zou Shim’i voor dit niet ter dood worden gebracht,

omdat hij Maryah zijn gezalfde vervloekte?”

ס

19:22 David zei toen,

“Wat heb ik met u te doen,

O zonen van Tz’ruyah,

  dat gij vandaag een tegenstander voor mij zoudt zijn?

Moet enig man heden in Isra’el ter dood worden gebracht?

Want weet ik niet dat ik heden koning over Isra’el ben?”

19:23 De koning zei tegen Shim’i,

“Gij zult niet sterven.”

Dus zwoer de koning het aan hem.

ס

19:24 Vervolgens-

M’fivoshet de zoon van Sha’ul kwam afwaarts

om de koning te ontmoeten;

en hij had zich niet om zijn voeten bekommerd,

noch zijn snorrenbaard bijgeknipt,

evenmin zijn kleren gewassen,

vanaf de dag dat de koning vertrok

tot de dag dat hij in vrede thuis kwam.

19:25 Het gebeurde toen hij naar Yerushalayim kwam-

om de koning te ontmoeten,

dat de koning tegen hem zei,

“Waarom zijt gij niet met mij meegegaan,

M’fivoshet?”

19:26 Dus antwoordde hij,

“O mijn heer,

de koning,

mijn knecht bedroog mij;

want uw knecht zei,

‘Ik zal een ezel voor mijzelf zadelen

opdat ik daarop moge rijden

en met de koning meegaan,’

omdat uw knecht kreupel is.

19:27 “Bovendien,

hij heeft uw knecht bij mijn heer de koning belasterd;

maar mijn heer de koning is gelijk de engel van Aloha,

doe daarom wat goed is in uw zicht.

19:28 “Want gans mijn vaders huishouden

was niets dan dode mannen voor mijn heer de koning;

  toch plaatst gij uw knecht-

onder degenen die aan uw eigen tafel aten.

Welk recht heb ik nog-

dat ik meer zou klagen bij de koning?”

פ

19:29 Dus zei de koning tegen hem,

“Waarom spreekt gij nog steeds over uw zaken?

  Ik heb besloten,

‘Gij en Tziva zullen het land verdelen.'”

19:30 M’fivoshet zei tegen de koning,

“Laat hem het zelfs allemaal nemen

vermits mijn heer de koning veilig naar zijn eigen huis is gekomen.”

ס

19:31 Nu was Barzillai de Gil’adi van Roglim afwaarts gekomen;

  en hij ging verder naar de Yarden met de koning

om hem over de Yarden te begeleiden.

19:32 Nu was Barzillai heel oud,

tachtig jaren oud zijnde;

en hij had de koning ondersteund terwijl hij te Machanayim verbleef,

want hij was een zeer voornaam man.

19:33 De koning zei tegen Barzillai,

“Steekt gij met mij over-

en ik zal u bij mij te Yerushalayim ondersteunen.”

19:34 Maar Barzillai zei tegen de koning,

“Hoe lang heb ik nog om te leven,

dat ik met de koning naar Yerushalayim zou opgaan?

19:35 “Ik ben nu tachtig jaren oud.

Kan Ik onderscheid maken tussen goed en kwaad?

Of kan uw knecht smaken wat Ik eet of wat Ik drink?

Of kan Ik de stem meer horen van zingende mannen en vrouwen?

Waarom zou uw knecht dan tot een extra last zijn-

voor mijn heer de koning?

19:36 “Uw knecht zou slechts met de koning de Yarden oversteken.

Waarom zou de koning mij vergoeden met deze beloning?

19:37 “Alsjeblieft laat uw knecht terugkeren,

dat ik moge sterven in mijn eigen stad

nabij het graf van mijn vader en mijn moeder.

Echter,

hier is uw knecht Khimham,

laat hem met mijn heer de koning oversteken,

en doe voor hem wat goed is in uw zicht.”

ס

19:38 De koning Antwoordde,

“Khimham zal met mij oversteken,

en ik zal voor hem doen wat goed is in uw zicht;

en wat gij ook van mij vraagt,

zal ik voor u doen.”

19:39 Al het volk stak de Yarden over-

en de koning stak ook over.

De koning kuste toen Barzillai en zegende hem,

en hij keerde terug naar zijn plaats.

ס

19:40 Nu ging de koning voort naar Gilgal,

en Khimham ging met hem voort;

en al het volk van Y’hudah-

en ook het halve volk van Isra’el-

vergezelde de koning.

19:41 En ziedaar!

Al de mannen van Isra’el kwamen naar de koning

en zeiden tegen de koning,

“Waarom hadden onze broeders

de mannen van Y’hudah u weg-gestolen,

  en de koning en zijn huishouden-

over de Yarden gebracht-

en al David’s mannen met hem?”

ס

19:42 Daarop beantwoordden al de mannen van Y’hudah-

de mannen van Isra’el,

“Omdat de koning een naaste verwant van ons is.

Waarom zijt gij dan toornig over deze zaak?

Hebben wij soms (iets) gegeten op kosten van de koning,

of is er iets voor ons meegenomen?”

ס

19:43 Maar de mannen van Isra’el-

beantwoordden de mannen van Y’hudah en zeiden.

  “Wij hebben tien delen in de koning,

  daarom hebben wij ook meer aanspraak op David dan gij.

Waarom hebt gij ons dan met minachting behandelt?

  Was het niet ons eerste advies om onze koning terug te brengen?”

Toch waren de woorden van de mannen van Y’hudah harder-

dan de woorden van de mannen van Isra’el.

ס

20:1 Nu was daar toevallig een waardeloze kerel

wiens naam Sheva was,

de zoon van Bikhri,

een Binyamini;

en hij blies de shofar en zei,

“Wij hebben geen deel in David,

Noch hebben wij erfenis in de zoon van Yishai;

Alleman naar zijn tenten,

O Isra’el!”

20:2 Dus trokken alle mannen van Isra’el zich terug van David te volgen

en volgenden Sheva

de zoon van Bikhri;

maar de mannen van Y’hudah bleven standvastig bij hun koning,

  van de Yarden af zelfs tot aan Yerushalayim.

20:3 Toen kwam David naar zijn huis te Yerushalayim,

en de koning nam de tien vrouwen,

de bijvrouwen die hij achtergelaten had om het huis te onderhouden,

  en plaatste hun onder bewaring

  en voorzag hun van levensonderhoud,

  maar ging tot hun niet in.

  Dus werden zij opgesloten tot de dag van hun dood,

  en leefden als weduwen.

ס

20:4 Vervolgens-

de koning zei tegen ‘Amasa,

“Roept de mannen van Y’hudah voor mij op binnen drie dagen,

en wees hier zelf (ook) aanwezig.”

20:5 Dus ging ‘Amasa om de mannen van Y’hudah op te roepen,

maar hij stelde langer uit dan de ingestelde tijd-

die hij hem had aangewezen.

ס

20:6 En David zei tegen Avishai,

“Nu zal Sheva de zoon van Bikhri

ons meer kwaad doen dan Avshalom;

neem uw heer zijn knechten en achtervolg hem,

zo dat hij voor hemzelf geen versterkte steden vindt-

en uit ons zicht ontsnapt.”

20:7 Dus gingen Yo’av’s mannen uit hem achteraan,

samen met de K’reti en de P’leti-

en al de machtige mannen;

en zij gingen uit van Yerushalayim-

om Sheva de zoon van Bikhri te achtervolgen.

20:8 Toen ze bij de grote steen waren die in Giv’on is,

kwam ‘Amasa hen tegemoet.

Nu was Yo’av gekleed in zijn militaire kleding,

en eroverheen was een riem met een zwaard in zijn schede

om zijn middel vastgemaakt;

en terwijl hij voorwaarts ging,

viel het eruit.

ס

20:9 Yo’av zei tegen ‘Amasa,

“Is het wel met u,

mijn broeder?”

En Yo’av nam ‘Amasa –

met zijn rechterhand bij de baard-

om hem te kussen.

20:10 Maar ‘Amasa was niet op zijn hoede voor het zwaard-

dat in Yo’av’s hand was

dus sloeg hij hem ermee in de buik

en zijn inwendige delen gutsten op de grond,

en sloeg hem niet nogmaals,

en hij stierf.

Vervolgens-

Yo’av en zijn broer Avishai achtervolgden-

Sheva de zoon van Bikhri.

20:11 Nu stond daar één van Yo’av’s jonge mannen bij hem,

en zei,

“Al wie Yo’av gunstig gezind is

en al wie voor David is,

laat hem Yo’av volgen.”

20:12 Maar ‘Amasa lag wentelend in zijn bloed

in het midden van de hoge weg.

En toen de man zag dat al het volk stil stond,

verplaatste hij ‘Amasa van de hoge weg naar het veld

en gooide een kleed over hem heen

terwijl hij zag dat ieder die langs hem kwam stil stond.

20:13 Zo gauw hij van de hoge weg verwijderd was,

gingen alle mannen verder Yo’av achterna

om Sheva de zoon van Bikhri te achtervolgen.

20:14 Nu ging hij (Sheva) doorheen al de stammen van Isra’el naar Avel,

zelfs naar Beit-Ma’akhah,

en gans het Berim;

ס

en zij waren tezamen verzameld-

en gingen hem ook achterna.

20:15 Zij kwamen en belegerden hem in Avel Beit-Ma’akhah,

en zij wierpen een belegeringshelling op tegen de stad,

en het stond bij de omwalling;

en al het volk dat met Yo’av was richtte vernieling aan-

teneinde de muur te doen kantelen.

20:16 Toen riep een wijze vrouw vanuit de stad,

“Hoort,

hoort!

Alsjeblieft vertel aan Yo’av,

‘Kom hierheen opdat ik met u moge spreken.'”

20:17 Dus benaderde hij haar,

en de vrouw zei,

“Zijt gij Yo’av?”

En hij antwoordde,

“Dat ben ik.”

Toen zei zij tegen hem,

“Luistert naar de woorden van uw dienstmeid.”

En hij antwoordde,

“Ik luister.”

20:18 Toen sprak zij,

zeggende,

“Eertijds zeiden zij altijd,

‘Zij zullen zeker advies vragen aan Avel,’

en zo beëindigden zij het geschil.

20:19 “Ik ben één van degenen die vreedzaam en getrouw zijn in Isra’el.

Gij zoekt om een stad te vernietigen,

zelfs een moeder in Isra’el.

Waarom wilt gij het erfdeel van Maryah opslokken?”

פ

20:20 Yo’av beantwoordde,

“Het zij verre,

het zij verre van mij dat ik zou opslokken of vernietigen!

20:21 “Zo is de zaak niet.

Maar een man van het heuvelland van Efrayim,

Sheva de zoon van Bikhri bij naam,

heeft zijn hand opgetild tegen koning David.

Overhandigd hem alleen,

en ik zal van de stad vertrekken.”

En de vrouw zei tegen Yo’av,

“Ziedaar!

zijn hoofd zal over de muur naar u toe worden geworpen.”

20:22 Toen kwam de vrouw wijselijk naar al het volk.

En zij hakten het hoofd van Sheva de zoon van Bikhri af-

en wierpen het naar Yo’av toe.

Dus blies hij op de shofar ,

en zij verspreidden zich van de stad,

ieder naar zijn tent.

Yo’av keerde ook terug naar de koning te Yerushalayim.

ס

20:23 Nu was Yo’av over het gehele leger van Isra’el,

en B’nayah de zoon van Y’hoyada was over de K’reti en de P’leti;

20:24 en Adoram was over de gedwongen arbeid,

en Y’hoshafat de zoon van Achilud was de griffier;

20:25 en Sh’va was schrijver,

en Tzadok en Evyatar waren priesters;

20:26 en ‘Ira de Ya’iri was ook een priester voor David.

ס

21:1 Nu was er in de dagen van David-

gedurende drie jaren een hongersnood,

jaar na jaar;

en David zocht de aanwezigheid van Maryah.

ס

En Maryah zei,

“Het is om Sha’ul en zijn bloederige huis,

omdat hij het volk van Giv’on ter dood bracht.”

21:2 Dus riep de koning de Giv’onim op en sprak tegen hen-

(nu waren de Giv’onim niet van de zonen van Isra’el

maar van het overblijfsel van de Emori,

en de zonen van Isra’el sloten een verbond met hen,

maar Sha’ul had gezocht om hen te doden

in zijn ijver voor de zonen van Isra’el en Y’hudah).

21:3 David zei dus tegen de Giv’onim,

“Wat moet ik voor u doen?

en hoe kan ik verzoening doen

zodat gij het erfdeel van Maryah moogt zegenen?”

21:4 Toen zeiden de Giv’onim tegen hem,

“Wij hebben geen belang bij zilver of goud-

met Sha’ul of zijn huis,

noch is het aan ons om enig man ter dood te brengen in Isra’el.”

En hij zei,

“Ik zal voor u doen wat gij ook zegt.”

21:5 Dus zeiden zij tegen de koning,

“De man die ons heeft verteerd-

en die plannen smeedde-

om ons uit te roeien-

om in elk grensgebied van Isra’el te verblijven,

21:6 laat zeven mannen van zijn zonen aan ons worden gegeven,

en wij zullen ze voor Maryah ophangen in Giv’ah van Sha’ul,

de uitverkorene van Maryah.”

פ

En de koning zei,

“Ik zal ze geven.”

21:7 Maar de koning spaarde M’fivoshet,

de zoon van Y’honatan de zoon van Sha’ul,

vanwege de eed van Maryah die tussen hun was,

tussen David en Sha’ul’s zoon Y’honatan.

21:8 Dus nam de koning de twee zonen van Ritzpah de dochter van Ayah,

Armoni en M’fivoshet die zij aan Sha’ul had gebaard,

en de vijf zonen van Mikhal de dochter van Sha’ul,

die zij aan Adri’el had gebaard de zoon van Barzillai de Mecholati.

21:9 Toen gaf hij ze in de handen van de Giv’onim,

en op de berg voor Maryah hingen zij hen op,

zo dat de zeven van hen tegelijk vielen;

en zij werden ter dood gebracht-

in de eerste dagen van de oogsttijd-

bij het begin van de gerstoogst.

21:10 En Ritzpah de dochter van Ayah nam een jutten zak

en spreidde die voor haar uit op de rots,

(en bleef daar) vanaf het begin van de oogsttijd

totdat het vanuit de lucht op hen (de lichamen) regende;

en zij liet ook de vogels van de hemel op hen niet rusten-

bij daglicht-

evenmin de beesten van het veld-

bij duisternis.

21:11 Wanneer David verteld werd-

wat Ritzpah de dochter van Ayah,

de bijvrouw van Sha’ul,

had gedaan,

21:12 toen ging David heen en nam de beenderen van Sha’ul

en de beenderen van zijn zoon Y’honatan

van de mannen van Yavesh-Gil’ad,

die hen hadden gestolen van het open plein van Beit-Sh’an,

waar de P’lishtim hen hadden opgehangen

op de dag dat de P’lishtim Sha’ul neersloegen te Gilboa.

21:13 Hij bracht de beenderen van Sha’ul-

en de beenderen van zijn zoon Y’honatan

vandaar opwaarts,

en ze verzamelden de beenderen-

van degenen die opgehangen waren.

21:14 Ze begroeven de beenderen van Sha’ul en zijn zoon Y’honatan-

in het land van Binyamin in Tzela,

in het graf van zijn vader Kish;

dus deden zij alles wat de koning beval,

en daarna werd Aloha door gebed bewogen voor het land.

פ

21:15 Toen nu de P’lishtim opnieuw in oorlog waren met Isra’el,

ging David neerwaarts en zijn knechten met hem;

en terwijl zij tegen de P’lishtim streden,

werd David vermoeid.

21:16 Vervolgens Yishbi-B’nov,

die onder de nakomelingen van de kolos was,

het gewicht van wiens spies

driehonderd shekels van brons in gewicht was,

was aangegord met een nieuw zwaard,

en hij was van plan om David te doden.

21:17 Maar Avishai de zoon van Tz’ruyah hielp hem,

en sloeg de P’lishti en doodde hem.

Toen zwoeren de mannen van David tegen hem,

zeggende,

“Gij moet niet opnieuw met ons uitgaan om te strijden,

zo dat gij de lamp van Isra’el niet uitdooft.”

פ

21:18 Nu gebeurde het daarna

dat er terug oorlog was met de P’lishtim te Gov;

toen sloeg Sibkhai de Hushati Saf neer,

die onder de nakomelingen van de kolos was.

ס

21:19 Er was terug oorlog met de P’lishtim te Gov,

en Elchanan de zoon van Ya’arei-Orgim,

de Beit-Lachmi,

doodde Golyat de Gitti,

van wiens spies-

de schacht als een weversboom was.

ס

21:20 Er was terug oorlog te Gat,

waar er een man van grote gestalte was

die zes vingers aan elke hand had

en zes tenen aan elke voet,

vierentwintig in aantal;

en hij was ook geboren geworden aan de kolos.

21:21 Toen hij Isra’el uitdaagde,

sloeg Y’honatan

de zoon van Shim’ah,

Davids broeder,

hem neer.

21:22 Deze vier waren geboren aan de kolos te Gat,

en zij vielen door de hand van David

en door de hand van zijn knechten.

ש

22:1 En David sprak de woorden van dit lied tegen Maryah

op de dag dat Maryah hem verloste-

vanuit de hand van al zijn vijanden-

en vanuit de hand van Sha’ul.

ס

22:2 Hij zei,

“Maryah is mijn rots en mijn vesting

en mijn verlosser;

22:3 Mijn Aloha,

mijn rots,

in wie ik toevlucht neem,

Mijn schild en de hoorn van mijn heil,

mijn bolwerk en mijn toevlucht;

Mijn verlosser,

Gij verlost mij van geweld.

22:4 “Ik roep Maryah aan,

die waardig is om te worden geprezen,

En ik ben verlost van mijn vijanden.

22:5 “Want de brekers van de dood omgaven mij;

De stortvloeden van verwoesting overweldigden mij;

22:6 De snoeren van Sh’ol omsloten mij;

De strikken van de dood confronteerden mij.

22:7 “In mijn benauwdheid riep ik Maryah aan,

Ja,

Ik riep naar mijn Aloha;

En vanuit Zijn tempel hoorde Hij mijn stem,

En mijn kreet om hulp kwam in Zijn oren.

22:8 “Toen schudde en beefde de aarde,

De fundamenten van de hemel beefden

En werden door elkaar geschud,

omdat Hij verbolgen was.

22:9 “Rook steeg opwaarts vanuit Zijn neusgaten,

Vuur vanuit Zijn mond verteerde;

Kolen werden erdoor aangestoken.

22:10 “Hij kromde ook de hemelen,

en kwam neerwaarts-

Met dikke donkerheid onder Zijn voeten.

22:11 “En Hij reed op een keruv en vloog;

En Hij verscheen op de vleugels van de wind.

22:12 “En Hij maakte duisternis tot baldakijnen rondom Hem,

Een samentrekking van wateren,

dikke wolken van de hemel.

22:13 “Van de schittering voor Hem-

Werden kolen van vuur aangestoken.

22:14 “Maryah donderde vanuit de hemel,

En de Meest Hoogste uitte Zijn stem.

22:15 “En Hij zond pijlen uit,

en verstrooide ze,

Bliksem,

en verpletterde ze.

22:16 “Toen verschenen de kanalen van de zee,

De fundamenten van de wereld werden blootgelegd-

Door de bestraffing van Maryah,

Bij het geblaas van de adem van Zijn neusgaten.

22:17 “Hij zond van om hoog,

  Hij nam mij;

  Hij trok mij uit van vele wateren.

22:18 “Hij verloste mij van mijn sterke vijand,

Van degenen die mij haatten,

want zij waren te sterk voor mij.

22:19 “Zij confronteerden mij op de dag van mijn rampspoed.

Maar Maryah was mijn steun.

22:20 “Hij bracht mij voort tot in een brede plaats;

Hij verloste mij,

omdat Hij in mij verheugde.

22:21 “Maryah heeft mij beloond overeenkomstig mijn gerechtigheid;

Overeenkomstig de reinheid van mijn handen heeft Hij mij vergoed.

22:22 “Want ik heb de wegen van Maryah gehouden,

En heb niet goddeloos tegen mijn Aloha gehandeld .

22:23 “Want al Zijn verordeningen waren vóór mij,

En wat Zijn inzettingen betreft,

Ik ben van hen niet afgeweken.

22:24 “Ik was ook onberispelijk naar Hem toe,

En Ik hield mijzelf af van mijn ongerechtigheid.

22:25 “Daarom heeft Maryah mij beloond overeenkomstig mijn gerechtigheid,

Overeenkomstig mijn reinheid voor Zijn ogen.

22:26 “Met de welwillende toont Gij Uzelf welwillend,

Met de onberispelijke toont Gij Uzelf onberispelijk;

22:27 Met de reine toont Gij Uzelf rein,

En met de ontaarde toont Gij Uzelf scherpzinnig.

22:28 “En Gij verlost een gekweld volk;

Maar Uw ogen zijn op de hooghartige die Gij vernedert.

22:29 “Want Gij zijt mijn lamp,

O Maryah;

En Maryah verlicht mijn duisternis.

22:30 “Want door U kan ik door een bende lopen;

Door mijn Aloha kan ik over een muur springen.

22:31 “Wat Aloha betreft,

Zijn weg is onberispelijk;

Het woord van Maryah is (door vuur) beproefd;

  Hij is een schild aan allen die hun toevlucht in Hem zoeken.

22:32 “Want wie is Aloha,

behalve Maryah?

En wie is een rots,

behalve onze Aloha?

22:33 “Aloha is mijn sterke vesting;

En Hij stelt de onberispelijke op Zijn wegen.

22:34 “Hij maakt mijn voeten als hinde-poten,

  En stelt mij op mijn hoge plaatsen.

22:35 “Hij traint mijn handen voor de strijd,

Zodat mijn armen een boog van brons kunnen spannen.

22:36 “Gij hebt mij ook het schild van Uw heil gegeven,

En Uw steun maakt mij groot.

22:37 “Gij verruimt mijn voetstappen onder mij,

En mijn voeten zijn niet uitgegleden.

22:38 “Ik achtervolgde mijn vijanden en verwoeste hen,

En ik keerde niet terug totdat ze verteerd waren.

22:39 “En ik heb hen verslonden en verpletterde hen,

zodat zij niet opstonden;

En zij vielen onder mijn voeten.

22:40 “Want Gij hebt mij omgord met kracht voor de strijd;

Gij hebt degenen die tegen mij opstonden onder mij onderworpen.

22:41 “Gij hebt ook mijn vijanden naar mij de rug doen toekeren,

En ik vernietigde degenen die mij haatten.

22:42 “Zij keken uit,

maar er was niet één om te verlossen;

Zelfs naar Maryah,

maar Hij antwoordde hun niet.

22:43 “Toen verpulverde ik hen als het stof van de aarde;

Ik verpletterde en stampte ze als het slijk van de straten.

22:44 “Gij hebt mij ook verlost van de twisten van mijn volk;

Gij hebt mij bewaard als hoofd van de naties;

Een volk dat ik niet heb gekend dient mij.

22:45 “Vreemdelingen veinzen gehoorzaamheid aan mij;

Zodra zij (van mij) horen,

gehoorzamen zij mij.

22:46 “Vreemdelingen verliezen hun hart (raken ontmoedigd),

En komen bevend vanuit hun forten.

22:47 “Maryah is levend,

en gezegend zij mijn rots;

En verheven zij Aloha,

de rots van mijn heil,

22:48 Aloha die voor mij wraak voltrekt,

En volken onder mij neer-brengt,

22:49 die mij ook uitbrengt van mijn vijanden;

Gij heft mij zelfs boven degenen die tegen mij opstaan;

Gij verlost mij van de gewelddadige mens.

22:50 “Daarom zal ik dankzegging aan U geven,

O Maryah,

onder de naties,

En ik zal lof zingen aan Uw naam.

22:51 “Hij is een toren van verlossing aan Zijn koning,

En betoont liefdevolle goedheid aan Zijn gezalfde,

Aan David en zijn nakomelingen voor eeuwig en altijd.”

ר

ש

23:1 Dit zijn nu de laatste woorden van David.

David de zoon van Yishai maakt bekend,

De man die verheven is geweest in de hoogte maakt bekend,

De gezalfde van de Aloha van Ya’akov,

En de lieflijke psalmist van Isra’el,

23:2 “De Geest van Maryah sprak door mij,

En Zijn woord was op mijn tong.

23:3 “Aloha van Isra’el zei,

De Rots van Isra’el sprak tegen mij,

‘Hij die rechtvaardig over mensen heerst,

Die heerst in de vreze van Aloha,

23:4 Is als het licht van de morgen wanneer de zon opkomt,

Een morgen zonder wolken,

Wanneer het tedere gras uit de aarde ontspringt,

Door zonneschijn na regen.’

23:5 “Waarlijk

Is mijn huis alzo niet bij Aloha?

Want Hij heeft een eeuwig verbond met mij gesloten,

In alle dingen geordend,

en gewaarborgd;

Want al mijn heil en al mijn verlangen,

Zal hij het inderdaad niet laten groeien?

23:6 “Maar de waardeloze (mannen),

ieder van hen zal worden weggegooid als doornen,

Omdat zij niet in de hand kunnen worden genomen;

23:7 Maar de man die hen aanraakt

Moet bewapend zijn met ijzer en de schacht van een spies,

En zij zullen volkomen worden verbrand met vuur in hun plaats.”

פ

23:8 Dit zijn de namen van de machtige mannen die David had:

Yoshev-Bashevet de Tach’kmoni,

hoofd van de gezagsvoerders,

hij werd ‘Adino de ‘Etzni genoemd;

vanwege de achthonderd door hem gedood in één keer;

ס

23:9 en na hem was El’azar de zoon van Dodo de zoon van Achochi,

één van de drie machtige mannen met David

toen zij de P’lishtim uitdaagden

die daar waren verzameld om te strijden

en de mannen van Isra’el zich hadden teruggetrokken.

23:10 Hij stond op en sloeg de P’lishtim

totdat zijn hand vermoeid was en aan het zwaard (vast) kleefde,

  en Maryah bracht een grote overwinning die dag;

en het volk keerde na hem terug

alleen om de gedoden te stropen.

ס

23:11 Na hem nu was Shammah de zoon van Age de Harari.

En de P’lishtim waren verzameld te Lechi-

daar waar een stuk grond vol van linzen was,

en het volk van (voor) de P’lishtim vluchtte.

23:12 Maar hij nam zijn positie in het midden van het stuk grond,

verdedigde het en sloeg de P’lishtim;

en Maryah bracht een grote overwinning teweeg.

ס

23:13 Toen gingen drie van de dertig hoofdmannen neerwaarts-

en kwamen naar David toe in de oogsttijd

naar de grot van ‘Adulam,

terwijl de bende van de P’lishtim kampeerde

in het dal van Refa’im.

23:14 David was toen in het bolwerk,

terwijl het garnizoen van de P’lishtim toen in Beit-Lechem was.

23:15 David had een hunkering en zei,

“Oh dat iemand mij water te drinken zou geven

vanuit de put van Beit-Lechem

die bij de poort is!”

ס

23:16 Dus braken de drie machtige mannen door het kamp van de P’lishtim,

en putten water uit de put van Beit-Lechem

die bij de poort was,

en namen het en brachten het naar David.

Toch wilde hij het niet drinken,

maar goot het uit voor Maryah;

23:17 en hij zei,

“Het zij verre van mij,

O Maryah,

dat ik dit zou moeten doen.

Zal ik het bloed drinken van de mannen-

die hun leven in gevaar hebben gebracht?”

Daarom wilde hij het niet drinken.

Deze dingen deden de drie machtige mannen.

ס

23:18 Avishai,

de broer van Yo’av,

de zoon van Tz’ruyah,

was hoofd van de dertig.

En hij slingerde zijn spies tegen driehonderd en doodde hen,

en had evenals de drie een reputatie.

23:19 Hij was de meest geëerde van de dertig,

daarom werd hij hun bevelhebber;

echter,

bereikte hij (de status van) de drie niet.

ס

23:20 Vervolgens-

B’nayah de zoon van Y’hoyada,

de zoon van een dapper man van Kavtze’el,

die machtige daden had gedaan,

doodde de twee zonen van Ariël van Mo’av-

Hij ging ook afwaarts en doodde een leeuw-

in het midden van een kuil-

op een besneeuwde dag.

23:21 Hij doodde een Egyptenaar,

een imponerend man.

Nu had de Egyptenaar een spies in zijn hand,

maar hij ging afwaarts naar hem toe met slechts een knots-

en griste de spies uit de hand van de Egyptenaar-

en doodde hem met zijn eigen spies.

23:22 Deze dingen deed B’nayah de zoon van Y’hoyada,

en had evenals de drie machtige mannen een reputatie.

23:23 Hij werd geëerd onder de dertig,

maar hij bereikte (de status van de) drie niet.

  En David stelde hem over zijn (persoonlijke) wacht.

ס

23:24 Asah’el de broer van Yo’av was één van de dertig;

Elchanan de zoon van Dodo van Beit-Lechem,

ס

23:25 Shammah de Harodi, Elika de Harodi,

ס

23:26 Heletz de Palti, ‘Ira de zoon van ‘Ikesh van T’koa,

ס

23:27 Avi’ezer van ‘Anatot, M’vunai de Hushati,

ס

23:28 Tzalmon de Achochi, Mahrai de N’tofati,

ס

23:29 Helev de zoon van Ba’anah de N’tofati,

Ittai de zoon van Rivai van Giv’ah-

van de zonen van Binyamin,

ס

23:30 B’nayahu van Pir’aton, Hiddai van de beken van Ga’ash,

ס

23:31 Avi-‘Alvon de ‘Arvati, ‘Azmavet de Barchumi,

ס

23:32 Elyachba de Sha’alvoni,

van de zonen van Yashen,

Y’honatan,

ס

23:33 Shammah de Harari, Achi’am de zoon van Sharar de Arari,

ס

23:34 Elifelet de zoon van Achasbai de zoon van de Ma’akhati,

Eli’am de zoon van Achitofel van Giloh,

ס

23:35 Hetzrai van Karmel, Pa’arai de Arbi,

ס

23:36 Yig’al de zoon van Natan van Tzovah, Bani de Gadi,

ס

23:37 Tzelek de ‘Amoni, Nachrai de Be’eroti,

wapenrusting-dragers van Yo’av de zoon van Tz’ruyah,

ס

23:38 Ira de Yitri, Garev de Yitri,

ס

23:39 Uriyah the Hitti;

zeven-en-dertig in totaal.

פ

24:1 Nu ontbrande opnieuw de toorn van Maryah tegen Isra’el,

en dat zette David ertoe aan-

om tegen hun te zeggen,

“Ga heen,

tel (het volk van) Isra’el en Y’hudah.”

24:2 De koning zei tegen Yo’av-

de bevelhebber van het leger die met hem was,

“Ga nu rondom door all de stammen van Isra’el,

van Dan tot aan Be’er-Sheva,

en registreert het volk,

opdat ik het totaal van het volk moge weten.”

ס

24:3 Maar Yo’av zei tegen de koning,

“Moge Maryah uw Aloha-

honderd keer toevoegen aan het volk

ongeacht met hoeveel zij nu zijn,

  terwijl de ogen van mijn heer de koning toch zien;

maar waarom heeft mijn heer de koning genoegen in dit ding?”

24:4 Niettemin,

het woord van de koning overheerste tegen Yo’av

en tegen de bevelhebbers van het leger.

Dus Yo’av en de bevelhebbers van het leger-

gingen uit van de tegenwoordigheid van de koning-

om het volk van Isra’el te registreren.

24:5 Ze staken de Yarden over

en sloegen hun kamp op in ‘Aro’er,

aan de rechterkant van de stad-

dat in het midden is van de vallei van Gad-

en richting Ya’zer.

24:6 Toen kwamen zij naar Gil’ad

en naar het land van Tachtim-Hodshi,

en zij kwamen naar Dan-Ya’an

en kwamen rondom naar Tzidon,

24:7 en kwamen naar de vesting van Tzor

en naar al de steden van de Hivi

en van de Kena’ani,

en zij gingen uit naar het zuiden van Y’hudah,

naar Be’er-Sheva.

24:8 Dus toen zij doorheen het hele land waren gegaan,

kwamen zij (terug) te Yerushalayim-

op het einde van negen maanden en twintig dagen.

24:9 En Yo’av gaf het totaal van de registratie van het volk aan de koning;

  en er waren in Isra’el achthonderdduizend dappere mannen

die het zwaard trokken,

en de mannen van Y’hudah waren vijfhonderdduizend mannen.

24:10 Nu verontrustte David’s hart hem nadat hij het volk had geteld.

פ

Dus zei David tegen Maryah,

“Ik heb zeer gezondigd in wat ik gedaan heb.

Maar nu,

O Maryah,

alsjeblieft neem de ongerechtigheid van Uw knecht weg,

want ik heb heel dwaas gehandeld.”

24:11 Toen David in de ochtend opstond,

פ

het woord van Maryah kwam tot de profeet Gad,

David’s ziener,

zeggende,

24:12 “Ga en spreek tegen David,

‘Zo zegt Maryah,

“Ik bied u drie dingen aan;

  kies één van hen voor uzelf uit,

welke Ik aan u doen zal.”‘”

24:13 Dus kwam Gad naar David en vertelde hem,

en zei tegen hem,

“Zullen er in uw land

zeven jaren van hongersnood naar u toe komen?

Of zult gij drie maanden voor uw vijanden vluchtten

terwijl zij u achtervolgen?

  Of zullen er drie dagen pest in uw land zijn?

Overweegt nu-

en zie welk antwoord ik zal terugkeren-

naar Hem die mij zond .”

24:14 Toen zei David tegen Gad,

“Ik ben in grote angst.

Laat ons nu in de hand van Maryah vallen-

want Zijn barmhartigheden zijn groot,

maar laat mij niet in de hand van de mens vallen.”

24:15 Dus zond Maryah een pestziekte op Isra’el

vanaf de ochtend tot de bestemde tijd,

  en zeventigduizend mannen van het volk van Dan

tot aan Be’er-Sheva stierven.

24:16 Toen de engel zijn hand uitstrekte naar Yerushalayim-

om het te vernietigen,

had Maryah spijt van de rampspoed-

en zei tegen de engel die het volk vernietigde,

“Het is genoeg!

Ontspan nu uw hand!”

En de engel van Maryah-

was bij de dorsvloer van Aravnah de Y’vusi.

ס

24:17 Toen sprak David tegen Maryah-

terwijl hij de engel zag

die het volk neersloeg,

en zei,

“Ziehier!

ik ben het die gezondigd hebt,

en ik ben het die verkeerd gedaan heb;

maar deze schapen,

wat hebben zij gedaan?

Alsjeblieft laat Uw hand tegen mij zijn-

en tegen mijn vaders huis.”

פ

24:18 Dus kwam Gad die dag naar David en zei tegen hem,

“Ga opwaarts,

richt een altaar op voor Maryah-

op de dorsvloer van Aravnah de Y’vusi.”

24:19 David ging opwaarts overeenkomstig het woord van Gad,

precies zoals Maryah had bevolen.

24:20 Aravnah keek neerwaarts

en zag de koning en zijn knechten oversteken naar hem toe;

en Aravnah ging uit-

en boog zijn aangezicht voor de koning tot op de grond.

24:21 Toen zei Aravnah,

“Waarom is mijn heer de koning naar zijn knecht gekomen?”

En David zei,

“Om de dorsvloer van u te kopen,

om een altaar voor Maryah te bouwen,

opdat de pestziekte-

moge afgehouden worden van het volk.”

24:22 Aravnah zei tegen David,

“Laat mijn heer de koning nemen-

en opwaarts offeren wat goed is in zijn ogen.

Kijk,

de ossen voor het brandoffer,

de dors-sleeën

en de jukken van de ossen voor het brandhout.

24:23 “Alles,

O koning,

geeft Aravnah aan de koning.”

ס

En Aravnah zei tegen de koning,

“Moge Maryah uw Aloha u aanvaarden.”

24:24 Echter,

de koning zei tegen Aravnah,

“Neen,

maar ik zal het zeker van u kopen voor een prijs,

want ik zal Maryah mijn Aloha geen brandoffers offeren

welke mij niets kosten.”

Dus kocht David de dorsvloer en de ossen voor vijftig shekels van zilver.

24:25 David bouwde daar een altaar voor Maryah

en offerde brandoffers

en vredesoffers.

Zo werd Maryah bewogen door gebed voor het land,

en de pestziekte werd van Isra’el afgehouden.

ש

You cannot copy content of this page